Lord Lister No. 0115: Een Sinterklaas-verrassing
Part 4
„Ik heb de opdracht van den vorst,” vervolgde Brancella, „om den kleinen erfgenaam in veiligheid te brengen. Men vreest voor het leven van het kind, zoolang het aan het hof van den vader verblijft.
„Daar ik echter om politieke redenen het belang inzie van Navarra, ben ik bereid, u het kind in handen te spelen.”
De graaf was uit zijn stoel opgestaan en liep eenige malen door het vertrek heen en weer.
Eindelijk bleef hij voor den markies staan, kruiste de armen over de borst en sprak:
„Ik neem uw voorstel aan. Wanneer zult gij uw opdracht ten uitvoer brengen en op welke wijze denkt gij te werk te gaan?”
„Morgenochtend vertrek ik, met den kleinen José en in gezelschap van een dame, die zoolang voor hem zal zorgen, naar Nederland. Het plan is, om den kroonprins te bezorgen ten huize van den Spaanschen consul te Rotterdam. Het beste lijkt mij nu toe om vanuit dat huis het kind weer te doen verdwijnen, zonder dat er ooit eenig spoor van teruggevonden wordt.”
„Op welke wijze zal het kind bij den consul worden gebracht? Zult gij dit persoonlijk doen?”
„Ja! Ik heb mij op de hoogte gesteld van eenige bijzonderheden en weet, dat 5 December een algemeene feestdag, of liever feestavond is in Holland.
„Men stuurt elkaar dan verrassingen van allerlei aard in huis en dezen avond wilde ik gebruiken om den consul en diens vrouw als surprise onzen zuigeling te zenden.”
„Goed, maar hoe wilt gij den knaap weer uit hun huis doen verdwijnen zonder opzien te verwekken?”
„Dit ben ik nog niet geheel met mijzelf eens, maar waarschijnlijk zal mijn gezellin, een jonge vrouw van zeer gunstig en knap uiterlijk, hiervoor het geschikte werktuig zijn.”
„En welke zijn uw voorwaarden? Want ik begrijp zeer goed, dat niet alleen politiek, maar vooral eigenbelang de drijfveer van uw handelingen is.”
„Voor de velerlei beslommeringen, de risico en het groote gevaar, dat er voor mij persoonlijk aan deze hoogst belangrijke zending verbonden is, vraag ik u een niet geringe som. Natuurlijk loopt mijn veiligheid, zelfs mijn leven groot gevaar.
„Indien de zaak mocht mislukken, ben ik voorgoed verloren. Slaag ik echter, dan zal ik toch onmiddellijk Europa moeten verlaten, om niet in handen te vallen van vorst Pedro en diens aanhangers.
„Daarenboven dient er verder voor de jonge vrouw, wier toekomst ook op het spel staat en die eveneens haar leven waagt voor het goede doel, te worden gezorgd.”
De markies zweeg even, als om den ander gelegenheid te geven, over de waarheid zijner woorden na te denken.
De graaf had weer in den wijden leunstoel, waarin hij had zitten lezen, plaats genomen.
Zijn fijn, bleek gelaat, dat omlijst was door een donker-bruinen, wel verzorgden baard, stond ernstig.
Alleen de kleine, onrustige oogen flikkerden onheilspellend en met een energieke beweging van het hoofd antwoordde hij den avonturier:
„Ik wil u honderdduizend peseta vooruitbetalen; zoodra de zoon van mijn broeder voorgoed verdwenen is, kunt gij nogmaals over hetzelfde bedrag beschikken.”
„Ik neem uw voorstel aan, graaf Arto en ben ervan overtuigd, dat de zaak naar uw genoegen zal afloopen.”
„Verder stel ik nog deze voorwaarde,” vervolgde de graaf, „dat in geen geval het kind weer naar Spanje teruggevoerd zal worden. Wanneer het u is gelukt, den kleinen José weer uit de woning van den consul te hebben verwijderd, moet gij het kind laten verdwijnen.”
„Begrepen!” sprak de markies met een veelbeteekenend glimlachje.
„Daarna zal ik u aan een opgegeven adres het resteerende bedrag per chèque doen toekomen en gij verlaat zooals afgesproken, met uw gezellin Europa, om er niet meer terug te komen.”
De beide samenzweerders vervolgden nog eenigen tijd fluisterend hun beraadslagingen en met een overmoedige uitdrukking in de zwarte oogen verliet de markies de woning van den graaf.
... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
Den volgenden morgen precies om zeven uur hield voor de villa, waar hertogin de Confuelo woonde, een auto stil, die een kwartier later den markies en de bekoorlijke Adèle naar het station bracht.
Een klein, hulpbehoevend kindje, in een witten mantel gehuld, lag op de bank tegenover hen en keek met groote onschuldige oogen om zich heen.
ZESDE HOOFDSTUK.
RAFFLES RUIKT LONT.
Den dag, volgende op het Circus-bezoek, sliep Charly Brand een gat in den dag.
Het was niet later dan tien uur, toen hij wakker werd, maar nadat hij een blik op zijn horloge had geworpen, draaide hij zich nog eens kalmpjes op de andere zijde.
Een oogenblik later sliep hij weer gerust.
Charly was een zieltje zonder zorgen, altijd vroolijk, altijd opgeruimd.
En juist die luchthartigheid, gepaard aan een groote dosis gezond verstand was het, dat Raffles zoo aantrok.
Want als de Groote Onbekende veel en moeilijk ingewikkelde vraagstukken had opgelost en met die oplossing lange uren bezig was geweest, dan waren het vroolijke humeur en de grappige kwinkslagen van Charly een welkome ontspanning.
Bovendien was Brand een pleizierig reisgenoot.
Charly van zijn kant hing met groote vriendschap, met bijkans teedere verknochtheid aan zijn vriend.
Want was het niet Edward Lister geweest, die zich het lot had aangetrokken van den jongen man, toen deze, vele jaren geleden, totaal geruïneerd was?
Totaal geruïneerd!
En door eigen schuld!
Charly was destijds bezeten door den speelduivel.
Aan de speeltafel had hij verloren—avond aan avond. Hij had het vaderlijk erfdeel er door gebracht, nadat hij het kapitaal, hem door zijn moeder nagelaten, reeds eerder had verloren.
Toen, in een vlaag van wanhoop, des nachts om één uur was hij, in smoking, blootshoofds, de club uit en de straat opgevlogen om een einde te maken aan zijn verloren leven.
Hij rende de straten door en eerst op de London Bridge kwam hij tot staan, gereed om over de leuning heen zich in den stroom te storten.
In hetzelfde oogenblik echter had een krachtige hand zich op zijn schouder gelegd.
„Geen dwaasheden, jonge man,” klonk het, „geen dingen doen, die alleen gekken zich in het hoofd halen.”
„Laat mij,” hijgde Charly, vergeefsche moeite doende, zich te ontworstelen aan den ijzeren greep.
Lord Lister echter liet niet los, voordat hij een auto had aangeroepen en den overspannen jongeman er in had geduwd.
In Listers villa in Regent park kwam Charly weer tot kalmte.
Hij vertelde zijn redder, dat het leven hem niets meer te hopen gaf, nu hij zijn geheele fortuin had verloren.
In dien nacht had Charly den Lord beloofd, geen dwaasheden meer uit te halen. Hij had sindsdien Raffles niet meer verlaten, was als secretaris bij hem gebleven en deelde nu lief en leed met Edward Lister.
De Groote Onbekende had zich met de warme genegenheid van een ouderen broeder aan zijn blonden secretaris gehecht en Charly’s bewondering, dankbaarheid en sympathie voor den aristocratischen gentleman-dief uitten zich in honderden kleine oplettendheden en diensten, die de secretaris zijn „grooten vriend” dagelijks bewees.
Om half elf opende Raffles de deur van zijn slaapkamer.
Hij, met zijn ijzersterk gestel, met zijn door sport en beweging gestaald lichaam, had niet zooveel slaap noodig. Nadat hij een bad had genomen was hij weer frisch als een hoentje en een aria uit Mozarts „Zauberflöte” neuriënd, liep hij de breede eikenhouten trap af naar de eetkamer, waar de oude James een smakelijk ontbijt had klaargezet.
James was de oude, getrouwe kamerdienaar, die uit Engelands hoofdstad mee was gekomen naar Amsterdam en die in het huishouden van den Grooten Onbekende de Engelsche zeden en gebruiken hooghield.
Zoo was het Lord Lister steeds aangenaam gebleven, dat hij des morgens zijn gebakken ham met eieren kon nuttigen.
En ook in veel andere opzichten zorgde James er voor, dat zijn heer de Engelsche gebruiken niet al te zeer miste.
Raffles nam plaats aan de ontbijttafel en bediende zich flink.
Glimlachend dacht hij aan Charly, den slaapkop, die zeker niet voor een uur of twee beneden zou komen, keurig gekleed en gekapt, zijn kleeren doortrokken van het allerlaatste mode-parfum.
