Lord Lister No. 0029: Het Indische raadsel
Part 2
Vijftig eeuwen gingen over deze marmerblokken heen. De dooden zijn reeds lang tot stof vergaan, maar hunne gedenksteenen verkondigen nog heden ten dage van hunne werken.
Eenzaam en verlaten, ligt deze doodenstad, zelden wordt zij door menschen bezocht.
Ontelbare wilde pauwen wandelen trots over de stille, zonnige paden en spreiden hun bonte veerenpracht ten toon.
Middendoor den onafzienbaren doodenakker leidt een straat en hierlangs loopt Raffles, vergezeld door een Hindoeknaap van ongeveer veertien jaar.
Sinds meerdere weken bevindt hij zich nu reeds in Indië.
Hier, waar de geslachten van zoovele eeuwen rustten, hoopte hij het geheimzinnige Akasa te vinden. Het is een zwaarder taak dan om binnen te dringen in de gewelven van de Engelsche Bank.
Geen der prachtige mausoleums verklaart hem door een opschrift of teeken het raadsel.
Maar toch heeft hij in al die weken den moed niet verloren, maar blijft met onwankelbaar optimisme gelooven, dat hij hier bij de dooden een spoor moet ontdekken.
In de schaduw van groote tamarinden lag terzijde van den weg een bekoorlijke kleine tempel.
Een goed onderhouden weg leidde erheen, door het kreupelhout, tot groote verbazing van Raffles.
Wie kon er belang bij hebben, in dezen grooten chaos van ruïnes een liefelijk plekje in orde te houden?
Nieuwsgierig liep hij naar den grafkelder toe, toen plotseling zijn begeleider hem tegenhield en op schuwen toon fluisterde:
“Sahib (heer) niet den weg gaan naar het graf van den heiligen dichter.”
“Waarom niet?”
“Sahib, vorstin Samru, de dochter van den Maharadjah, bidt daar; het is haar heiligdom.”
Raffles dacht eenige oogenblikken na, of hij gehoor zou geven aan de waarschuwing en besloot, er geen acht op te slaan.
De knaap volgde hem niet, maar ging in de schaduw van een marmeren zuil zitten om daar op terugkomst van zijn meester te wachten.
Raffles trad door een lage poort en kwam op een met sneeuwwitte marmertegels geplaveiden hof, welke door een zuilengalerij was omgeven.
In het midden bevond zich een grafsteen, waarover een goudbestikt, zijden kleed was gelegd. Bloemenguirlandes waren van zuil tot zuil geslingerd en een purperen zonnescherm bedekte de helft van den open hof, dezen in schaduw hullende.
Met een kreet van bewondering beschouwde Raffles het geheel. Waarlijk, schooner kon een dichter niet begraven zijn.
Een plechtig-poëtisch waas omhulde dit alles.
Zachtkens nader tredend, alsof hij de rust van den gestorvene zou kunnen verstoren, liep Lord Lister naar het graf, aan welks voeteneind een bronzen gedenksteen was aangebracht.
Met kunstig gegraveerde letters waren hierin gedichten vereeuwigd en met gespannen aandacht begon Raffles te lezen.
Plotseling schrikte hij en als betooverd bleef zijn oog rusten op een der woorden, die hij las.
Als gehypnotiseerd staarde hij ernaar.
Akasa stond daar voor hem neergeschreven, geschreven door een hand, die reeds meer dan duizend jaar verstijf was.
Eindelijk een spoor? Vreezend, met een hersenschim te doen te hebben, raakte hij met zijn hand den bronzen gedenksteen aan. Maar het koude metaal vóór hem bedroog hem niet. Met koortsachtige opgewondenheid las hij:
“Goddelijk Akasa, omdat gij mij de hemelsche Bajaderen (danseressen) van Krishna hebt getoond, zwelgt mijn ziel in de bewondering van haren dans, als een God”.
