Mathias Sandorf [1]

Part 17

Chapter 173,860 wordsPublic domain

„Als het u bij mij bevalt, zult gij mij niet meer verlaten”, antwoordde de dokter glimlachend, „dan kunt gij bij mij aan boord blijven. En kijk, gij zult aan mijne bemanning les op het slappe koord kunnen geven! En wanneer het u integendeel zou lijken naar uw vaderland weer te keeren, dan zal ik er u brengen en zorgen dat u een zekere gegoedheid voor uw geheele leven verzekerd is.”

„Oh! heer dokter!” riep Pescadospunt uit. „Maar het is toch uwe meening niet, ons niets te laten uitvoeren. Tot niets goed te zijn, zou ons niemendal lijken!”

„Ik beloof u arbeid, en van dusdanigen aard, dat hij u tevreden zal stellen.”

„Waarlijk,” zei Pescadospunt, „dan is het aanbod zeer verleidelijk.”

„Hebt gij nog tegenwerpingen te maken?”.

„Nog eene enkele. Gij ziet ons beiden, Kaap Matifou en mij! Wij zijn afkomstig van hetzelfde vaderland en wij zouden ongetwijfeld tot dezelfde familie behooren, wanneer wij eene familie bezaten. Wij zijn broeders volgens het hart! Kaap Matifou zou niet zonder Pescadospunt en Pescadospunt niet zonder Kaap Matifou kunnen leven! Verbeeld u de Siameesche tweelingen! Men heeft hen nimmer kunnen scheiden, niet waar, omdat eene scheiding hun het leven zou gekost hebben. Welnu, wij zijn als die Siameezen. Wij hebben elkander lief, heer dokter.”

Pescadospunt had, terwijl hij zoo sprak, de hand aan Kaap Matifou toegestoken, die hem naar zich toetrok en hem aan zijne borst drukte, zooals hij met een kind gedaan zou hebben.

„Vrienden,” zei dokter Antekirrt, „er is geen quaestie van ulieden te scheiden en het zal steeds mijn wensch zijn, dat gij mij niet zult verlaten!”

„Dan zou het kunnen gaan, heer dokter, als....”

„Als?”

„Als Kaap Matifou zijne toestemming geeft.”

„Zeg ja, Pescadospunt,” mompelde de Hercules, „dan hebt gij voor ons beiden geantwoord!”

„Welnu,” zei de dokter, „dat is dan afgesproken en gij zult geen berouw over uw besluit ondervinden. Bekommert u van heden af om niets meer!”

„O, heer dokter, pas op!” hernam Pescadospunt. „Gij verbindt u daar tot meer dan gij wel denkt!”

„Hoezoo?”

„Ziet, wij zullen dure gasten zijn, vooral Kaap Matifou. Dat is een groote eter en gij zoudt hem in uwen dienst zijne spierkracht niet willen laten verliezen, al was dat nog zoo weinig maar.”

„Ik beoog integendeel, dat hij die krachten verdubbelen zal.”

„Dan zal hij u te gronde richten!”

„Men richt mij niet te grande, Pescadospunt.”

„Evenwel.... twee.... drie maaltijden per dag....”

„Vijf, zes, tien, als hij zulks verkiezen zal,” antwoordde dokter Antekirrt glimlachend. „Er zal steeds open tafel voor hem zijn!”

„Hè, Kaap, wat zeg je er van?” riep Pescadospunt guitig uit. „Ge zult dan steeds volop kunnen eten!”

„En gij ook, Pescadospunt!”

„O, ik! Een vogel!—Maar zou ik u mogen vragen, of wij ter zee zullen varen?”

