Lord Lister No. 0029: Het Indische raadsel

Part 1

Chapter 13,765 wordsPublic domain

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 29 HET INDISCHE RAADSEL.

HET INDISCHE RAADSEL.

EERSTE HOOFDSTUK.

HET GEHEIM VAN TURKINGTON.

De morgenzon straalde met schitterenden glans boven de groene zee en baadde de trotsche schepen in de haven van Portsmouth in haar weldoende stralen.

Op de commandobrug van een der oceaanbooten stond, omringd door een talrijk gevolg, een rijzige, fiere, slanke mannengestalte.

Hij zag er uit als een verschijning uit een sprookje.

Kostbare juweelen en ordeteekenen versierden zijn borst.

Diamanten knoopen en briljanten van ongekende grootte vonkelden op zijn groen- en purperkleurig zijden gewaad.

Als een glinsterende slang schitterde de met edelsteenen versierde scheede van het breede, licht gebogen zwaard, welks halvemaanvormige greep in de handen van den man rustte.

Het was een der machtigste vorsten van Indië—de Maharadjah van Indrabad—die zijn verplicht bezoek moest brengen aan den koning van Engeland.

Hij was een van de vijf Indische Maharadjahs, die met Koninklijke eer door het machtige Engeland werd behandeld.

Daarom lagen de trotsche pantserschepen gereed om hem met eerbetuigingen te ontvangen, zooals de Engelsche vloot deze alleen, bewijst aan koningen en keizers.

En als een machtig koning kwam deze Indische vorst over de zee, omringd door een geweldig aantal zijner krijgslieden, een gevolg, dat getooid was met alle kleuren van den regenboog, zwaard- en banierdragers, danseressen en bedienden.

Het donkerbruine, scherp geteekende gelaat van den vorst was naar de haven gewend. In een rechte lijn lag het eskader van Engelands gepantserde zeekasteelen voor zijn heerschersoogen.

Met vollen vlaggentooi groetten de oorlogsschepen den trotschen, schatplichtigen Indische vorst.

De matrozen in hun witte uniformen paradeerden in de raas en touwen.

De scheepsmuziek deed de tonen van het “God save the King” hooren en het luide hoerageroep der manschappen vermengde zich met het donderen van het geschut.

Vlak naast den Maharadjah stond in eenvoudige burgerkleeren de jonge Lord Turkington, wien de eervolle onderscheiding was te beurt gevallen om namens den koning den Indischen vorst in Gibraltar te ontvangen en van daar naar Engeland te vergezellen.

De kade, waar de stoomboot aanlegde, was feestelijk getooid voor de ontvangst van den vorst. De havenautoriteiten waren verschenen, omgeven door een talrijke menigte.

Dichtbij den steiger was een eerewacht opgesteld, terwijl koninklijke lakeien stonden te wachten.

Onder deze laatsten bevond zich een oudere bediende, die de eenvoudige, grijze livrei droeg van Lord Turkington.

Het rustige koele uiterlijk, dat den bediende gewoonlijk eigen was, had plaats gemaakt voor zenuwachtige ongerustheid.

Men kon het aan den ouden, grijzen man zien, dat hij een bijzondere taak te vervullen had.

Nauwelijks waren de plechtigheden der ontvangst afgeloopen of hij baande zich een weg door het gevolg totdat hij zijn jongen meester had bereikt.

Met een diepe buiging, het grijze hoofd ontblootend, bleef hij voor den Lord staan.

Deze schrok.

“Aha, ben jij het, James. Waarom ben jij uit Londen hierheen gekomen?”

De oude bediende fluisterde met gedempte stem:

“Onze heer, de Lord, ligt op sterven.”

De jonge man beefde over al zijn leden en moest den arm van den bediende grijpen om een steun te hebben.

Daarop spande hij al zijn energie in en richtte zich weer op.

“Het is goed, James. Meld den doktoren, dat zij al het mogelijke moeten doen, opdat ik mijn vader nog levend terug zie. De dienst bindt mij nog tot hedenavond.”