Steeds weer opnieuw las Raffles deze woorden en trachtte de beteekenis ervan te doorgronden.
In gedachten verloren, bemerkte hij niet, dat een jong meisje, vergezeld door twee oudere vrouwen, den hof had betreden.
Zich niet storend aan den vreemdeling begon de schoone haar kleeren af te leggen en haar slank lichaam te hullen in met goud doorweven gazen sluiers, zoogenaamde saris.
Daarop begonnen twee mannen, die aan den ingang der poort waren neergehurkt, te musiceeren.
Verrast door het zeldzame beeld, dat hem als de werkelijkheid van het zoo juist gelezene voorkwam, trad Raffles op zij.
Op de plaats waar hij had gestaan, wierp de vreemdelinge een handvol rozen neer en begon daarna te dansen.
Haar tengere voetjes zweefden over den sneeuwwitten marmeren vloer in, rhythmische bewegingen en haar slank lichaam, haar armen en handen bewogen zich bij den verleidelijken, liefelijken dans.
Het geleek den jongen man als een sprookje. Maar een eigenaardig gevoel, alsof hij een groot onrecht pleegde, alsof hij was binnengedrongen in het verboden heiligdom der Indiërs, in een Zenana (vrouwenvertrek) maakte zich van hem meester.
De danseres hield haar groote, donkere oogen onafgewend op hem gericht. Aarzelend naderde zij hem meerdere malen, strooide bloemen voor het graf, kuste den bronzen grafsteen en eindigde haar dans.
Daarop klapte zij in de handen, waarop de muziek zweeg.
Nu trad zij tot vlak voor Raffles en sprak in vloeiend Engelsch:
“Ik zie, dat gij een vreemdeling zijt.
“Gij weet niet, waar gij u bevindt. Zoo gij een landsman waart, zou ik u nu door mijn olifanten laten verpletteren. Waar is de gids, die u hierheen heeft gebracht? Hij zal gestraft worden.”
Haar schoone oogen vlamden toornig op en haar kleine handen, die nog voor weinige minuten de zonnestralen schenen te liefkoozen, hadden zich tot vuisten gebald.
Raffles’ blikken hingen als betooverd aan de wonderschoone verschijning daar vóór hem en bijna onbewust vroeg hij:
“Zijt gij Akasa?”
Verbaasd keek zij hem aan. In plaats van een antwoord te geven, stelde de vreemdeling een vraag! Een vraag, die betrekking had op haar heilige, op haar gestorven dichter! En het vleide haar, een dergelijke vergelijking te hooren, het verdrong den toorn, die in haar was opgekomen, omdat vreemde mannenoogen haar ongesluierd hadden gezien.
“Ik ben Samru, de eenige dochter van den Maharadjah van Indrabad”, antwoordde zij op trotschen toon. “Wat zoekt gij in mijn heiligdom? Welke Paria bracht u hierheen?”
“Niemand”, antwoordde Raffles. “De Maharadjah van Indrabad, wiens gast ik ben, gaf mij verlof, op dit kerkhof datgene te zoeken, waarvoor ik van Engeland naar Indië ben gekomen. Ik zoek Akasa, jonge vorstin.”
Onderzoekend, alsof zij zijn woorden niet vertrouwde, keek zij naar hem.
Daarop riep zij een harer dienaressen en richtte zacht een vraag tot haar. Een bevestigend hoofdknikje was het antwoord.
Opnieuw wendde zij zich tot Raffles:
“Gij hebt de waarheid gesproken. Gij zijt de gast van mijn vader. Zwijg over hetgeen gij hebt gezien. Ik ben mijns vaders grootste schat en het zou hem zeer zeker bedroeven. Al het water van den heiligen Ganges zouden deze smart niet weer kunnen uitwisschen.”
Zij keek hem nogmaals diep in de oogen, daarop liet zij zich door haar dienaressen in haar kleeren hullen en, gesluierd, verliet zij het graf.