„Dikwijls, vriend. Ik zal thans aan de vier hoeken van de Middellandsche zee te doen krijgen. Mijn praktijk zal zoo wat overal langs de kusten bestaan. Ik hoop de geneeskunde te kunnen uitoefenen op eene internationale wijze. Wanneer een zieke mij naar Tanger, of naar de Balearische eilanden roept, wanneer ik mij te Suez of te Smyrna bevind, zal ik hem dan niet moeten gaan bezoeken? Wat een geneesheer in eene groote stad van het eene kwartier tot het andere uitvoert, zal ik van de Straat van Gibraltar naar den Griekschen Archipel, van de Adriatische zee naar de Leeuwengolf, van de Jonische zee naar de baai van Gabés verrichten! Ik bezit nog andere vaartuigen, tien malen vlugger dan die goelet en.... bij die tochten zult gijlieden mij meestal vergezellen.”

„Dat lijkt ons, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij zich in de handen wreef.

„Zijt gijlieden niet bang voor de zee?”

„Neen!” riep Pescadospunt uit. „Wij bang? Wij kinderen van de Provence! Als straatjongens speelden en rolden wij in de sloepen op het strand! Neen, wij zijn niet bang voor de zee, ook niet voor de zoogenaamde zeeziekte! Door de gewoonte, die wij hebben, om met het hoofd omlaag en de beenen omhoog te loopen, zijn wij tegen die ongesteldheid gevrijwaard. Wanneer de heeren en dames, alvorens zich in te schepen, slechts eenige maanden lang die lichaamsoefening betrachtten, dan zouden zij nimmer noodig hebben hunnen neus gedurende den overtocht boven hunne lampetkom te houden! Komt binnen, heeren en dames! Komt binnen! Volgt slechts de menigte!”

Men ziet het, de goedhartige Pescadospunt verviel weer bij zijne blijdschap in zijne gewone kwinkslagen, net alsof hij zich nog op de verhevenheid zijner kermistent bevond.

„Goed zoo, Pescadospunt!” zei de dokter. „Wij zullen elkander uitmuntend verstaan. Bovenal beveel ik u aan, niets van uwe opgeruimdheid te verliezen. Lacht, mijn jongen, lacht en zingt, zooveel ge verkiest. De toekomst zal wellicht genoeg droefgeestige gebeurtenissen opleveren, om uwe vroolijkheid onderweg te doen waardeeren.”

Terwijl hij die laatste woorden sprak, was dokter Antekirrt zeer ernstig geworden. Pescadospunt, die hem gadesloeg, had als een voorgevoel, dat die man in vroegere dagen veel geleden had en dat zij de oorzaak daarvan wel eens zouden vernemen.

„Heer dokter,” zei hij toen, „van heden af behooren wij u met ziel en lichaam toe.”

„En van heden af,” antwoordde de dokter, „kunt gij u in uwe hutten inrichten. Waarschijnlijk zal ik eenige dagen te Gravosa en te Ragusa blijven; maar het zal goed zijn, dat gij de gewoonte aanneemt om aan boord van de Savarena te leven.”

„Tot het oogenblik, dat gij ons in uw vaderland zult gevoerd hebben!” liet Pescadospunt volgen.

„Ik heb geen vaderland,” antwoordde de dokter, „of beter, ik heb, als gij wilt, een vaderland van eigen maaksel, dat ook het uwe zal worden!”

„Kom, Kaap Matifou,” riep Pescadospunt uit. „Kom laten wij ons handelshuis gaan liquideeren. Wees gerust, wij zijn niemand iets schuldig en zullen niet failliet gaan!”

Daarop daalden de twee vrienden, na afscheid van dokter Antekirrt genomen te hebben, in de sloep af, die hen wachtte en waarmede zij naar de kade van Gravosa teruggevoerd werden.

Daar hadden zij in nog geen twee volle uren, hunnen inventaris opgemaakt en hunne kermistent, hunne geschilderde kunststukken, hunne groote en kleine trom, die hunne geheele bezitting daarstelden, aan een confrater overgedaan. Dat duurde niet lang en leverde ook geene moeilijkheid op. Ook zouden hunne zakken niet overmatig bezwaard worden door de weinige guldens, die zij daarin opbergden.

