Lord Lister No. 0042: Ongewenschte wraak
Part 5
Mr. Apsley nam gauw de flesch van tafel en sloot haar in het buffet. Hij nam er een flesch sodawater uit en schonk daarmee een waterglas vol.
„Daar, lichtzinnig individu! Vooruit, drink! Ik wil het hebben.”
James weerde eerst het onwelkome drankje af, doch toen zijn vader bleef aandringen, nam hij het aan en slikte het met allerlei vreeselijke grimassen naar binnen.
„Ge hebt nu gezien, dat ik uw wil doe, voldoe nu ook aan mijn verlangen! Geef mij geld, vader, veel geld! Ik verdwijn over den grooten vijver.”
„Onzin, James! Je hebt op ’t oogenblik je vijf zinnen niet bij elkaar. Daar is geen sprake van! Jij moet werken. Het luie leventje, dat je tot nu toe hebt geleid, moet thans ophouden.
„In dit opzicht treft het nu bijzonder goed. Jij hebt het in je leven altijd veel te gemakkelijk gehad, en ik was altijd te toegevend en gaf je veel te veel geld, en altijd weer opnieuw. Dat was mijn fout, waarvan ik nu spijt heb.
„Maar dat moet nu ophouden, mijn jongen! En daar het niet anders kan, zal het ook ophouden, en wel voor je eigen bestwil! We zullen allebei flink gaan werken, om de geleden schade weer in te halen en ik hoop, dat je me krachtig zult steunen en bijstaan en mij zult bewijzen, dat je, ondanks alle lichtzinnigheid, een kern van de gelijkheid in je hebt, en in waarheid mijn zoon bent.”
„Werk? Neen, dierbare vader, daarvoor ben ik niet in de wieg gelegd. En overigens moge de duivel mij halen, als ik ook maar een syllabe van uw opbouwende zedepreek—louter nonsens, met uw verlof—begrijp!
„We hebben immers geld genoeg, kunnen de andere menschen, de armen, de hongerlijders, de dommen voor ons laten werken en zelf van het leven genieten.
„Dat is juist de kunst in het leven.”
De reeder krabde zich bedenkelijk achter de ooren.
„Mijn hemel, hij weet immers nog van niets! Dat vergat ik heelemaal! Nu, dat zal een heele slag voor hem zijn, des te meer, nu hij van heden af aan moet werken! En bij dit alles is hij nog dronken ook!”
Hij slaagde er echter in, James de rest van het sodawater naar binnen te laten werken.
„Verduiveld!” zei James, wiens geest weer een beetje helder begon te worden, zoodat hij zich bewust werd, dat hij zijn benarde positie aan zichzelf had te wijten. „Ik moet weg! Ik moet geld hebben! Ik bezit geen rooden duit meer! Alles verspeeld aan dien hond van een Yankee!
„Allo, vader, geef mij zooveel, dat ik zoodra mogelijk weg kan over den Atlantischen Oceaan, voordat het te laat is!”
„Hij is nog totaal dronken!” mompelde de reeder bezorgd. „James, wat praat je toch voor wartaal! Kom eens tot jezelf, mijn jongen! Ik vergeef je immers alles en wil ook niet met je twisten. Maar dat moet in de toekomst geheel ophouden. Van heden af aan. Beloof je me dat?
„Kijk eens naar Mr. Edward, hoe die gewerkt heeft dag en nacht! Het doet mij bijna leed, dat hij door ons toedoen niet de vruchten zal plukken van zijn vlijt. Doch ieder is zichzelf het naast! Misschien kunnen we ons later met hem associeeren!—
„Niet waar, ik kan erop vertrouwen, James, dat je mij in onzen nieuwen strijd om het bestaan trouw ter zijde zult staan?”
„Dat is louter onzin, vader, wat ge praat! Ik moet weg!”
Hij keek schuw naar de deur, of de menschen van Scotland Yard soms al achter hem stonden.
Het begon hem nu duidelijk te worden, dat hij in de Heerenclub een vreeselijke domheid had begaan, om het niet erger te noemen.
