Lord Lister No. 0019: De erfenis van Eaglestone

Part 3

Chapter 33,914 wordsPublic domain

„Water zal het bloed van dien ellendeling het spoedigste koelen. Ik verwacht, dat ik nu voor goed van hem verlost ben! Hebt ge mij begrepen?”

John boog en verliet het vertrek.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE PLEK DER MISDAAD.

Met razende snelheid gleed de slede, waarop de bewustelooze lord Lister lag, langs de glooiende baan naar beneden. Plotseling volgde een hevige schok, de slede was met den voorkant tegen een tamelijk hooge dwarsbalk gestooten.

Door dezen stoot werd de slede van haar last bevrijd en werd toen door middel van een zeer vernuftig aangebrachte machinerie weer teruggeslingerd.

Bij dezen slag moest natuurlijk het lichaam van den ongelukkige vooruitvliegen. Hij maakte tweemaal een buiteling in de lucht en vloog toen in de richting van een tamelijk ruime opening in de rots.

Men hoorde het geluid als van opspringend water en daarna bleef alles doodstil.......

Maar wat was dat?

Een klotsend geluid verbrak de stilte en plotseling vlamde een licht op.

John Raffles lag op de knieën en hield in de rechterhand zijn electrische zaklantaarn om rondom zich heen te zien. Wat hij aanschouwde, was ontzettend. Door de vreeselijke slingering, die zijn lichaam door de botsing der dwarsbalken ondervonden had, was hij tot in den rechterhoek van het rotsachtige hol geslingerd.

De grond was op deze plaats zeer steil. Er bevond zich daar tamelijk veel water. Als Raffles op den rotsachtigen bodem was terecht gekomen, had hij onvermijdelijk eenige ribben, wellicht zijn nek gebroken. Het water had echter de kracht van de botsing getemperd. Het had ook nog een andere goede werking; de koele bedding deed den bewustelooze uit zijn verdooving ontwaken.

Daar de Groote Onbekende instinctmatig zijn zakdoek in den mond had gestopt, toen het kleine toestel zijn verderfelijke werking begon, was de verdooving niet zoo erg geweest als lady Ethel veronderstelde. Het koude water deed zijn uitwerking en daarom geraakte Raffles spoedig weer uit zijn verdooving en kwam hij tot zichzelven.

Nadat hij eerst den zakdoek uit zijn mond had genomen, kreeg hij spoedig zijn electrische zaklantaarn te voorschijn, om zich te overtuigen, waar hij eigenlijk was.

Hij bevond zich in een ruimte, die wel tien meter in ’t vierkant was.

Er was geen venster, dat licht gaf of licht kon binnenlaten. Ongeveer zes meter over den aardbodem zag hij aan een der muren een donkere opening. Dat was het einde van de glijbaan, waarop hij zoo snel van de torenkamer in de vreeselijke diepte gegleden was.

De atmosfeer in deze gruwelijke gevangenis was om te stikken en er heerschte een vochtige, verschrikkelijke ontbindingslucht.

Raffles had zich uit zijn knielende houding opgericht en bewoog zich nu langzaam voorwaarts.

Plotseling stootte zijn voet op een voorwerp. Toen hij het licht der electrische lantaarn daarheen richtte, zag hij tot zijn ontsteltenis het skelet van een mensch, waaruit bij het ongewone lichtverschijnsel eenige ratten de vlucht namen. Walging en schrik maakten zich van hem meester.

Plotseling werd zijn opmerkzaamheid door een aanhoudend gorgelend gedruisch getrokken. Hij ging naar de plaats terug, waarheen hij was geslingerd en vanwaar het geluid was gekomen. Tot zijn verbazing bemerkte hij, dat het water, dat hem bij de val zulke groote diensten had bewezen, bijna verdwenen was.

Een ronde, ijzeren klep was in de diepte gezonken. Hij begreep nu ook, waarom hij in de voeten een sterke, stekende pijn gevoelde. Bij den val uit de hoogte was hij met volle kracht met de voeten tegen die klep geslagen en deze had zich naar buiten geopend, waardoor het water kon afvloeien.

Raffles ging dadelijk een en ander eens wat nader onderzoeken en kwam tot de ontdekking, dat deze klep van onderen te openen was en wel door een ketting, die, over raderen geleid, in een smalle rotskloof voerde.

Lord Lister was op de steenen gaan zitten en lichtte met zijn lantaarn in het gat achter het luik. Tot zijn verbazing ontdekte hij, dat er eenige traptreden achter schenen te liggen. Hij wilde reeds door het luik gaan om een en ander te onderzoeken, toen een klaterend geluid achter hem zijn opmerkzaamheid trok. Hij keerde zich om en zag tot zijn verbazing, dat plotseling uit twee pijpen, die hij tevoren niet had opgemerkt, waterstralen plasten.

