Lord Lister No. 0310: Het geheim der steppen
Part 2
De jachtopziener, Nicolai Petrowitsch geheeten, zou de drie paarden besturen, welke de slede trokken.
Het was nog zeer koud, maar gelukkig was de wind gaan liggen en men voelde er dus veel minder van, terwijl de jagers bovendien van top tot teen in het bont waren gestoken.
Onder vroolijk belgerinkel ging de slede op weg, en volgde een noord-oostelijke richting.
De koetsier moest wel zeer goed bekend zijn in deze streek, want er viel niets meer te bespeuren van den weg, die met de omliggende akkers en weiden één geheel vormde.
De slede volgde eenigen tijd de oevers van de Wodla, en waar de toestand dit veroorloofde, gleed zij over de gladde ijskorst, die het water van den stroom bedekte.
De zon speelde op de ijsrotsen langs den oever en tooverde er de schoonste kleuren op.
Hoog in de blauwe lucht waren een paar raven zichtbaar.
En dat was het eenige teeken van leven in deze witte woestijn.
—Ditmaal zijn het levende vogels! zeide Dobrinsky, terwijl hij naar boven wees. Maar het komt ook wel eens voor, dat wij hier mechanische vogels te zien krijgen—en die loeren niet op aas, zooals die raven daar boven ons, maar op levende wezens.
—Gij bedoelt, dat de strijdende troepen hier van vliegmachines gebruik maken? vroeg Charly.
—Ja. Maar de Witten hebben er veel meer dan wij, helaas! Men heeft ons echter uit het hoofdkwartier luchtversterkingen beloofd, welke wij ieder oogenblik verwachten—en dan beginnen wij een groot offensief, om den tegenstander hier uit de streek te verdrijven.
—Gij praat steeds van “wij”, mijn waarde baron! zei Raffles glimlachend. Zijt gij dan van plan, aan dat offensief deel te nemen?
—Ongetwijfeld! antwoordde Dobrinsky. De geneesheer, die mij in het landhuis bezocht heeft, verklaarde mij eergisteren, dat ik over enkele dagen weder naar het front zou mogen vertrekken.
—Maar dan zijn wij u lastig komen vallen! riep Raffles uit. Wij mogen u niet terughouden van wat gij nu eenmaal als uw plicht beschouwt, en wij zullen zoo spoedig mogelijk weder terugkeeren!
Dobrinsky hief met een afwerend gebaar de hand op.
—Gij weet heel goed, hoe welkom mij uw beider bezoeken steeds zijn! hernam hij. Gij blijft een week hier, en dan ga ik. Maar het behoeft u slechts één woord te kosten, en gij kunt over mijn landhuis beschikken alsof het van u zelf was!
—Dat is zeer vriendelijk van u, mijn waarde Dobrinsky! zeide Raffles. Maar wij mogen uw aanbod niet aannemen!
De slede gleed intusschen bijna geruischloos over de hardbevroren sneeuwlaag.
Men hoorde niets dan het rinkelen van de zilveren bellen der tuigen, het gekraak van het leder en het gesnuif der paarden.
De tocht werd gedurende drie uur onafgebroken voortgezet, en het bosch was nu zeer dichtbij.
Gedurende dien tijd was men eenige malen kleine troepentransporten voorbij gekomen, die alle van sleden gebruik maakten, ook om de zware kanonnen te vervoeren.
Een wagen zou zeker tot over de assen in de dikke sneeuwlaag zijn gezonken.
Telkens moest dan Dobrinsky zijn verlofpas toonen en verklaren, wat hij hier deed.
Want wel was men hier buiten de eigenlijke gevechtszone, maar toch binnen het operatiegebied.
Ook de beide vreemdelingen en hun bediende moesten hun passen laten zien, en somtijds trof hun een sombere blik van wantrouwen en haat, als men daarop het woord “Graaf” las.