De oude boog en trok zich terug. Zacht sprak hij tot zich zelf:

“Het zal te laat zijn.”

Een lange reeks van feestelijke plechtigheden volgde in de eerstkomende uren ter eere van den machtigen onderdaan van het Rijk. Voor ieder ander, behalve voor Lord Turkington, snelden de uren voorbij, maar hem was het alsof de tijd voorbijkroop, alsof het einde van den dag niet zou komen.

Het was tegen elf uur in den nacht toen hij eindelijk nadat zijn dienst was afgeloopen, het oude, deftige paleis van zijn vader binnentrad.

Reeds in de voorhal zag hij aan het uiterlijk der op hem wachtende bedienden, dat hij te laat kwam.

Een kamerdienaar geleidde hem naar het slaapvertrek, dat zich naast de studeerkamer bevond.

Hier vertoefde de oude notaris der familie, de heer Barring, die op de komst van den erfgenaam, den jongen Lord Turkington, wachtte.

Met een warmen handdruk begroette Lord Richard den trouwen raadgever van zijn vader:

“Gij hebt waarschijnlijk het droevige voorrecht gehad, Mr. Barring, de laatste woorden van mijn vader te hooren; de dienst van den koning maakte het mij onmogelijk.”

De notaris boog zwijgend en opende zijn aktenportefeuille.

“Zijn Lordschap gelastte mij, u, voordat gij aan zijn sterfbed zoudt verschijnen, dit laatste schrijven te overhandigen. Ik voer hiermede deze taak uit. Mag ik u verzoeken— —”

Met trillende vingers opende de jonge Lord het hem overhandigde papier en, al zijn wilskracht bijeenrapend, las hij het volgende:

“Mijn lieve, eenige zoon! Ik voel, dat ik slechts nog eenige uren heb te leven en vermoed, dat ik je niet meer terug zal zien. Verneem dus uit deze regels mijn laatsten wil: Alles, wat ik bezit, is jouw eigendom, behalve een privilege, dat onze familie sinds meer dan twee eeuwen bij het Engelsche hof geniet. Je moet bij mijn sterfbed bezweren, dat je van dit voorrecht afstand doet. Ik bedoel hiermede het privilege, om de staatsbetrekking te bekleeden, waarop onze familie in Indië recht heeft. Richard, zweer mij met je heiligsten eed, dat je nimmer naar Indië zult gaan. Dat sprookjesachtige, geheimzinnige land met zijn onmetelijke schatten zou je den dood brengen.

Nu, na mijn verscheiden, krijg je inzage van onze familiekroniek en je zult daarin lezen van het gruwelijke lot, dat in Indië onze familie wacht: de dood in tweeledige gedaante, lichamelijk en geestelijk.

Je weet, dat ik niet de directe erfgename van mijn vader was. Mijn oudere broer stierf in Indië. De oudste broer van mijn vader vond daar eveneens den dood en sinds zes geslachten vermeldt onze familiekroniek het ontzettende feit, dat steeds de eerstgeborene zijn leven liet in Indië.

Dat zou een ongelukkig toeval kunnen zijn, maar helaas, de zaak verandert er niet door en het geheimzinnige van dit doodenraadsel werd nimmer opgelost.

Je voorvaderen stierven, omdat zij, evenals een mug in het kaarslicht, in een mysterieuzen dood werden gelokt.

Daarginds, in Indië, in een van de sprookjesachtige geheime tempels, ontdekte je ongelukkige voorvader, Lord Albert, voor ongeveer tweehonderd jaar, een der onoplosbare Indische raadsels en nam het in bezit. Die buit, welke ons allen steeds onbekend is gebleven, werd hem, voordat hij ze naar Engeland kon overbrengen, weer ontstolen.