De reeder keek hem aandachtig aan, en haalde de schouders op, daar hij zijn dwaas gepraat toeschreef aan dronkenschap.
Doch James werd nu door eene zenuwachtige onrust bevangen. Hij wilde zich in veiligheid brengen.
„Kom, vader, ik heb alles verspeeld! Ik moet geld hebben! Ik moet weg! Hoort gij niet? Geef mij toch zooveel, dat ik voldoende heb voor den overtocht, geef mij tienduizend uit de geheime bergplaats daar binnen! Verder zal ik geen aanspraak op iets maken.”
„Uit de kast, jawel!” lachte de reeder hoonend. „Leg je schuldeischers, als je ze hebt, maar op andere manier het zwijgen op. Geld kan ik je niet meer geven!—Het geld is weg—is verdwenen!”
De zoon barstte in een luid gelach los.
„Ik zal er niet invliegen! Neen, zoo dom is uw zoon niet, vader!
„Tracht dat een ander wijs te maken. Natuurlijk, ge wilt mij niets geven, omdat ik dronken ben! Doch ik ben nu weer helder van geest! Ik weet alles! Ik moet het hebben! Heusch!
„Ik heb een domme streek uitgehaald! Doch ik was woedend, omdat ze mij zoo leeggeplunderd hadden, en toen heb ik op den bankhouder, dien vervloekten Yankee, Mr. Shaw, geschoten, en ik geloof, dat ik hem zijn winst betaald gezet heb, en dat ik ook van de andere schurken een paar gebrandmerkt heb.”
Bij deze woorden wierp James zijn revolver op tafel, waarop zich nog twee of drie patronen bevonden.
„Die heeft mij op de schurkenbende gewroken! En het doet mij ook in ’t geheel geen leed voor de schelmen!
„Maar ziet ge, ik moet weg, snel weg, als de fameuze kapitein Baxter en de gevaarlijke „vloo” me niet zullen pakken. Daarvoor echter heb ik geld noodig, vader, veel geld!”
De reeder sloeg de handen ineen over deze onthullingen.
„Waanzinnige”, weeklaagde hij, „jij bent niet te helpen! Vlucht in ’s hemelsnaam, als je iemand doodgeschoten hebt!”
„Ja, ik wensch niets liever dan dat. Maar daar heb ik juist geld voor noodig, hoe meer, hoe beter!”
„Als ik je toch zeg, dat ik geen geld heb”, jammerde de oude Apsley handenwringend.
„Och, wat, gij zoudt geen geld hebben! We hebben toch eerst vanavond de vijftigduizend pond hierheen in veiligheid gebracht!”
„Maar zij zijn weg”, antwoordde zijn vader hem. „Zij zijn er niet meer. Daar is niets meer aan te doen!”
„Maar, vader, waar hebt ge ze dan?” vroeg James ongeloovig en mompelde in zichzelf: „Hij wil het me maar niet zeggen.”
„Een ellendige geschiedenis”, sprak de reeder, die de zaak voor zichzelf gewikt en gewogen had. „James, James, wat haal jij voor dingen uit! Maar we zullen alles wel weer in het goede spoor brengen!
„Ondertusschen moet jij je verborgen houden. We zullen wel overleggen. Al moeten we nu ook opnieuw beginnen, dat is niets, ik ben ertoe besloten. Ik laat mij niet ten onder brengen. Wij zullen de vijftigduizend pond terug zien te krijgen.”
„Alsof ze inderdaad weg waren!” viel James spottend in de rede.
„Ze zijn weg”, ging de reeder voort met een angstig gelaat. „Maar we hebben immers het geniale plan van Mr. Burton, en dat zal ons weer van deze schipbreuk redden. En spoedig zullen we er beter voorstaan dan ooit te voren.
„Natuurlijk kan jij er onder deze omstandigheden niet aan denken, het ontwerp hedenvoormiddag persoonlijk in te leveren. Dat spreekt vanzelf! Geef mij dus het plan, ik zal het bezorgen! Hedenvoormiddag wordt de inschrijving voor den wedstrijd gesloten! En dan zullen we verder overleg plegen!— —
„Onze geheele toekomst hangt nu af van het prachtige ontwerp!”