En eensklaps, toen zij nog maar een paar wersten van het bosch verwijderd waren, ving het oor der jagers een dof geluid op......
Het was het dreigend gebonk van het kanon.
Henderson had de paarden ingehouden en keek vragend om.
—Gij kunt wel doorrijden, mijn vriend! zeide Dobrinsky. De limiet loopt van het noorden naar het zuiden op deze plek, en wij zijn er zeer ver van verwijderd. Slechts de klare lucht en het volkomen gemis aan huizen en boomen op deze eindelooze vlakte doet ons het artillerievuur zoo duidelijk vernemen!
De slede kwam weder in beweging en van dit oogenblik af, zou het dof gedreun van het geschut de jagers voortdurend vergezellen.
Aan den zoom van het bosch werd halt gehouden en de eetwaren werden ontpakt.
Men zou hier een vuur aanleggen en den maaltijd gebruiken.
Petrowitsch en Henderson maakten van takken een groot vuur aan en zetten thee.
De sneeuw leverde water genoeg!
En daarop zetten de mannen zich aan den maaltijd, oogen en ooren goed open, want zij bevonden zich thans aan den voet van het gebergte, en het was hier zeer goed mogelijk, dat er zich uitgehongerde beren in den omtrek bevonden.
Iedereen hield dus zijn geweer gereed, en onder het bereik van zijn hand.
De maaltijd was spoedig geëindigd en omstreeks één uur begaven de jagers zich weer op weg, dwars door het bosch heen, waarvan de boomen wijd uiteen stonden, zoodat zij er op verren afstand van de slede gebruik konden maken.
Hier en daar waren nieuwe sporen in de sneeuw zichtbaar, welke aanstonds door Petrowitsch werden herkend—het waren afdrukken van berenklauwen!
Het bosch liep voor een deel tegen de berghelling op en men moest hier de uiterste voorzichtigheid in acht nemen.
Men bevond zich dicht in de buurt van een groote houthakkershut, die thans onbewoond was, en waarbij een stal behoorde, waar de drie paarden onder dak konden worden gebracht.
Zij werden uitgespannen en kregen een flink voer hooi, waarop de staldeur stevig werd gesloten, zoodat de paarden niet zouden kunnen uitbreken, en er ook geen beren of wolven in zouden kunnen doordringen.
Voor de koude behoefde men niet bevreesd te zijn, want de kleine Russische Steppen-paarden zijn zóó gehard, dat het al bijzonder sterk moet vriezen vóór zij er eenigen hinder van ondervinden.
Te voet gingen de vier mannen thans verder, en zij volgden het spoor van de berenklauwen.
Nu en dan schudde Petrowitsch, de jachtopziener, het hoofd en bromde binnensmonds:
—Wij zijn nu op de berenjacht—maar wij konden wel eens meer van die zoolgangers ontmoeten dan waarop wij gerekend hebben! Dit spoor is niet van een enkelen beer, maar minstens van drie of vier—misschien wel meer!
De jagers volgden het spoor nog eenigen tijd, met de hand aan den trekker van het geweer, toen hun oor eensklaps getroffen werd door een luid gebrul, dat zich vlak in hun nabijheid deed hooren.
Zij richtten de blikken naar alle kanten, maar er was volstrekt niets van een verscheurend dier te zien.
Rechts van hen verhief zich een rotswand bijna loodrecht omhoog, en links breidde zich het bosch uit.
Maar toen zij voorzichtig nog een paar passen deden, kwamen er eensklaps vier beren als bij tooverslag te voorschijn!
De roofdieren hadden hier zeker hun holen, en kwamen met waggelenden gang en zeer snel een soort bergpad afdalen, niet breeder dan een meter ongeveer, en dat de jagers nu pas ontdekten.
Aanstonds brachten Raffles en Charly hun geweer aan den schouder en drukten af.
Maar zij hadden blijkbaar op denzelfden beer gemikt, want slechts één van de monsters stiet een gebrul uit, dat door den rotsmuur weerkaatst werd, en stortte toen stuiptrekkend van het pad omlaag.