Toch stond Pescadospunt er op om zijn kunstenmakerspak en zijne pistoncornet, en Kaap Matifou zijne schuiftrompet en zijn worstelaarspak te bewaren. Zij zouden anders te veel verdriet gehad hebben, door het scheiden van die werktuigen en die vodden, die hen aan zoovele uren van succes en zegepraal herinnerden. Die kleedingstukken werden op den bodem van eene kist geborgen, welke hun ameublement, hunne garderobe en geheel hun materieel bevatte.

Tegen een uur in den namiddag waren Pescadospunt en Kaap Matifou aan boord van de Savarena terug.

Een groote hut in het vooronder werd ter hunner beschikking gesteld. Het was eene gemakkelijke en ruime hut die van alles voorzien was, „ook om te kunnen schrijven,” zei de snaak.

De bemanning ontving de nieuwe kameraden, wien zij te danken hadden, aan een groot ongeluk ontsnapt te zijn, recht hartelijk.

Reeds bij hunne aankomst konden Pescadospunt en Kaap Matifou proeven, dat de kombuisproducten aan boord hen de keukens der Provençaalsche kermistenten niet zouden doen betreuren.

„Zie je, Kaap Matifou,” zei en herhaalde Pescadospunt, terwijl hij een glas heerlijken Asti-wijn slurpte, „zie je, met goed gedrag komt men tot alles! Maar, dat moet er zijn!”

Kaap Matifou, wiens mond toen met een flink stuk ham gevuld was, dat met twee gebakken eieren in de onpeilbare diepte van zijne maagholte verdween, antwoordde slechts met een hoofdknik.

„Welke ontvangst wel te maken zou zijn, wanneer het publiek je kon zien eten, Kaap Matifou!”

IV.

DE WEDUWE VAN STEPHANUS BATHORY.

De tijding der aankomst van dokter Antekirrt had zich spoedig, niet alleen te Ragusa, maar ook in de geheele Dalmatische provincie verbreid. De dagbladen wierpen zich als het ware op die prooi, die hen eene serie van pikante berichten in het vooruitzicht stelde, en begonnen met de aankomst van de goelet in de haven van Gravosa aan te kondigen. De eigenaar van de Savarena kon dus niet ontsnappen aan het eerbetoon, maar ook niet aan de bezwaren, aan dergelijke beroemdheid onvermijdelijk verbonden. Zijne persoonlijkheid lag als het ware op ieders lippen. De legende maakte zich van hem meester. Men wist niet wie hij was, vanwaar hij kwam en waarheen hij ging. Dat kon slechts de publieke nieuwsgierigheid te meer prikkelen. En, natuurlijk, wanneer men niets weet, dan is het veld der onderstellingen des te uitgebreider, de verbeelding benuttigt dat en dan.... dan schijnt het een wedren te zijn voor allen, die het best ingelicht meenen te zijn.

De reporters, bij hun streven om hunne lezers ter wille te zijn, waren met spoed naar Gravosa getrokken. Sommigen hunner begaven zich zelfs aan boord van de goelet. Zij kregen evenwel den persoon, die in de openbare meening zooveel opgang maakte, niet te zien. De bevelen daaromtrent waren stellig. De dokter ontving niemand. De antwoorden, die kapitein Narsos aan de bezoekers gaf, waren dan ook onveranderlijk dezelfde:

„Maar, vanwaar komt die dokter?”

„Vanwaar het hem gelieft.”

„En waarheen gaat hij?”

„Waarheen hem dat aanstaat.”

„Maar, wie is hij?”

„Dat weet niemand en hij wellicht nog minder dan zij, die het vragen.”

Hoe nu in Godsnaam een reporterartikel met dergelijke gegevens te schrijven?

