Lord Lister No. 0310: Het geheim der steppen
Part 3
—Zoo moogt gij niet spreken! zeide Raffles op ernstigen toon. Gij moet een man zijn! En wie weet wat er nog kan geschieden!
Maar Ivan Dobrinsky maakte een afwerend gebaar, en zeide hoofdschuddend en diep bewogen:
—Gij tracht mij vruchteloos te troosten, Graaf! Voor de kwaal waaraan ik lijd, is geen kruid gewassen!
Raffles was opgestaan, en liep nu het vertrek eenige malen op en neder. Toen zeide hij, terwijl hij voor zijn gastheer stilstond:
—Wilt ge mij nog eens herhalen, dat niets in het karakter van Ilja u den stap deed voorzien dien zij gedaan heeft?
—Niets, riep Dobrinsky hartstochtelijk uit! Nog geen week voordat de aanval der witten plaats had, die ons het bezit van het stadje kostte, had zij mij met dure eeden bezworen dat zij over een maand mijn vrouw zou zijn. Ik meende op hare liefde te kunnen bouwen als op een rots.
—Nu moet ik u nog een vraag stellen, die u wellicht pijn zal doen, maar die toch noodig is, als ik uw toestand geheel wil begrijpen:
—Weet gij zeker dat er niemand anders....?
—Niemand! riep Dobrinsky met kracht uit. Haar ouders leefden zeer stil en zij had met weinig personen omgang, en ik had het moeten zien! Gelooft gij zelf dat er in de eerste paar dagen van mijn ziekte een man gekomen kan zijn, die mij uit haar hart verdreven heeft?
—Het klinkt tenminste niet zeer waarschijnlijk! antwoordde Raffles op weifelenden toon.
—Niet waarschijnlijk? herhaalde Dobrinsky, ik zeg u dat het volstrekt onmogelijk is.
Raffles kwam haastig eenige schreden naar hem toe, greep hem bij den arm en riep:
—Is het onmogelijk? Ziet gij dan wel dat er iets raadselachtigs heeft plaats gehad! Gij zegt het nu zelf, zonder het te weten, al is het dan met andere woorden.
Dobrinsky greep zich met beide handen naar het hoofd, en waggelde achteruit, alsof hij een knotsslag had gekregen.
—Ik begrijp het niet... Ik begrijp het niet, stamelde hij. Ik weet niet wat gij bedoelt en wat ge mij wilt voorspiegelen. Wat gaat er in u om? Wat vermoedt gij?
—Dat kan ik u thans niet onder woorden brengen, baron—maar voor zoover ik het vrouwenhart doorzie, is zulk een plotselinge ommekeer onverklaarbaar! Maar ik heb een afschuw van onverklaarbare dingen....
Hij voltooide den zin niet, maar vroeg eensklaps:
—Zijt gij in telefonische gemeenschap met Kolodoserskoi?
—Ik geloof ten minste dat de telegrafische verbinding hersteld is, antwoordde Dobrinsky. Waarom vraagt gij dat?
—Dat zult gij spoedig genoeg vernemen! Kan ik van hier uit telegrafeeren?
—Neen, het dichtstbij gelegen telegraafkantoor ligt op twaalf wersten hier vandaan.
—Dan gaan wij er aanstonds heen! zeide Raffles kortaf. Ik zal bevel geven dat men de slede inspant.
—Maar waartoe? hernam Dobrinsky dringend.
—Dat kan ik u thans nog niet zeggen, want misschien zoudt gij het mij wel beletten.
Hij wendde zich snel naar de deur, maar juist ging deze open en een bediende trad binnen met een brief in de hand—de zilveren presenteerbladen van Iwan Dobrinsky waren reeds lang afgeschaft.
—Een brief voor u, Iwanowitsch! zeide hij, terwijl hij zich tot Dobrinsky wendde.
—Een brief voor mij? kwam de baron verwonderd.
—Hij is door een militaire koerier gebracht, en hij wacht in de vestibule of gij misschien antwoord voor hem hebt.