„Goeie, beste jongen, die Charly,” bepeinsde Edward Lister en hij bediende zich nog eens ruimschoots van de spiegeleieren.
Nadat hij zijn derde kop koffie had leeggedronken stond hij op en begaf zich naar den aangrenzenden salon, waar hij voor den haard in een makkelijken stoel ging zitten.
Van het rooktafeltje nam hij een Henry Clay en toen de eerste rookwolkjes omhoog kringelden greep Raffles naar de „Times” om zijn lectuur te beginnen.
Want zijn grootste belangstelling bleef toch steeds voor alles, wat er voorviel in Engelands hoofdstad.
Maar ditmaal scheen er al weinig te zijn, wat de aandacht van den Lord trok. Hij las van een gecostumeerd bal, dat in „Otterbourne House” onmiddellijk na Kerstmis zou gegeven worden. De costuums zouden zijn uit den tijd van Karel II.
Ook las hij, dat hertog Framlingham was overleden.
Het was een tragische dood geweest.
Op den weg naar Kensington viel de hertog van zijn paard, doordat het struikelde over een rijwiel, dat, onhandig bestuurd, tusschen de voorpooten van het dier was geraakt. De knaap op het rijwiel was nauwelijks bezeerd; maar de hertog werd bewusteloos naar de naaste apotheek gedragen en kwam niet weer bij.
Om vier uur was hij dood.
Lord Lister had den hertog oppervlakkig gekend, maar hij wist dat deze tijding in Londen menigeen zoo mannen als vrouwen, oud en jong, diep zou schokken, want de hertog was bemind.
Hij las het doodsbericht verder: hoe de oude man in den val den nek had gebroken en door het plotselinge van den dood waarschijnlijk niet meer geleden had.
Raffles vouwde de „Times” weer dicht en greep naar de Hollandsche bladen.
Boven op het stapeltje lag de „Nieuwe Rotterdamsche Courant”.
En alsof hij volbloed Nederlander was, las John C. Raffles de Hofberichten, over een staking te Enschede, over tramwegen in Drente en over de provinciale drinkwatervoorzieningsplannen in Groningen.
Totdat zijn aandacht werd gevestigd op een bericht onder de rubriek Stadsnieuws.
INTERNATIONALE OPLICHTERS AAN HET WERK??
En daaronder stond het volgende vermeld:
„Een zeer zonderlinge geschiedenis heeft zich dezer dagen in onze stad afgespeeld.
In den avond van den vijfden December werd bij een onzer grootste reeders, jonkheer D., die tevens Spaansch consul is, een surprise bezorgd in den vorm van een mand.
Bij nader onderzoek bleek het, dat deze mand bevatte een zuigeling van omstreeks vijf maanden.
De heer en mevrouw D. lieten het wichtje des nachts onder hun dak slapen om den volgenden dag de politie van het geval in kennis te stellen, toen een groote, verzegelde brief hun de tijding bracht, dat dit kindje was de erfprins van Navarra, zoon van vorst Pedro van Navarra.
De moeder van den kleine stierf bij de geboorte en daar bij kinderloos overlijden van vorst Pedro diens broeder Arto troonopvolger zou worden, is voor dezen thans de kans verkeken.
Vorst Pedro leeft op zeer gespannen voet met zijn broeder en daar men vreesde voor de veiligheid van het leven van den kleinen erfprins, werd deze naar veilige havens gebracht.
Een chèque op de „Nieuwe Rotterdamsche Bank” van een half millioen zat tusschen de kleertjes van den kleinen prins genaaid.
Hoewel het echtpaar D. niet van plan was, den kleinen prins, wiens levensbehoud van zoo groote politieke beteekenis is, bij zich te houden, had het toch besloten, voorloopig af te wachten, tot nadere berichten zouden inkomen.
Mevrouw D. had een verpleegster met de speciale zorg voor den kleinen jongen belast, die den ganschen dag onder toezicht bleef.
Het had reeds de opmerkzaamheid getrokken van het echtpaar, dat de mand met de wonderlijke surprise werd gebracht door een in pelsjas gekleeden heer van donker uiterlijk, die met een auto voor het huis aan den Westersingel had stilgehouden.
En even geheimzinnig als de zuigeling werd gebracht, is hij thans ook weer verdwenen.
Gistermiddag omstreeks twee uur ging zuster L., die met de zorg voor het kindje was belast door mevrouw D., met den kleine wandelen in het middagzonnetje.