Dit verlies oefende een eigenaardigen, physieken druk op hem uit. Hij kwam niet weer naar Londen terug. Hij bleef in Indië en trachtte het gestolene terug te vinden. Zijn laatsten brief, dien je in het archief zult vinden, schreef hij aan zijn vader en hierin meldde hij, dat hij nimmer meer gelukkig kon zijn, tenzij hij weer in het bezit zou komen van het door hem gevonden Akasa.

Eenige maanden later stierf hij krankzinnig. Het geheimzinnige woord Akasa is alles, wat wij ervan weten. En dit woord is een vloek voor ons, zet zich vast in onze hersens en oefent een duivelsche macht op ons uit.

Als een helsche suggestie dwingt het ons, het raadsel uit te vorschen en alle leden van onze familie, die hieraan geen weerstand konden bieden, stierven krankzinnig in Indië.

Ik bezweer je, ik smeek je bij alles wat mij heilig is, omdat je de laatste bent van ons geslacht: ga nooit naar Indië en bedank voor den eerepost van den koning als hij je dien aanbiedt.

God behoede je en late zijn zegen op je rusten.

Je vader Lord Edward Turkington.”

Met brandende oogen staarde de jonge Lord naar het fijne schrift van de hand zijns vaders, dat hem een onbegrijpelijk raadsel mededeelde.

Versuft door deze onthulling had hij den dierbaren doode geheel vergeten. De verstandige, grijze oogen van den ouden heer keken hem vol vertrouwen aan.

Met een snelle beweging naderde de Lord hem en, naar den brief wijzend, vroeg hij:

“Kent gij den inhoud van dit laatste schrijven van mijn vader, Mr. Barring?”

Bevestigend knikte deze.

“Zijn Lordschap overhandigde het mij persoonlijk.”

Lord Richard keek hem met onvasten blik aan:

“Was mijn vader in zijn laatste uren, toen hij dit schreef, bij zijn volle bewustzijn, of was zijn geest niet helder meer?”

“Zijn Lordschap was, zooals de andere aanwezigen kunnen getuigen, volkomen bij zijn bewustzijn.”

Lord Richard schudde twijfelend het hoofd.

“Gij kent den inhoud van dit schrijven, Mr. Barring. En vindt gij dien inhoud niet, evengoed als ik, zóó vreemd, dat mijn vraag begrijpelijk is?”

“Zeer zeker. Maar mij zijn de gebeurtenissen in uwe familie reeds jarenlang bekend.”

“En wat denkt gij ervan, gij, als helderdenkend jurist?”

Notaris Barring haalde de schouders op.

“Ik heb dikwijls over het geheim nagedacht en verschillende oplossingen ervoor gezocht, maar of ik een juiste vond, kan ik niet zeggen.”

“Ik bid u, zeg mij uw meening.”

De oude heer zweeg eenige seconden, voordat hij antwoordde.

“Ik zou uw Lordschap daarmede waarschijnlijk verontrusten, misschien zelfs krenken.”

“Neen; neen, zeer zeker niet. Spreek gerust,” verzocht de Lord op gejaagden toon.

Notaris Barring rekte zijn magere gestalte uit, als om kracht te zoeken voor hetgeen hij te zeggen had. Daarop begon hij:

“Van een geneeskundig standpunt zou de oplossing van het raadsel een ziekelijke erfelijkheid in uw familie zijn, een soort vervolgingswaanzin, waarvan tot dusverre telkens een der leden van uw geslacht het slachtoffer werd.”

Lord Richard sidderde.

Ja—zeker—de oude notaris had gelijk.

Waanzin, erfelijke waanzin moest het zijn. Een vreeselijke toekomst, waartegen noch menschelijke kundigheden, noch de heiligste eeden iets vermochten. En als een drenkeling zocht hij naar een middel, dat hem van dit vreeselijke spook van den waanzin zou kunnen redden.

