Lord Lister No. 0019: De erfenis van Eaglestone

Part 4

Chapter 43,992 wordsPublic domain

„Charly, ik geloof, dat ik al kennis met dien John Webster heb gemaakt. Het zal zeker die man zijn geweest, die bij de kleine poort op mij wachtte en dien ik ook, na den aanval, dien de lady op mij waagde, nog even in de kamer zag.

„In ieder geval moet ik terstond handelen, als ik iets wil bereiken.”

Helder en duidelijk zette de Groote Onbekende zijn vriend uiteen, wat hij van plan was. Hij liet Charly verscheiden voorwerpen in een kleinen handkoffer pakken, terwijl hij zich zelf door schminken, pruik en baard onkenbaar maakte.

Toen hij vermomd was, vroeg hij Charly, hoe de vermomming gelukt was.

„Uitstekend, Edward. Ik denk, dat lady Ethel door de gelijkenis overdonderd wordt.”

„Dat hoop ik, dan zal ook de gewenschte uitwerking niet uitblijven. Laten wij ons nu echter haasten, opdat we het huis kunnen verlaten, voordat het gesloten wordt.”

Raffles hulde zich in een langen, zwarten mantel en drukte den hoed diep in het gezicht. Ook Charly kleedde zich aldus en beide vrienden verlieten het huis, den koffer met de verschillende voorwerpen meenemend.— — —

Het was een maanlichte nacht.

Inverary lag in diepe rust en zoo kwamen de vrienden ongezien op het kerkhof. Zij liepen hier haastig langs en hadden spoedig het grafgewelf bereikt en de poort geopend.

Doffe slagen van een kerktoren verkondigden thans het tiende avonduur.

„Wij moeten ons haasten,” zei Raffles, „als ik heden nog mijn doel wil bereiken, want wij hebben minstens een uur noodig, voordat wij mijn gevangenis hebben bereikt.”

Spoedig werd nu de zware steen verwijderd, die tot toegang diende en de vrienden klommen nu snel naar boven.

Een blik op zijn horloge overtuigde Raffles ervan, dat het een paar minuten over elf was, toen zij de ruimte bereikten, die de slechte vrouw als zijn graf had aangewezen.

Charly opende den kleinen koffer, dien het tweetal had meegenomen en nam er een stevig touw en een touwladder uit. Raffles bevestigde het touw aan de dwarsbalk, die den stoot der slede had veroorzaakt. Toen bevestigde hij de touwladder hieraan en trok haar naar boven. Charly ging met de voeten op het touw staan om het afglijden te verhinderen en hield het bovendien nog met beide handen vast.

Nu kon John Raffles makkelijk tot het einde der glijbaan naar boven gaan. Boven gekomen bevestigde hij de touwladder, die nu een makkelijken toegang bood. Toen onderzocht hij de inrichting der slede. Deze was zeer eenvoudig. Een gewicht van ongeveer negentig pond trok de slede op de hellende baan steeds naar boven. Als zij echter door een zwaarderen last werd bezwaard, moest zij wel naar beneden suizen om dan, als de last er weer van was afgenomen, weer naar boven te glijden.

Raffles schoof nu, langzaam naar beneden loopend, het gewicht naar boven. Halverwege moest dan de slede hem tegemoetkomen. Toen ging hij erop zitten en trok zich aan het touw, dat het gewicht droeg, naar boven.

Toen Raffles boven was aangekomen, lichtte hij met de electrische zaklantaarn bij het luik, dat, zooals hij wist, naar de vertrekken van lady Ethel voerde. Het luik was gemakkelijkste openen.

Hij luisterde. Niets verroerde zich. Raffles haalde een fijne boor te voorschijn en maakte een gat, waardoor hij in het vertrek kon kijken.

Hij zag de lady aan tafel zitten. Voor haar stond een ijzeren kistje, dat zij geopend had.

Het hoofd in de hand geleund, las zij in eenige papieren.

