Lord Lister No. 0345: De bankroovers
Part 2
Wie die geheimzinnige tunnelgravers ook mochten zijn, als zij den wand van zijn eigen onderaardschen gang doorboorden, dan kwam een kostbaar en tevens een gevaarlijk geheim van John Raffles alias Lord William Aberdeen aan het licht!
Tot iederen prijs moest hij dit trachten te voorkomen!
De twee onafscheidelijke vrienden gebruikten de lunch in de kleine eetzaal en al dien tijd spraken zij over weinig anders dan over het vreemde graafwerk, zoo dicht in hunne nabijheid.
„Als ik maar zeer nauwkeurig de richting kende, waarin die nieuwe tunnel op de mijne staat,” bromde Raffles, „dan zou ik ongeveer kunnen nagaan, waarop die gravers het voorzien hebben, wat hun doel is en wie zij zijn! Maar ik weet alleen, dat zij nader komen!”
Zoodra zij geluncht hadden, daalden de beide vrienden weder in de tunnel af en begaven zich naar de plek, waar zij voor de eerste maal het zonderlinge gerucht vernomen hadden.
En er kon niet aan getwijfeld worden, het geraas was veel duidelijker verneembaar dan den vorigen dag.
Het was nu ook niet langer een onafgebroken dof gegrom, als van een reusachtig spinnende kat, maar het werd telkens afgebroken door hortende stooten alsof er met geweld een hard voorwerp in den grond werd gedreven, ongeveer als bij het inheien van palen.
Wel bijna een half uur stonden de twee mannen zwijgend te luisteren.
Toen zeide Charly op zachten toon alsof hij vreesde dat men hem zou kunnen hooren:
„Het is mij niet goed duidelijk, hoe het komt, dat men elders dit gerucht ook niet gehoord heeft, bijvoorbeeld in de kelders van de huizen, waaronder die vreemde tunnelgravers hun gang aanleggen!”
„Dat is heel eenvoudig, Charly! Onze eigen tunnel ligt op een diepte van bijna twintig meters onder den grond, en geen enkele kelder in geheel Londen ligt dieper dan hoogstens vijf meter.”
„Misschien bestaat er nog wel kans, dat zij boven of onder onze tunnel doorgraven!”
„Ik hoop het, maar ik verwacht het niet! En daarenboven, als zij dat werkelijk deden, dan moest de afstand tusschen de twee tunnels ook groot zijn, anders zou onze vloer of dak of de hunne bezwijken! Als er niet minstens twee meters aarde tusschen onze beide gangen is, dan vrees ik het ergste!”
„Het is, als of zij hier recht op af komen!” kwam Charly, die zijn oor tegen den wand had gedrukt.
„Ja, dien indruk heb ik ook gekregen. Misschien kan het nog een week duren, maar misschien ook niet langer dan een dag! Men bedriegt zich gemakkelijk over den afstand onder den grond.”
„En dat wij niet weten, waar die tunnel begint!” barstte Charly uit. „Die lieden hebben natuurlijk weinig goeds in den zin en wij zouden het volste recht hebben, hun de politie op het dak te zenden, die dan maar eens moet nazien, waartoe die tunnel kan dienen!”
„Ik zou zeker geen seconde aarzelen, Charly!” gaf Raffles te kennen. „Als ik wist, in welk huis of liever onder welk gebouw de nieuwe tunnel een aanvang nam, dan waarschuwde ik één minuut later Scotland-Yard!”
„Maar zou die de tunnel niet verder doorgraven, om te zien, waar zij heen leidt?”
„Dan zou zij volkomen overbodig werk doen. Dat kan iedere ingenieur zien, als hij maar een maal de richting weet van de tunnel. Hij trekt dan een lijn door, en die lijn zou wel blijken een groot bankgebouw te snijden! Dat is waar ook!” zoo viel Raffles zichzelf eensklaps in de rede. „Weet je wel, dat het gebouw van de Midland-Bank zich in de Baker-Street bevindt?”