Notaris Barring raadde de gedachten van den jongen Lord; hij zag de wanhopige uitdrukking in diens oogen en om hem gerust te stellen, sprak hij:

“Het zou natuurlijk mogelijk kunnen zijn, dat die Akasa werkelijk bestond en dat het bezit ervan den eigenaar als een zoo groot geluk voorkomt, dat het verlies hem doodt. Dit laatste maakt het zeer twijfelachtig of het Indische raadsel wel in werkelijkheid bestaat en ik waarschuw u als vriend van uw overleden vader: volg mijn raad, vermijd Indië en ga het dreigende gevaar op die manier uit den weg.”

“Gij hebt gelijk,” antwoordde Richard, wiens geestkracht was teruggekomen, “de eed, dien ik aan het sterfbed van mijn vader zal afleggen, zal voor mij een sterk wapen zijn tegen alle Indische fakirkunsten en mysteriën.”

Hierna betrad hij met vaste schreden de sterfkamer.

TWEEDE HOOFDSTUK.

RAFFLES ALS HELPER.

De plechtige bijzetting van het lijk van wijlen, Lord Turkington had plaats op het familiegoed in de nabijheid van Londen.

Onder de aanwezigen viel in het bijzonder de Maharadjah van Indrabad op en zijn tegenwoordigheid was niet alleen een uiting van hoffelijke etiquette, maar tevens een plichtsvervulling.

Aan het hof van den Maharadjah was steeds de waardigheid van Engelsch gezant bekleed door een der leden van de familie Turkington.

En aan dit hof hadden zich de tragediën van alle Turkingtons afgespeeld, van de laatste was de Maharadjah ooggetuige geweest

Nadat de plechtigheden waren afgeloopen en bijna alle belangstellenden de kapel, in wier gewelven de Turkingtons sinds eeuwen rustten, hadden verlaten, bleef de Indische vorst als een der laatsten achter en liet door zijn Engelschen adjudant een prachtigen lauwerkrans op het graf neerleggen van den in Indië gestorven broer van den overleden Lord.

In gedachten verzonken bleef de Maharadjah voor de eenvoudige bronzen graftombe staan en hij las het opschrift:

“Lord Allan Turkington, geb. den 10 December 1842 te Londen, gestorven den 4 Mei 1872 te Calcutta”.

De vorst schudde het hoofd en, terwijl, hij zich tot den adjudant wendde, sprak hij:

“Dat opschrift is onjuist! Waarom?”

Hoe zacht hij ook had gesproken, de jonge Lord had deze woorden verstaan, juist op het oogenblik waarin hij afscheid nam van den ouden predikant der familie, dominé Brown.

Verbaasd wendde hij zich tot den vorst:

“Uwe Hoogheid uitte een kritiek over het opschrift van het graf van mijn overleden oom, als ik goed hoorde.”

“Zeer juist, mijn beste Lord”, antwoordde de vorst. “Ik zie hier als plaats van overlijden Calcutta, terwijl het inderdaad de hoofdstad van mijn land was, waar uw voorvader is gestorven. In plaats van Calcutta moest hier Indrabad staan. Zou dit niet bekend zijn in uw familie, of—ach, zoo—”

De vorst viel zichzelf haastig in de reden, alsof hij op het punt was geweest, een onbescheidenheid te begaan.

Lord Richard keek hem met glinsterende oogen aan. Voor hem doemde, tengevolge van de woorden van den Hindoe, het raadselachtige familiegeheim op.

De stille slaper onder de bronzen graftombe en de Indische vorst, die hier, vonkelend van juweelen, voor hem stond, moesten door dit geheim samen verbonden zijn. De levende moest kunnen zeggen, wat de dood verzweeg, wat zelfs de letters op het bronzen graf verzwegen en wat nu als een leugen werd gebrandmerkt.

Lord Richard wendde zich, nadat hij het opschrift nogmaals had gelezen, tot den vorst.

“Uwe Hoogheid, mijn voorouders zijn allen zonder uitzondering, in Calcutta gestorven, zooals deze grafsteenen verkondigen. Geen enkele vermeldt Indrabad.”

