Lord Lister No. 0345: De bankroovers

Part 1

Chapter 13,918 wordsPublic domain

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 345 DE BANKROOVERS.

DE BANKROOVERS.

HOOFDSTUK I.

HET GERUCHT ONDER DEN GROND.

Het was ongeveer twee uur in den middag toen twee heeren den grooten tuin overstaken, die zich bevindt achter een der grootste huizen van de Regent-Street, niet ver van Pall Mall.

Het huis behoorde toe aan Lord William Aberdeen, den bekenden Londenschen philantroop.

De grootste van de beide heeren, die daar door den tuin liepen en hun schreden richtten naar een groot tuinhuis, was Lord Aberdeen zelf, maar de jonge man die bij hem was, Charly Brand geheeten, kende hem als John Raffles, den Grooten Onbekende.

Zij hadden nu het tuinhuis bereikt, en gingen binnen.

Indien wellicht een buurman, ondanks het dichte geboomte de beide heeren daar had zien binnentreden, dan zou hij zich toch niet verbaasd hebben, want hij kon weten, dat Zijne Lordschap een zeer ontwikkeld man was, die zich met zijn secretaris druk bezig hield met het nemen van proeven op het gebied der chemie.

Maar wat hij niet wist of kon weten, dat was, dat men het voornaamste gedeelte van het tuinhuis niet boven, maar onder den grond moest zoeken.

Maar daar bevond zich de geheime werkplaats, daar was ook het laboratorium, waar de Groote Onbekende eenige zijner meest verrassende uitvindingen had gedaan, daar was het plan voor de electrische vliegmachine ontstaan, welke zich met een snelheid van 500 kilometer per uur door de lucht kon bewegen. Daar was ook het aanschijn gegeven aan de plannen van de wonderbare duikboot, kleiner dan de kleinste oorlogsduikboot, maar zeker drie maal zoo snel.

Het tuinhuis bevatte twee vertrekken, het eigenlijke chemische laboratorium waar de beide onafscheidelijke vrienden ook zeer vaak werkten, en een soort rookkamer, die tevens een kleine wetenschappelijke boekerij bevatte.

En in deze rookkamer, ter hoogte van den monumentalen schoorsteen, bevond zich de ingang naar de onderaardsche werkplaats.

Door het verdraaien van een der kleine krullen in de gebeeldhouwde lijst van den spiegel, schoof een stuk van den schoorsteen terzijde en men bevond zich dan in een zeer smallen gang, nauwelijks vier decimeter breed, en waarin een zeer zwaarlijvig man zich zelfs niet had kunnen bewegen.

De beide heeren waren zoo juist het vertrek binnengetreden, en nu begon Raffles:

„Nu zal ik je eens zeggen, waarom ik je eigenlijk hier heb gebracht.”

„Ik ben er nieuwsgierig naar.”

„Je weet dat eergisteren in een winkel in de Grosvenor-Street een allerhevigste ontploffing heeft plaats gehad.”

Charly Brand keek Raffles verbluft aan en zeide:

„Ja, ik meen zoo iets gelezen te hebben. Tot op een half uur gaans waren de ruiten van de huizen gesprongen, en er zijn drie personen zwaar gewond. Ik kan mij alleen met den besten wil van de wereld niet voorstellen, op welke wijze dit in verband kan staan met je verzoek om hier heen te gaan!”

„Maar wij blijven hier niet, wij gaan verder naar beneden!”

„Maar om wat te doen dan toch?”

„Heb je het nog niet begrepen? Luister dan. De onderaardsche tunnel van dit huis naar mijn huis in de Victoria-Street loopt op slechts weinige schreden afstands van de Grosvenor-Street en de gasontploffing heeft plaats gehad in een grooten kelder. Het is dus niet onmogelijk, dat die ontploffing schade aan onze tunnel heeft toegebracht, en ofschoon wij haar in geruimen tijd niet gebruikt hebben, moeten wij haar toch steeds in goeden staat houden, men kan nooit weten, hoe zij ons nog eens kan dienen! Je weet, dat ik eenige jaren geleden het bestaan van dien onderaardschen gang bij toeval ontdekte, en mij toen gehaast heb, haar te verbeteren, en over een tiental meters door te trekken, totdat zij uitliep op onze onderaardsche werkplaats.”

„Nu begrijp ik het!” riep Charly uit. „Je wilt dus een kleine inspectie-reis ondernemen.”