Het kindje lag in een wagentje. Op den ’s-Gravendijkwal gekomen naderde langzaam een automobiel. Zuster L. meent zich te herinneren, dat het voertuig donkergroen gelakt was. Uit de auto stapte een dame, het gelaat blauw gesluierd. Dicht bij het kinderwagentje sloeg zij plotseling de handen in de lucht en zakte ineen. Zuster L. snelde toe om hulp te bieden en de dame naar een apotheek te brengen, waar zij zich reeds hersteld gevoelde.
Toen zuster L. weer bij haar wagentje terugkeerde, dat zeker niet langer dan een tweetal minuten onbeheerd had gestaan, zag zij tot haar ontzetting, dat het aan hare zorgen toevertrouwde kindje daaruit verdwenen was. Zuster L. was wanhopig. Een slagersjongen wist haar te vertellen, dat een heer met een donker uiterlijk uit de auto was gestapt, het kindje uit den wagen had genomen en daarna weer in de auto had plaats genomen, die zeer snel in de richting van de Diergaarde (dus van het Delftsche Poortstation) was verdwenen.
IJlings haastte zich de zuster nu naar de apotheek terug. Immers was de dame met den blauwen sluier ook uit die auto gestapt. De dame was reeds verdwenen en de zuster kon niets meer van haar ontdekken.
De chèque is nog in het bezit van jonkheer D.
Ernstige gronden bestaan om hier te denken aan een complot van personen, die het leven van den jeugdigen kroonprins bedreigen. Immers staat in Navarra de partij van vorst Pedro fel tegenover die van prins Arto. Bovendien is vorst Pedro thans zwaar lijdende aan zijn pijnlijke, sleepende kwaal. De doktoren geven weinig hoop. Als het leven van kroonprins José bedreigd wordt, dan zou de Nederlandsche regeering wellicht in ernstige politieke verwikkelingen kunnen geraken.
Niet alleen dus omdat naar alle zekerheid een kinderleven wordt bedreigt, maar ook in het belang van den staat der Nederlanden roept de hoofdcommissaris van politie te Rotterdam ieder op, die eenige inlichtingen kan verstrekken omtrent een blauw gesluierde dame, een donker-uitzienden heer, gekleed in pelsjas en cylinder hoed en een donkergroen gelakte auto, welke in den middag van Vrijdag, 10 December omstreeks twee uur langs den ’s-Gravendijkwal reed, eenige minuten stil stond en toen verdween in de richting van de Diergaarde.”
Het was in gespannen aandacht en met groote oogen, dat Raffles dit bericht tot twee keer toe overlas.
Toen haalde hij uit zijn vestzak een Marokkijnleeren étui te voorschijn, nam daaruit een fijn, puntig schaartje en knipte het bericht uit het eerste blad van de „Nieuwe Rotterdamsche Courant”.
Uiterst voorzichtig, alsof het een chèque ter waarde van een millioen gold, vouwde Raffles het knipsel samen, en borg het in de kast van zijn kostbaar gouden repetitie-horloge.
Toen drukte hij op de electrische bel.
James klopte en trad binnen.
„Wel, James”, sprak Raffles, „ga mister Brand terstond wekken.”
„Yes, sir!”
„Blijf kloppen, James, tot je zeker weet, dat mister Brand is opgestaan. En zeg hem dan, dat hij zich in groote haast moet kleeden.”
„Yes, sir!”
James klom de trap op om het bevel van zijn heer ter uitvoer te brengen.
Eigenlijk verkneuterde de oude knecht zich, dat hij dien jongen, luien mister Brand uit bed mocht halen.
Mister Brand sliep altijd véél langer dan de Lord.
Dat was iets, wat feitelijk niet te pas kwam—vond althans oude James.
En extra-luid trommelden zijn knokige vingers op de deur van Charly’s slaapkamer.
Een half uur later trad de jonge secretaris bij zijn vriend binnen.
„Morgen, Edward”, begroette hij Lord Lister.
Raffles schrikte op uit zijn peinzen, waarin hij was verzonken geweest, sinds James de kamer had verlaten.
Een diepe rimpel had zich tusschen zijn oogen gelegd, maar nu werd zijn gelaat weer effen.
„Morgen Charly! Heb je al ontbeten?”
„Neen!”
„Doe dat dan vlug. We gaan over een half uur op reis!”
„Op reis?”
Charly’s oogen verwijdden zich.
„Nu, schrik maar niet! We gaan niet ver!”
„Hoe ver?”
„Rotterdam!”