De vorst haalde de schouders op.

“Misschien vergis ik mij.”

Nu trad Lord Richard vlak voor hem:

“Vergeving, Uwe Hoogheid zal zich waarschijnlijk niet vergissen en zeker weten, wanneer, hoe en waar mijn voorvader in Indrabad is gestorven.”

“Laten wij de rust der dooden niet storen,” sprak dominé Brown tot Lord Richard.

“Ah, het is goed, dat gij getuige zijt van het gesprek, dominé Brown. Misschien kunt gij mij uitleggen, hoe het komt, dat op al deze grafschriften een leugen is gegraveerd.”

De Lord zag, hoe het gelaat van den predikant vaalbleek werd en nog voordat deze kon antwoorden, viel Lord Richard in met de woorden:

“Ik zie, dat gij van deze leugen afweet, dominé Brown. Wilt gij mij verklaren, waarom de kerk een dergelijke misleiding toelaat?”

Geheel en al in het nauw gedreven, kon de predikant geen ontwijkend antwoord geven.

“De wenschen der dooden zijn heilig voor de levenden; zij zullen deze naamsverandering hebben bevolen uit voorzorg voor het na hen komende geslacht.”

“Dus het heeft gevaarlijke gevolgen, als de overlevende den naam Indrabad verneemt en dezen in verband brengt met den dood zijner voorouders? Ik verzoek u, mij dat op te helderen.”

“Ik kan Uwe Lordschap dat niet verklaren,” antwoordde dominé Brown, “ik kan alleen zeggen, dat dit opschrift is vervaardigd op bevel van het toenmalige hoofd der familie Turkington. Uw Lordschap mag misschien gelijk hebben, dat de naam Indrabad niet genoemd mocht worden en in plaats daarvan Calcutta in den steen is gegraveerd. Eigenlijk komt het op hetzelfde neer, waar wij onzen laatsten adem uitblazen.”

Lord Richard staarde in diep gepeinzen verzonken naar de graven. Welk afschuwelijk geheim mochten zij wel verbergen?

Was het een erfelijke vloek, die op de familie rustte? Lagen daar de slachtoffers van den erfelijken waanzin? Waren ook zijn hersenen niet reeds aangeroerd door die vreeselijke hand en had de langzame, onafwendbare verwisseling van zijn verstand reeds een aanvang genomen?

Was het niet reeds het eerste teeken van vervolgingswaanzin, dat hij zich erdoor bedreigd meende en angstig was?

Hij keek naar den vorst.

Groot en helder zagen de oogen van den Indisch en heerscher hem aan.

“Al, wat ik weet,” sprak hij, “is, dat een uwer voorouders het geheim van een Indischen tempel, dat Akasa heet, moet hebben gestolen en daardoor—vergeef mij de harde uitdrukking—krankzinnig is geworden.”

“Houdt Uwe Hoogheid het bestaan van dat Akasa voor waarschijnlijk?” vroeg Lord Richard.

De Maharadjah dacht zwijgend eenige oogenblikken na; hij ging eenige schreden achteruit en zijn oogen straalden met een eigenaardigen glans. Hierdoor werd Lord Richard kalmer.

“Ik wil u, als vriend, de volle waarheid zeggen” begon de Maharadjah, “wij, vorsten van het Indische volk, wij Maharadjahs, zijn niet ingewijd in de geheimen van onze machtige priesterkaste, de Brahmanen. Wat de priesters ons vertoonen, schijnt den nuchter denkenden mensch onbegrijpelijk. Gaat het verstand onderzoeken, dan—” hij maakte een veelzeggende handbeweging naar de graven.

Lord Richard had hem begrepen.

De Maharadjah reikte den jongen Lord zijn hand tot afscheid en verliet den grafkelder.

Toen de Maharadjah den drempel der kapel betrad, waarop het zonlicht scheen, vonkelden de diamanten van zijn tulband in wonderschoone kleuren, lichtbundels werpend in den donkeren grafkelder.