De jonge Apsley kreeg bij deze woorden van zijn vader toch een gevoel van verlegenheid en schaamte over zich. Hij ergerde zich nu zelf over zijn grenzenlooze lichtzinnigheid en dwaasheid.
Hij trachtte echter dit gevoel van zich af te schudden en verborg zijn schaamte achter een voorgewende driestheid.
„Ik heb het ontwerp niet meer”, zei hij ronduit.
De reeder keek hem sprakeloos aan. Hij kon het niet gelooven.
„Wat?” vroeg hij, „heb je het ontwerp niet meer? Dat is onmogelijk!”
James trad naderbij.
„Neen, het is helaas zoo! Maar laten we daar geen woorden over verspelen. Wat gebeurd is, is niet meer goed te maken. Ik heb het in mijn speelwoede verpand, verkocht en het geld—nu, dat is ook al naar den duivel.”
„Jij, schurk!” schreeuwde de reeder, door ontzetting aangegrepen.
„Is dat waar?”
Zijn borst ging zwaar op en neer en zijn hart klopte luid.
„Hahaha!” lachte zijn zoon boosaardig. „Kostelijk, hij noemt mij schurk om het ontwerp, dat hij zelf stal!
„Maar wees goed op me, vader, kom, geef mij het geld!—Ik zal bescheiden zijn. Geef mij een vijfde, tienduizend pond, en ik zal voor altijd bevredigd zijn.”
De reeder zuchtte diep en greep zijn hoofd met beide handen vast. Toen begon hij heesch te lachen.
„Nietswaardige, dat is het einde van alles!”
Met één greep richtte hij de op tafel blinkende revolver van zijn zoon op zichzelf.
Een schot knalde, en James Apsley’s vader stortte met bebloed gelaat voor zijn zoon op het tapijt neer.
James sprong in den eersten schrik een paar passen achteruit. Spoedig echter kreeg de zelfzucht de overhand.
„Die oude gek!” mompelde de liefdevolle zoon. „Hoe kon dat gestolen ontwerp hem toch tot zoo’n wanhopige daad voeren?
„Enfin, des te beter! De heele vijftigduizend voor mij! Dadelijk—onmiddellijk zal ik verdwijnen. Misschien zoekt Scotland Yard mij al! Ik geloof weliswaar niet, dat ik iemand trof, doch wie weet! De duivel kan bij het schieten in het spel geweest zijn! Het was stom van me, dat is waar! Doch wie kan zich beheerschen, wanneer zelfs de laatste shilling in den wijden zak verdwijnt van dien vervloekten Yankee, die daarbij geen spiertje van zijn gelaat vertrekt.”
Met begeerigen blik en verwrongen gelaat snelde de nog sterk beschonkene met wankelende schreden naar de slaapkamer van zijn vader, waar hij wist, dat de vijftigduizend pond bewaard werden.
Met één draai ontstak hij het electrisch licht en ging naar het geheime kastje in den muur. De sleutelbos van zijn vader stak in het slot, hetgeen hem eenigszins verwonderde. Snel sloot hij de deur open.
„Nu, zei ik het niet”, lachte hij hoonend bij den aanblik van de pakjes bankbiljetten.
„Het is inderdaad zeer voorkomend van den oude mij zoo onverwacht in de aangename positie van den lachenden erfgenaam te verplaatsen.”
Hij haalde den koffer wat dichterbij, waarin zij beiden de vijftigduizend pond hadden meegenomen en nam het eerste pakje uit een der vakjes te voorschijn.
Zijn oogen werden echter onnatuurlijk groot. Hij ging met het bundeltje bij het electrisch licht, om beter te kunnen zien.
Zijn zoowel door de zaak als door hazardspel geoefend oog herkende, in weerwil van zijn dronkenschap, de vervalsching.
Hij bekeek het een na het ander alle papieren van het pakket en slingerde ze met kracht op den grond.
