Lord Lister No. 0115: Een Sinterklaas-verrassing

Part 5

Chapter 53,966 wordsPublic domain

Ook nu weer had zijn geheugen hem dus niet in den steek gelaten; de vage klanken, die hij zooeven weer had meenen te hooren, schenen dus werkelijkheid te zijn geweest, want daar in het adresboek had hij gezien, dat er in deze stad een straat bestond, die Lange Lijnstraat heette.

„Ziezoo, mijn jongen”, sprak lord Lister tot Charly, toen zij het stationsgebouw hadden verlaten en naast elkaar voortwandelden over het ruime plein daarvóór.

„Hier scheiden zich onze wegen. Ga jij nu je middag zoo gezellig mogelijk doorbrengen en tracht je in je tijdelijke eenzaamheid te schikken. Je hadt bij ons vorig bezoek aan Rotterdam groote voorliefde voor den Dierentuin. Voel je er wat voor om daar eenige uren zoek te brengen?”

„Heb je dan mijn diensten in het geheel niet meer noodig, Edward?” vroeg de jonge man op eenigszins teleurgestelden toon.

„Neen! Het is beter, dat ik de verdere expeditie alleen maak. Laten we afspreken, dat we elkaar tegen zes uur ontmoeten in het Passage-Hotel.

„We kunnen daar in het Restaurant dan gezamenlijk dineeren.”

Charly wierp een blik op de klok, die boven den ingang van het stationsgebouw den tijd aanwees en antwoordde:

„Het is nu kwart voor twee, dan heb ik tenminste tijd genoeg om de beesten, die de Rotterdamsche Diergaarde rijk is, alle nog eens een bezoek te brengen.”

„Je weet, dat er in de Diergaarde gelegenheid is om te lunchen, nietwaar? Nu, mijn jongen, amuseer je zoo goed mogelijk en laat mij om zes uur niet tevergeefs op je wachten. Ik denk, dat een goed diner mij dan extra zal smaken, want ik schiet er mijn twaalf-uurtje bij in.”

Langzaam wandelend, hadden zij in de nabijheid van de halteplaatsen der electrische trams heen en weer geloopen.

Lord Lister nam nu plaats op het voorbalcon van een der geelgelakte tramwagens en wisselde nog een groet met Charly, die den wegrijdenden motorwagen even bleef nakijken.

Lord Lister had zich dien dag gekleed in een zwarte regenjas en had een vilten hoed met slappen, breeden rand op het donkere haar gezet.

In de oude stad, waar zware vrachtwagens over de hobbelige straatsteenen rolden en sjouwerlui en ambachtslieden in plat-Rotterdamsch op luiden toon met elkaar spraken, had Raffles zonder veel moeite al spoedig de Lange Lijnstraat gevonden.

Het rumoerige straatleven, het herrieachtige van de groote havenstad, scheen eigen te zijn aan dat stadsgedeelte, waar vooral door den zeeman het woeste nachtleven wordt geleid.

De Groote Onbekende had met een enkelen oogopslag gezien, in welke omgeving hij zich hier bevond.

Danshuizen en kroegen, nachtasyls en slaapsteden rijgen zich hier naast hooge, morsige woonhuizen; kinderen in slordige plunje gestoken speelden hier en daar op de drempels en stoepen en het geheel deed hem denken aan die donkere gedeelten van Londen, waar hij zoo menig bezoek had gebracht en tal van gevaarvolle avonturen had beleefd.

Raffles opende de deur van een kroeg aan zijn rechterhand. Een benauwde walm als van een te hoog opgedraaide petroleumkachel sloeg hem tegemoet.

Bij de oude, gerimpelde vrouw, die met een vuilen, donkerblauwen doek de toonbank schoonmaakte, informeerde hij naar de bezoekers, die in de laatste dagen daar waren geweest en al dadelijk begreep hij, dat hij hier niet terecht was.