—Breng den man hier, en geef hem een glas heeten wijn! zeide Dobrinsky.
Terwijl de bediende wegging om het bevel op te volgen, scheurde Dobrinsky haastig den omslag van den brief, verontschuldigde zich met enkele woorden en begon te lezen.
En terwijl hij las werd zijn gelaat krijtwit, en hij tastte met de linkerhand naar den tafelrand, terwijl zijn borst heftig op en neder ging.
Toen hij den brief ten einde had gelezen, wierp hij een verwilderden blik om zich heen, alsof hij niet wist waar hij was en vestigde dien toen op Raffles.
—Hij had gelijk! stamelde hij heesch. Er moet iets gebeurd zijn hetwelk ik mij niet kan begrijpen.
—Wat is er dan? vroeg Raffles haastig.
—Ilja is sedert vier dagen uit de ouderlijke woning verdwenen, en haar ouders zijn doodelijk ongerust, en vragen mij of ik soms weet waar zij zich bevindt!
—Daarover wilde ik telegrafeeren, zeide Raffles op ernstigen toon.
—Vermoedet gij het dan? vroeg Dobrinsky, terwijl hij Raffles bij den arm vatte.
—Ja!
—Maar waarom dan toch?
—Omdat de tegenstander u, na u in handen te hebben gehad, weder vrijuit heeft laten gaan!
Dobrinsky deinsde achteruit, alsof een slang hem gestoken had, en stond een oogenblik wankelend midden in het vertrek, met beide handen boven op het hoofd gedrukt alsof hij vreesde zijn verstand te verliezen.
Toen gaf hij een luiden schreeuw, en barstte uit:
—Groote God! Ik geloof dat ik het doorzie! De Witte troepen die hier tegen ons strijden, staan onder bevel van majoor Michael Popowitsch. Hij is een man van omstreeks veertig jaar, en ik weet dat hij, voor het tot den burgeroorlog kwam, menigmaal bij de ouders van Ilja aan huis kwam, en groot belang in het jonge meisje stelde! En die Popowitsch is een schurk, graaf, een ellendeling die voor niets terugdeinst als het voldoening aan zijn lage lusten betreft! Ja, nu weet ik wat er gebeurd is! Het wordt licht in mij! Hij heeft mij twee dagen lang in zijn macht gehad, hij wist van de verhouding tusschen mij en Ilja, en hij heeft haar toen hij nog meester in de stad was, gedreigd dat hij mij zou laten dooden, als zij hem niet ter wille was. En nu.... Waar is zij nu? Wat geschiedt er met haar?
Dobrinsky had deze woorden als in een droom gesproken.
Hij staarde voor zich uit, schijnbaar zonder iets te zien, en zijn bleekheid was nu vreeselijk.
Juist op dit oogenblik kwam de koerier binnen, maar hij was niet alleen.
Hij kwam in gezelschap van een adjudant, een ijlbode, die zooeven met paard en slede was aangekomen, voor den jongen kapitein salueerde, en hem een verzegelden brief overhandigde.
Dobrinsky scheurde den brief met een enkele beweging open, vloog over de weinige regels en liet een dof gesteun hooren.
De brief bevatte het bevel van het hoofdkwartier van den sector om zich onmiddellijk bij zijn regiment te vervoegen hetwelk zich op dit oogenblik te Kolodoserskoi bevond, gereed om op te rukken.
HOOFDSTUK IV.
AAN DEN VOORAVOND VAN DEN SLAG.
De order was formeel en zij moest worden opgevolgd.
Men wist in het hoofdkwartier, dat baron Dobrinsky zoo goed als genezen was, en kon geen soldaten van zijn moed en zijn bekwaamheden missen, nu binnen enkele dagen de groote veldslag zou plaats hebben, waarvan de uitslag in dezen sector weleens beslissend kon zijn.
Men had daarom zijn ziekteverlof met enkele dagen ingetrokken.