„Dat is waar! Dat was mij ontschoten!” riep Charly uit. „Dus je acht het mogelijk, dat de tunnel daar heen voert?”
„Het is in ieder geval niet buitengesloten. Als wij het zeker wisten, zou het terrein van onze nasporingen wederom aanzienlijk beperkt worden. Want wij zouden dan kunnen volstaan, van dit punt uit een lijn van de plek over het bankgebouw te trekken en die te verlengen. Dan zouden wij in de buurt van die lijn moeten zoeken.”
„Maar laten wij dat dan aanstonds doen!” hernam Charly. „Ik heb het gevoel, alsof zij zoo dicht bij zijn, dat zij onze stemmen kunnen hooren!”
„Nu, zoover zal het nog wel niet zijn,” kwam Raffles. „Maar in ieder geval zullen wij nog eens zien, hoever wij komen, als wij te werk gaan volgens het plannetje, dat ik je zooeven uiteenzette.”
„Maar kunnen wij de tunnel nu wel geheel onbewaakt laten?”
„Neen, dat gaat niet. Wij zullen Henderson van alles op de hoogte brengen, en hij moet hier zoo lang op post gaan staan, tot dat wij zekerheid hebben.”
Raffles en Charly aanvaardden den terugweg, maar nog lang hoorden zij het knarsende, stootende, borende geluid.
Zoodra zij het tuinhuis verlaten hadden, begaven zij zich naar de groote garage, die tegen een zijmuur van den tuin was aangebouwd, en in welks bovenverdieping Henderson zijn kamer had.
De reus was op dit oogenblik bezig met het schoonmaken van een zwaar motorrijwiel, waarbij hij een vroolijk liedje neuriede.
Hij had de mouwen van zijn werkkiel opgestroopt en zijn geweldige armen, met spieren als scheepskabels waren ontbloot.
Raffles legde hem de hand op den schouder en zeide ernstig:
„Luister eens, Henderson. Er valt op het oogenblik een onaangenaam werkje voor je te doen, maar het is noodzakelijk!”
En nu deelde hij den reus mede in korte woorden, wat hij en Charly Brand dien dag en den vorigen in de tunnel ontdekt hadden.
Henderson behoorde niet tot de domsten, en ook hij begreep aanstonds, welk gevaar hier school.
Hij vertrok dan ook geen spier van zijn gelaat, toen hem de opdracht werd gegeven, in de tunnel de wacht te houden, ofschoon men deze taak waarlijk niet onder de aangename kon rangschikken.
En de reus daalde naar de tunnel af, gewapend met zijn onverstoorbaar goed humeur, en met twee stevige knuisten, in staat om een ijzeren staaf van een duim dik door midden te breken.
HOOFDSTUK III.
EEN GEVAARLIJKE VERWIKKELING.
Raffles en Charly gingen intusschen het huis weder binnen en begonnen zich in hun slaapkamer zorgvuldig te vermommen.
Al zou het den geheelen dag moeten duren, zij moesten en zouden het punt van uitgang ontdekken, er hing voor hun te veel van af.
Het verlies van de tunnel zou nog niet het meeste te beteekenen hebben, ofschoon het nut menigmaal onmiskenbaar was gebleken, als Raffles zich wat spoediger moest verwijderen dan waarop hij gerekend had, maar dat men zou kunnen ontdekken, waarheen de tunnel leidde, dat was ontoelaatbaar, want dan zou het dubbele leven van Lord William Aberdeen aan den dag komen, en aldus zou aan den Grooten Onbekende een zijner krachtigste wapens uit de hand worden geslagen.
Toen zij met hun vermomming gereed waren, zagen de beide mannen er uit als provincialen die op hun gemak door de straten konden slenteren, zonder daardoor achterdocht te wekken.