De andere drie echter lieten zich niet ophouden en kwamen snel naderbij.
Dobrinsky legde op zijn beurt zijn buks aan en schoot.
Hij verwondde één der beren, maar niet doodelijk, want het dier bleef hevig brullend en aan den schouder bloedend, voortgaan.
Raffles had zijn geweer snel weder geladen en mikte nu zeer zorgvuldig tusschen de oogen van het dier. Hij drukte af, en het monster stortte doodelijk gewond neder—de kogel had het juist in den loggen kop getroffen!
Maar het gevaar was nog niet geweken—integendeel, het werd grooter—want daar vertoonden zich op het pad nog twee reusachtig groote bruine beren, die door het schieten en de lucht van het bloed uit hun holen waren gelokt.
—Het is waarlijk een heel gezelschap! riep Charly uit, die opnieuw geladen had.
—Ik heb het u wel gezegd, mijnheer! riep Petrowitsch uit, die nu snel zijn geweer aan den schouder bracht en vuur gaf.
Eén der beren viel neder, maar richtte zich weder op en kwam dreigend, op de achterpoorten loopend, op Raffles toe, die door dezen onverwachten aanval verrast werd, juist toen hij bezig was zijn geweer opnieuw te laden.
De beer greep het wapen bij den loop, vatte het in zijn beide machtige klauwen en brak het door midden, met evenveel gemak als hij het met een boomtak zou hebben gedaan.
Daarop liet het ondier de beide stukken van het wapen vallen en stortte zich op Raffles.
Het volgend oogenblik zou de beer hem de hersens verpletterd hebben of hem tusschen zijn geweldige pooten hebben doodgedrukt, toen plotseling Henderson, die zijn meester niet uit het oog had verloren, zich tusschen Raffles en den beer plaatste.
Hij was slechts gewapend met een breed jachtmes, maar hij aarzelde geen seconde.
Hij greep den beer met de linkervuist in den strot en plonsde hem met de rechterhand het jachtmes door de borst.
Het doodelijk gewonde dier vatte Henderson beet, en man en dier rolden om en om door de sneeuw, waarbij de klauwen van het dier den lederen pels, welken Henderson droeg, aan flarden reet.
Maar het bloedverlies had het monster spoedig uitgeput; zijn greep verzwakte en zijn sterke pooten lieten hun slachtoffer los.
Hijgend richtte Henderson zich overeind, met een diepe krab over de borst, welke de beer hem door al zijn kleederen heen had toegebracht, maar voor het overige was hij ongedeerd.
De anderen hadden niet op den afloop van deze worsteling gewacht, daar zij anders allen zeker gedood zouden zijn.
Charly en Dobrinsky hadden zoo snel zij konden hun geweer opnieuw geladen, en twee welgerichte schoten doodden op slag twee van de beren.
De laatste, blijkbaar verschrikt, maakte rechtsomkeert, en koos het hazenpad.
Men zond hem nog een paar kogels achterna, maar het dier wist zijn hol te bereiken, waar men hem slechts zeer moeilijk zou kunnen volgen, want het bergpad was zeer smal en steil, en men zou het niet anders kunnen begaan dan achter elkander loopend.
Men bemoeide zich allereerst met Henderson, die zich echter zoo spoedig mogelijk aan deze zorg trachtte te onttrekken, daar de schram, volgens hem, volstrekt niets te beteekenen had.
Raffles echter was op hem toegetreden en drukte den braven kerel krachtig de hand, terwijl hij hem diep in de oogen keek, en op zachten toon zeide:
—Eens te meer heb je mij het leven gered, Henderson! Ik dank je daarvoor.
—Laten wij daarover zwijgen, mylord, want als ik de keeren ging optellen, dat gij mij het leven hebt gered, dan zoudt gij het zeker winnen! Het zou toch ook te dwaas zijn geweest, als ik den bruinen sinjeur maar kalm zijn gang zou hebben laten gaan!