Dobrinsky trad op zijn beide gasten toe, stak hun de hand toe en zeide met trillende stem:
—De plicht roept mij, mijne vrienden, en ik moet vertrekken! Het doet mij meer leed dan ik u zeggen kan, dat er zoo spoedig een einde komt aan ons samenzijn. Wie weet.... later....
Maar Raffles schudde het hoofd, en zeide na een snellen blik met Charly gewisseld te hebben:
—Meen niet, waarde Iwan, dat gij ons zoo kunt afschudden! Denkt gij dat wij nu maar aanstonds weder naar Engeland terugkeeren? Neen! Wij hebben andere plannen.
—Wat wilt gij zeggen, vroeg Dobrinsky.
—Luister! Het lot heeft ons nu eenmaal te midden van den vreeselijken broederstrijd gevoerd. Ik wil en kan op dit oogenblik nog niet beoordeelen aan welke zijde het recht is. Maar dit staat vast—er zullen dooden en gewonden vallen, en die moeten verpleegd en verzorgd worden! Te allen tijde heeft de Roode Kruissoldaat boven de partijen gestaan, en daarom doen wij het aanbod, mijn secretaris, mijn trouwe chauffeur en ik met u mede te trekken om de gewonden te verplegen.
—Gij? riep Dobrinsky verrast en ontroerd uit.
—Ja, wij. Gij zult misschien weten dat ik in de geneeskunde gestudeerd heb, en dat komt mij thans goed van pas. Mijn secretaris is een uitmuntend verpleger, en mijn chauffeur zou niets liever willen dan behulpzaam te zijn bij het overbrengen der gewonden. En als er geen bezwaar is onze hulp aan te nemen, wijl wij Engelschen zijn, dan kunt gij over ons beschikken.
Diep ontroerd greep Dobrinsky de handen zijner twee gasten en zeide aangedaan:
—Ik neem uw hulp uit naam der menschelijkheid aan, en ik weet zeker, dat men in ons hoofdkwartier met graagte van uwe hulp zal gebruik maken.
—Ik moet u er echter nog op wijzen, mijn waarde Dobrinsky, ging Raffles voort, dat ik in zekeren zin door zelfzuchtige beweegredenen word gedreven, hernam Raffles glimlachend. Ik wil namelijk onderzoek doen naar Ilja.
Raffles had dit zonder eenigen nadruk gezegd, als ware het de eenvoudigste zaak ter wereld.
Hij vervolgde:
—Gij zelf zult daar natuurlijk niet toe in staat zijn, daar gij uw post niet kunt verlaten, maar ik, als vreemdeling, zal mij vrijer kunnen bewegen, en ben aldus als het ware aangewezen om in uw plaats handelend op te treden.
Voor Raffles goed en wel wist wat er gebeurde, had Dobrinsky hem aan zijn borst getrokken en barstte in snikken uit.
—Als gij dat doet—dan ben ik u meer verplicht dan mijn leven! riep hij uit, maar ik vrees, dat gij een onmogelijke taak op u neemt! Want als zij het ouderlijke huis verlaten heeft, dan kan zij onmogelijk ergens anders zijn dan achter de vijandelijke liniën—in handen van dien schurk van een Popowitsch!
—Dat weet ik! hernam Raffles kalm. Wij zullen dus natuurlijk list moeten aanwenden, maar ook in dat opzicht heb ik veel boven u voor, omdat ik een vreemdeling ben, en desnoods kan voorgeven, dat ik verdwaald ben.
—Maar daarbij stelt gij uw leven in de waagschaal!
—Nu, als het anders niet is! zeide Raffles luchtig. Dat heeft in deze tijden en in dit land weinig te beteekenen! Zeg mij nu eens, wanneer gij denkt te vertrekken!
—Nog hedennacht! Ik zal dadelijk last geven, mijn bagage te pakken.
—Hoe lang duurt de reis?
—Met goede paarden, omstreeks vijf uur.
—Het is nu tien uur—dan kunnen wij er dus om drie uur in den nacht zijn. Wat ons zelven betreft, wij zijn in tien minuten reisvaardig.