„Ha!”
Een vroolijke lach trok over het gelaat van den secretaris.
„Naar Rotterdam! Hoera, Edward! Hoera! Naar de mooie hertogin?”
Een ironisch lachje trok over het gelaat van den Grooten Onbekende, toen hij antwoordde:
„Wie weet, Charly! Ik geloof wel, dat je eenige kans hebt, de mooie hertogin De Confuelo nog eens weer te zien! Ik geloof het! Zeker echter weet ik het niet!”
ZEVENDE HOOFDSTUK.
RAFFLES IN DONKER ROTTERDAM.
„Gaan we per auto, Edward?” informeerde de jonge secretaris, terwijl hij het bruinlederen handvalies vulde met eenige toilet-artikelen en andere onontbeerlijke kleinigheden.
Lord Lister, die reeds geheel reisvaardig was, antwoordde:
„Neen, boy, dezen keer nemen we den spoortrein.”
Hij haalde zijn gouden Horloge te voorschijn, dat op het achterdeksel in diamanten zijn monogram bevatte en vervolgde:
„Het is nu half twaalf; om 11.53 vertrekt een trein van het Centraal-Station. Ik heb James om onze auto laten telefoneeren, die reeds wacht.”
„All right, Edward! Ik ben tot je dispositie!” antwoordde de jonge secretaris.
Met het lichte valies in de hand volgde hij zijn vriend, die de kamer reeds had verlaten en vijf minuten vóór het vertrek van den trein hadden de beide vrienden plaats genomen in een eerste-klas-coupé.
Op weg naar het station had Raffles geen enkel woord over het doel der reis gesproken en Charly, wiens nieuwsgierigheid was geprikkeld, brandde van verlangen om eenige bijzonderheden van Lord Lister te vernemen.
De ernstige uitdrukking op het gelaat van den Grooten Onbekende had hem echter weerhouden, ook maar een enkele vraag te doen. Hij wist ook wel uit ervaring, dat zijn vriend toch niets zou meedeelen omtrent zijn vermoedens en plannen, voordat hij het oogenblik daartoe gekomen achtte.
Verrast keek Charly dus op, toen, nadat de trein Haarlem reeds gepasseerd was, lord Lister met een glimlach tot hem sprak:
„En nu zijn we dan werkelijk op weg naar je mooie hertogin, Charly! Kijk, lees dit eens aandachtig door, mijn jongen en zeg me dan, hoe jij erover denkt.”
Bij die woorden had Raffles zijn horloge voor den dag gehaald en daaruit een krantenknipsel genomen, dat hij nu aan Charly gaf.
Onder het lezen van het uitvoerige bericht teekende zich steeds grooter verbazing af op het gelaat van den secretaris.
Langzaam en aandachtig las hij tot het einde toe, en geheel tegen zijn gewoonte bleef hij toen eenige oogenblikken zwijgend voor zich uitstaren.
De groote Onbekende wachtte geduldig, tot zijn vriend van de eerste ontsteltenis zou zijn bekomen; glimlachend keek hij zijn vertrouwde aan en eindelijk sprak hij:
„Ik zie tot mijn genoegen, my boy, dat ook jij in de dame met den blauwen sluier onze bekoorlijke hertogin herkent. Begrijp je nu, waarom we op dit oogenblik op weg zijn naar Rotterdam?”
Charly richtte nu zijn blauwe oogen op het gelaat van lord Lister en sprak:
„Dus je hebt tòch weer gelijk! Een paar avonturiers, een misdadiger met zijn handlangster! Hoe is het mogelijk, dat jij tot in de zielen der menschen schijnt te kunnen kijken, terwijl ik altijd eerst moet wachten, tot mij door jou de oogen worden geopend?”
„Dat is mijn natuurlijke aanleg mijn jongen.—Het is nu echter de vraag, of het mij zal lukken, het tweetal nog bijtijds te beletten, hun schandelijk plan geheel ten uitvoer te brengen.”
„Maar Edward, één ding begrijp ik niet. Je schijnt er volkomen zeker van te zijn, dat de Spanjaard en zijn gezellin zich nog in Rotterdam bevinden. Mij dunkt, dat we beter deden, zoo spoedig mogelijk door te reizen naar Madrid, want het is toch nogal duidelijk, dat zij zich met het kind onmiddellijk daarheen zullen hebben begeven!”
Een vroolijke glimlach verscheen weer op het energieke gelaat van den Grooten Onbekende.