Zij verlieten nu het huis aan de tuinzijde, en traden door een kleine deur een zijstraat binnen, waar zich nooit een levende ziel vertoonde.
De een zijde bestond uit den langen muur van hun eigen tuin, de andere uit den blinden muur van een groote fabriek.
In de Regent-Street namen de beide vrienden een huurauto, welke hen naar de Baker-Street bracht.
Hier stapten zij uit en zonden den chauffeur weg.
„En nu zullen wij onze taak eens verdeelen, zoodat wij de helft van den tijd kunnen besparen,” zeide Raffles. „Ik zal den zuidelijken kant van de straat nemen, en jij den noordelijken. Wij ontmoeten elkander weder in het café op den hoek van de Grosvenor-Street, behalve natuurlijk voor het geval, dat een onzer iets mocht hebben ontdekt, hetwelk hem noodzaakt, dadelijk handelend op te treden. Indien noodig, halen wij er dadelijk de politie bij! Maar in ieder geval moeten wij om het half uur een van beiden het café binnen gaan, want ik heb Henderson last gegeven, ons daar telefonisch te waarschuwen, in geval er in onze afwezigheid zich iets van groot gewicht mocht voordoen. Hij moet dan vragen naar een zekeren Johnson, en een goede fooi aan den kellner zal wonderen uitwerken.”
En nu volgden de mannen ieder een kant van de straat, nauwkeurig acht gevend op het voorkomen van de huizen, en nu en dan stil staande, in de hoop, dat zij het geraas van de machine zouden hooren.
Zoo bereikte Raffles, die wist, dat hij nu een rechte lijn volgde, waar hier of daar het beginpunt van de tunnel moest zijn, tenminste als de gang in zuiver rechte richting was gegraven, na ongeveer twintig minuten loopen een huis, in welks benedenverdieping een kleine drukkerij gevestigd was.
De beide groote ruiten waren halverhoogte van matglas, maar daarboven kon Raffles duidelijk een paar riemschijven zien, waarover eenige breede riemen snel heen schoven.
Een oogenblik stond hij stil, in beraad, en toen trad hij vastberaden den winkel binnen.
Hij bevond zich in een vrij groot vertrek, waar een drietal kleine klappersen stonden, zooals men ze wel gebruikt voor het drukken van visitekaartjes en ander klein drukwerk, en die met de hand zoowel als mechanisch bewogen kunnen worden.
Alles blonk van nieuwheid, zooals Raffles met een enkelen oogopslag kon waarnemen.
Het vertrek was aan de achterzijde afgesloten door een matglazen wand, waarin schuifdeuren, eveneens met matglazen ruiten.
Alle drie de persen liepen dol, dat wil zeggen, dat de riemen wel over de bovenste schijven snorden, maar dat de schijven van de persen waren uitgeschakeld.
Nergens was iemand van het drukkerspersoneel te bespeuren.
„Een merkwaardige drukkerij!” mompelde Raffles voor zich heen. „Zij schijnen het hier ook niet bijzonder druk te hebben!”
Juist had hij deze opmerking voor zich zelf gemaakt, toen een der schuifdeuren openging, en er een kleine jongen verscheen, met geen al te snugger gezicht, die met hoog opgetrokken wenkbrauwen even naar Raffles bleef kijken en toen als het ware aarzelend een paar stappen naar voren kwam.
Het openschuiven van de deur had maar even geduurd, maar toch lang genoeg, om te kunnen zien, dat het aangrenzend vertrek zoo goed als geen meubels had, en dat er een klein tafeltje stond, misschien bestemd voor dit kantoorjongentje.
Eindelijk opende de knaap zijn groote mond, en vroeg:
„Wat is er van uw dienst, mijnheer?”
„Kan ik hier visitekaartjes laten drukken, en reclamekaarten voor mijn zaak?”
„Dat zal wel gaan, mijnheer?” antwoordde de jongen met een onnoozel lachje.
„Is je patroon er niet?”