„Zoo is het! Ik wil mij overtuigen, of de tunnel ergens is ingestort, om nu maar dadelijk het grootste ongeluk te noemen, en dat de spoorstaaf niet verbogen is, waarover ons twee wielig, electrisch wagentje rijdt. Het is verder niet buitengesloten, dat de electrische geleidingsdraad door den schok is gebroken, dat alles wil ik onderzoeken.”

„Nu ik ben tot je dienst.”

Raffles trad nu op den spiegel toe, draaide aan de krul en geruischloos schoof een stuk van den schoorsteen zoover terzijde, dat er een opening ontstond bijna anderhalven meter hoog en omstreeks een halven meter breed.

De beide mannen gingen er achtereenvolgens door, en door aan een kleinen hefboom te trekken, liet Raffles den schoorsteen weder op zijn plaats terug gaan.

De twee vrienden liepen een tiental passen door den smallen gang die niet anders was dan de ruimte tusschen den buitenmuur van het tuinhuis en den loozen muur van het vertrek en bereikten zoo een smalle ijzeren trap, die naar het binnenste van de aarde scheen af te dalen.

Het werd spoedig zeer donker, en de beide vrienden ontstaken hun electrische zaklantaarn.

De trap had dertig treden en eindigde in een soort kelderruimte.

Met een eigenaardig gevormden sleutel opende Raffles een stalen deur en nu stonden de mannen in het laboratorium.

Raffles draaide een schakelaar van het licht om, en nu baadde het vertrek in een zee van licht, uitgestraald door een viertal groote booglampen.

Hier bevond zich een volmaakte inrichting voor het doen van proeven op allerlei gebied, die menig professor of leeraar aan de Universiteit Raffles zou hebben benijd.

Een tweede deur gaf toegang tot een ander vertrek, bijna even groot, waar een paar werkbanken stonden, een kleine smidse, een electrische smeltoven, een machine voor houtbewerking, waar Raffles zelf zijn modellen vervaardigde, en een groot rek met de beste en fijnste gereedschappen.

En hier ook begon de ingang van de tunnel, welke Raffles bij toeval ontdekt had, en die waarschijnlijk dateerde uit de middeleeuwen, toen Londen letterlijk onder den grond een doolhof van gangen en geheime plaatsen had voor bijeenkomsten van verschillende secten, die toen achtereenvolgens aan vervolging bloot stonden.

Op den vloer glinsterde iets, dat was de stalen spoorstaaf, waarover een klein wagentje kon glijden, dat plaats bood voor drie personen, die op een soort zadel konden gaan zitten.

Maar het wagentje was op het oogenblik aan het ander uiteinde van de tunnel, die bijna vijf kilometer lang was.

Raffles haalde een stang over, die dicht naast den ingang aan de tunnel aan den muur bevestigd was en de beide mannen wachtten.

Maar zij wachtten vruchteloos, er verscheen niets.

„Ik heb het wel gevreesd, er is iets niet in orde,” mompelde Raffles. „Als de automatisch-electrische inrichting nog werkte, dan had het wagentje reeds lang hier moeten zijn. Er is niets aan te doen, Charly, wij zullen er te voet op uit moeten.”

De beide mannen hadden reeds hun grijze werkjassen over hun kleederen aangetrokken en hingen nu hun krachtige electrische lantaarns aan een haak voor hun borst.

Want het was gebleken, dat ook de electrische lichtleiding verbroken was.

Het schijnsel van de beide lantaarns verlichtte nu het begin van de tunnel.

Zij had bijna overal een zuiver ronde doorsnede, maar de vloer was vlak gemaakt, om er des te steviger de enkele spoorstaaf op te kunnen bevestigen, waarover het electrische gedreven wagentje liep, dat met een snelheid van ruim honderd kilometer per uur door deze onderaardsche gang snelde.

Naast deze spoorstaaf bevond zich een smal plankier, die juist ruimte genoeg bood aan twee personen, om naast elkander voort te loopen.

De tunnel was bijna twee meter hoog en Raffles kon er met gemak rechtop in loopen, zonder gevaar voor een ongewenschte aanraking met de electrische draden, die langs den bovenkant van de tunnel liepen.

Na ongeveer een half uur te hebben voortgeloopen, stond Raffles, die zijn blikken onafgewend op de electrische draden gevestigd had gehouden, eensklaps stil.

Hij had een plek bereikt, waar de geleidingsdraad door den hevigen schok der ontploffing was afgebroken.

Het uiteinde van den draad lag op den vloer van de tunnel.