Onvermoeid herhaalde hij zijn pogingen in de andere gelegenheden, die daarvoor in aanmerking kwamen, doch zonder eenig resultaat.

Nadat hij reeds meer dan een uur in de benauwde atmosfeer der sombere huizen had doorgebracht, zonder dat hij eenig spoor van den misdadiger en diens handlangster had gevonden, opende hij nu de deur van een kroeg, waar op de vrij breede ruit geschilderd stond:

„De Leeuw aan de Ketting.”

Een lucht van jenever en bier kwam hem tegemoet en een oogenblik hield de Groote Onbekende den adem in.

Nadat hij de deur weer achter zich had gesloten, liep hij door het vierkante vertrek, waar hij zich nu bevond, naar een tafeltje op eenigen afstand van de deur en nam op een der leege stoelen plaats.

Behalve hij zelf was er niemand in het kleine vertrek, dat als gelagkamer was ingericht.

De wand links van de deur werd bijna geheel in beslag genomen door een breed buffet, dat van spiegels was voorzien. Tusschen de flesschen en glazen, op de verschillende planken en richels geplaatst, stonden hier en daar schel gekleurde kunstbloemen.

De toonbank, die met zink was beslagen en waarop een koperen bierkraan was aangebracht, was zindelijk en goed onderhouden, evenals de twee vierkante tafeltjes en stoelen met matten zittingen, die verder het geheele meubilair uitmaakten.

Op den kalen houten vloer was fijn wit zand gestrooid.

Een donkerrood gordijn, opgehangen aan een lange koperen roe, scheidde het vertrek in twee gedeelten, waarvan het stuk achter het gordijn gelegen, waarschijnlijk ter beschikking stond van de meest intieme bezoekers.

Raffles had met scherpen blik dit alles in zich opgenomen, toen van achter het roode gordijn een persoon te voorschijn kwam, die de eigenaar van de kroeg moest zijn.

Hij had het gewone type van dat soort menschen: een rood, opgezet gelaat met een brutale uitdrukking in de oogen en om den mond, een welgedane gestalte en dikke, vleezige handen.

Raffles liet zich door den kroeghouder een glas bier brengen, dat hij onaangeroerd liet staan en wendde zich toen tot den man, die achter zijn toonbank had plaats genomen.

„Kunt u mij inlichtingen verstrekken omtrent twee personen, die reeds sinds eenige dagen in deze buurt hebben vertoefd en die ook nu weer hier zijn?” begon hij, waarna hij den scherp toeluisterenden kroeghouder het uiterlijk der beide Spanjaarden begon te beschrijven.

Al sprekende legde hij een gouden vijfje op den toonbank en schoof dit den man tegenover hem toe.

„Da’s niet genoeg!” was alles wat deze antwoordde.

Toen bleef hij zonder iets meer te zeggen, op het krukje zitten.

Bijna onmerkbaar fonkelden de zwarte oogen van den Grooten Onbekende, die werden overschaduwd door den breeden rand van zijn vilthoed.

Zwijgend legde hij een tienguldenstuk naast het eerste geldstuk neer.

De kroegbaas wierp een blik vol hebzucht op de beide gouden munten, keek met zijn brutale oogen den vreemden bezoeker aan en sprak:

„Daarvoor ken ’k nog niet alles zegge.”

Raffles nam zijn portefeuille uit een zijner binnenzakken en haalde daaruit een bankbiljet van honderd gulden te voorschijn.

„Als je mij voldoende inlichtingen geeft”, sprak hij, terwijl hij den blik onafgewend op het gelaat van den kroeghouder gevestigd hield, „is dit voor jou!”

De man achter de toonbank strekte als onwillekeurig den arm uit; zijn dikke, roode vingers schenen het kostbare stukje papier reeds uit de blanke hand van den bezoeker te willen nemen, maar met onverstoorbare kalmte vouwde deze het biljet in vieren en liet het in zijn vestzak verdwijnen.

De kroegbaas was opgestaan en leunde nu met het zware bovenlijf op de blankgeschuurde toonbank.