„Die werkt in de schuur, achter in den tuin.”
„Zoo? Daar is zeker de zetterij?”
„Ja, mijnheer!”
„Kan ik den patroon niet zelf even spreken?”
„Dat zal niet gaan, mijnheer! Kunt u mij de boodschap niet geven?”
„Neen, jongen, nu is het mijn beurt om te zeggen, dat zal niet gaan! Roep je baas maar eens even, maar een beetje vlug, ik heb niet veel tijd!”
Raffles had dit met opzet gezegd, om te kunnen nagaan, of de jongen lang wegbleef, en dus, of hij zijn patroon spoedig had kunnen vinden.
De jongen verdween weer door de schuifdeur, en Raffles nam plaats op den eenigen stoel dien hij in het vertrek zag.
Zijn blikken vlogen snel door de werkplaats.
In een hoek stond een krachtige electromotor, die de beweegkracht leverde voor de drie persen.
Maar Raffles scherp en geoefend oog merkte bovendien nog een riem op, die niet naar de persen liep, maar buiten het vertrek werd geleid, door een paar sleuven in den zijmuur.
Er was een extra riemschijf aan den motor bevestigd, die er oorspronkelijk niet toebehoord had, want de as was nauwelijks lang genoeg om de beide schijven naast elkander te bevatten.
Er werd dus nog ergens anders een machine door dezen motor in beweging gebracht, maar waar zich die bevond, dat kon Raffles onmogelijk waarnemen.
Hij stond even op, en trachtte over het matglazen gedeelte van de schuifdeur heen te zien, maar dit gelukte hem niet, ofschoon hij toch meer dan gewoon lang was.
Een blik op de drie persen overtuigde hem dat de machines splinternieuw waren.
Er stond ergens een letterbak, maar de specie was blijkbaar nog volkomen nieuw.
„Heel veel krijgen de menschen hier niet te doen, dat is zeker,” mompelde Raffles. „In ieder geval een onderneming, welke pas begonnen is! Maar dan mochten zij toch in ieder geval wel een paar man bij de machines laten!”
Op dit oogenblik gingen de schuifdeuren weder open en er trad een man van omstreeks veertig jaar binnen, met een glad geschoren gelaat, kleine, doordringende oogen, en bijzonder zwart en glanzend haar.
Voor ieder ander was het zeker onopgemerkt gebleven, maar Raffles had voor zulke dingen goede oogen en met een oogopslag had hij gezien, dat de man een pruik droeg.
Hij was wat links opgestaan, maakte een onhandige buiging, en begon:
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, als ik u kom lastig vallen, maar ik begin hier binnenkort een zaak in kaas en eieren en ik wilde wel een paar duizend reclamekaarten gedrukt hebben, maar vooral visitekaartjes, met er achter: „Handelaar in kaas en eieren en gros.” Begrijpt u? Ik kon wel naar een groote zaak gaan, maar die zijn zoo duur, en ik hoop, dat gij mij het vel niet over de ooren zult halen.”
„Dat zal wel losloopen,” kwam de man met de pruik. „Geef uw naam en adres maar even op.”
„Price Johnson. Voor het oogenblik logeer ik in het Marlborough Hotel, maar als ik het huis kan krijgen, dan kom ik te wonen in de Victoria-Street, nummero 78. U levert immers goed en deugdelijk werk?”
„Wij zijn specialiteit in zulke dingen, maar ik kan u niet beloven dat u de bestelling zoo spoedig krijgt afgeleverd! Wij worden overstelpt met dergelijk werk!”
Raffles weerhield bijtijds de opmerking die hem naar de lippen drong, toen hij dacht aan de verlaten persen.
Een drukker, jong nog, die een voortreffelijke pruik droeg, daarmede moest men in ieder geval voorzichtig zijn, en zeker, als men John Raffles heette.