Daarop ging hij naar de kast en keek ook de overige pakketten door. Dikke zweetdruppels stonden hem op het voorhoofd.
„Alles valsch!—Wat beteekent dat?” fluisterde hij.
De dronkenschap scheen opeens verdwenen te zijn. In plaats van de rozenroode sluiers van de door den roes opdoemende droombeelden zag hij plotseling de naakte, grijze werkelijkheid.
Hij rilde ervan.—
Daarop snelde hij naar het woonvertrek.
„Alles—alles voorbij! En hij”, steunde hij met den blik op het met bloed bedekte lijk van zijn vader op het tapijt gericht, „hij—wist het!”
Met een gevoel van nijd in zich rukte hij uit de koude hand van den doode de nog een of twee kogels bevattende revolver.
Hij plaatste haar stevig tegen de slapen, en bij het knallen van het schot zonk, over het lijk van zijn vader heen, ook de zoon met verpletterden schedel op den grond.
NEGENDE HOOFDSTUK.
DE HOOP VAN DEN KAPITEIN VAN POLITIE NIET VERWEZENLIJKT.
De kapitein van politie Baxter had het privé-kantoor der firma Apsley & Co., na de inbraak door Lord Lister, alias Mr. Shaw, verlaten, ten einde een razzia te houden in de Zuidoostelijke stadsgedeelten van Londen.
Hij had niet de zuivere, ten minste niet de geheele waarheid gesproken.
Zulk een razzia toch was reeds van de zijde van andere detectives van Scotland Yard in vollen gang. Hij zelf echter, met zijn speciale ondergeschikten Tyler en Marholm, was van plan, de aanwijzingen van den jongen Apsley te volgen en den vervalscher der bankbiljetten, den schilder Mr. Gower, te overvallen, mee te nemen en in hechtenis te brengen.
Mr. Gower liep in zijn atelier, met grootendeels onomlijste schilderijen en kopergravures versierd, onrustig op en neer en rookte een sigaret. Op een teekentafel lagen de voor het kopergraveeren benoodigde werktuigen, graveerstift, schaaf en polijststaal, benevens een begonnen plaat. Op een piedestal op den achtergrond schitterde de half-voltooide karakterkop van een apostel.
De kunstenaar echter, die slechts zelden bij electrisch licht werkte, had er dezen avond niet den minsten lust toe.
Steeds weer moest hij er aan terugdenken, dat hij door nood gedrongen, op een zwak oogenblik, aan zijn clubgenoot James Apsley een valsch bankbiljet te wisselen had gegeven, dat nog in diens handen was en dat deze de teruggave geweigerd had, ofschoon de kunstenaar hem het volle bedrag en zelfs meer had geboden.
De kunstenaar had een zijde van de bankbiljetten eenigen tijd geleden klaar gemaakt voor een Londensche firma, die de keerzijde wenschte te gebruiken om haar fabrikaten op humoristische wijze aan te prijzen.
De biljetten waren echter zoo volkomen gelijkend uitgevallen, dat de firma vreesde daardoor in conflict met de wet te komen en per slot van rekening haar geheele plan opgaf.
De schilder had nu de reeds gemaakte afdrukken voor zich liggen. Meer gedreven door nieuwsgierigheid dan door hebzucht of met het doel om te vervalschen, had hij de rugzijde ook nagestoken en achter op de gereed zijnde biljetten afgedrukt.
Hij was zelf verbaasd over de gelijkenis met de echte bankbiljetten, had echter de pakjes weggesloten en bijna vergeten, totdat een plotselinge geldnood hem eraan herinnerde.
James Apsley had hem in zijn atelier opgezocht, om een historisch schilderij van den kunstenaar te bezichtigen, voordat dit naar de ............expositie ging, waar het als „Messalina’s dood” veel van zich deed spreken.
Het was bij deze gelegenheid, dat Gower noodgedwongen het biljet van vijftig pond uit een ouden stoel bij het atelierraam op den achtergrond te voorschijn had gehaald en Mr. Apsley verzocht de banknoot voor hem te wisselen.