Als een bliksemstraal flitste hem de gedachte door het brein, dat de duivelsche vrouw hem wilde laten verdrinken.

Steeds sterker rolden de waterstralen van de hoogte neer. Als Raffles niet in zijn val het luik had opengestooten, zou het water in vijf minuten wel tot manshoogte zijn geklommen. Thans echter vloeide het even snel naar beneden af als het van boven neer ruischte.

Raffles had zich in een hoek van het hol teruggetrokken, waar hij volkomen droog bleef. Hij begreep heel terecht, dat die waterval wel eens zou ophouden.

Om zich den tijd wat te verdrijven, wilde hij een sigaret opsteken, maar hij bemerkte tot zijn teleurstelling dat deze in zijn etui kletsnat en dus onbruikbaar waren geworden. Hij wierp de sigaretten op den grond en de kleine, witte rolletjes werden door den stroom in den afgrond gespoeld.

Zijn goed humeur zegevierde echter spoedig en hij mompelde:

„Als ik toch die lekkere douche krijg, zal ik mij maar een beetje gaan wasschen.”

Hij rekte de armen uit, schoof z’n manchetten wat in de hoogte en begon z’n vuile handen te wasschen.

Na ruim drie minuten werd de waterval al minder en minder en hield eindelijk geheel op.

Lord Lister keek op zijn horloge en zag, dat het half vijf was.

Vroolijk mompelde hij:

„Het zal u tegenvallen, lady Ethel, als ge denkt, van mij bevrijd te zijn. Neen, mijn waarde, John Raffles heeft een taai leven. Zijn goed gesternte straalt en spoedig zult ge het genoegen hebben, mij weer te zien.

„Laat ons nu eens beproeven, zoo gauw mogelijk deze behaaglijk ingerichte „vreemdenkamer” te ontruimen, voordat misschien een nieuwe verrassing komt. ’t Is eigenlijk heelemaal niet beleefd, lady Ethel, om gasten zoo’n vochtig bed te geven.”

Hij boog zich wederom naar het luik voorover, lichtte in de diepte en stelde vast, dat er inderdaad eenige traptreden naar beneden voerden.

Hij nam de lantaarn tusschen de tanden en ging in de diepte.

Hij voelde vasten bodem, liet de handen voorzichtig los, greep de lantaarn en lichtte eens in het rond.

De drie traptreden leidden naar een donkere gang, die scheen voort te loopen. De gang was droog; het water moest dus in de rotsspleten wegvloeien. De lucht was ook hier nog drukkend, maar Raffles bedacht zich geen oogenblik en ging snel voorwaarts.

Nadat hij nauwelijks twintig schreden had geloopen, bemerkte hij, dat de gang zich vertakte. Welken weg moest hij nu volgen?

Moest hij naar links of rechts uitgaan?

Hij redeneerde aldus:

„Ik weet niet of ik rechtuit of naar links vlugger in vrijheid komen zal. De weg links schijnt gemakkelijker te zijn, die rechtuit echter steil naar beneden te voeren. Waarom moet de mensch zich het leven onaangenaam maken, als dit niet absoluut noodig is? Laat ons dus naar links gaan.”

En hij ging naar deze richting.

Nadat hij ongeveer tweehonderd schreden had afgelegd, boog de gang scherp naar rechtsom en spoedig stond Raffles voor een kleine trap, die in de rotsen was uitgehouwen en die naar een met ijzer beslagen poort voerde.

Raffles bekeek die deur.

Waar zou ze heenvoeren? Hij overtuigde zich ervan, dat hij zijn pistool bij zich had, nam deze in de hand en wilde juist probeeren de poort te openen, toen hij bedacht, dat het pistool zeker niet meer al te betrouwbaar zou zijn. Zijn sigaretten waren immers nat geworden; zijn patronen konden immers ook vochtig zijn geworden, zoodat ze zouden weigeren.

Dit oogenblik van aarzelen was uitstekend voor lord Lister, want plotseling hoorde hij achter de poortdeur stemmen. Hij kroop in een hoek en doofde zijn lantaarn.

De deur scheen heel dik te zijn, want hoewel hij zijn uiterste krachten inspande, kon hij slechts weinig verstaan.

„Hij hoorde, dat een diepe stem over „vlammen” en „vonken” sprak, hoorde ook, dat twee andere stemmen antwoordden, was echter niet in staat, den inhoud van het gesprokene te verstaan.

„’t Is goed,” overdacht hij, „misschien heb ik op den anderen weg meer geluk. Het geheim, dat hierachter steekt, zal ik later wel uitvorschen. Ik moet nu eerst weer het daglicht zien.”