Bij den ingang der poort bleef zij nog even staan en wendde het hoofd om. Onwillekeurig legde Raffles zijn hand op de borst en maakte een buiging. Een groetende handbeweging toonde hem, dat zij zijn huldiging had begrepen. Daarop verdween zij.
Eenzaam en zwijgend lag het graf van den gestorven dichter voor hem.
Plotseling weerklonken de woeste kreten van krijgsolifanten. Raffles snelde naar de poort en bleef, in de schaduw verborgen, onbeweeglijk van schrik en ontzetting staan.
Op korten afstand van hem verpletterden de zware pooten van vier reuzenolifanten de lichamen van vier menschen—twee Hindoevrouwen en twee mannen.
Zij waren getuigen geweest van zijn aanwezigheid bij den dans der prinses en reeds moesten zij zwijgen, zwijgen voor eeuwig, opdat zij en hij veilig waren voor hunne tongen.
In de verte zag hij de bontgetooide olifanten verdwijnen, die de prinses naar Indrabad terugbrachten.
Nu volgden ook de krijgsolifanten. Zij hadden hun beulswerk verricht.
Geen vonkje van leven was nog te ontdekken in de vertrapte vleeschmassa, die zij in het stof der doodenstad hadden achtergelaten.
Met luid gillen zetten de mahouts, de olifantendrijvers, met hun spitse haken de opgewonden reuzendieren aan tot spoed en verdwenen weldra met hen in een dichte stofwolk.
Ontroerd keek Raffles naar de vermoorde slachtoffers en voor het eerst rilde hij bij de gedachte aan datgene, wat hij zocht: Akasa.
Langzaam keerde hij naar de stad terug. Hij had er niet op gelet, dat de schemering reeds was ingevallen. Aan de vuurroode kimme teekenden zich de donkere omtrekken af van de groote koepels, paleizen en vestingwerken van Indrabad.
Sneller liep hij door.
Daar, in het schitterende paleis, dat hem als gast, herbergde, leefde zij, die hij heden voor het eerst had aanschouwd. En een afschuwelijk geheim verbond hen met elkaar.
Zou de heilige, reeds lang gestorven dichter met “Akasa” hebben bedoeld dat geheimzinnige, wat de menschen “liefde” noemen? Raffles wilde het uitvorschen al zou hij het met zijn leven moeten boeten.
Akasa en de dochter van den Maharadjah waren voor hem een en hetzelfde begrip geworden.
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN LIEFDESNACHT.
Achter de getraliede vensters der Zenana mogen de vrouwen van den Maharadjah op het bonte leven en bewegen der hoofdstad neerblikken—dat leven, dat haarzelf ontzegd is.
Aan een der hoekvensters zat de prinses en keek aandachtig naar een der hoofdpoorten van het paleis. Naast haar stond een jonge slavin, haar lievelingsspeelgenoote, Natana, eveneens naar buiten kijkend.
Beiden spraken zij geen woord. Bijna zonder zich te verroeren keek Samru naar het menschengewoel in de breede straten, die zich nu, tegen den koelen avond, vulden. Mannen in vuurroode, gele, blauwe en groene gewaden en daarbij passende tulbands op het hoofd; ruiters, vaandrigs, paukenslagers op kameelen en daartusschen de groote lichamen van olifanten, behangen met bonte, rijkversierde kleeden, vergulde slagtanden en prachtige baldakijns op den rug dragend, waarin gesluierde vrouwen zaten, om te genieten van de avondkoelte in de tuinen en parken rondom de stad.
Samru had geen oog voor dit alles. Zij kende het tooneel en zou daarvoor niet een uurlang aan het hoekvenster staan, maar liever in het park van het paleis met haar dieren spelen.
Plotseling kwam er beweging in haar roerlooze gestalte. Zij boog zich voorover en greep de hand harer slavin.