De twee mannen hingen nu hun lantaarns aan een der steunijzers voor den geleidingsdraad en ontpakten hun gereedschapstasch, teneinde den draad aanstonds te herstellen.

Binnen een half uur waren zij hiermede gereed.

Maar het bleek, dat hier niet de eenige plaats was, waar de draad was vernield.

Want toen Raffles een van de schakelaars omdraaide, waarvan er ook in de tunnel een aantal te vinden waren, bleef het nog altijd duister, met uitzondering van het licht der beide zaklantaarns.

Niet ver van de Grosvenor-Street vonden zij de tweede breuk.

Ook deze herstelden zij, en toen Raffles opnieuw een schakelaar omzette, straalden een groot aantal gloeilampjes hun licht uit, die op geregelde afstanden langs de bovenzijde van de tunnel waren aangebracht.

Hier en daar was de kalk uit de voegen tusschen de eeuwen oude steenen gevallen, en het smalle plankier was op enkele plaatsen ontzet.

Maar de stalen spoorstaaf was gelukkig in het minst niet verbogen, alle bouten en moeren, waarmede zij op het plankier bevestigd was, bevonden zich nog in den besten staat.

Maar ook de draad was gebroken, die aan beide zijde van de tunnel uitliep op een klein toestel, hetwelk weder in verbinding stond met den electromotor van het wagentje.

Wanneer men aan het eene uiteinde van de onderaardsche gang op een knop drukte, of een kleinen hefboom overhaalde, dan werd de electrische stroom gesloten, een kernspoel werd magnetisch en trok een weekijzeren anker tot zich, waardoor een nok losschoot, welke den hefboom in bedwang hield, die den motor en tevens de giroscoop van het electrische wagentje in gang zette, hetwelk zich dan met groote snelheid in beweging zette.

Ook deze verbindingsdraad was spoedig gelascht, en nu zetten de beide mannen hun weg voort naar het andere einde van de tunnel.

Na nog bijna een uur loopens kwamen zij aan een plek, waar de tunnel eensklaps veel breeder werd.

Het licht van de gloeilampjes weerkaatste op het staal en het koper van een eigenaardig gevormd wagentje, niet veel grooter dan een groote kruiwagen, voorzien van drie achter elkander geplaatste zadels, en van een ondiepen bak, waarin men van alles kon mede nemen.

In het midden, beschermd door een metalen kap, bevond zich het zware vliegwiel van de giroscoop, dat tijdens den rit uiterst snel ronddraaide, als een tol werkte, en dus het wagentje op zijn twee achter elkander loopende wielen even goed in evenwicht hield, alsof het er vier had bezeten.

Onder ieder zadel waren een paar pedalen zichtbaar, zooals bij een gewoon rijwiel, die ten doel hadden, het wagentje met menschelijke spierkracht toch nog te kunnen voortbewegen, ingeval door een of ander ongeluk de motor mocht weigeren.

Raffles en Charly traden op het wagentje toe, en onderzochten het nauwkeurig.

Alles was in de beste orde, en het zou desnoods dadelijk gebruikt kunnen worden.

„Wij zullen nu weder terug loopen, om ons te overtuigen, dat alles in orde is en wij niets hebben overgeslagen, en dan aan den anderen kant eens beproeven, of de startinrichting nu werkt!” zeide Raffles.

En zoo ondernamen de beide vrienden weder den terugweg door de tunnel, die bijna vijf kilometer lang was.

Zij hadden reeds weder de plek bereikt, waar de herstelling had plaats gehad, toen Raffles eensklaps stilstond, en met een gebaar Charly dwong, hetzelfde te doen.

„Wat is er?” vroeg de jonge man verwonderd.

„Luister eens, hoor je niets?”

Charly luisterde ingespannen, en keek toen Raffles vragend aan.

„Wat zou dat zijn?” kwam hij toen. „Wat is dat voor een zonderling gerucht?”

„Ik wilde je juist hetzelfde vragen!” gaf Raffles ten antwoord. „Ik heb de tunnel reeds lang in gebruik, maar het is voor het eerst, dat ik er ooit eenig gerucht in vernam, dat weet ik zeker.”

De twee mannen stonden onbewegelijk en luisterden.

Een dof, zoemend, snorrend geluid drong tot hen door, sterk gedempt door de dikke muren van de tunnel, maar toch duidelijk verneembaar.

Het klonk als het gonzen van een sterken motor, of van een stoommachine.