„’t Is anders mijn gewoonte niet om de lui te verraje, die hier an huis komme”, begon hij, alsof hij zich wilde verontschuldigen voor het verraad, dat hij ging plegen. „Maar teugeswoordig met die slapte van werrek binne d’r wel dage, da-je blij ben as je ’s avonds tien kwarretjes hep ontvange. Daarom... zoo’n exteraatje, zoo’n fijn mazzeltje kan ik niet late loope.”

Al sprekende had hij als ongemerkt de beide goudstukken in de toonbanklade laten verdwijnen.

Raffles deed alsof hij het niet merkte en bleef geduldig luisteren naar hetgeen de man hem verder zou vertellen.

En deze vervolgde:

„De heer en dame, waar u naar zoek, binne hier bij mijn geweest. La’s kijke—nou misschien vierentwintig uur geleje, zoo heel sekuur weet ik ’t niet meer, kwame ze hier om een kamer te vrage.

„De juffrouw zou ik niet herkenne uit uw beschrijving, maar hem wel. Ze viele me dadelijk op, omdat ze zoo netjes in de kleere stake. Meesten tijd zien de gaste die wij hier krijge, d’r schobberig uit, maar deze twee net andersom.

„De dame droeg een klein kind bij d’r, dat weet ik sekuur, want omdat ik hier in m’n zaak geen kindergeschreeuw kan vele, heb ik ze niet kanne houwe.

„Ze had een dikke sluier voor d’r gezicht en zoodoende zou ik je met geen mogelijkheid kanne vertelle of ze ’n mooi wijf was of niet.

„Maar hij!

„Aggenenebbes, wat zag-tie d’r melankoliek uit met z’n valsche blonde baard en pruik. Die zatte zoo slecht, dat je duidelijk z’n eige zwarte haar eronder uit zag kome. Ha! ha! ha!

„Me vrouw hèt ze ook gezien, want ik wou dat zaakie niet alleen bedissele, omdat d’r ook kwetsie van een kind was.

„Nou, me vrouw kan wel d’ris lastig weze, ze is opvliegerig van humeur, weet u, en dan kan ze snauwe as de beste, maar een kwaje heb ik niet an d’r en daarom adveseer ik altijd me vrouw in zukke zake.

„Maar zij zee ook, een klein kind in huis, nee, dat gong niet en toen hebbe we ze een ander adressie opgegeve, bij een vrind van me, een gesjochte jonge, die best ’s een extraatje hebbe mag.”

De kroeghouder zweeg even, alsof hij verwachtte, dat de rijke vreemdeling, die blijkbaar zeer veel belang in de verblijfplaats van den heer en dame met het kind stelde, nog een tweede lapje van honderd te voorschijn zou halen.

Toen Raffles echter met de handen in de zakken van zijn wijde regenjas geduldig bleef staan wachten op het slot van de mededeelingen, vervolgde de andere:

„En nou hebbe ze d’rlui intrek genome op twee huize verderop, bij de barrebier, waar dat kopere borretje uithangt. Daar heb ik een paar uur geleje de vent met z’n blonde baard nog zien binnegaan.”

„Je kunt even met mij meegaan”, sprak Raffles, terwijl hij zich reeds naar de deur begaf.

„Als je inlichtingen juist blijken te zijn, zal ik je de honderd gulden geven.”

Blootshoofds volgde de corpulente kroegbaas den rijzigen vreemdeling, voor wien hij, zonder dat hij precies wist waarom, eerbied en ontzag gevoelde en tegen wien hij, zooals hij bij zichzelf overwoog, „geen p’rtale bek zou durreve opzette.”

Op hoogstens twintig schreden afstands bengelde boven een helgroen geschilderde voordeur een koperen scheerbekken aan een roestige ijzeren haak.

De winkeldeur stond open en de scheerbaas, in een onzindelijk wit jasje gekleed, zat op een hoogen stoel een volkskrant te lezen.