Raffles zeide niets, maar de blik, dien hij Henderson toewierp, was voor den braven reus een taal, die niet verkeerd begrepen kon worden!
De jachtopziener, die op dergelijke voorvallen steeds rekende, had verbandmiddelen bij zich en verbond handig en snel de wonde van Henderson.
Vervolgens ging men den jachtbuit bekijken.
De vijf gedoode beren bleken tot een zeer woest en gevaarlijk ras te behooren, en zij waren alle boven de gewone maat.
—De kracht van deze monsters moet waarlijk buitengewoon zijn!
—Zij slepen soms wel eens geheel alleen een volwassen kalf mee, mijne heeren! zeide Petrowitsch. En weet u, hoe zij dat doen? Zij nemen het in hun voorpooten op en dragen het weg, zooals een kindermeisje het met een zuigeling doet, terwijl zij op hun achterpooten loopen, en met een schaap gaat het nog gemakkelijker, want dat dragen zij in hun bek mee.
—Zij richten dus zeker groote schade onder den veestapel aan? vroeg Charly.
—Dat is bijna niet te beschrijven, mijnheer, antwoordde de jachtopziener. Vooral des winters, als de honger knaagt, staan zij voor niets en dringen tot in de schaapskooien door, waar zij groote verwoestingen aanrichten, want zij vergenoegen zich er niet mede een enkel schaap te stelen, maar bijten er bovendien nog heel wat dood, om het bloed te drinken.
—Zoodat wij een goed werk verricht hebben, door deze bruine broeders naar betere gewesten te zenden? vroeg Henderson.
—Een voortreffelijk werk! bevestigde Petrowitsch glimlachend.
—Dan zullen wij thans maar terugkeeren, en morgen zullen wij een paar mannen zenden om de dieren van hun huid te ontdoen, want het zou ons te lang ophouden, als wij moesten wachten, tot Petrowitsch dat gedaan had, zeide Dobrinsky. De zon daalt reeds naar de kimme en over een uur is het duister.
En zoo aanvaardden de jagers den terugtocht en een half uur later hadden zij de hut bereikt, waar de paarden gestald waren.
Zij nuttigden weder iets, dronken een glas rum en namen vervolgens weder in de slede plaats, waarvoor Henderson de drie paarden weder had aangespannen.
—Wat ik zeggen wil—zullen de wolven de beren, die wij hebben neergeschoten, niet in stukken scheuren? vroeg Charly, toen de slede zich weder in beweging had gesteld.
—Als zij ze vinden, mijnheer, dan is er morgen geen stukje meer van over, antwoordde Petrowitsch lakoniek.
Lang vóór de slede de zoom van het bosch bereikt had, was de zon achter de kim verdwenen, en de koude deed zich nu feller gevoelen dan ooit.
De duisternis was bijna plotseling ingetreden en zeer ver aan den horizon kon men nu en dan een rossig schijnsel waarnemen.
—Daar is toch geen brand? vroeg Charly.
—Neen, mijnheer Wilburn,—dat is het kanon! antwoordde Dobrinsky op zachten toon.
Inderdaad kon men hier duidelijk het gedreun van het geschut hooren, dat dood en verderf uitbraakte in de gelederen van de eigen broeders—want daarginds streden Russen tegen Russen!
HOOFDSTUK III.
HET VERHAAL VAN DOBRINSKY.
De jagers kwamen zeer vermoeid thuis, en aanstonds begaven zij zich naar hun kamer om hun zware pelzen af te leggen.
De avondmaaltijd zou ditmaal gebruikt worden in een der eigen vertrekken van den voormaligen grootgrondbezitter.
Raffles en Charly waren spoedig gereed, en nadat zij hun zware vetlederen laarzen verruild hadden tegen gemakkelijker schoeisel, daalden zij de trap af en traden het vertrek binnen, waar Dobrinsky hen zou wachten.