Er werd aan de kamerdeur geklopt en lady Ethel vroeg:

„Wie is daar?”

Een stem antwoordde:

„Ik ben het, John.”

De lady stond op, ging naar de deur en schoof den grendel terug.

John trad binnen.

„Wat wil je?”

„Lord Arthur verzocht u, een oogenblik bij hem te komen. Hij voelt zich niet al te wel.”

„Ik kom dadelijk. Ook ik gevoel mij onwel. Het plotseling verschijnen van dien man heeft mij meer opgewonden dan ik dacht. Ja, ja, men wordt oud. Mijn droom plaagt mij. Ik kan het denkbeeld niet van mij afzetten, John, dat ons huis een ongeluk dreigt. Heb je goed voor alles gezorgd?”

„Mylady kan geheel op mij vertrouwen; hij zal uw rust niet meer storen.”

Raffles, die dit tweegesprek hoorde, balde onwillekeurig de vuist bij deze woorden.

Lady Ethel vervolgde:

„Ik ben van je trouw overtuigd, maar toch kan ik den angst niet van mij afzetten. Ik geloof, dat het beter is, als ik die papieren vernietig. Daar juist nog las ik den brief, dien mijn echtgenoot aan Harry had geschreven om hem terug te roepen. Ik moest den brief onderscheppen, wilde ik niet den ellendeling, dien ik haatte, hier als heer en meester zien binnentrekken. Maar laat ik nu naar mijn geliefden zoon Arthur gaan.”

Lady Ethel sloot de ijzeren cassette en zette ze weder in de muurkast, waaruit zij het apparaat en het poeder had genomen. Toen verliet zij met John de kamer.

Raffles wachtte eenigen tijd, of er niet iemand terugkwam. Toen opende hij onhoorbaar de klep en glipte de kamer binnen. Hij snelde naar de kast, die de lady had opengelaten en maakte met een breekijzer de cassette open.

Een perkamentpapier, dat hij reeds in het hotel in orde had gemaakt, haalde hij te voorschijn en legde het in de cassette. Toen ging hij naar zijn schuilhoek terug.

Hij behoefde daar niet lang te wachten, toen de deur geopend werd en lady Ethel, gevolgd door John, de kamer binnentrad. Deze moest de lady, die zich nauwelijks op de been kon houden, ondersteunen. Zwaar liet zij zich in een leunstoel vallen en zij steunde diep.

„John, wat is dat! Ik geloof, dat mijn einde nadert. Dat angstgevoel!”

„Zal ik een bode naar de stad zenden, om den dokter te halen?”

„Neen, neen. Dat zou maar opzien baren en ik wil niet, dat mijn zoon hoort dat ik niet wel ben. Misschien gaat het ook wel weer over. Zeg je vrouw, John, dat zij gekleed te bed moet gaan. Als ik haar noodig heb, zal ik haar schellen. Ga nu.”

John verdween. Lady Ethel deed het licht uit en ging naar bed.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Van den kerktoren in Inverary weerklonken twaalf slagen door den helderen nacht.

Zachtjes werd het luik in den muur van de torenkamer geopend en er kwam een gedaante uit, die in een zwarten mantel was gehuld. Grauw haar en een grijze baard omlijstten een bleek gelaat, dat als uit steen scheen gehouwen.

Geluidloos zweefde de gedaante naar het bed van lady Ethel en boog zich heen over de slapende.

De lady scheen door zware droomen te worden gepijnigd, want een zacht steunen ontsnapte haar lippen. Plotseling vloog zij met een kreet van schrik overeind en staarde met wijd opengesperde oogen naar de gedaante, die aan haar bed stond.

Spookachtig viel het maanlicht door de vensterruiten en op het gelaat van den man.

In starre ontzetting keek lady Ethel naar de onbeweeglijke gedaante.

„Henry, jij? Kom je om mij te halen?” kwam het steunend van haar lippen.