Het gevolg daarvan was, dat de verbeelding vrij spel had en zich dan ook geen banden liet aanleggen om in volle fantasie op te gaan. Van dokter Antekirrt maakte men alles wat men maar verlangde. Hij was alles geweest wat die kroniekschrijvers maar geliefden te verzinnen. Voor den eenen was hij een zeeschuimers-hoofdman. Voor den anderen was hij de koning van een uitgestrekt Afrikaansch rijk, die incognito reisde met het doel om te leeren. Verder beweerde men, dat het een staatkundige banneling was; elders weer dat het een vorst was, die door eene omwenteling uit zijne staten verjaagd werd en nu als wijsgeerig toerist de wereld rondreisde. Men ziet, er was volledige keus. Wat den titel van dokter betrof, waarmede hij zich tooide, daaromtrent waren de meeningen van hen, die den titel voor echt aannamen, ook verdeeld. Volgens de meening van sommigen was hij een groot geneeskundige, die bewonderenswaardige genezingen in de meest wanhopige gevallen verricht had; en volgens die van anderen was hij de koning der kwakzalvers, die in moeilijkheid geraken zou, wanneer men zijn diploma opvorderde.

Maar in ieder geval, de geneeskundigen van Gravosa en van Ragusa konden geene vervolging tegen hem doen instellen wegens onwettige uitoefening van de geneeskunde. Dokter Antekirrt hield zich bescheiden buiten schot en was niet te spreken, wanneer men hem als geneesheer wilde raadplegen.

Daarenboven, de eigenaar van de Savarena nam zijn intrek niet aan den wal. Hij stapte zelfs niet in een der hôtels van de stad af. Ternauwernood begaf hij zich gedurende de twee dagen, welke hij te Gravosa doorbracht, tot dicht bij Ragusa. Hij bepaalde zijne uitstappen tot eenige wandelingen in den omtrek, waarbij hij twee of drie malen Pescadospunt meenam, wiens aangeboren schranderheid hij waardeerde.

Maar ging hijzelf niet naar Ragusa, dan ging Pescadospunt toch eens voor hem er heen. De brave jongen, wien een opdracht van vertrouwen gedaan was—wie weet, wellicht eene inlichting in te winnen!—beantwoordde de vragen, die hem bij zijn terugkeer gedaan werden, als volgt:

„Dus die woont in de Stradonalaan?”

„Ja, heer dokter. Dat wil zeggen in de fraaiste straat der stad. Hij bewoont een hôtel, niet ver van de plaats, waar men de reizigers het paleis van den ouden doge aanwijst. Het is een prachtig hôtel met een talrijk bediendenpersoneel, met rijtuigen enz. In één woord: hij volgt de levenswijze van een millionnair!”

„En de andere?”

„De andere of liever de anderen?” antwoordde Pescadospunt. „Die bewonen hetzelfde stadskwartier, maar hunne woning is moeilijk te vinden in een van die klimmende, smalle en slingerende stegen—ware ladders—die meer bescheiden woningen bevatten.”

„En hunne woning?”

„Hunne woning is nederig, klein, droefgeestig van uiterlijk aan de buitenzijde, hoewel ik mij verbeeld dat zij binnenshuis netjes gehouden moet zijn, heer dokter. Men gevoelt, dat zij bewoond is door arme maar hooghartige lieden.”

„Die dame?....”

„Ik heb haar niet gezien. Men zeide, dat zij bijna nimmer de Marinella-straat verliet.”

„En haar zoon?....”

„Dien heb ik gezien, heer dokter, op het oogenblik dat hij bij zijne moeder binnentrad.”

„Hoe zag hij er uit?....”

„Hij scheen afgetrokken, onrustig zelfs. Men zou zeggen, dat die jeugdige man reeds veel geleden heeft!.... Dat kenmerkt zich trouwens genoegzaam!”

„Maar, ook gij Pescadospunt, hebt geleden, en dat kenmerkt zich niet.”

„Lichamelijk lijden is geen zedelijk lijden, heer dokter! Daarom kon ik het verhelen en er zelfs om lachen.”

Zooals men ziet, sprak dokter Antekirrt reeds gemeenzaam met Pescadospunt. Met Kaap Matifou ging dat nog niet; want inderdaad, die Hercules was van te indrukwekkend uiterlijk, om zich zoo gauw eenige gemeenzaamheid te mogen veroorloven.

Toen de dokter die vragen gedaan en die antwoorden bekomen had, staakte hij zijne wandelingen in de omstreken van Gravosa. Hij scheen iemand te verwachten, wiens ontmoeting hij door zijn gaan naar Ragusa niet had willen uitlokken, daar de tijding van de aankomst der Savarena genoegzaam bekend moest zijn. Hij bleef dus aan boord en hetgeen hij verwachtte, gebeurde.