Ook leek het, of de grond zeer snel trilde alsof er dichtbij een exprestrein voorbij reed.

Wel een kwartier bleven Raffles en Charly in de zelfde houding staan, zonder een woord te wisselen.

Toen richtte Raffles zich weder op, en zeide:

„Ik kan mij den aard van het geluid niet goed begrijpen. Nu eens zou ik zeggen dat het eenigszins gelijkt op het geluid van een steenboor, die met geweld door harde aarde wordt gedreven, dan weder doet het mij denken aan een automobielmotor, die op den bok loopt, teneinde op proef te draaien.”

„Waar zijn wij hier ergens?”

„Ik zou zeggen ter hoogte van de Grosvenor-Street, maar je weet, dat ik een zeer nauwkeurig plan heb van alle straten, waaronder de tunnel heenloopt, en ik kan dus de plek zeer nauwkeurig vaststellen, waar wij het zonderlinge gonzen nu hooren en dat ben ik ook van plan, want een man in mijn positie moet niets ondoorzocht laten!”

HOOFDSTUK II.

HET GELUID KOMT NADER.

Haastig gingen de beide vrienden terug naar de onderaardsche werkplaats, en een half uur later stonden zij weder aan het uiteinde van de tunnel.

Gedreven door een gevoel van achterdocht waaraan hij nog geen naam wist te geven, zag Raffles er van af, het starttoestel te beproeven.

Hij wilde geen gerucht in de tunnel veroorzaken, al was het ook niet luider dan dat hetwelk veroorzaakt werd door het rijden van het electrische wagentje.

Raffles en Charly beklommen opnieuw de geheime trap, en traden door het gat naast den schoorsteen weder in het paviljoen.

Door den tuin bereikten zij het huis en dadelijk begaven zij zich naar de bibliotheek, waar Raffles uit een geheim vak van de groote boekenkast een portefeuille nam, welke hij geopend voor zich op tafel legde.

Hij zocht eenigen tijd tusschen de papieren, die er zich in bevonden, nam er tenslotte een teekening uit, een soort plattegrond, met strepen, namen en cijfers bedekt, en zeide:

„Op deze schets kunnen wij van meter tot meter nagaan, waar wij ons ergens bevinden, als wij in de tunnel zijn afgedaald. De plek waar wij het vreemde gerucht hoorden, moet zich bevinden omtrent den hoek van de Grosvenor-Street en de Baker-Street. Nog heden zullen wij daar eens een kijkje gaan nemen, want om je de waarheid te zeggen, bevalt mij dat ondergrondsche geluid niet!”

„Zou de Gemeente misschien ergens bezig zijn met het leggen van buizen?”

„Ik ontken het niet! Maar dan houdt de Gemeente er tegenwoordig eigenaardige methodes op na. Tot dusverre werd eenvoudig een soort loopgraaf gedelfd nadat men het asphalt had opgebroken en in dien kuil werd de buis neder gelaten. Voor zoo ver ik weet, gaat het overal ter wereld zoo toe!”

„Er wordt toch nergens een nieuwe lijn van de Underground aangelegd?”

„Niet bij mijn weten, maar het is niet geheel onmogelijk, en daarom zullen wij het maar eens dadelijk gaan onderzoeken!”

Hij borg het papier weder in de map, schoof haar in het geheime vak, en wendde zich weder tot Charly met de opmerking:

„Mij dunkt, dat wij, als er werkelijk een nieuwe tunnel werd geboord, ten behoeve van den ondergrondschen spoorweg, de uiterlijke kenteekenen daarvan hadden moeten zien want wij zijn in de laatste dagen dien kant nog al eens uit gekomen. Wij zullen het echter spoedig weten.”

Raffles nam de huistelefoon ter hand en stelde zich in verbinding met Henderson, den chauffeur, die op de hoogte was van menige onderneming van zijn meester en aan tal van gevaarlijke avonturen een levendig aandeel had genomen.

Vijf minuten later stond de groote, blauw gelakte auto van Zijne Lordschap William Aberdeen voor de deur.

Raffles en Charly verlieten het huis en de eerste wendde zich tot Henderson, een man van reusachtigen lichaamsbouw:

„Rijdt ons eens naar de Baker-Street, Henderson, maar vooral geen spoed, als ik je verzoeken mag, het is ons er ditmaal eens niet om te doen een wedstrijd met een sneltrein te houden!”

Henderson trok een bedrukt gezicht, want langzaam rijden met een auto, die makkelijk honderd kilometer per uur kon halen, dat leek hem het toppunt van dwaasheid.