„Ik hoop dat u zoo veel mogelijk spoed met de zaak zult maken,” hernam hij kalm. „Als uw werk mij bevalt, blijf ik uw klant!”
Raffles meende een vaag spottend lachje om de dunne lippen van den man te zien spelen, maar hij kon zich ook wel vergist hebben.
„Mag ik eens wat cartonsoorten en letters van u zien?” ging hij voort.
De patroon trad op een wandkast toe, en kwam terug met een monsterboek, dat hij aan Raffles voorlegde.
Deze zocht voor de leus een lettersoort uit, koos een dik carton uit, en zeide toen:
„Voorloopig zijn tweeduizend kaarten voldoende.”
„Wij zullen ons best doen, dat gij ze over een dag of vier hebt!”
„Het is wel heel lang, kan het niet wat vlugger?”
„Wij zullen ons best doen, mijnheer,” herhaalde de drukkerspatroon, een weinig ongeduldig naar het scheen.
En reeds maakte hij een beweging naar de deur, als om zijn nieuwen klant uit te laten.
„Ik kan niet zeggen, dat die heer er veel slag van heeft, om met zijn klanten om te gaan,” mompelde Raffles voor zich heen, toen hij weder op straat stond. „En dan noemt men ons in het buitenland nog wel „Een Natie van Winkeliers!” Deze vriend scheen er niet bijzonder op gesteld te zijn, mij tot zijn afnemers te mogen rekenen! Zijn keuze van papier en letters was ook al bijster schraal! En dan die pruik, die drie onbeheerde persen, die tweede riemschijf van den electromotor, waarvan de riem op geheimzinnige wijze buiten het vertrek verdween, de lange tocht van dat onnoozele jongentje, om zijn patroon te gaan waarschuwen! John Raffles, ik weet het niet, maar ik geloof, dat er in deze zoogenaamde drukkerij iets niet heelemaal pluis is! Die drukker had niet het type van zijn beroep, hij zag er als iets heel anders uit.......!”
Onder deze overdenkingen vervolgde Raffles zijn weg.
Weer lette hij nauwkeurig op alle huizen en winkels, maar nergens kon hij iets verdachts opmerken.
Er waren groentewinkels, kruidenierszaken, boekwinkels, maar nergens bromden machines, die konden dienen om het geraas van een ander toestel te overstemmen.
En de huizen waren alle deftige gebouwen, rustig en stil.
Zoo bereikte Raffles de Midland-Bank.
Het was een nieuw gebouw, uit een onbekrompen beurs betaald, zooals uit alles bleek.
Bedienden van effectenhandelaars en bankiers liepen bedrijvig in en uit en Raffles kon hen de breede marmeren trappen naar de eerste verdieping zien op en af gaan.
Een portier in een groene livrei stond met de handen op den rug naast de monumentale voordeur.
Een reeks van vuistdikke tralies voorziene vensters wees even boven de straat de plek aan, waar zich de safes moesten bevinden.
Raffles maakte snel een berekening:
„Van deze bank tot aan de drukkerij, dat was ongeveer honderd meter, van de bank tot aan de tunnel was niet meer dan vijf-en-twintig meter, de ganggravers hadden dus zeker bijna driekwart van den weg onder den grond afgelegd, wel te verstaan als zijn wantrouwen tegen dezen zonderlingen drukkerspatroon gegrond bleek te zijn.”
Even later trad hij het café binnen en hij was er nog geen vijf minuten of ook Charly verscheen.
Er lag een uitdrukking van teleurstelling op zijn gelaat, die hij vruchteloos trachtte te verbergen.
Hij had Raffles in zijn hoekje spoedig ontdekt, en trad op hem toe.
Zonder zelfs zijn vraag af te wachten, zeide hij moedeloos:
„Een vergeefsche tocht, Edward! Ik heb geen geluid gehoord, geen verdacht huis gezien!”
„Dan ben ik gelukkiger geweest, mijn waarde,” kwam Raffles zacht.