Den 29en Mei gaf de dokter, na de kade van Gravosa met het gewapend oog geruimen tijd gadegeslagen te hebben, tegen elf uren in den voormiddag bevel om de sloepen klaar te maken; toen steeg hij er in en liet zich naar den havendam overbrengen, waar een man stond, die hem scheen te bespieden.

„Dat is hij,” mompelde de dokter binnensmonds.... „Hij is het wel degelijk!.... Ik herken hem, al is hij nog zoo veranderd.”

Die man was een grijsaard, door den ouderdom gebogen, hoewel hij slechts zeventig jaren telde. Zijne witte haren dekten spaarzaam het hoofd, dat ter aarde gebogen was. Zijn gelaat was ernstig, droefgeestig en ternauwernood verlevendigd door een matten blik, die dikwijls door tranen geheel verduisterd moet geweest zijn. Hij stond onbewegelijk op de kade en verloor de sloep niet uit het oog, van het oogenblik dat van boord was afgestoken.

De dokter wilde den schijn niet geven dien grijsaard te bespeuren, nog minder hem te herkennen. Hij deed dus, alsof hij zijne tegenwoordigheid niet ontwaardde. Maar nauwelijks had hij eenige passen op den havendam afgelegd, toen de grijsaard op hem toetrad, nederig zijn hoed afnam en vroeg:

„Zijt gij dokter Antekirrt?”

„Ja, die ben ik,” antwoordde de dokter, die dien man aankeek, wiens oogleden zelfs niet trilden, toen hij den blik op hem wierp. Daarna vervolgde hij:

„Wie zijt gij vriend, en wat wilt gij van mij?”

„Ik heet Borik en ik ben in dienst van mevrouw Bathory. Ik kom u uit haar naam eene samenkomst verzoeken....”

„Mevrouw Bathory?” herhaalde de dokter vragend. „Is dat de weduwe van dien Hongaar, die zijne vaderlandsliefde met zijn leven betaalde?”

„Dezelfde,” antwoordde de grijsaard. „En hoewel gij haar nimmer zaagt, is het toch onmogelijk, dat gij haar niet kent, juist omdat gij dokter Antekirrt zijt.”

Deze hoorde den ouden dienaar, wiens oogen steeds neergeslagen bleven, aandachtig aan. Hij vroeg zich af of onder deze woorden niet eene nevengedachte verscholen was. Daarop hernam hij:

„Wat kan mevrouw Bathory van mij willen?”

„Om redenen, die gij wel begrijpen zult, wenschte zij een onderhoud met u, heer dokter.”

„Ik zal haar een bezoek brengen.”

„Zij wenschte liever bij u aan boord te komen.”

„Waarom?”

„Het is noodzakelijk, dat haar onderhoud met u geheim blijft.”

„Geheim?.... Voor wien?”

„Voor haren zoon! Mijnheer Piet mag niet weten, dat mevrouw Bathory u bezocht heeft.”

Dit antwoord scheen den dokter te verrassen; hij liet er evenwel niets van aan Borik blijken.

„Ik geef de voorkeur aan een bezoek ten huize van mevrouw Bathory,” hernam hij. „Zou dat niet kunnen geschieden bij afwezigheid van haren zoon?”

„Dat kan, heer dokter, wanneer gij morgen wilt komen. Piet Bathory moet heden avond naar Zara afreizen en zal niet binnen vier en twintig uur terug zijn.”

„Wat voert Piet Bathory uit?”

„Hij is tot ingenieur gepromoveerd; maar tot heden heeft hij nog geene plaatsing kunnen vinden. O, het leven is zoo moeitevol voor hem en voor zijne moeder!”

„Moeitevol!....” viel dokter Antekirrt in. „Bezit mevrouw Bathory dan geen middelen?”....

Hij hield op. De grijsaard had het hoofd gebogen, terwijl zijn borst bewoog onder de snikken, die hij niet kon bedwingen.