Lord Turkington deed in de eerstvolgende dagen zijn uiterste best om niet te denken aan het geheimzinnige Akasa.

Hij verdiepte zich in allerlei studies, hij schreef, schilderde, deed aan sport, maar wat hij ook in liet werk stelde, steeds concentreerden zich zijn gedachten weer op het spookbeeld, het Indische geheim.

Zoodra hij in een boek de letter A zag, vormde hij die tot het woord Akasa.

Overal vervolgde hem dit woord, dat hem langzamerhand krankzinnig moest maken.

Na een ellendigen, slapeloozen nacht werd het hem duidelijk, dat er slechts twee wegen voor hem openstonden, om een eind te maken aan deze onduldbare marteling. Of hij werd een meineedige en trok naar Indië, of hij maakte aan alles een einde door een kogel.

Daar kwam plotseling een nieuw denkbeeld in het brein van Lord Richard op.

Hij wilde den beroemden Indischen onderzoeker, professor Cameron, gaan raadplegen.

Niets wilde hij onbeproefd laten en reeds een uur later overhandigde de bediende van den professor zijn meester een visitekaartje van Lord Richard met de mededeeling, dat de Lord den professor over een gewichtige aangelegenheid wenschte te spreken.

“Ik heb groot belang bij de beteekenis van een Indisch woord,” zoo begon Lord Richard, toen hij tegenover den geleerde zat, “en zou u, heer professor, om verklaring ervan willen verzoeken.”

De schrandere oogen van den professor straalden, toen hij hoorde, dat de Lord hem kwam bezoeken in verband met zijn wetenschap.

Zeer gevleid, boog hij.

“Het zal mij een eer zijn, uw Lordschap van dienst te mogen zijn.”

“Het handelt om het Indische woord Akasa. Wat is het en wat beteekent het?”

De geleerde keek den Lord eenige oogenblikken peinzend aan, daarop ging hij naar een reusachtige boekenkast, nam daaruit na eenig zoeken een zwaar boekdeel en begon er in te zoeken.

In zenuwachtige spanning keek de Lord naar hem. Minuten verliepen, zonder dat de professor uit het boek opkeek. Daarop legde hij het neer en met een uitdrukking van teleurstelling op het gelaat wendde hij zich tot Lord Richard.

“Het spijt mij zeer, dat ik uw Lordschap geen opheldering kan geven omtrent dit mij volkomen onbekende woord. Mijn woordenboek der Indische taal bevat het niet. Misschien vergist Uw Lordschap zich.”

“Helaas, neen!” antwoordde Lord Richard met een bitteren glimlach. “Ik zou er een vermogen voor over hebben, als ik opheldering kon krijgen omtrent de beteekenis van dit woord en over datgene, wat onder dien naam bestaat.”

De geleerde begreep uit den toon van het gesprokene, dat Lord Richard zeer veel waarde hechtte aan de explicatie van dit vreemde woord en een plotselinge ingeving volgend sprak hij:

“Zou uw Lordschap de onkosten, welke de verklaring van dit woord zou meebrengen, op zich nemen?”

“Meer, veel meer,” antwoordde Lord Richard, “een vermogen wil ik hem geven, die mijn wensch vervult. Gij weet niet, heer professor, welken duivelschen invloed dit woord Akasa op mij uitoefent. Ik bevind mij als onder hypnose ervan”.

Nieuwsgierig keek de geleerde den jongen Lord aan.

De zaak kwam hem geheimzinnig voor, maar ook hij wenschte nu tot elken prijs te weten te komen, wat Akasa beteekende.

“Ik ken hier in Londen,” zoo begin de professor, “een rariteitenhandelaar, Cunningham genaamd. Deze knapt voor ons, geleerden, allerlei zaakjes op door ons kostbare en zeldzame voorwerpen te verschaffen. In zijn zaak leerde ik eenige weken geleden een zeldzaam en gevaarlijk mensch kennen, een dapperen, voor niets terugdeinzenden kerel. Daarenboven is hij iemand van buitengewone ontwikkeling.”