Hij had weliswaar gevreesd, dat de met alle geldsoorten goed bekende zoon van den reeder dadelijk de vervalsching zou bemerken, in welk geval hij hem zou vertellen, hoe hij tot dezen arbeid was gekomen en hoe hij erover dacht, kortom, dat hij zich slechts een grap had veroorloofd.
Toen evenwel Apsley, die de vervalsching dadelijk had ontdekt, zich niet in dien geest uitliet, doch zonder bedenking de banknoot wisselde, had hij in zijn benarde positie de zwakheid om te zwijgen en de som, hoewel zijn geweten hem erg knaagde, aan te nemen.
Reeds een paar dagen later was hij in het bezit van een beduidende som gelds, daar zijn schilderij „Messalina’s dood”, nauwelijks tentoongesteld, een kooper had gevonden.
Zijn eerste gang was naar Apsley geweest.
Daar hij hem niet thuis trof, had hij hem in de Heerenclub opgezocht, alwaar de bespreking had plaats gehad, die Lord Lister had afgeluisterd.
Door de onthulling van het ware karakter van Apsley en het in hem opgewekte medegevoel voor den kunstenaar nam Lister het besluit tusschenbeide te komen.
Onrustig liep Mr. Gower zijn atelier op en neer. De weigering van James Apsley om hem het biljet terug te geven en de daaruit blijkende vijandelijke gezindheid en slechte bedoeling maakten hem zeer bezorgd.
Hij was beslist van plan om in de eerstvolgende dagen alle nagemaakte bankbiljetten aan het vuur prijs te geven.
Steeds weer stelde het hem eenigszins gerust, dat zelfs in het ergste geval wel niemand op de gedachte zou komen, dat zij in den ouden, uitgesneden stoel waren verborgen, die bovendien nog alleen door een moeilijk te vinden veer was open te krijgen.
Op dit oogenblik werd er geklopt en nadat de schilder „binnen!” had geroepen, trad eerst de kapitein van politie Baxter en achter hem de detectives Tyler en de „Vloo” binnen.
De kunstenaar verbleekte bij het zien van de hem bekende beambten van Scotland Yard.
„Wat verschaft mij de eer, meneer de kapitein van politie?” vroeg hij met voorgewende kalmte.
„Nu, Mr. Gower, wanneer ge dat nog niet weet, zult gij het spoedig hooren. Wij komen om uwe schilderijen te bekijken. Het is alleen nog maar de vraag, welke!”
De hoop, dat de detectives de schuilplaats niet zouden vinden, gaf den schilder kracht.
„Ik heb mij niets te verwijten! Hier moet een vergissing in het spel zijn, meneer de kapitein van politie”.
Baxter haalde de schouders op.
„Dat zegt iedereen natuurlijk. Maar de zeer juiste aanwijzingen, die ik heb, laten geen twijfel over.
„Ik moet u verzoeken geen pogingen te doen om te ontvluchten, zoolang ons onderzoek nog niet is afgeloopen!
„Het resultaat zal beslissend zijn!
„Neemt u hier plaats en verroer u niet.
„Tyler, gij blijft borg voor Mr. Gower!”
Als een gebroken man zonk de kunstenaar op den stoel neer voor zijn koperplaat en steunde zijn hoofd in zijn rechterhand.
Diep ongelukkig mompelde hij:
„O, wat een schande! O, wat een schande!”
Nog grooter werd zijn schrik, toen hij zag, dat de kapitein van politie en de vloo, zonder zich met eenig nader onderzoek bezig te houden, het piedestal met het apostel-beeld voorbij gingen en regelrecht op den stoel bij het achterste atelier-raam toe liepen.
„Dat daar is een gesneden stoel, kapitein!” zei de vloo. „Die zal het zijn! Nu zullen we eens zien, of we de veer kunnen vinden.
„Het zou jammer zijn van het kostbare stuk, wanneer wij het moesten openbreken!”
„Kostbaar? Bah, dan heb ik wel eens wat kostbaarders gezien!”