„Heer dokter,” zei hij eindelijk, „ik kan en mag u niets meer zeggen. In het onderhoud, dat mevrouw Bathory van u verzoekt, zal zij u alles mededeelen, wat gij recht hebt te weten.”

De dokter moest wel meester over zijn gemoed zijn, om zijne aandoening te kunnen bedwingen.

„Waar woont mevrouw Bathory?” vroeg hij.

„Te Ragusa, in het Stradona-kwartier, op nummer 17 van de Marinella-straat.”

„Zal ik mevrouw Bathory morgen in den namiddag tusschen een en twee uur kunnen ontmoeten?”

„Voorzeker, heer dokter, en ik zal het zijn, die u zal aandienen.”

„Zeg dan aan mevrouw Bathory, dat zij op mijne nauwgezetheid kan rekenen.”

„Ik dank u in haren naam.”

En na eenige aarzeling:

„Gij zoudt kunnen meenen, dat het een dienst betreft, die mevrouw u vragen wil....”

„En wanneer dat zoo was?” vroeg de dokter levendig.

„Toch is het niet zoo,” antwoordde Borik.

En na nederig gebogen te hebben, ging hij den weg op, die van Gravosa naar Ragusa voert.

Klaarblijkelijk hadden de laatste woorden van den ouden dienaar dokter Antekirrt eenigermate verwonderd. Hij bleef onbeweeglijk op de kade staan en tuurde Borik na. Toen hij aan boord teruggekomen was, schonk hij aan Pescadospunt en aan Kaap Matifou verlof om aan den wal te gaan. Daarna sloot hij zich in zijne kamer op. Hij wilde er de laatste uren van dien dag geheel alleen doorbrengen.

Pescadospunt en Kaap Matifou maakten zich dus als echte renteniers, die zij ook waren, dat verlof ten nutte. Zij veroorloofden zich zelfs het genoegen, op het kermisterrein eenige kramen binnen te treden. Wanneer wij beweren zouden, dat de lenige clown geen aanvechtingen gevoelde om den een of anderen onhandigen kunstenmaker terecht te zetten; dat de machtige voorvechter de zucht niet voelde opkomen om aan die athleetworstelingen deel te nemen, dan zouden wij der waarheid te kort doen. Maar beiden herinnerden zich ter rechter tijd, dat zij de eer hadden tot de bemanning van de Savarena te behooren. Zij vergaten hun rol van toeschouwers niet en waren niet karig met hunne toejuichingen, wanneer die verdiend waren.

Den volgenden ochtend liet de dokter zich even vóór het middaguur aan wal zetten. Na zijne sloep naar boord teruggezonden te hebben, ging hij den weg op, die het verbindingsmiddel daarstelt tusschen de haven van Gravosa en de stad Ragusa. Dat is eene fraaie laan, die kornisvormig aangelegd, met twee rijen villa’s omzoomd en over eene lengte van twee kilometers heerlijk beschaduwd was.

Die laan was nog niet levendig, zooals zij het weinige uren later zou zijn, door het heen en weer rijden der equipages, door de menigte wandelaars, zoowel te paard als te voet.

De dokter volgde, terwijl hij aan die samenkomst met mevrouw Bathory dacht, eene nevenlaan en was weldra bij Borgo Pillo, een soort steenen uitwas, die zich buiten de drievoudige omwalling der versterkingen van Ragusa uitstrekt. De poort was open en verleende dwars door dien drievoudigen band toegang tot het binnenste der stad.

De Stradona is eene prachtige flink bestrate hartader der stad, die zich van Borgo Pillo af tot de voorstad Plocca uitstrekt en de geheele stad doorsnijdt. Zij ontwikkelt zich aan den voet van een heuvel, die met een geheel gevaarte van huizen, amphitheatersgewijze gebouwd, overdekt is. Aan het einde verheft zich het paleis der oude doges, een fraai monument uit de XVde eeuw, met eene ruime binnenplaats, met een portiek in renaissance-stijl, met boogvensters, welker slanke zuiltjes aan het beste tijdperk herinneren van Toskaansche bouwkunst.