Tot hun verbazing was daarbinnen alles nog donker, maar hunne verwondering nam toe, toen zij van den kant van den haard een onderdrukt snikken hoorden—het snikken van een volwassen man, die een duldelooze smart lijdt.
Raffles en Charly wilden zich bescheiden weder verwijderen, maar Dobrinsky had het geluid van de opengaande deur gehoord en stond haastig op, terwijl hij op zijn beide gasten toetrad.
Hij had iets in de hand, dat hij snel in zijn binnenzak wilde steken, maar het voorwerp viel er nevens op den grond.
Hij raapte het weder op, maar niet snel genoeg of Raffles en Charly hadden gezien, dat het een portret was.
De Groote Onbekende ging langzaam op Dobrinsky toe, legde hem beide handen op de schouders en keek hem recht in de oogen, waarin nog de sporen van tranen te zien waren.
Toen zeide hij op ernstigen toon:
—Luister eens, mijn waarde Dobrinsky—gij moet niet denken, dat het onbescheidenheid van ons is, maar ik wil er nu niet langer over zwijgen—er moet iets met u gebeurd zijn, dat uw gemoed bezwaart en dat u doet lijden! Wilt gij ons niet zeggen, wat het is en zoo uw hart ontlasten? Gij hebt geweend! Gij zijt een sterk man—en als die weent, dan moet de reden wel heel ernstig zijn! Het is waar, wij kennen elkaar nog niet zoo lang, maar toch—toch wil ik u vragen om uw gemoed eens bij ons uit te storten—wellicht zal het u verlichting brengen!
Dobrinsky liet een zacht gekreun hooren en scheen in tweestrijd te zijn.
De vlammen van het groote houtvuur in den schouw verlichtten zijn gelaat, dat vertrokken was en zijn oogen, die met doffen blik vóór zich uitstaarden.
Maar eensklaps scheen hij een besluit te nemen.
Hij trok Charly en Raffles bij den arm mee naar den haard en wees hun een stoel aan.
—Ik zal u mijn verhaal vertellen! riep hij uit. Het is kort, en gij behoeft er niet op te rekenen, dat gij iets romantisch of iets bijzonders te hooren krijgt! Mijn verhaal is het verhaal van zoovele mannen, die zich bedrogen zien in het dierbaarste verlangen en in hun vertrouwen op de menschen!
Dobrinsky stak langzaam de hand in den binnenzak, waar hij zooeven het portret had gestoken, en haalde het er even langzaam uit.
Hij stak het Raffles toe en zeide op doffen toon:
—Dat is zij! Ziet zij er niet uit als een engel, het toonbeeld van reinheid en goedheid?
Hij bedekte het gelaat in de handen en scheen zijn vraag reeds geheel vergeten te zijn.
Het portret, hetwelk Raffles in de hand hield, terwijl Charly zich over hem heenboog, was dat van een jong meisje van ongeveer twintig jaar, met prachtige oogen, waarschijnlijk donkerbruin of zwart, een schoon gevormd, ovaal gelaat, een fijn gemodelleerd neusje en dik, hoog opgemaakt haar.
En Raffles moest erkennen, dat hij zelden zulk een lieftallig gelaat had gezien, waarop goedheid des harten zich vereenigde met geest en schoonheid.
Hij bekeek het lief gelaat eenigen tijd aandachtig en gaf toen het portret weder aan Dobrinsky terug, die zich had opgericht en zijn gasten nu met omfloersten blik aankeek.
—Zij is schoon—en naar het gelaat te oordeelen, zou ik zeggen, dat zij ook goed is! zeide Raffles zacht.
—Dat heb ik ook steeds gemeend, graaf Finsbury! kwam Dobrinsky. Totdat eerst iets geschiedde...... Maar laat ik het u op geregelde wijze verhalen!