Onbeweeglijk, als een marmeren beeld, stond de gestalte. Zelfs de lippen schenen zich niet te bewegen, toen het met doffen graftoon aan het oor der lady klonk:

„Ja. Ik ben Henry. Uw uren zijn geteld. Ik kom om u te waarschuwen. Ge hebt een zware schuld te boeten. Doe het terstond! Anders is het te laat en zijt ge vervloekt! In uw cassette zult ge een schrijven vinden, dat uw schuldbekentenis bevat. Zet er uw handteekening onder. Spoedig! Ge hebt niet veel tijd! Anders wee u, wee u, wee u!”

Langzaam achteruit gaande, verdween de gestalte achter de gordijnen van het ledikant.

Lady Ethel Had in namelooze ontzetting neergelegen. Thans nu de verschijning verdwenen was, verdween de beklemming. Zij vloog overeind en drukte op den knop van de electrische schel, die boven haar bed was aangebracht.

Half opgericht riep zij uit:

„Bessie! Bessie! John!”

Eenige minuten later werd de deur geopend en de portierster Bessie rende de kamer binnen, gevolgd door haar man, John Webster.

De lady was op het bed neergezonken. Haar adem was zwaar.

Bessie liep naar het bed harer gebiedster:

„Wat scheelt mevrouw?”

„Daar, daar! Het spook! Zoek, zoek!”

John, die het bijgeloof en den angst voor spoken van zijn meesteres kende, hechtte niet veel waarde aan deze kreten en sprak:

„Mevrouw heeft gedroomd. Wil mevrouw een poeder nemen?”

Lady Ethel knikte zwijgend. Bessie had snel een poeder in een glas water geschud en bood dit haar meesteres aan.

Zij dronk een weinig en sprak daarna op doffen toon:

„De geest van mijn echtgenoot, van Lord Henry, was hier! Zoekt!”

John haalde de schouders op en keek in het vertrek rond. Er was niets te zien. Plotseling riep de lady uit:

„De cassette, geef mij de cassette!”

John gehoorzaamde. De lady had met koortsachtige haast het slot geopend. Bovenop lag een vel perkament. Zij wierp er een blik op en zonk met een diepen zucht in de kussens.

De inhoud bewees haar, dat dit werkelijk de bekentenis was, die zij volgens den wil van het spook moest onderteekenen. In haar bijgeloovigen angst was zij er nu vast van overtuigd, dat die verschijning werkelijk de geest van den gestorven Lord was geweest.

„Inkt! Een pen!” hijgde zij.

Toen men haar het verlangde had gebracht, zette zij haar naam met een laatste krachtsinspanning onder het document, legde het op zijn plaats en wierp het deksel der cassette dicht.

Bessie nam het zware ijzeren kistje van het ziekbed en zette het op tafel. Toen zij zich over haar meesteres neerboog, hoorde zij haar onregelmatige ademhaling. De lippen der lady waren blauw en koud.

Plotseling richtte deze zich op en riep angstig uit:

„Ik weet het, de dooden staan weer op. Ik kom, Henry, ik kom!”

Met de hand op het hart gedrukt, zonk zij weer achterover en een zacht gerochel klonk van de lippen der stervende.

„Snel, John, wek lord Arthur. Het loopt af!” drong Bessie. „Ik zal dadelijk naar lady Mabel gaan. Wij mogen geen tijd verliezen!”

Bessie en John verlieten snel de kamer.

In dit oogenblik werd het luik in den muur weer geopend en Raffles, die zijn vermomming had afgelegd, werd zichtbaar.

Snel naderde hij de tafel en greep de cassette.

Lady Ethel sloeg nog eenmaal de oogen op. Toen zij Raffles zag in het zwakke licht, kwam het haar voor, alsof de geest van haar stiefzoon, dien zij door verdrinken aan den dood had opgeofferd, was verschenen en met een afschuwelijken kreet viel zij in de kussens achterover.