En hij deelde Charly uitvoerig mede, wat hem in de drukkerszaak wedervaren was.
Charly had aandachtig toegeluisterd, en zeide nu:
„Dat alles klinkt zeker tamelijk verdacht, maar laat je je nu niet al te zeer beïnvloeden door je wantrouwen, dat je overal spoken op klaarlichten dag doet zien?”
„Waarde Charly, een spook met een pruik op is en blijft een voorwerp, waar tegenover ik terecht achterdocht koester! Als men in een straat als de Baker-Street een nieuwe drukkerszaak gaat openen, dan pakt men de zaak dadelijk grootscheeps aan, of tenminste zoo, dat men alle eventueele klanten flink kan bedienen. Dat kon deze man, hij droeg een pruik, niet doen, want hij liet zijn personeel uit wandelen gaan, hij had geen letters genoeg, en ook geen voldoenden voorraad carton, kortom, hij is niet in staat zelfs aan de bescheiden eischen te voldoen van een buitenmannetje, zooals ik er een voorstelde.”
„Op zich zelf beschouwd is het zeker opvallend. Toch zou het zaak zijn, nader op deze aangelegenheid in te gaan.”
„Dat ben ik dan ook van plan! Zoodra zich de gelegenheid voordoet, zullen wij die zoogenaamde drukkerij eens nauwkeurig onderzoeken. En het zou mij volstrekt niet verwonderen als daarbij aan het licht kwam, dat zij iets heel anders verborg.
„De persen maken een groot lawaai, en dempen volkomen het geluid van iedere andere machine die elders in het huis is opgesteld, bijvoorbeeld in de schuur, waarover die onnoozele jongen het had. Ik denk, dat zij met opzet een suffertje hebben genomen, om geen last te hebben van brutale snuffelaars!”
Hij wierp een blik op de klok, die boven het buffet hing, en vervolgde:
„Het wordt nu tijd voor de lunch, Charly. Het onderzoek heeft mij hongerig gemaakt! Het café hier lijkt mij wel voldoende! Willen wij hier wat eten?”
„Ik vind het goed! Wij blijven dus hier in de buurt?”
„Ja. Ik zou er prijs op stellen als jij zelf ook eens een kijkje ging nemen in de drukkerij van onze vriend met de pruik. Misschien merk je nog wel iets anders en iets nieuws op.”
Raffles wenkte den kellner, en bestelde een eenvoudige lunch.
Juist toen de beide vrienden gereed waren met den maaltijd, trad de kellner op hen toe, en vroeg:
„Is een van de heeren misschien mijnheer Johnson?”
„Die ben ik, vriend!” antwoordde Raffles.
„Daar is iemand voor mijnheer aan de telefoon!” vervolgde de kellner. „Er is groote haast bij.”
Raffles wisselde een snellen blik met Charly en sprong op.
„Ik volg je!” zeide hij, zich tot den kellner wendende.
De telefoon hing in een klein hokje naast het buffet.
Raffles trad er binnen, sloot de deur, nam het toestel terhand, en zeide:
„Hier Johnson! Met wien?”
„Met Henderson! Ik verzoek u, zoo spoedig mogelijk terug te komen? Zooeven is er een gat in den wand van ..... den muur geslagen!”
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Zoodra Raffles en Charly het huis in de Regent-Street verlaten hadden, begaf Henderson zich naar de tunnel.
Voor alle zekerheid had hij zich met zijn revolver gewapend, ofschoon hij het wapen niet noodig dacht te hebben.
Ook had hij zich voorzien van zijn electrische zaklantaarn, ingeval het licht in de tunnel door een of andere oorzaak mocht uitgaan.
Na een half uur te hebben geloopen, bereikte hij de plek, waar de gasontploffing de draden vernield had.
Hij stond stil en luisterde.
Zijn scherp gehoor ving het zoemend geluid op, afgewisseld door beukende slagen of stooten.