Hij scheen even na te denken, en vervolgde toen:
—Haar naam is Ilja Sykorsky. Zij is de eenige dochter van welgestelde lieden, die te Kolodoserskoi wonen. Ik deelde u reeds mede, dat deze kleine stad eenige malen van de eene hand in de andere is overgegaan. Thans hebben de Rooden er vasten voet gekregen, en wij zijn voornemens dit belangrijke punt tot het uiterste te verdedigen. Ik leerde Ilja ongeveer een jaar geleden kennen, en zij deelt volkomen mijn inzichten—op ieder gebied! Haar ouders zijn bedaarde, stille lieden, en men kan van hen niet verwachten, dat zij zich nog warm maken voor de nieuwere denkbeelden. Wij kregen elkander lief, en reeds was de dag voor ons huwelijk vastgesteld. Toen.... geschiedde het! Wij moesten tijdelijk terugwijken voor de overmacht der Witten, en Kolodoserskoi ontruimen. Met een bezwaard hart liet ik Ilja over aan de hoede van haar ouders. Had ik het maar nimmer gedaan! Had ik haar, ondanks alles, maar medegenomen en haar de gevaren van den oorlog laten deelen!
Weder bedekte hij het gelaat met de handen en een droge snik welde uit zijn keel.
Hij herstelde zich echter spoedig en scheen zich te schamen voor zijn zwakheid.
De handen krampachtig ineengestrengeld, de oogen recht voor zich uit starend, vervolgde Dobrinsky:
—Bij dien terugtocht werd ik gewond, en toen ik genoegzaam hersteld was, om te worden vervoerd, bracht men mij naar Pudoz, waar een familielid en mijn trouwe bedienden mij liefderijk verpleegden. En op mijn ziekbed kreeg ik haar brief.... Het was een korte, zakelijke brief, dat zeg ik u! Zij deelde mij mede, dat het beter was, dat wij van elkander gingen, want zij vreesde, dat zij mij toch niet zoo lief had als ik het verdiende! Ha ha! Alles was dus bedrog geweest, vroeger.... want ik zweer u, dat zij mij lief had, zooals ik nooit hoopte, dat een vrouw mij zou lief hebben!
Dobrinsky zweeg even, en zijn borst zwoegde hevig.
Hij scheen onzegbaar te lijden, een dof gekreun ontsnapte hem.
Met gesloten oogen bleef hij een oogenblik zitten, en ging daarop voort:
—Van de ontvangst van dien brief af, had het leven voor mij geen waarde meer, en als ik hem eerder had gekregen, dan zouden alle geneesheeren ter wereld mij niet hebben kunnen redden—ik was levensmoede! Mijn krachtig gestel won den strijd en ik ging hierheen, om mijn volledige beterschap af te wachten,—en dan opnieuw ten strijde te trekken.... en den dood te vinden op het slagveld, voor een goede en schoone zaak! En dit is mijn geschiedenis! Gij ziet wel, dat zij even eenvoudig als vaak voorkomend is!
Lang bleef het stil in het vertrek, en alleen het geknapper van de brandende houtblokken in den haard werd gehoord.
Raffles was de eerste die weder sprak.
Hij had zijn hand op den arm van Dobrinsky gelegd, en zeide op zachten toon:
—Dat moet een vreeselijke ervaring voor u zijn geweest! Zeg mij eens—hebt gij daarna in het geheel geen pogingen meer aangewend om Ilja tot andere gedachten te brengen?
—Dat verbood mij mijn trots! En bovendien, als gij haar karakter gekend hadt, dan zoudt gij mij die vraag niet gesteld hebben. Zij was geen vrouw, die op een eenmaal genomen besluit terugkwam.
—Als ik u goed begrepen heb, dan zijt gij na dien tijd in het geheel niet meer in Kolodoserskoi geweest.
—Neen. Al was ik er toe in staat geweest, dan zou ik die stad gemeden hebben.
—Kunt gij u in het geheel niet voorstellen, wat Ilja bewogen kan hebben, de banden met u te verbreken?