Raffles wierp nog een langen blik op de doode, daarop mompelde hij:

„Dit is het beste! Nu zijt gij aan den aardschen rechter ontkomen!”

Daarop verdween hij met de cassette in de donkere gang.

De slede, door zijn bekwame hand bestuurd, bracht hem snel en zeker naar de plek, waar Charly hem wachtte.

De groote onbekende opende daar de cassette en nam er de papieren uit, die zoo gewichtig waren voor den echten Harry Danby. Ook de brief van den vader aan Harry werd gevonden. Raffles liet den verderen inhoud der cassette onaangeroerd.

Hoewel de zending nu vervuld was, voelde hij zich toch niet innig verblijd. De plotselinge dood der lady drukte op hem.

De beide vrienden verlieten de geheime gang en waren spoedig weer in hun hotel in Inverary aangekomen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

BIJ DE VALSCHE MUNTERS.

Inspecteur Baxter had van zijn chef in Londen verlof gekregen om naar Edinburg te reizen, teneinde de valsche munters op het spoor te komen en zoo mogelijk den onvindbaren Raffles bij deze gelegenheid te pakken te krijgen.

Detective Marholm, met wien Baxter in de meeste gevallen samenwerkte, was hem als hulp meegegeven.

Het politiebureau van Scotland Yard had zich in verbinding gesteld met de chefs van politie in Edinburg door middel van uitvoerige telegrammen en deze stelde een inspecteur en tien agenten ter beschikking, zoodat Baxter twaalf man tot zijn dienst had.

De groote Engelsche en Schotsche couranten, vooral echter de Londensche bladen, meldden in lange berichten, dat de beroemde inspecteur Baxter bezig was, de groote bende valsche munters te ontmaskeren. Onomstootelijke bewijzen omtrent de herkomst van het valsche geld waren in handen der politie.

Het was Baxter ook reeds gelukt, door zijn groote slimheid vast te stellen, dat de valsche munters niet in Londen te vinden waren. Nadere mededeelingen werden echter nog geheim gehouden. De geheele pers was het er echter over eens, dat Baxter de grootste lof toekwam.

Hoewel de inspecteur wist, dat deze lof hem eigenlijk niet toekwam, was hij toch niet weinig trotsch, weer het middelpunt van de algemeene belangstelling te zijn.

Op de gemeenschappelijke reis der beide beambten naar Edinburg sprak Marholm herhaaldelijk als zijn meening uit, dat de reis doelloos zou zijn. Hij bleef bij zijn eenmaal opgevatte meening, dat zij hoewel hun bekend was, uit welke streek de valsche munters kwamen, niets zouden vinden, als Raffles zijn woord niet hield en hun verder den weg wees.

Baxter daarentegen was er vast van overtuigd, dat het hem met zijn groote scherpzinnigheid wel moest gelukken, het goede spoor te vinden. Voor de woorden van Marholm had hij slechts een minachtend schouderophalen over.

„Beste Marholm, ik ben ervan overtuigd, dat wij binnen de 24 uur de bende in handen hebben.

„En even zeker ben ik ervan, dat deze schurk Raffles mij niet weer zal ontsnappen. De kerel behoort zeker zelf tot de valsche munters en wij zullen hem met het geheele gezelschap pakken. Dacht je werkelijk, dat ik zoo dom was, te zullen wachten totdat hij zich eerst in veiligheid heeft gebracht?”

„Ik geloof niet dat Raffles iets te maken heeft met de valsche munters.”

„Maar wat is er dan? Welke nieuwe streek haalt hij dan weer uit?”

„Mr. Baxter, ik geloof, dat ge veel te verwoed zijt tegenover Raffles, omdat hij tot nog toe door uw vingers is geglipt.”

Opgewonden viel Baxter hem in de rede:

„En uw voorliefde voor den „genialen dief,” zooals ge hem noemt, heeft je al heelemaal verblind!”