“Natana,” fluisterde zij opgewonden, “zie je daar beneden tusschen de menschen den vreemden Sahib, die trotsch als een vorst doorloopt? Zie je hem?”
“Ja, meesteres,” antwoordde de slavin, eveneens op fluisterenden toon.
De slavin zag, dat haar jonge meesteres met schitterende oogen den vreemdeling volgde, die zich naar de poort van het paleis begaf en hoe Samru de rechterhand op het hart drukte.
Een zucht van verlangen ontsnapte haar lippen en zacht sprak zij:
“Een mooie man!”
Schuw en bevreesd, dat een ander behalve de slavin haar woorden kon hebben gehoord, keek zij het vertrek rond.
Intusschen ging Raffles, onbewust, dat hij werd bespied, de poort van het paleis binnen.
Nauwelijks was hij aan de blikken der jonge vorstin onttrokken, of deze stond op en klapte in de handen. Dadelijk verschenen eenige slavinnen, welke zij op bevelenden toon toeriep:
“Naar het park!”
Eenige minuten later weerklonken langgerekte hoornsignalen van de torens en verkondigden aan alle mannelijke bewoners van het paleis, dat niemand het park mocht betreden, omdat de dochter van den Maharadjah daar wandelde. Doodstraf wachtte den ongehoorzame of lichtzinnige.
In strijd met de zeden van het land bezat de Maharadjah, ten gevolge zijner Europeesche opvoeding, slechts één echtgenoote, welke hem alleen een dochter had geschonken.
Hij had het geluk niet gehad, een erfgenaam voor den troon te bezitten en na zijn dood zou hij door een jongeren broer worden opgevolgd.
Aan het in de lengte gebouwde paleis, dat de Maharadjah zelf bewoonde, grenst een groot park, in welks midden zich een meer bevindt. Witte marmeren balustrades omgeven den oever en vergulde booten liggen aan de met zijden tapijten bedekte marmeren trappen, die naar het water leiden.
Het water van het meer is van een smaragdgroene kleur en in het midden daarvan bevindt zich een eiland, schoon als een sprookje, waarop zich kleine, sierlijke tempels, marmeren zuilen en torentjes bevinden.
Prachtige bloemperken liggen daartusschen, heerlijke palmen, grillige figuren en gewassen. Dit lievelingsplekje van de jonge vorstin gelijkt op het verblijf van een sprookjesfee. Hier vertoefde zij het grootste gedeelte van den dag. Een schooner, idyllischer plekje kon er niet bestaan.
Hierheen begaf zij zich ook nu in den avond en nam met haar lievelingsslavin aan den oever van het meer plaats. Droomend keek zij in het donkere water.
“Mijn heerscheres is treurig,” fluisterde Natana, met haar hand zacht het kleed der prinses streelende.
Nadenkend, maar tegelijkertijd onderzoekend keek de jonge vorstin naar de slavin.
“Ik wil je al mijn juweelen en de vrijheid schenken.
“Ik wil je zoo rijk maken, dat een voornaam krijgsman je tot vrouw kan nemen, als je mij helpt, den vreemden Sahib, dien ik je toonde, te spreken.”
Verschrikt keek de slavin op.
“Heerscheres! Mijn leven wil ik gaarne voor u opofferen. Ik heb nooit geaarzeld, als gij tot mij zeidet: Ik wil dit of dat, maar, meesteres, uw wensch is levensgevaarlijk. Uw teeder lichaam wordt voor de tijgers geworpen, als uw vader, onze groote Maharadjah, uw plan verneemt. Gij zijt verloofd, heerscheres!”
“Herinner mij aan niets! Ik weet alles, alles. Maar ik heb heden gevoeld, dat mijn leven een afschuwelijke marteling is zonder de vrijheid, om het kostelijkste, wat wij bezitten, naar eigen verkiezing te mogen weggeven. Heden ontdekte ik de waarheid van de liederen, welke de heilige dichter eenmaal over de liefde heeft geschreven.