Dadelijk werden de noodige bevelen gegeven, en Dobrinsky zelf hielp mede bij het inpakken van zijn zware valies.
Hij verwisselde zijn jachtcostuum, dat hij nog niet had afgelegd, voor een zeer eenvoudige uniform, welke slechts drie roode sterren op den kraag als dinstinctief had, maar overigens volkomen geleek op die der gewone soldaten, zette zijn uniformpet op en gespte zijn sabel aan.
Zijn dienstrevolver was reeds nagezien en in het valies geborgen.
Dit alles had nauwelijks een kwartier geduurd, en vóór de deur stond reeds de slede met versche paarden te wachten, welke men aan het telegraafkantoor door andere zou kunnen vervangen.
De koerier en de adjudant waren reeds weder vertrokken.
Dobrinsky nam afscheid van al zijn bedienden, die hem trouwhartig de hand kwamen drukken, en liet het landgoed over aan de goede zorgen van zijn voormaligen jachtopziener, die tevens de functie van rentmeester uitoefende.
De maan stond hoog aan den hemel en verspreidde een zilverachtig licht over de eindelooze sneeuwvlakte, welke de reizigers zouden moeten oversteken.
Henderson had de teugels weder ter hand genomen en voort ging het, de Steppen tegemoet.
Van tijd tot tijd riep Dobrinsky, die voor het overige diep in gedachten verzonken scheen, den reus een korte aanwijzing toe betreffende de richting, welke hij moest volgen.
De sneeuw knarste onder de ijzers van de slede, de bellen van de paardentuigen rinkelden, en dat was, met het snuivend ademhalen der drie paarden, het eenige geluid, dat vernomen werd.
Na een paar uur doemden heel in de verte een paar lichtjes op—die waren van het telegraafkantoor.
Het was een houten gebouwtje, tamelijk primitief ingericht, waar drie beambten woonden, waarvan er telkens twee tegelijk dienst hadden.
Zij zorgden niet alleen voor het doorseinen van telegrammen, maar vervulden ook de plaats van postmeesters, die een zestal paarden moesten verzorgen, welke dieren ter beschikking van doortrekkende reizigers stonden.
Vooral des winters, die hier volle zes maanden van het jaar duurde, leidden zij een hard en moeilijk bestaan, want het geschiedde wel eens, dat een levensmiddelenconvooi in een sneeuwstorm bleef steken, zoodat zij den hongersnood nabij kwamen.
Zelfs in het hartje van den zomer gingen er dagen voorbij, dat men niemand voorbij zag gaan.
Maar op dit oogenblik, bij deze felle koude van bijna dertig graden onder nul, was het posthuis een welkome veilige plaats.
De reizigers zouden zich daar wat kunnen verwarmen, terwijl de vermoeide paarden tegen verschen werden omgewisseld.
Na ongeveer twintig minuten hield de slede voor het posthuis stil, en een der beambten kwam met een kaarslantaarn naar buiten, om te zien wie de reizigers waren.
Dobrinsky toonde zijn militairen pas en ook de Engelschen moesten hun reispassen laten zien.
Vervolgens werden de vermoeide paarden uitgespannen en naar den stal geleid, terwijl een goeduitgerust driespan hun plaats ging innemen.
De reizigers hadden aan het groote houtvuur plaats genomen en een glas heete wijn droeg er het zijne toe bij, om de hevige koude daarbuiten te doen vergeten.
Zij vertoefden ruim een half uur in het posthuis, waar men hen slechts weinig inlichtingen omtrent den stand van zaken te Kolodoserskoi kon geven en daarop werd de reis weder hervat.
De koude scheen nog toegenomen te zijn en men sprak onderweg zeer weinig.
Zoo dicht waren de reizigers allen in hun zware pelzen gehuld, en met reisdekens overdekt, dat zij bijna hun menschelijke gedaante hadden verloren en op vormelooze massa’s geleken.