„Wind u toch niet zoo op, inspecteur. Bedenk toch, dat John Raffles bij al z’n streken steeds de gentleman is gebleven. Hij heeft nog nooit een gemeene streek uitgehaald. Hij heeft alleen steeds andere boeven gestraft en het grootste deel van dat, wat hij dien lieden afhandig maakte, aan armen en behoeftigen besteed. Raffles zal nooit een valsche munter worden. Hij begaat slechts misdaden om anderen te wreken en de armen te helpen; hij is op en d’op een gentleman”.

„Je bent gek,” bromde Baxter en hij ging in een hoek zitten.

Al spoedig echter zou Baxter bespeuren, dat Marholm gelijk had. Hij trachtte in Edinburg iets te ontdekken, maar alle moeite was tevergeefsch.

Alle spelonken en holen werden afgezocht; alle postkantoren werden streng bewaakt, daar men meende, op deze manier den man te kunnen arresteeren, die den brief, aan Baxter geadresseerd, zou bezorgen.

Maar alles bleef zonder eenig resultaat.

De opwinding van Baxter had het toppunt bereikt.

Zoodra hij in Marholms buurt kwam, werd hij zenuwachtig, want het kwam hem voor, dat diens gelaat voortdurend een spotachtigen trek vertoonde.

Daar alle nasporingen tevergeefsch waren, besloot Baxter den namiddag van den derden dag onafgebroken op het station te blijven.

Het werd al later en later. De door Raffles aangekondigde brief kwam niet. In zenuwachtige onrust keek Baxter rond. Marholm zat behaaglijk in een stoel aan het venster en keek de straat langs.

Telkens als Baxter langs Marholm liep, trof dezen een blik vol woede. Baxter was inderdaad boos op Marholm, omdat deze daar zoo kalm zat, alsof de heele zaak hem niets aanging, terwijl hij zelf bijna berstte van innerlijke woede.

Eindelijk kon hij zich niet langer inhouden en zei:

„Ik begrijp niet, hoe iemand zoo onverschillig kan zijn.”

Glimlachend wendde zich Marholm tot hem en antwoordde:

„Maar beste vriend, waarvoor zou ik me zoo opwinden? Raffles zal ons den rechten weg wel wijzen, zoo gauw als de tijd daarvoor is gekomen.”

„Je schijnt niet te weten, dat het al elf uur in den avond is en dat er nog steeds geen boodschap is gekomen. De schurk heeft ons voor den mal gehouden en mij haar Schotland gelokt. Wie weet, wat er intusschen in Londen gebeurt. Hij is bang voor mij en wilde mij daarom uit de stad weg hebben.”

Marholm glimlachte boosaardig.

„Wel, Baxter, eerlijk gezegd heb ik nooit iets gemerkt van eenige vrees van Raffles voor u. Vertrouw er echter gerust op, dat wij bericht hebben, voordat de derde dag is verstreken. De man is edelman en houdt zijn woord zeker.”

Baxter wilde opnieuw opstuiven, toen een beambte binnentrad en den inspecteur een brief overhandigde.

Deze brief was met den juist binnengeloopen laatsten trein uit Oban aangekomen en toonde het poststempel van Inverary, de hoofdstad van het graafschap Argyll.

„Ziet ge, Baxter, dat ik gelijk heb,” riep Marholm goedmoedig lachend uit.

De inspecteur antwoordde niets.

Hij opende den brief en las:

Mijn waarde Heer Baxter!

Het spijt mij dat ge, naar ik gehoord heb u zooveel onnoodige moeite heb veroorzaakt. Ik had u toch geschreven, dat ge voor het einde van den derden dag niets zoudt hooren!

Dezen brief zend ik met den laatsten trein uit Oban. Dit is noodig, omdat ge anders in uw overgrooten ijver hier eerder zoudt verschijnen, dan ik u kan veroorloven, daar ge eerst morgenochtend om acht uur ter plaatse kunt zijn.