Maar Mylord had het gezegd, en dat was voldoende.

Ongeveer een kwartier later reed de auto met een kalm gangetje door de oude Baker-Street, na den hoek van de Grosvenor-Street te zijn omgeslagen.

Maar nergens viel ook maar iets te bespeuren van den aanleg van een zoo geweldig werk als de bouw van een tunnel voor den ondergrondschen spoorweg is.

Het asphalt was overal ongeschonden en nergens viel een kuil te ontwaren, zoo groot als een knikkerkuiltje!

Voor alle zekerheid reden de beide mannen nog door een aantal andere straten in deze wijk, maar hun onderzoek was vruchteloos.

Toen zij weder terug reden, het was bijna halfzes, begon Raffles, die eenigen tijd in gedachten tegen de kussens van de auto had geleund:

„Het wordt er aldus niet duidelijker op. Het gerucht bestond toch niet alleen in onze verbeelding?”

„Aardschokken komen in Engeland wel niet veel voor, maar toch zijn zij wel eens voorgekomen,” merkte Charly op. „Acht je het volkomen ondenkbaar, dat hier van zulk een natuurverschijnsel sprake kan zijn?”

„Het zou mogelijk zijn, als het slechts honderd maal korter had geduurd, mijn waarde! Aardschokken van een kwartier achter een zijn nog nergens ter wereld voorgekomen, en zeker wel het allerminst in ons land! Bovendien is de aard van zulk een schok een geheel andere. Het is een bepaalde schok, geen trilling”

„Dan moet ik het opgeven!” riep Charly uit. „Tenzij er misschien vlak boven ons hoofd een afdeeling zeer zware artillerie is voorbijgetrokken!”

„Die uitlegging is althans heel wat aannemelijker!” kwam Raffles. „Ik kan mij voorstellen, dat het dreunen van een groot aantal zware kanonnen zich op groote diepte doet gevoelen. Maar toch, ik ben door deze oplossing niet tevreden, en ik wil eens zien, of ik geen betere kan vinden! Maar voor vandaag zullen wij ons maar niet langer met deze aangelegenheid bezig houden, het wordt tijd voor het diner, en daarna zouden wij naar de opera gaan, als ik mij niet vergis!”

En zoo spraken de beide vrienden dien avond geen woord meer over de vreemde geluiden in de tunnel, die van het onderaardsche laboratorium naar het huis in de Victoria-Street leidde.

Maar den volgenden morgen, toen Charly de kleine eetkamer binnentrad, vond hij daar Raffles reeds zitten, met een zorglijke uitdrukking op het gelaat.

De jonge man stak hem de hand toe en vroeg:

„Zoo vroeg reeds opgestaan? Een onaangename tijding gehad?”

„Geen onaangename tijding, maar een onaangename ontdekking, beste Charly!” gaf Raffles ten antwoord. „Ik ben zooeven in de tunnel geweest, op de plek, waar wij gisteren het gerucht hoorden.”

„Welnu?” vroeg Charly vol spanning.

„Welnu, het geluid is sterker geworden sedert gisteren!”

„Wat!” riep Charly verwonderd uit. „Het duurde dus nog altijd voort?”

„Ja, en daarmede vervalt natuurlijk jou theorie van de voorbijrijdende afdeeling zwaar geschut!”

„Ik moet erkennen dat die nu niet langer houdbaar is!” hernam Charly. „Dus, het zonderlinge gerucht nadert onze tunnel?”

„Ja, en de aard laat zich nu ook reeds duidelijker en met meer beslistheid vaststellen, het wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een electrisch gedreven grondboor. Men gebruikt dergelijke toestellen wel om den harden rotsgrond, dien men op vele punten onder de stad Londen aantreft, aan te tasten en te vergruizelen alvorens hem met het houweel en de spade verder te verwijderen.”

„Maar wat kan dit dan te beteekenen hebben?” riep Charly vol verbazing uit.

„Dat is juist wat ik gaarne zou willen weten!” antwoordde Raffles lakonisch. „Het staat nu wel vast, dat men een tunnel graaft, hier in de buurt, en dat die tunnel gegraven wordt in een richting, die volkomen of bijna rechtstandig op die van onze tunnel staat. De gevolgen zal je zelf wel kunnen voorstellen, zonder dat ik je daar in het bijzonder op wijs!”