De damp uit de neusgaten der paarden had zich als een ijskorst op hun hals en borst afgezet, maar de dieren draafden onverdroten voort in hun eigenaardigen korten, maar zeer snellen draf, waarbij zij de pooten slechts weinig kromden.
Een oogenblik waren de reizigers opgeschrikt door het gehuil van een troep wolven in de verte, en reeds hadden zij naar hun geweren gegrepen, maar gelukkig bleken zij boven den wind van de roofdieren te zijn, en het gehuil stierf spoedig in de eindelooze verte weg.
Het was bijna drie uur in den nacht, toen eindelijk de lichten van het kleine stadje opdoemden.
In het laatste half uur waren de reizigers reeds eenige malen een wachtpost gepasseerd, die telkens nauwkeurig de passen onderzocht en eenmaal was er alle overredingskracht van kapitein Dobrinsky toe noodig om een soldaat der Rooden te bewegen de drie Engelschen door te laten, die hij sterk scheen te wantrouwen.
Ook waren de uiterlijke kenteekenen zichtbaar geworden van een verwoeden strijd, die hier niet lang geleden had plaats gehad. Half dichtgesneden loopgraaf-prikkeldraadversperringen, grillig gevormde stompen van stukgeschoten boomen, vernielde kanonnen, en stapels leege hulzen van granaten en kartetsen.
Ook waren er hier en daar nog zwarte schimmen en vlekken op de smetteloos blanke sneeuw te zien, dat waren de lijken der nog onbegraven gevallenen.
Nu en dan waren de reizigers een huis voorbij gekomen, waarvan nog alleen de vier muren overeind stonden met groote gaten er in, terwijl de spanten van de stukgeschoten daken zwart tegen den helderen hemel afstaken als de ribben van het geraamte van een gestranden walvisch.
De voorste wijken van het stadje bleken krachtig bezet te zijn en onophoudelijk moesten nu de passen vertoond worden.
Het hoofdkwartier bevond zich in een huis op het marktplein, dat vroeger als feestzaal had dienst gedaan in de dagen toen Rusland nog niet door den burgeroorlog verscheurd werd.
Dobrinsky ging zich daar dadelijk aanmelden vergezeld van zijn drie reisgenooten.
Een oogenblik vreesde hij, dat de stafofficieren zich te ruste hadden begeven, maar de vensters waren verlicht en het bleek, dat er op dit oogenblik krijgsraad belegd werd.
Dobrinsky moest in een soort wachtkamer met zijn metgezellen nog een kwartier wachten en werd toen in een groot vertrek ontboden, waar tien heeren, allen in een zeer eenvoudig uniform gestoken, sommigen nog zeer jong, om een groote tafel gezeten waren, die met stafkaarten overdekt was.
Dobrinsky trad op een man met een langen grijzen baard toe, die bijna een hoofd boven de anderen uitstak, salueerde, en meldde zich present.
De andere keek hem onderzoekend aan en zeide toen goedkeurend:
—Het verheugt mij, kapitein, het verheugt mij, dat gij zoo spoedig aan den oproep hebt gehoor gegeven. Zijt gij geheel genezen?
—Ja majoor! antwoordde Dobrinsky.
—Wij zullen u noodig hebben, mijn vriend, want alles wijst er op, dat er over enkele dagen een hevige strijd te wachten is! De Witten zullen er zich zeker niet in voegen, dat wij hun dit belangrijke punt weder hebben ontnomen, maar ik zie dat gij niet alleen zijt?
Er klonk eenig wantrouwen in zijn stem, toen de majoor deze vraag deed.
—Ik vraag u verschooning, majoor, dat ik zoo vrij ben geweest drie goede vrienden mede te brengen; zij zijn Engelschen en zeer bedreven in het verplegen van gewonden. Zij vragen verlof om ons als Roode Kruis soldaten te mogen helpen.
En nu deelde Dobrinsky in korte woorden mede, wie de drie Engelschen waren en door welke omstandigheden zij zich hier bevonden.