Neem den eersten trein uit Edinburg en rijd tot Dalmally. Vandaar met een extra postkar door het gebergte, totdat ge aan den straatweg komt, die van den Branderpas bijna rechtaan loopt op het kasteel Eaglestone. Aan de kleine poort van het kasteel zal een oude, doove dienaar op u wachten, die u naar het hol van de valsche munters zal brengen. Neem een flink getal beambten mee. Maak echter vooral geen lawaai; daar dan niemand van uw mannen zijn leven zeker is. De oude dienaar, die helaas, zooals gezegd, volkomen doof is, zal u zeker geleiden.

Ik hoop, u morgenavond zelf te zien en te spreken en hoop door deze aanwijzing op uw welwillendheid te kunnen rekenen.

Met verschuldigde hoogachting,

JOHN C. RAFFLES.

Baxter was bleek geworden, toen hij den brief las.

Hij reikte hem Marholm en zei:

„Die brutaliteit stijgt ten top. De kerel wil mij niet alleen zien, maar spreken ook. Hij denkt zeker, mij ook nog te kunnen ontsnappen. Wacht maar, kereltje! Ditmaal heb ik je zoo zeker als dat je reeds achter de ijzeren tralies zit!”

Marholm antwoordde niets en schudde alleen eens heel bedenkelijk het hoofd.

Daar er geen andere verbinding van uit Edinburg was, moest Baxter er wel toe overgaan de aanwijzing te volgen, die Raffles hem had gegeven.

Op zijn verzoek waren de beambten mee naar Dalmally gegaan. Daar werd het personeel nog met drie man verstrekt, zoodat Baxter nu het bevel voerde over 15 man.

Om half negen des avonds kwam de expeditie aan de kleine rotspoort.

Baxter was de eerste, die de poort bereikte. Toen hij de hand op de klink wilde leggen, ging de deur open en in de donkere opening verscheen een stokoude, witharige man. Hij was gekleed in een wijden, kaftanachtigen rok en een witte, wollige baard hing hem over de borst. De oogen waren achter een grooten, blauwen bril verborgen.

Baxter, vroeg terstond:

„Waar is Raffles?”

De oude keek hem een oogenblik strak aan; toen zeide hij, zich op vertrouwelijke wijze tot Baxter overbuigend:

„Lepels? Neen, ze maken geld.”

„Ik vraag, waar lord Lister is.”

„Ja”, knikte de oude vriendelijk, „het zijn beesten.”

„Wil je me voor den gek houden?” riep Baxter boos uit.

Nu waren Marholm en de overige beambten genaderd, die tot Baxter zei:

„Kalm, kalm, inspecteur. Ge hebt toch gelezen, dat de oude doof is.”

De oude had met ingespannen aandacht de woorden van Marholm’s lippen gelezen en zei met een vriendelijken hoofdknik:

„Of het diefstal is? Natuurlijk is alles gestolen. Ga nu mee, heeren, ik zal u geleiden.”

Toen alle beambten in de donkere gang waren, sloot de oude man de straatdeur zorgvuldig. Baxter, Marholm en nog eenige beambten hadden dadelijk eenige electrische zaklantaarns laten ontvlammen om vast te stellen, waar ze waren en om zich, zoo noodig, bij een mogelijken aanval te verdedigen.

Het was helder als de dag in de gang.

De oude scheen te gelooven, dat de beambten hem wilden bijlichten en met een piepstem zei hij:

„Dank u wel, heeren, dank u vriendelijk. Ik zie al genoeg.”

Langzaam op een stok geleund, ging de grijsaard op weg.

Baxter zou in zijn ongeduld graag zoo vlug mogelijk zijn vooruitgeloopen maar de grijsaard strompelde slechts met kleine pasjes voorwaarts, zoodat Baxter zijn ongeduld moest beheerschen.