“De oogen van den vreemdeling straalden als vuur en zijn woorden klonken als muziek. Toen ik hem moest verlaten, zond hij mij een groet na. Een groet, Natana, dien ik alleen verstond. Hij groette met de hand op zijn hart wijzend. En in dat oogenblik openbaarde zich aan mij de liefde. De liefde! En—mogen de raderen van den tempelwagen mij tot mijn straf verpletteren, mogen de tijgers mij op bevel van mijn vader verscheuren, ik ben niet bevreesd, ik wil, ik moet hem zien.
“Ga nu heen en breng den Sahib bij mij. Neem deze keten van robijnen mee. Misschien moet je een hand vullen en lippen doen zwijgen.”
De slavin nam de keten, die haar jonge meesteres van haar hals nam en verdween.
Eenige oogenblikken later gleed zij in een rank bootje over de spiegelgladde watervlakte en had binnen eenigen tijd den anderen oever bereikt. Met lichten tred snelde zij weg, terwijl Samru haar met kloppend hart nakeek.
Daarop nam zij een korfje, dat met stukken rauw vleesch was gevuld, snelde naar den oever van het meer en blies op een gouden fluitje, zoodat de schrille tonen over het water weerklonken.
Onmiddellijk werd het levendig aan den waterkant.
Krokodillen, die daar van hun vadsige rust genoten, doken op en zwommen naar de marmeren trap, waarop Samru stond.
Reusachtige, schildpadden naderden van den tegenoverliggenden oever en drongen met hun gepantserde ruggen tusschen de wachtende krokodillen, welke hun groote bekken wijd opensperden en begeerig snoven, toen het eerste stukje vleesch door Samru’s hand naar hen werd geworpen.
De afschuwelijke monsters naderden de dochter van den vorst tot op geringen afstand. Eenige van hen waren haar zoo dicht genaderd, dat zij met haar hand de stukjes vleesch in de wijd opengesperde, witte bekken zonder tong, maar met vreeselijk gebit, kon leggen.
Zoodra een der dieren zijn aandeel had gekregen, klapte het de kaken op elkaar en verdween onder de oppervlakte van het water.
Intusschen was de maan opgegaan en verlichtte het tooneeltje.
Toen het laatste stukje vleesch was weggegeven, trokken de monsters zich weer terug in hun schuilhoeken onder de breedbladerige planten aan den oever om vandaar met hun kleine, valsche oogen naar de wateroppervlakte te kijken.
Afschuwelijke bewakers van het kleine, stille droomeiland! Zij zouden kunnen vertellen van menig slachtoffer, dat hun op bevel van den Maharadjah als buit was toegeworpen.
Vermoeid was Raffles in zijn vertrekken in het paleis van den Maharadjah teruggekeerd, waar de opperhofmeester van den vorst hem een uitnoodiging bracht voor het souper bij den Maharadjah. Maar met beleefde woorden moest hij bedanken.
Hij was niet in de stemming, om met eenigen sterveling een nietsbeduidend gesprek te voeren. De onverwachte samenkomst met de prinses had hem tot diep in zijn binnenste ontroerd.
Met doffe berusting van iemand, die iets kostbaars heeft gezien, wat hij nooit zal kunnen bezitten, ging hij op de rieten rustbank liggen in zijn slaapkamer en staarde met brandende oogen voor zich uit in het donker.
Zachtjes snorde de Punkah, de groote waaier, aan het plafond van het vertrek en die eentonige, regelmatige beweging maakte hem slaperig, zoodat hij in een droomerigen toestand geraakte.
Wel een uur lang had hij daar zoo half wakend gelegen, toen een bijna onhoorbare beweging zijn aandacht trok.
Tusschen de zijden portière ontdekte hij de in het wit gekleede gestalte van een jong meisje, dat nu snel naderbij kwam.
Nog voordat hij zich kon oprichten, stond zij vlak bij hem, schoof het muskietennet open en fluisterde:
“Sahib, mijn meesteres wacht op u op het droomeiland. Volg mij!”