Toen hij zijn buurman met den vreemden heer zag binnenkomen, gleed een veelbeteekenend lachje over zijn bleek gelaat en half fluisterend vroeg hij:

„Weer een logé voor me, Janus?”

Voordat de kroeghouder iets had kunnen antwoorden, naderde Raffles den barbier en sprak op vasten, gebiedenden toon.

„Wijs mij oogenblikkelijk de kamer, waar de vreemde heer en dame zijn!”

De bleeke man wierp een vragenden blik op den welgedanen kroegbaas en toen deze met het hoofd knikte, ging hij Raffles voor, een donkere smalle gang door tot aan een trap, die naar boven leidde.

De treden der steile trap waren afgesleten en met geen looper bedekt. Op het portaal, waarop de trap uitkwam, waren twee deuren tegenover elkaar.

De barbier wees op de deur aan zijn linkerhand en fluisterend sprak Raffles:

„Dank u. Ik heb uw aanwezigheid nu niet meer noodig.”

Het bleeke mannetje in zijn witte jas ging weer naar beneden en de Groote Onbekende bleef even luisterend voor de kamerdeur staan.

In het vertrek werd geen geluid vernomen, maar een stoel werd met een ruk verschoven, toen Raffles klopte.

Zonder toestemming af te wachten, draaide hij de deurknop om en stond op den drempel van een klein vertrek, dat slechts vaag werd verlicht door een venster, dat uitzicht gaf op een binnenplaats.

Tegen een der muren stond een oude, met zwart trijp bekleede canapé en hierop lag, blijkbaar in diepen slaap, een jonge vrouw.

Een donkere mantel was over haar uitgespreid en slechts de kleine voeten, in hooggehakte laarsjes gestoken, kwamen er onder te voorschijn.

Haar hoofd met weelderig donkerbruin haar rustte op een canapékussen van versleten zijde, maar ondanks de schamele omgeving was dat gelaat buitengewoon mooi.

De lange zijden wimpers, en fijne wenkbrauwen staken donker af tegen de zachtgebruinde huid van wangen en voorhoofd.

Raffles had in haar onmiddellijk de bekoorlijke hertogin herkend, voor wie Charly’s hart was ontvlamd.

De heer, die achter de tafel stond, de leuning van zijn stoel nog met de rechterhand vasthoudende, en wiens lichtblonde pruik en valsche baard een grappigen indruk maakten bij zijn donkeren gelaatstint en vurige zwarte oogen, keek sprakeloos van schrik en ontsteltenis naar den binnenkomende.

Ook hij had op den eersten blik gezien, dat dit de heer was, met wien zij in Amsterdam hadden kennis gemaakt, de voorname Engelschman, met wien zij in Trianon hadden gesoupeerd.

En bliksemsnel was het door zijn brein geflitst:

„Ontmaskerd! Verloren!”

Eenige oogenblikken namen de beide mannen elkaar zwijgend met doorborende blikken op.

Toen sprak Raffles, terwijl hij uit een der zakken van zijn wijde jas een blinkenden browning te voorschijn haalde:

„Waar is de kleine kroonprins José van Navarra? Antwoord mij of ik schiet u neer als een hond, gij handlanger van graaf Arto!”

Een rilling voer door de leden van den Spanjaard.

Zijn neusvleugels trilden en zijn witte tanden knarsten over elkaar.

Maar hij herstelde zich en op brutalen toon vroeg hij:

„Zijt gij krankzinnig? Wie zijt gij en wat geeft u het recht, dezen toon aan te slaan? Ga heen, of...”

Een puntig dolkmes werd opgeheven, maar bliksemsnel gaf Raffles met de gebalde linkervuist een harden slag op de pols van den misdadiger en met een kreet van pijn en woede viel het vlijmscherpe wapen uit de hand van den Spanjaard.

Raffles hield zijn tegenstander den loop van de revolver voor het gelaat en herhaalde op luiden, bevelenden toon:

„Zeg mij waar het kind is of uw laatste uur heeft geslagen!”