Lord Richard werd zenuwachtig.

“Vertel mij, wien gij bedoelt.”

“Raffles!” antwoordde de professor.

Lord Richard schrok.

“Raffles, den meesterdief?”

De professor glimlachte:

“Leg niet den klemtoon op “dief”, Uw Lordschap, zeg liever, Raffles, de meester. Hij is, ondanks zijn eigenaardige sport, een gentleman, een volslagen man van eer. Hij houdt ervan, geheimzinnige, bijna onuitvoerbare zaken op te knappen.

“Hij richtte de vraag tot mij, of ik de een of andere moeilijk te verkrijgen zeldzaamheid uit vreemde landen wenschte. Raffles zou ze mij verschaffen. Daaraan denk ik nu toevallig. Hij zou de aangewezen persoon zijn, om gevaren en avonturen te trotseeren. Denk niet te lang over het voorstel na en neem een besluit.”

Lord Richard sprak na eenig nadenken:

“Waar is die heer? Breng mij dadelijk bij hem”.

“Als Uw Lordschap tijd heeft, zal ik Raffles telefonisch verzoeken, dadelijk hier te komen.”

Met de mededeeling, dat Raffles binnen een uur zou verschijnen, kwam de geleerde terug.— —

Met scherp onderzoekende blikken monsterde Lord Richard de krachtige, slanke gestalte van Raffles, toen deze voor hem stond, als een man van de wereld boog en hem met vrijmoedigen blik aankeek.

De persoonlijkheid van den gentleman-dief droeg het karakter van trots, maar tegelijk van innemendheid. Hij bezat het onmiskenbare type van een aristocraat of van een officier.

Aangenaam verrast door deze sympathieke verschijning gaf Lord Richard hem een hand en daarop deelde de professor mede, wat de kwestie was.

Tot zijn genoegen zag Lord Richard, dat Raffles toestemde en zich bereid verklaarde om naar Indië te reizen.

“Ik houd mij aan de woorden, waarmee Gordon Bennet indertijd Stanley naar Afrika zond”, sprak Lord Richard, “vertrek met de eerste gelegenheid. Ontdek Akasa, vind een verklaring ervan en, als het, naar ik vermoed, het een of andere voorwerp betreft, breng het dan mee naar Londen. Dat zal u zeker gelukken”.

“Laat ons gaan dineeren,” antwoordde Raffles, “en alles bespreken, wat wij elkaar te zeggen hebben”.

Zij namen afscheid van den professor en bevonden zich weldra in de eetzaal van een der Londensche hotels.

Toen zij laat in den avond van elkaar scheidden, waren zij vrienden geworden en hadden beiden de innige hoop, dat binnen eenige maanden het Indische geheim zou zijn opgehelderd. Zij riepen elkaar een hartelijk “Tot weerziens!” toe.

Een paar uur later, zeer vroeg in den morgen, bevond Raffles zich aan boord van een stoomschip der Pacific- en Oceaanlijn, dat hem naar het land van wonderen en sprookjes zou brengen. De Lord had door zijn voorspraak bij den vorst bewerkt, dat Raffles diens gast zou zijn in Indrabad.

DERDE HOOFDSTUK.

DE DOCHTER VAN DEN VORST.

In het Zuiden van Indrabad, de prachtige residentie van den Maharadjah, is een geheimzinnige doodenstad gebouwd van groote uitgestrektheid.

Het is een stad, bestaande uit honderden reusachtige graven, prachtige monumenten uit vroegere tijden.

Grafsteenen van kostbaar marmer, koepels van bontgekleurde, geglazuurde steenen en wanden, die versierd zijn met kunstig beeldhouwwerk.

Een prachtig park omgeeft deze rustplaatsen der eenmaal zoo machtige vorsten en heerschers van Indrabad.