Geluidloos trok de kleine groep door verscheiden gangen verder.

Voor een zware, met ijzer beslagen deur bleef de oude staan en zei z’n stem tot fluisteren latende dalen:

„Gaat nu naar beneden, heeren, heel zachtjes, heel zachtjes.”

Hij opende de deur en de beambten zagen een smalle wenteltrap, die in de rotsen uitgehouwen, in een gruwelijke diepte voerde.

De zenuwen der beambten waren tot op het uiterste gespannen. Ieder had zijn brandende electrische zaklantaarn in den gordel hangen, den politiestok in de rechterhand, in de linker het geladen pistool. Zoo trok de stoet, door den grijsaard geleid, naar de diepte.

Onwillekeurig telde ieder de treden, die men neerdaalde. Het waren er 235. Toen de trap was afgedaald bevond men zich in een kleine ruimte, die echter groot genoeg was om plaats te bieden voor acht personen.

De grijsaard had herhaaldelijk den vinger op den mond gelegd, ten teeken, dat niemand mocht spreken. Nu wees hij met stom gebaar voor een deur in den rechterhoek van de kleine ruimte en duidde door teekens aan, dat de beambten deze deur moesten openen.

Uit de daarachter gelegen ruimte hoorde men een stampend, steunend geluid. Af en toe konden de luisterenden iets verstaan. Baxter, die den oude steeds op den voet was gevolgd, beduidde door een teeken den beambten, hoe zij zich moesten opstellen. Toen ging hij naar de deur, legde zijn hand zwaar op de klink en stiet de deur, die niet gesloten was, met één ruk open.

De beambten, die naast hem stonden, drongen terstond de ruimte binnen, terwijl de achtersten zich haastten om te naderen.

Men zag hier een tamelijk groote, onderaardsche ruimte, die in de rotsen was uitgehouden. In een haard die naar boven een rookuitgang scheen te hebben, brandde een reusachtig vuur. Rondom stonden vele machines en op de tafel allerlei vormen met metaal en daarnaast stapeltjes gemunt goud en zilver.

Toen de politiemannen zoo plotseling binnendrongen, waren drie mannen druk aan den arbeid. Door het stampen der machines hadden zij in het eerste oogenblik het openen der deur niet gehoord.

De eerste, die het gevaar bemerkte, was de oude dienaar van lady Ethel, John Webster, die juist een pan met gesmolten zilver van het vuur wilde nemen.

„Verraad!” schreeuwde hij met luider stemme en terzelfdertijd gooide hij een pan vol gloeiend metaal naar een der politiebeambten, die het meest op den voorgrond waren gedrongen.

Hoogop spatte het metaal, dat de beenen van den ongelukkige trof, die van pijn brulde als een dier en toen neerzonk.

In hetzelfde oogenblik, dat Webster deze daad verrichtte, had Baxter zijn pistool afgedrukt en John stortte, midden in het hoofd getroffen, ruggelings in het haardvuur.

Toen de andere beambten Websters daad zagen, weerklonk een schreeuw van woede. In een oogenblik hadden zij zich op de andere valsche munters gestort en deze gebonden.

Websters lijk was van den haard gegleden. Zijn kleeren hadden vuur gevat. Een deel der beambten was bezig, den beginnenden brand te blusschen, die voor allen gewisse dood beteekende.

De grijsaard, die de politiemannen zoo zeker had geleid, ging nu naar Baxter en vroeg:

„Is deze brief voor u, waarde heer? Zijt gij mr. Baxter?”

Baxter knikte, nam een brief uit de hand van den oude en deed dezen open.

Hij las de volgende regels:

Heer politie-inspecteur!

Ik heb mijn woord gehouden. Ge hebt het hol met de valsche munters gevonden en bovendien heb ik het genoegen gesmaakt u te kunnen zien, en spreken, want ik zelf heb u geleid.

JOHN C. RAFFLES.