Rechts van hem op de canapé ontwaakte de jonge vrouw. Zij wierp den mantel van zich af en richtte zich halverwege op, toen zij Brancella hoorde zeggen:

„In de kamer aan de overzijde van het portaal ligt het te slapen.”

Met wijdgeopende oogen van schrik en angst keek Adèle de Confuelo naar den slanken vreemdeling, dien ook zij had herkend en in een oogwenk had zij begrepen, dat Brancella en zij verloren waren.

Het plan van hem, in wiens macht zij was sinds zij hem het geheim van de familiejuweelen der Confuelo’s had toevertrouwd, was dus mislukt. En de mooie jonge vrouw, die het willooze werktuig van den schurk was geworden, juichte bijna om den ondergang van haar beul, hoewel zij volkomen besefte, dat zij zelf mede in het verderf werd gestort.

Roerloos bleef zij op de canapé liggen, het mooie gelaat als verwrongen van lichamelijke pijn.

Zonder eenige aandacht aan de jonge vrouw te schenken of haar met een blik te verwaardigen, liet John C. Raffles den Spanjaard vóórgaan naar de andere kamer.

Met een sleutel, dien hij in zijn vestzak verborgen had, opende Brancella de deur van het vertrek en Raffles zag in een klein wiegje een kind liggen.

Hij sloot de deur van de kamer achter zich dicht en nam den sleutel uit het slot.

Toen sprak hij tot den Spanjaard, die blikken vol haat op den lord wierp:

„Blijf daar onbewegelijk staan! Bij de minste poging van u om u tegen mij te verzetten, schiet ik en mijn schot mist nooit!”

De Groote Onbekende boog zich nu over het wiegje heen en keek naar het kleine wezentje, dat daar rustig lag te sluimeren, onbewust van de listen en lagen, die daar werden gesmeed om den teeren draad van zijn leven af te snijden.

Het donkere hoofdje lag op het kleine kussen en in den slaap maakten de roode lipjes een zuigende beweging.

Een gevoel van diep medelijden met dat arme moederlooze wezentje maakte zich meester van den Grooten Onbekende en toen hij zich weer tot den Spanjaard richtte, lag er diepe minachting in zijn stem:

„Gij moet onmiddellijk met uw handlangster dit huis en deze stad verlaten, als gij niet wilt, dat ik u overlever aan de justitie”, sprak hij.

„Met het bloedgeld, dat graaf Arto u zeker heeft uitbetaald en de belooning voor de trouwe diensten, welke gij vorst Pedro hebt bewezen, kunt gij u vestigen in een ander werelddeel.

„Neem uw schoone handlangster met u mede! In hoeverre zij in uw macht is en u als werktuig dient bij uw edele ondernemingen, weet ik niet.

„Dit kind, de kleine kroonprins van Navarra blijft hier, voorloopig onder mijn hoede.”

John C. Raffles had de deur van de kamer weer geopend en volgde den schurkachtigen Spanjaard naar de achterkamer.

Hartstochtelijk snikkend lag Adèle Confuelo daar nog op de canapé; haar geheele lichaam schokte en zij geleek een toonbeeld van wanhoop en berouw.

Lord Lister raakte zachtjes haar schouder aan en, terwijl zij met geweld haar snikken bedwong, sloeg zij de roodgeweende oogen naar hem op.

„Als er nog iets van het goede in u is overgebleven”, sprak hij op ernstigen toon tot haar, „tracht dan uw leven te beteren. Breek met die schijnvertooning van ijdele pracht en praal, waarvan gij, als reeds zoovelen vóór u, een slachtoffer zijt geworden. Als het waar is, dat gijzelf moeder zijt, zooals gij mij in Amsterdam verteldet, leef dan voortaan voor uw kind!”

Zonder verder een woord te zeggen of een antwoord af te wachten, verliet de Groote Onbekende het sombere vertrek.