Haastig richtte Raffles zich op. Hij meende, niet goed verstaan te hebben; hij had het gevoel, alsof hij zwaar droomde en om zich van de werkelijkheid te overtuigen, greep hij naar de hand van het jonge meisje en sprak:
“Uw meesteres wacht mij?”
“Ja, Sahib! Zij zond mij om u te halen. Haast u en wees voorzichtig, opdat niemand ons ziet!”
Nu sprong Raffles op.
“Sahib,” fluisterde de slavin, “gij zult mij moeten volgen door donkere, onderaardsche gangen. Neem mijn hand.”
Raffles greep de kleine, zachte hand van het meisje en onhoorbaar begaven zij zich naar het aangrenzende vertrek. Luisterend bleef zij daar eenige oogenblikken staan, daarop keerde zij zich om naar een spiegel, die aan den muur hing, drukte op een knopje en Raffles zag, dat de groote spiegel een geheime deur was, waarachter een donkere trap naar beneden voerde.
De slavin sloot met groote zorgvuldigheid de spiegeldeur achter hen dicht en daarna ging zij Raffles langzaam vooruit de trap af, tot waar deze in een gang uitkwam.
De jonge man volgde de slavin als in een droom, het was hem, alsof hij zich in de sprookjeswereld van duizend en één nacht bevond.
Hier en daar moesten meer deuren in de gang uitkomen, want meermalen klonken stemmen in zijn ooren en een keer kon hij duidelijk het veelstemmige gezang van vrouwenstemmen vernemen.
“De vrouwenafdeeling, Sahib!” fluisterde de slavin op angstigen toon.
Daarop werd het weer stil. De benauwde lucht, die in de gang hing, werd frisscher, waaraan zij konden merken, dat zij den uitgang naderden.
De gang eindigde in een grot in wier zijwanden trappen waren uitgehouwen.
Toen zij boven waren aangekomen, bevonden zij zich midden in het park.
Nu gaf de slavin een witzijden damesmantel en een sluier aan den jongen man.
“Sahib, hul u in dit gewaad en verberg uw gelaat achter den sluier, opdat wij veilig zijn voor spionnen!”
Zij hielp Raffles en eenige minuten later snelden zij samen naar het meer. Iedereen, die hen gezien mocht hebben, zou hen voor twee gesluierde vrouwen hebben gehouden.
Aan den oever begaven zij zich in een bootje, dat door de slavin zeer behendig naar het eiland werd geroeid.
Raffles herkende reeds van verre de gestalte der prinses, die, op hen wachtend, midden op een breede marmeren trap stond.
Eindelijk lag het bootje stil.
Raffles sprong op den oever en kuste de hand der prinses.
Zij keek hem met haar groote, donkere oogen onderzoekend aan.
“Volg mij naar den tempel van Parvati, de godin der schoonheid.”
Zij keerde zich om en ging vooruit.
Door donkere taxuslanen en zuilengalerijen, langs welriekende bloembedden, bereikten zij een kleinen, verborgen tempel, die tot aan den koepel met dichte klimrozen was begroeid.
De prinses opende een kleine metalen deur; rozenrood licht straalde daarbinnen en een zoetgeurende lucht omgaf de binnentredenden.
Zacht gingen zij verder, gevolgd door de slavin, die de deur sloot en daarvoor ging liggen op den met kostbare zijden tapijten bedekten vloer.
Midden in het gebouw wierp uit een gouden bekken een fontein haar kristalhelder water tot aan den koepel.
Van de zoldering hingen aan zilveren kettingen ontelbare kleine, brandende lampen, wier licht door roodgloeiende robijnen in het vertrek straalde.
Aan een der wanden bevond zich een marmeren rustbank, versierd met snijwerk, dat met diamanten was ingelegd. Daarachter hing aan den muur een langwerpig kleed, welks kleurrijk patroon uit duizenden edelgesteenten bestond.