Hij legde zijn hand tegen den muur, en mompelde hoofdschuddend in zich zelf:
„De wand trilt er waarachtig van! Zij werken hard, daar onder den grond!”
De reus zette zich op den grond, juist tegenover de plek, van waar het dof gerucht kwam, en hield den blik onafgewend op den tegenover liggenden wand gevestigd.
Langzaam verstrekken de minuten, de kwartieren, de uren.
En telkens werd het geluid sterker.
Henderson stond nu en dan op, teneinde zijn hand tegen den wand te leggen, en hij merkte op, dat het kloppend geluid steeds sterker werd.
Het was omstreeks een uur in den middag, toen Henderson eensklaps opnieuw opsprong en naar den wand van de tunnel trad.
Het geluid was nu zoo dicht bij gekomen, dat hij meende, ieder oogenblik den tunnelwand te zien bezwijken.
Nu werd het plotseling geheel stil en daarop dreunde de doffe slagen van een houweel aan den anderen kant van den tunnelwand.
In gebogen houding bleef Henderson op dezelfde plek staan, de oogen strak gevestigd op den muur.
De wand moest wel zeer dun geworden zijn, want bij iederen slag knipoogden de electrische lampjes en toen gingen er eenige uit, waarschijnlijk waren de platina draden gebroken.
En onverhoeds geschiedde er iets, waarop Henderson verdacht had moeten zijn en dat hem toch ten zeerste verschrikte, met een luid gekraak en het versplinteren van een steen drong het ijzer van een houweel door den muur heen, bewoog even, en verdween toen weder.
Maar op hetzelfde oogenblik had Henderson den schakelaar van het electrische licht reeds omgedraaid, zoodat de tunnel in volkomen duisternis gehuld was.
De reus had begrepen, dat hij zoo lang mogelijk moest trachten te voorkomen, dat de lieden, die daar hun tunnel aan het graven waren, het bestaan van deze gang ontdekten, en dat zouden zij zeker onmiddellijk doen, wanneer zij hier licht zagen, en het glinsteren van de spoorstaaf op den grond konden waarnemen.
Voorloopig zouden zij waarschijnlijk vermoeden, dat zij nog altijd niet diep genoeg hadden gegraven, en op een kelder waren gestuit.
Het was nu de vraag of zij aanstonds aan de tunnel een andere richting zouden geven, dan wel of zij eerst zouden willen onderzoeken of zij inderdaad bij een kelder terecht waren gekomen.
Henderson hield zelfs zijn adem in, uit vrees dat hij zijn tegenwoordigheid zou verraden, en keek strak naar de kleine opening in den wand, niet grooter dan eenige centimeters, waardoor een krachtig lichtschijnsel in de tunnel doordrong.
Toen werd dit schijnsel een oogenblik verduisterd en Henderson begreep, dat dit veroorzaakt werd doordat er aan den anderen kant van den muur iemand zijn oog voor de kleine opening had gebracht.
En het volgende oogenblik klonken de slagen van het houweel opnieuw.
Toen begreep Henderson dat hij geen tijd meer te verliezen had en dat hij Raffles aanstonds moest waarschuwen.
Hij ontstak zijn zaklantaarn, en dempte het licht zooveel mogelijk, door er zijn zakdoek om te wikkelen, en zocht bij dit weinige licht zijn weg naar den ingang van de tunnel.
Toen hij zeker wist dat men hem niet meer kon hooren of zien, begon hij haastig voort te snellen en rustte niet vóór hij het tuinhuis bereikt had waar zich een telefoon bevond en waar hij aanstonds aan Raffles mededeelde wat den lezer reeds bekend is.
En toen ging hij haastig weder naar het onderaardsche laboratorium terug.
Daar lagen, in een der hoeken, een aantal platen van nikkelstaal, bijna een meter hoog, tachtig centimeter breed, en een duim dik, welke Raffles noodig had voor het doen van eenige proeven.