Precies om zes uur stapte Charly Brand het restaurant van het Hotel du Passage in de Korte Hoogstraat binnen.

Een kellner kwam naar hem toe en vroeg met een beleefde buiging:

„Is u baron Brand?”

Op het bevestigende antwoord overhandigde de zwartgerokte bediende hem een briefje. Charly opende het en las:

„Je vindt mij in kamer no. zevenendertig.

Edward.”

Toen Charly eenige minuten later de kamerdeur opende, waarop in glimmend zwarte cijfers 37 stond, bleef hij stom van verbazing op den drempel staan.

Weldra echter maakte zijn verwondering plaats voor groote vroolijkheid.

In de gezellig ingerichte hotelkamer, waar een knappend vuur in den sierlijken haard een aangename warmte verspreidde, zat zijn vriend en meester, lord Edward Lister, alias John C. Raffles, de Groote Onbekende.

En naast den wijden clubfauteuil, waarin lord Edward achterover leunde, de lange beenen voor zich uitgestrekt, zag Charly een klein witgelakt kinderbedje staan, waarin een baby scheen te slapen.

Tenminste toen Charly op de hem eigen jongensachtige manier zijn vroolijkheid wilde uiten en zijn verbazing te kennen geven, legde zijn vriend met een guitige uitdrukking in de donkere oogen den wijsvinger op den mond en vermaande fluisterend tot stilte.

Op de teenen loopend kwam Charly nader en voorzichtig boog hij zich over het bedje heen.

Op het hagelwitte kussen zag hij een donker krullekopje.

Het grootste gedeelte van het gezichtje werd bedekt door een punt van het geborduurde laken, dat de kleine in zijn slaap naar boven had getrokken. Een gebald vuistje lag op het dek.

„De kroonprins van Navarra ziet er, ondanks de stormen, die reeds over zijn jeugdig hoofd zijn gegaan, welvarend uit”, vertelde lord Lister, steeds op fluisterenden toon. „Straks als hij wakker wordt, Charly, mag je de eer hebben, hem wat beter te bekijken.”

Zacht lachend antwoordde Charly Brand:

„Dus je expeditie in de binnenlanden van Rotterdam is met een goed eind bekroond? Waar heb je de mooie hertogin gevonden, Edward?”

„Dat vertel ik je later, my boy! Nu zullen we eerst ons diner laten aanrukken, want ik verzeker je, dat ik honger heb.”

„Kunnen we niet in de eetzaal gaan dineeren?” vroeg de jonge secretaris, die na den eenzamen middag in den Dierentuin snakte naar wat leven en gezelligheid om zich heen.

„Vandaag niet”, antwoordde lord Lister. „Zoolang deze kleine baas onder mijn hoede is, laat ik hem geen enkel oogenblik alleen. En ik verzoek je, niet te rooken, Charly”, vervolgde hij, toen de blonde jonge man zijn onafscheidenlijken sigarenkoker te voorschijn haalde, „sigarendamp is niet toegestaan in de kamer, waar een kind slaapt.”

Vroolijk lachend keken de beide vrienden elkaar aan en gehoorzaam stak Charly den fijnlederen koker weer in zijn borstzak.

„Als vergoeding voor al deze ontberingen heb ik echter iets voor je meegebracht! Kijk eens, dit kleine souvenir heb ik mij wederrechtelijk toegeëigend, vermoedende, dat het jou genoegen zou doen, nog eenmaal dit gelaat terug te zien.”

En Raffles overhandigde zijn vriend een groote enveloppe.

Charly opende deze en haalde er een portret in cabinetformaat uit te voorschijn.

„Hertogin de Confuelo, de mooie Adèle!” fluisterde hij:

„De medeplichtige van een Spaanschen misdadiger”, voegde lord Lister er op ernstigen toon aan toe.

Toen schoof Charly de foto weer in het omhulsel en belde den kellner om het diner boven te brengen.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

IN VEILIGE HAVEN.