Boven dat kleed was in den sneeuwwitten, marmeren muur de naam van de godin der schoonheid—Parvati—met gouden letters gegrift en alle letters waren omringd door kostbare steenen.
Op deze rustbank nam de prinses plaats en zij beval Raffles, voor haar op het tapijt neer te knielen.
Eenige oogenblikken keek zij hem scherp aan, daarop sprak zij:
“Noem mij je naam.”
“Lord Edward Lister,” antwoordde Raffles.
Peinzend keek zij op hem neer en met een langzaam hoofdschudden sprak zij:
“Je naam klinkt te vreemd voor mijn tong. Ik wil je een anderen geven. Ik zal je Rao noemen. Dat beteekent “vorst”. Want als een vorst, zoo heb je mij bedwongen. En nu wil ik je liefhebben en je dienen, totdat ik moet sterven. Laat mij in je oogen kijken, opdat ik mijn eigen geluk daarin weerspiegeld zie.”
Zij boog zich tot hem neer, legde haar armen om zijn hals en trok zijn hoofd tot dichtbij het hare.
Hij voelde haar zachten adem en haar donkere oogen keken hem zoo stralend aan, dat hij als betooverd was.
Minutenlang bleven zij in deze houding elkaar aankijken, geen van beiden sprak een woord, maar hunne zielen hadden elkaar gevonden in groote harmonie.
Zij wisten niet, hoelang zij zich reeds in den tempel van de godin der liefde bevonden, toen het fijne, zilveren geluid van een klok weerklonk, waardoor zij uit hun zoete droomen werden opgeschrikt.
De prinses verhief zich van de bank.
Met haar satijnzachte handjes streek zij liefkoozend over het hoofd van den geliefde. Diep ademend ging haar boezem op en neer en met trillende lippen sprak zij:
“De nachtegaal roept het morgenrood. Je moet heengaan, Rao.”
Zij boog zich over hem heen en kuste zijn voorhoofd.
Raffles stond op. Zijn lichaam trilde en hij was zijn stem nauwelijks meester. Alles scheen hem een droombeeld te zijn. Nog steeds kon hij niet geloven, dat dit alles werkelijkheid was.
Nu nam Samru zijn rechterhand en, terwijl zij een armband van haar pols nam, sprak zij:
“Neem dezen armring als herinnering aan onze samenkomst. Ga nu heen en volg Natana en als Parvati, de machtige godin, ons goedgezind blijft, dan zullen wij elkaar, onder haar hoede, hier morgennacht weer ontmoeten.”
Zij geleidde Raffles naar de deur, waar de slavin hen wachtte.
Zacht knarsend opende zich de kleine bronzen deur. Een flauwe schemering lag reeds over bloemen en struiken, overal heerschte diepe stilte.
Daar weerklonk in de verte het doffe gehuil van de tijgers, die het eigendom van den vorst waren.
Samru, die nog aan den arm van Raffles hing, beefde. Het was zeker de afschuwelijke morgengroet van de gevangen beesten, die haar deed sidderen.
Zij wisselden nog een laatsten kus—met elk oogenblik werd het gevaar grooter.
Samru snelde terug in den tempel, terwijl Raffles haastig den witten mantel weer over zijn kleeren wierp en zijn gelaat met den sluier bedekte.
Pijlsnel roeide de slavin het bootje van het eiland weg en de parkbewakers hadden, indien zij hen hadden gezien, niets anders vermoed, dan dat het twee eenvoudige slavinnen waren, die zich op het eiland te lang hadden opgehouden en die nu naar de Zenana (vrouwenafdeeling) terugkeerden om haar taak te hervatten.
Traag, met slaperige oogen, hieven de getemde krokodillen hun koppen uit het water op. Hier en daar sperde een der afschuwelijke dieren den bek wijd open, toen de boot langs hen heengleed.