„Waarom niet? Het is toch een echt antiek stuk, misschien wel zes- of zeven honderd jaar oud.”
„Och praat toch niet. In dien tijd kende men toch zeker nog geen geheime bergplaatsen!”
„Dat is nog de vraag”, gaf de vloo ten antwoord.
Dadelijk daarop riep hij triomfanteljk, zoodat het den schilder als een doodsoordeel in de ooren klonk:
„Ik heb de veer! Kijk, daar is de knop, het is snijwerk!”
Gower zou het liefst door den grond zijn gezonken van schaamte en ellende.
Door den druk van Marholm was de stoel opengesprongen en de beide detectives keken elkaar zeer verbaasd aan.
„Wel verduiveld, wat is dat nu? De stoel is immers leeg? Wat beteekent dat?” ging de kapitein van politie te keer.
De schilder dacht te hebben misverstaan. Een gevoel van geluk kwam in eens over hem.
„Hier, kapitein, heb ik een zwaar couvert aan het adres van Mr. Gower. Er schijnt geld in te zijn. Misschien geeft dat opheldering.”
„Neen, dat klopt al niet! Volgens de ons verstrekte gegevens moest de stoel bijna geheel met valsche bankbiljetten gevuld zijn.
„Wat kan zich nu in dat couvert bevinden? Het schijnt mij bovendien toe metaalgeld te zijn!”
Nadat de beide detectives den stoel nog zoo nauwkeurig mogelijk hadden onderzocht en zich hadden overtuigd, dat er behalve het couvert niets in was en in kon zijn, lieten ze hem weer dicht vallen en kwamen met den briefomslag naar Mr. Gower toe.
„Ik vraag u excuus, Mr. Gower. De ons gedane aanwijzingen zijn onjuist gebleken.
„Het was echter onze plicht een onderzoek in te stellen. Hier is echter nog een aan u geadresseerd, gesloten couvert. Gij weet natuurlijk wat er in is?”
„Geen flauw vermoeden”, antwoordde de kunstenaar overeenkomstig de waarheid.
„Dat is toch zonderling! Er is hard geld in”, sprak Baxter.
„Dan moet ik u toch verzoeken, het couvert in ons bijzijn open te maken”.
Mr. Gower werd opnieuw opgewonden. Hij dacht aan dat eene, door hem uitgegeven bankbiljet.
Toen hij echter het couvert had opengesneden, rolden er 25 goudstukken uit, terwijl hij een schrijven openvouwde, dat hij met blijde verbazing las.
Het luidde:
„Geachte Meester!
Vergeefs hier op u wachtend met het doel u een portretschildering op te dragen, ontdekte ik het geheim van den stoel en veroorloofde mij, hieraan bijgaand voorschot op het aanstaand meesterwerk van uw penseel toe te vertrouwen, zeer benieuwd, of en zoo ja, op welke wijze gij dezen brief, ontdekken zult.
Met verzoek de grap goed op te nemen,
Iemand, dien gij spoedig zult leeren kennen.”
Gower liet het couvert zien. Verder bevatte het niets.
De drie detectives stonden sprakeloos.
„Dat is heel aardig”, zei kapitein Baxter erg bedaard. „Ik wou, dat ik ook zulke onbekende vrienden had!”
„Nu en of”, ging de vloo verder, „vijf-en-twintig sovereigns is geen kinderspel, en dat heet nog maar een voorschot. Gij moet wel reusachtig veel verdienen!
„Ik zou wel eens willen weten, hoe lang dat daar al in ligt”.
Mr. Gower haalde de schouders op.
„Een datum is in het beleefde briefje niet aangegeven. Dat kan er wel al lang in liggen”.
„Welnu, meneer Gower, neem ons niet kwalijk. Dergelijke onaangename plichten brengt ons beroep nu eenmaal mee.
„In elk geval zijt gij volkomen in ’t gelijk gesteld. Met den aangever hebben we nog een appeltje te schillen.
„Wil ons dus verontschuldigen en vaarwel.”