Het was een week na den Sint Nicolaasavond—12 December. Staag viel de sneeuw over de Rottestad. Een wit kleed spreidde zich als een zachte, wollige vacht uit over daken en torentransen en dempte de voetstappen der vele wandelaars.

In het woonvertrek van jonkheer Deelman werd het geluid slechts verbroken door het razen van het water in den theeketel.

Het was omstreeks acht uur in den avond.

Mevrouw Deelman las een roman, haar echtgenoot was bezig een collectie bijzonder interessante en kostbare zegels te sorteeren.

Mevrouw staakte het lezen. Ze legde haar boek op een tafeltje, dat naast haar leunstoel stond aangeschoven, stond op en begon het water uit den zilveren bouilloir over te schenken in den trekpot. Toen keek ze naar haar echtgenoot, die zoo vol aandacht verdiept scheen in zijn postzegels.

„Edward”, sprak ze op zachten toon.

De aangesprokene staakte zijn werk.

„Wat is er Marie!”

„Denk eens een week terug!”

„Een week terug! Vijf December!”

„Ja, Sint Nicolaasavond!”

„De surprise!”

„Ja, juist. Wat is er in die enkele week niet voorgevallen. En hoe drukt mij nog steeds de gedachte, dat het leven van dien zuigeling wordt bedreigd—misschien al is afgesneden.”

„Kom, vrouw, niet zoo somber! Je moet niet het ergste denken en je geen muizenissen in het hoofd halen. Ik vermoed, dat de kleine is opgelicht om hem naar het buitenland te brengen en daar te laten opvoeden. De kleine kroonprins zal dan later misschien een gezonde, stevige boerenknaap worden, die zich heel gelukkig gevoelt. Je weet, Marie, dat het geluk niet schuilt in het dragen van een kroon.”

„Als ik wist, dat het kind gespaard blijft, zou ik waarlijk de heele geschiedenis uit mijn hoofd zetten. Heb je den chèque nog in je bezit, Edward?”

„Neen! Ik heb dien gedeponeerd bij den directeur der „Nieuwe Rotterdamsche Bank”. Ik vermoed, dat het geldswaardig papier zal worden teruggestuurd naar vorst Pedro van Navarra. De vorst van het onbeduidende staatje doet in dezen tijd wel van zich spreken. En ik zal nu meteen van de gelegenheid gebruik maken om mijn Navareesche postzegel-collectie te voltooien.”

„Toch,” begon mevrouw weer, die geruimen tijd, in gedachten verzonken, vóór zich had gestaard, „en toch had ik het ten zeerste op prijs gesteld, als kroonprins José in ons huis was gebleven, totdat nader over de bestemming van het kind beslist was. Het gaf weer zoo’n prettige drukte in huis en zuster Linda was inderdaad een juweel van een meisje en voor mij bijzonder gezellig. Ze is nog totaal onder den indruk van het gebeurde op den ’s Gravendijkwal. ’t Arme kind was zoo blij met haar betrekking hier, die nu zoo plotseling is afgebroken.”

„Zou je haar niet als juffrouw van gezelschap bij je kunnen houden?”

„Ik denk er zeer ernstig over.”

In de gang luidde de electrische schel.

Enkele oogenblikken later werd geklopt.

Frits, de huisknecht trad binnen, het gelaat van verbazing vertrokken.

„Meneer...... mevrouw,” begon de gedienstige, „daar is......”

„Wel Frits, wat is er? Je bent heelemaal van streek!”

„Daar is een meneer!”

„Wie is het?”

„Hier is zijn kaartje!”

Frits overhandigde een kaartje en de heer Deelman las:

EDWARD JAMESTOWN.

Boven dien naam stond een kroontje.

„Een Engelschman, Marie!”

„Hij spreekt Hollandsch, meneer!”

„En ben je daarvan nu zoo geweldig ontdaan, Frits?”

„Nee, meneer, maar die vreemdeling heeft weer een groot pak bij zich.”

Mevrouw Deelman keek met een verbaasd gezicht haar man aan.