—Daarover heb ik nagedacht, tot mijn hersens er pijn van deden. En ik kon geen reden vinden. Steeds ben ik tegenover haar dezelfde geweest...
—Zij deelde de communistische inzichten?
—Zij was een vurig aanhangster van Trotzky.
—Nu, dan is het een raadsel...... dan is het juist iets voor een vrouw, bromde Raffles voor zich heen.
Daarop hernam hij luid:
—Toen gij gewond werd, zijt gij toen dadelijk geëvacueerd?
—Neen, ik moet twee dagen in handen van den tegenstander zijn geweest, antwoordde Dobrinsky.
—Wat zegt gij daar? riep Charly uit. Weet gij dat dan niet zeker?
—Ik weet zeker, dat het zoo is, maar ik had er geen besef van, mijn waarde Wilburn, gaf Dobrinsky ten antwoord. Men heeft het mij pas later verteld. Ik heb twee dagen zware koorts gehad, en ijlde aan een stuk. Het is dus wel begrijpelijk, dat ik mij van die twee dagen niets herinner.
Raffles had het hoofd geschud en scheen ten zeerste verwonderd te zijn.
—Heeft men u ook gezegd, wat den tegenstander wel bewogen kan hebben, u weder uit te leveren? vroeg hij toen.
—Men deelde mij mede, dat de andere partij slecht voorzien was van sanitaire middelen, en dat ook de ruimte voor de eigen gewonden niet groot was.
—En hebt gij later onderzoek gedaan, of dat inderdaad met de waarheid strookte? ging Raffles voort.
—Waarom zou ik daar aan getwijfeld hebben? riep Dobrinsky verbaasd uit.
—Wel—al ware het slechts, omdat het tusschen strijdende partijen zeker geen gewoonte is, de gewonden terug te geven, als zij niet ten doode zijn opgeschreven ten minste.
Dobrinsky keek Raffles eenige oogenblikken strak aan, en scheen zijn gedachten te willen lezen.
Hij wreef zich eenige malen met de witte hand over het voorhoofd, en zeide aarzelend:
—Ik weet niet, gij schijnt daar groote waarde aan te hechten.
—Zeg eens zelf, of ik daar ongelijk in heb, drong Raffles aan. Twee dagen zijt gij ziek in handen van den vijand geweest...... en plotseling laat die u weder gaan, en zendt u naar de uwen terug. Duidt het mij niet ten kwade, maar ik vind dit een hoogst zonderlinge handelwijze.
Dobrinsky haalde de schouders op.
—Dan hebben zij er een of andere geheime reden voor gehad, welke ik niet kan doorgronden.
—En kunt gij genoegen nemen met ondoorgronde redenen? riep Raffles uit. Neem mij niet kwalijk, waarde baron, maar dan ben ik van een andere constitutie. In dit alles is iets raadselachtigs, naar mijn oordeel. Wat denkt gij ervan, waarde Wilburn? zoo wendde hij zich tot Charly.
—Ik ben het volkomen met u eens, graaf! antwoordde de jonge man. Het is voor het eerst, dat ik hoor, dat men gewonden van de andere partij midden in den strijd uitlevert, op gevaar af, dat zij dingen kunnen verraden, welke beter verzwegen waren gebleven! Ik wist niet beter of gewonden werden pas na het sluiten van den vrede uitgewisseld!
—Maar wat zou er dan toch wel achter kunnen steken? riep Dobrinsky uit. Gij maakt mij waarlijk ongerust!
—Dat is van hieruit niet te beoordeelen, waarde baron! gaf Raffles ten antwoord. Maar wij zijn geheel van het onderwerp van ons gesprek afgedwaald.
—Laten wij daar liever niet verder over spreken, zeide Dobrinsky op smartelijken toon. Gij weet nu, wat mij zoo onuitsprekelijk heeft doen lijden—en wat mij zal dooden—dat voel ik!