„Adieu, heeren!”
De drie detectives van Scotland Yard hadden geen gelukkigen dag.
Als drie natte poedels dropen ze af en aanvaardden den terugtocht.
Mr. Gower evenwel sloeg van blijdschap de handen ineen, nu de storm zoo kalm over zijn hoofd was heengegaan, en dacht ontroerd aan den onbekenden vriend, aan wien hij zijn redding had te danken.
Toen Lord Lister uit de club op zijn villa terugkwam, vond hij zijn trouwen Charly, in weerwil van het vergevorderd uur, nog bezig aan zijn aeronautischen arbeid.
De luchtschip-techniek was Charly’s stokpaardje en ze zou hem nog dikwijls te pas komen.
„Arme kerel”, sprak Lister vol medelijden, „hij heeft zijn hoofd niet durven neerleggen uit zorg voor onze schatten!
„Dat is de vloek van het goud, Charly!
„Men kan het draaien zooals men wil, het hebben of niet hebben baart den mensch veel zorgen!
„Doch genoeg over levenswijsheid!
„Wij kunnen helaas nog niet naar bed gaan, want je moet nog eenmaal op onderzoek uit!”
„Ik ben bereid, Edward.”
„Ik stel er namelijk veel belang in om te weten, of de verwisseling der bankbiljetten in de ......street al ontdekt is!”
„In welke gedaante?”
„Als Mr. Shaw! Bedenk wel, dat de fameuze kapitein van politie een tamelijk scherp oog heeft; nog daargelaten de in dit opzicht zeer begaafde vloo.
„Laat je nachtauto tegenover het garçonlogis van Apsley wachten, blijf erin, totdat Scotland Yard wegtrekt, of totdat er leven komt in het huis, en vraag naar het voorgevallene alsof je juist voorbij kwaamt!”
„Goed”, antwoordde Charly, die reeds voor den spiegel stond om zich een echt Amerikaansch aanzien te geven.
In korten tijd was hij weer de elegante, jonge Mr. Robert Benting-Shaw uit Chicago.
Hij drukte Lord Lister de hand en ging haastig weg.
Lister stak een sigaret op en liep peinzend heen en weer.
Daarop nam hij een deel van Shakespeare’s meesterwerken van de plank en verdiepte zich in zijn prachtige comedie „Cymbeline”.
Eindelijk kwam Charly opgewonden en ontdaan terug en deelde mede, dat zooeven, opgebeld door de bewoners van het huis, Scotland Yard was aangekomen en de lijken der beide heeren Apsley in de vrijgezellenwoning van den vader had gevonden.
„Blijf hier, Charly, en zorg voor koffie. Het is bijna morgen. Ik ga erheen en wil zelf hooren en zien, wat er gebeurd is. Ik zal niet lang wegblijven!”
De dikke Amerikaan werd op de plaats van het ongeval door de beambten van Scotland Yard als een oude kennis met vreugde begroet. Vooral Baxter was niet weinig gevleid, dat de wereldberoemde milliardair zoo druk met hem omging.
De beide lijken lagen nog, zooals men ze had gevonden, vader en zoon over elkaar uitgestrekt.
Terwijl de beambten de slaapkamer doorzochten en bij de ontdekking van de kast in den muur luide uitroepen van verbazing en verontwaardiging slaakten, stond Lord Lister met over elkaar geslagen armen in de huiskamer en keek met ernstig gelaat naar het tweetal, dat zichzelf had gestraft.
Al waren het ook schurken en al hadden zij ook een moord op hun geweten genomen, om geen getuige tegen zich te hebben, hun dood had hij toch niet gewenscht.
Daar trad, blijkbaar zeer opgewonden, kapitein Baxter de kamer binnen.
„Wat is er, Mr. Baxter? Wat maakt u zoo nerveus? Hoe verklaart gij deze aangelegenheid, die mij zoo onbegrijpelijk mogelijk is? Wat een vreeselijk geval!”
„De verklaring is heel eenvoudig”, antwoordde Baxter met zelfvoldoening.