Toen Dobrinsky geëindigd was, streek de majoor eenige malen over zijn langen grijzen baard zonder een oog van de drie Engelschen af te wenden.
Toen wendde hij zich tot Raffles met de vraag:
—Weet gij aan wie gij uw hulp geboden hebt, mijnheer?
—Aan de Bolsjewiki, mijnheer, antwoordde Raffles eenvoudig. Laat ik u echter mogen zeggen, dat ik mijn hulp ook dan zou hebben aangeboden als mijn vriend Dobrinsky toevallig tot de partij der witten hadde behoord.
—Dat is ten minste eerlijke taal! riep de majoor uit. Ik kan van u als vreemdeling niet verlangen, dat gij aanstonds onze beginselen zult omhelzen, van welke gij u waarschijnlijk toch een verkeerde voorstelling maakt, wanneer ik ten minste mag afgaan op hetgeen uwe bladen van ons en ons doel verhalen. Ik wil u niet grieven, maar die bladen weten er niet veel van. Wij zullen echter geen tijd verliezen met u hier over te redekavelen. Wij willen u liever van harte dank zeggen voor uwe hulp.
—Wij doen slechts, majoor, wat ieder ander in onze plaats denkelijk ook zou hebben gedaan, zeide Raffles eenvoudig.
—Wij zullen u een dinstinctief geven, en een pas, opdat gij u overal vrij zult kunnen bewegen, hernam de majoor. Wendt u slechts tot mijn adjudant, die voortreffelijk Engelsch kent. Ja, ja, mijnheer, de Bolsjewiki zijn niet allen analphabeten, zooals men u tracht wijs te maken, voegde hij er glimlachend aan toe. Misschien gelooft gij mij niet, maar hier in deze zelfde stad strijdt aan onze zijde een voormalig grootvorst mede en nu genoeg gepraat, mijne heeren. Het is hoog tijd om ons ter ruste te begeven, want wie weet wat de dag van morgen ons kan brengen.
De majoor was opgestaan, en nu verhieven alle stafofficieren zich van hun zetel, salueerden en trokken zich naar hun vertrekken terug, voor zoover zij niet elders in kwartier lagen.
Raffles, Charly en Henderson wendden zich tot den adjudant van den majoor, die inderdaad voortreffelijk Engelsch bleek te spreken en kregen van hem een armband van witte zijde, waarop een rood kruis van dezelfde stof bevestigd was.
Daarop vulde hij voor ieder een pas in, en van dat oogenblik af waren zij als Roode Kruissoldaten bij het leger der rooden in dienst gesteld.
Dobrinsky had gewacht tot deze formaliteiten vervuld waren, en zeide nu:
—Hebt gij den adjudant reeds een nachtverblijf opgegeven. Maar hoe kan ik zoo dom vragen, gij zijt hier natuurlijk in het geheel niet bekend.
Hij dacht even na, en riep toen op levendigen toon:
—Daar valt mij iets in. Wij zullen naar de ouders van Ilja gaan. Zij zullen ons met open armen ontvangen.
—Om drie uur in den nacht? vroeg Raffles glimlachend.
—O, daar zullen zij niet op letten! antwoordde Dobrinsky. Zij zullen integendeel verheugd zijn, dat zij mij zien, daar ben ik zeker van.
—Maar ons ook? ging Raffles voort.
—Zeker, mijn vrienden zullen hen welkom zijn. Er is plaats in overvloed in het ouderwetsche, groote huis, en op deze wijze blijven wij ook in elkanders nabijheid.
En daarop begon de tocht door het kleine stadje, naar het huis van Sykorsky.
HOOFDSTUK V.
DE VELDSLAG.
Het was duidelijk te zien, dat men aan den vooravond van ernstige gebeurtenissen stond.
Ondanks het nachtelijk uur trokken onophoudelijk convooien door de nauwe straten, waarvan hier en daar de huizen door granaten waren vernield.