„Natuurlijk! Op een goeden dag boren zij den wand van onze tunnel door en vinden zij den weg naar je huis in de Victoria-Street zoowel als hierheen! Het zou hoogst onaangenaam zijn!”

„Het verheugt mij dat je geen krasse termen gebruikt!” hernam Raffles droogjes. „Inderdaad zou het buitengewoon onaangenaam zijn, zoo onaangenaam, dat ik het in geen geval mag toestaan!”

„Maar hoe wil je het verhinderen?” kwam Charly, die nu ook begon in te zien, dat de zaak ernstiger was dan hij oorspronkelijk vermoed had.

„Ik kan het niet verhinderen, of ik moet eerst volkomen zeker zijn van de richting van de nieuwe tunnel, wie weet met welk doel gegraven, en vooral van haar beginpunt!”

„Laten wij dat dan dadelijk grondig gaan onderzoeken!” riep Charly uit.

„Ik hoor uit den toon van je stem, dat je nu ook begint in te zien, dat ons werkelijk een groot gevaar dreigt! Zeker, ik zou nu aanstonds het eindpunt van onze tunnel kunnen vernielen, maar ten eerste zou ik aldus een vol jaar arbeids te niet doen, en bovendien zou dat wel eens niet voldoende kunnen zijn voor lieden die bijzonder nieuwsgierig zijn uitgevallen! Zij zouden misschien er in slagen, het puin weg te ruimen door de vernieling in de tunnel opgehoopt, en dan zouden zij op een voor ons zeer noodlottigen dag toch wel eens in het tuinhuis, en verder kunnen doordringen!”

„En je zoudt bezwaarlijk kunnen volhouden niets van het bestaan van dien onderaardschen gang af te weten, vooral wanneer het vast stond, dat jij zelf het begin er van verwoest had, teneinde ontdekking te voorkomen!”

„Zeer juist geredeneerd en daarom is mij er zoo veel aan gelegen, dat ik de plannen ken van die vreemde tunnelgravers, en voor alles het punt, waar zij begonnen zijn.”

„Heb je eenig denkbeeld omtrent den aard van de menschen, die daar nu in onze richting onder den grond aan het wroeten zijn?” vroeg Charly, terwijl hij zich aan tafel zette en zich een kop thee inschonk.

„Ik wil mij niet knapper voordoen dan ik ben, ik weet er niets van en ik vermoed ook niets, ik begrijp het alleen maar niet!”

„Op onze tunnel kan het toch onmogelijk gemunt zijn!”

„Dat lijkt mij het minst waarschijnlijk! Aan de tunnel zijn maar twee uitgangen. Die van de Victoria-Street kan men niet binnengaan, zonder dat een alarm in mijn slaapkamer uitkomend mij waarschuwt, en dat men het andere einde onder den grond van onzen tuin zou hebben ontdekt dat is volkomen buitengesloten.”

„Zou het kunnen dat een fabriek, die zich gaat uitbreiden, tusschen haar kelders een gemeenschap wil maken?”

„Dan zouden die kelders door mijn tunnel van elkander gescheiden moeten zijn, mijn waarde, en dat acht ik niet bijzonder aannemelijk!”

„Dan weet ik het ook niet!” riep Charly uit.

„Ontbijt maar spoedig, want ik wil geen tijd verliezen!” hernam Raffles. „Die ganggravers maken nog al haast, zij zijn sedert gisteren zeker wel een paar meters vooruit gekomen! In ieder geval werken zij dus met geperfectioneerde graafwerktuigen.”

Charly repte zich zooveel hij kon, en daarop trokken de beide vrienden hun overjassen aan en verlieten het huis, maar ditmaal zonder van de diensten van Henderson gebruik te maken.

Te voet zouden zij wellicht iets meer kunnen ontdekken.

Zij reden per motorbus tot den hoek van Grosvenor-Street en Baker-Street en begonnen daar hun onderzoekingstocht.

Zij liepen langzaam de straat teneinde, keerden op hun schreden terug, stonden voor de meeste huizen, winkels en fabrieken even stil en luisterden ingespannen.

En toch wisten zij wel, dat dit verloren moeite was, het straatrumoer was hier zoo groot, dat het alle geluid onder den grond moest dempen, en dat zeker als de avond nog lang niet gevallen was.

Zij doorliepen een aantal zijstraten en stegen, en daarop keerden zij onverrichter zake, na een wandeling van bijna vier uur, weder naar het groote huis in de Regent-Street terug.

Raffles was in een sombere stemming, want hij gevoelde, dat het gevaar dreigend was.