„Deze onlogische redeneering ligt geheel en al in jouw aard, Charly! Neen! Mijn speurhondenneus zegt mij, dat zij zich nog in Rotterdam ophouden. Het zou voor hen, nu de algemeene aandacht op hen is gevestigd en de politie natuurlijk niet stil zal zitten, moeilijk zijn, met het kind de stad te verlaten. Zij zullen zich daarvan dus eerst ontdoen en als mijn gelukster me ook nu weer gunstig is, zal ik de hand op het tweetal kunnen leggen, eer het te laat is.”
Lord Lister had zijn sigarettenkoker te voorschijn gehaald en stak een versche sigaret aan. Toen sloeg hij het rechterbeen over het linker, leunde in een hoek van den coupé achterover en sprak:
„Laat me nu nog even met rust, Charly!”
Dit was voor den ander genoeg om te begrijpen, dat Raffles niet meer gestoord wenschte te worden.
Zwijgend keek Charly naar buiten, waar de weilanden voorbij schenen te draaien, in rechte stukken verdeeld door smalle slooten, waar kleine boerenwoningen lagen, omgeven door kale boomen.
Hij dacht weer aan het bekoorlijke gelaat en de innemende manieren van de jonge hertogin, voor wie hij vurige bewondering had opgevat en weer verbaasde hij zich erover, hoe het mogelijk was, dat zooveel schoonheid gepaard kon gaan aan zulk een verdorven karakter.
Maar zou Edward zich niet vergissen deze keer?
Speelde zijn combinatievermogen hem geen parten?
Welke bewijzen waren er om te beweren, dat de mooie, jonge vrouw en haar geleider en deze beide Spaansche misdadigers dezelfde personen waren?
Edward scheen volkomen zeker van de zaak te zijn, maar toch...
Een blik op het ernstige gelaat van zijn vriend zei hem, dat ook deze met zijn gedachten bij de beide vreemdelingen was.
Lord Lister dacht ingespannen na over de uren, welke hij in het gezelschap der beide onbekenden had doorgebracht.
Steeds weer opnieuw trachtte hij zich te herinneren, waarover zij hadden gesproken, wat zij zich omtrent hun levenswijze en hun verleden hadden laten ontvallen.
Want hij was het nog niet met zichzelf eens, waarheen hij zich bij aankomst te Rotterdam het eerst zou wenden, welke houding hij aan zou nemen.
Nauwkeurig herinnerde hij zich de reisverhalen, die de donkere markies had gedaan.
Deze scheen een groot deel van Europa en Amerika te kennen en veel had hij verteld over eigenaardige toestanden, die nog bestaan op het Pyreneesch schiereiland.
De mooie hertogin had haar bewondering geuit over Amsterdam en ’s-Gravenhage; over Rotterdam had zij zich bijna niet uitgelaten en telkens weer had zij te kennen gegeven, dat zij vurig terugverlangde naar het Zuiden, waar zij gewend scheen te zijn aan een leven van weelde en genot.
Eentonig dreunde het geratel der wielen in de ooren van den Grooten Onbekende.
Plotseling was het hem, alsof op de maat van dit geluid eenige vage klanken telkens weer tot hem doordrongen, het was alsof een bovenaardsche macht hem met geweld terugvoerde naar het Circus aan den Amstel, waar hij in de stallen de fraaie paarden had bewonderd.
Het was hem, alsof hij weer opeens naast zich de beide vreemde bezoekers in de Spaansche taal tot elkaar hoorde spreken.
En weer was het hem, als hoorde hij te midden dier welluidende Zuidelijke klanken, hoe de lippen der schoone jonge vrouw de „Lijnstraat” hadden genoemd.— — — — — — — — — —
De strakke gelaatstrekken van den Grooten Onbekende schenen zich te ontspannen.
Zijn zwarte oogen, die als afwezig voor zich uit hadden gestaard, blikten weer om zich heen.
Hij keek op zijn horloge en sprak, terwijl hij de sigaret, die hij nog tusschen de slanke vingers hield, doch die niet meer brandde, uit het raampje wierp:
„Over een paar minuten zijn we er, Charly. Kijk, daar ligt de stad al vóór ons.”
Charly was blij, dat zijn vriend het woord weer tot hem richtte en vroolijk pratend liep hij eenige minuten later naast den slanken lord over het perron van het Delftsche Poortstation.
Raffles begaf zich naar een der wachtkamers van het station, waar hij inzage verzocht van het adresboek van Rotterdam, en nadat hij hierin even had gebladerd, kwam er een trek van groote voldoening op zijn gelaat.