Dreunend rolden de kanonnen en de kruitwagens over de hobbelige keien, lange afdeelingen cavalerie trokken voorbij, terwijl de paardenhoeven stampten, de sabels rinkelden en de paarden hinnikten.
Dan volgden dozijnen eetwagens, waaruit een lichte rook opsteeg, Roode Kruiswagens, vrachtauto’s met granaten en geweeramunitie en voorts vele sleden, beladen met proviand.
Overal heerschte de grootste orde, en het bleek Raffles al aanstonds, dat er streng op werd gelet, dat de tucht onder het Leger der Rooden gehandhaafd bleef.
De officieren waren slechts herkenbaar aan de kleine roode distinctieven en aan hun sabel en revolvertasch, maar de meesten hunner droegen ook een geweer over den schouder.
Op sommige plaatsen was het verkeer der militaire convooien zoo druk, dat de vier mannen op een stoep moesten vluchten, om ze te laten passeeren.
—Dat zijn alle versterkingen, welke ons uit Petrograd zijn toegezonden, zeide Dobrinsky. Zooals gij ziet, zijn het allen jonge, krachtige mannen, en wij hebben gegronde hoop, dat wij den slag zullen winnen en de “witten” ver naar het Oosten terugwerpen, tot naar de Onega-moerassen.
—Maar velen zullen van dezen strijd niet terugkeeren, zeide Raffles op ernstigen toon.
—Zij, die sterven, zullen het voor een eerlijke zaak gedaan hebben, riep Dobrinsky opgewonden uit.
Raffles zweeg, want hij wilde op dit oogenblik niet redetwisten over zulk een onderwerp.
Er zou heftig gestreden worden tusschen zonen van hetzelfde volk, en voor zoover het in zijn macht was, zouden hij en zijn beide reisgezellen de zieken en gewonden verplegen, van beide partijen.
Eindelijk, toen het bijna half vier in den morgen was, bereikten zij de straat waar de ouders van Ilja woonden.
Dobrinsky belde aan, maar het duurde eenigen tijd voor de deur geopend werd door een ouden, slaperigen bediende, die zich niet bijzonder verbaasd toonde bij het zien der militaire uniformen.
Zoo iets was hij blijkbaar gewoon.
Hij hief de lantaarn op, welke hij in de hand droeg, en had haar van vreugde bijna laten vallen, toen hij het gelaat van Dobrinsky herkende.
Deze trad haastig binnen, door de drie Engelschen op den voet gevolgd, en zeide op fluisterenden toon:
—Heeft mijn schellen de oude lui gewekt, Pawel?
—Neen, Iwanowitsch, zij slapen rustig.
—Wek hen dan vooral niet, zij zijn oud en morgen kunnen wij met elkander spreken. Wijs mij en deze heeren slechts een paar kamers, geef ons wat brood en vleesch, en ga zelf rustig weder naar bed. Ik neem de verantwoording op mij.
Snel werd een en ander in orde gemaakt, en een kwartier later strekten allen hun door de koude verstijfde ledematen in een warm bed uit.
Maar lang zou de rust niet duren, want reeds om acht uur in den volgenden morgen werd er alarm geblazen......
De trompetters renden door de nauwe straten, op hun kleine snelle paarden gezeten, en op iederen straathoek stonden zij stil, als uit brons gegoten, brachten de trompet aan den mond en lieten het schetterend doorklinkend signaal hooren.
En bijna tegelijkertijd begon heel in de verte het kanon te donderen.
Dobrinsky vloog het eerst overeind, trok het gordijn voor het raam terzijde, en keek de straat door.
Daar trokken reeds de troepen voorbij, en zijn geoefend oog had aanstonds gezien, dat de manschappen met rantsoen voor drie dagen en met een zeer grooten voorraad geweerpatronen belast waren—men rekende dus blijkbaar op een beslissend gevecht.
Hij keerde in de kamer terug, schoot haastig een paar kleedingstukken aan, en bonsde met de vuist op de deur van het groote logeervertrek.
Daar achter klonk de stem van Raffles:
—Wat beteekende dat signaal?