De dokter behoefde niet tot bij dat paleis voort te gaan. De Marinella-straat, die Borik hem daags te voren opgegeven had, komt zoowat op de helft van de Stradonalaan uit. Hij vertraagde evenwel zijn gang een weinig op het oogenblik, dat hij een vluchtigen blik op eene groote woning wierp, die in graniet opgetrokken was en welker rijke voorgevel met de daaraan rechthoekig aansluitende bijgebouwen zich statig verhief. De poort van de binnenplaats stond open en liet een uiterst fraai eigen rijtuig ontwaren met een paar prachtige paarden bespannen. De koetsier zat deftig op den bok en de lakkei wachtte voor het perron, dat door eene bevallige veranda overkapt was.

Juist in dit oogenblik steeg een man in dat rijtuig. De paarden vlogen de plaats over en de poort door, waarna de deuren dichtsloegen.

Die persoon was dezelfde, die drie dagen te voren dokter Antekirrt op de kade van Gravosa aangesproken had. Het was de vroegere bankier Silas Toronthal.

De dokter, eene ontmoeting wenschende te vermijden, was ijlings achteruitgetreden en schreed eerst voort, toen het vlugge rijtuig bij het uiteinde der Stradonalaan uit het oog verdwenen was.

„Beiden in dezelfde stad!” mompelde hij. „O, dat is zuiver het toeval! Daaraan heb ik geen part of deel.”

De stegen, ter linkerzijde op de Stradonalaan uitkomende, die hij door te gaan had, waren smal, stil en slecht bestraat.

Dat de lezer zich een breeden stroom verbeelde, die aan eenen kant slechts bergstroomen als schatplichtige rivieren zou hebben. Om een weinig lucht te kunnen bemachtigen, kruipen de huizen als het ware rakelings de eene op de anderen. Zij kijken inderdaad elkaar in de oogen, als men zoo mag spreken van de vensters en tochtgaten, die in hunne voorgevels aangebracht zijn. Zij stijgen zoo op den nok van een der twee heuvelen, welker toppen door de forten van Mincetto en San Lorenzo bekroond zijn. Onmogelijk zou er een rijtuig kunnen doorkomen. Al ontbreekt, behalve bij gelegenheid van zware regens, de bergstroom, zoo moet zoo’n steeg toch een ravijn genoemd worden, en alle die hellingen en al die terrassen heeft men moeten stutten met keerdammen en bokken, en moet men door middel van trappen bestijgen. Een scherp contrast bestaat tusschen die minder dan bescheiden woningen en de prachtige huizen en paleizen op de Stradonalaan.

De dokter bereikte den ingang van de Marinella-steeg en begon de oneindige trap, die tot straat dient, te bestijgen. Zoo moest hij meer dan zestig treden opklimmen, alvorens nummer 17 te kunnen bereiken.

Daar werd dadelijk eene deur geopend. De oude Borik wachtte den dokter. Hij geleidde hem naar binnen zonder een woord te spreken en bracht hem in een vertrek, dat uiterst zindelijk maar armoedig gemeubeld was.

De dokter nam plaats. Niets kon de meening doen ontstaan, dat hij eenige aandoening in dat huis ondervond—zelfs niet toen mevrouw Bathory binnentrad en tot hem zeide:

„Heer dokter Antekirrt.”

„Die ben ik, mevrouw,” antwoordde de dokter, terwijl hij opstond.

„Ik had u de moeite willen sparen,” hernam mevrouw Bathory, „om zoover te komen en zoo hoog te stijgen!”

„Ik stond er op om u een bezoek te brengen, mevrouw; en ik bid u mij als geheel ter uwer beschikking te beschouwen.”

„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „gisteren eerst vernam ik uwe aankomst te Gravosa en ik heb dadelijk Borik gezonden, ten einde u tot een onderhoud uit te noodigen.”

„Mevrouw, ik stel mij ter uwer beschikking.”

„Ik zal heengaan,” zei de grijsaard.