Hij ging den gekomen weg weer terug en was spoedig wederom op de plek, waar de gang zich vertakte.

Langzaam en voorzichtig voortloopend constateerde hij nu inderdaad, dat deze gang inderdaad loodrecht in de diepte voerde. Aan den rechterkant was een stevige ijzeren ketting aangebracht, die zeker als steunpunt diende, opdat men op den gladden bodem niet zou uitglijden.

Zoo vlug mogelijk zocht Raffles in de gang voorwaarts te dringen en plotseling stond hij recht tegenover een steilen rotswand. Hij overtuigde er zich van, dat hij ongeveer drie kwartier voor zijn afdaling had gebruikt. Toen lichtte hij met zijn lantaarn langs den muur.

Hij begreep, dat hier ergens een uitgang moest zijn.

Toen begon hij langs den muur te kloppen en heel onder aan verried een holle klank, dat een der steenen niet vastzat.

Raffles spande nu alle krachten in en het gelukte hem tenslotte inderdaad het kleine rotsblok te verwijderen.

Nu lichtte hij opnieuw met de lantaarn in de ruimte, die thans ontstaan was. Alles was duister.

Hij vond, dat zijn toestand langzamerhand heel onaangenaam begon te worden.

Maar toch kroop hij door de opening en liet toen wederom het licht van de lantaarn in het rond vallen.

Een huivering beving hem.

Hij stond op een lijkkist. Verderop stonden twee doodkisten dwars. Hij begreep, dat hij in een familiegraf stond.

Voorzichtig stapte hij van de doodkist af en zocht verder naar een uitgang. Nu zou hij spoedig in vrijheid zijn, want de deur, die naar het familiegraf leidde, moest wel gemakkelijk te openen zijn.

Nadat Raffles met de grootste moeite het rotsblok weer op zijn plaats had geborgen, ging hij naar de deur, die naar het grafgewelf voerde. Deze ging gemakkelijk open en na enkele minuten bevond Raffles zich weder in vrijheid.

Met diepe halen ademde hij de vrije lucht in. Toen rekte hij zich uit om zijn ledematen wederom de oude buigzaamheid terug te geven.

ZESDE HOOFDSTUK.

HET GEHEIM VAN DE DOODKIST.

De avondschemering was gevallen. In het westen daalde de zon in oranjekleurigen gloed en een zachte avondkoelte ruischte door de boomtoppen. In majestueuze rust breidde zich de doodenakker voor Raffles uit.

Zijn scherp oor vernam nu naderende schreden en een oogenblik later doemde een welbekende gestalte op.

Lord Lister durfde zijn oogen nauwelijks te gelooven. Het was Charly Brand, die het kerkhof te Inverary had opgezocht, in de hoop, iets te ontdekken van de geheimzinnige, onderaardsche gang, waarvan de waard had verteld.

Daar stond hij plotseling tegenover zijn besten vriend.

Charly kon in het eerst geen woorden vinden, toen hij Raffles voor zich zag, die in zijn vuile kleeren met het verwarde haar nauwelijks te herkennen was.

Raffles lachte om de verbazing van zijn vriend en zei:

„Ja, beste Charly, zóó ziet er nu iemand uit, die twee keer bijna verdronken was en door rotspartijen heele buitelingen heeft gemaakt.”

Op Charly’s verbaasde vragen vertelde lord Lister zijn avontuur.

Toen hij vertelde van zijn onvrijwillig bad, drong Charly er op aan, naar huis te gaan, want zijn vriend vreesde, dat Lister ziek kon worden.

„Wees onbezorgd, Charly, ik voel mij zoo gezond als een visch in het water. Wij gaan nog niet naar huis. Ik ben blij, dat ik je zoo onverwacht ontmoet heb. Ik zal je nu eerst den ingang van het hol wijzen, men kan nooit weten waarvoor het goed is, dat je georiënteerd bent. Heb je je zaklantaarn bij je?”

Charly knikte bevestigend.

„Des te beter. Wij hebben dus dubbel licht en zullen het grafgewelf nog eens gaan onderzoeken.”

De beide vrienden gingen terug naar het gewelf.

Raffles klom het eerst weer op de doodkist, die aan den rotsmuur stond.

Bij het scherpe licht bemerkte Raffles, dat een veel grootere steen op de kleinere lag, waardoor de eigenlijke ingang naar het gewelf was afgesloten.

„Ik geloof, dat ik me vergist heb, Charly. Ik dacht eerst, dat deze toegang al wel een halve eeuw of nog ouder was, maar nu zie ik, dat de ijzeren handvatsels van veel nieuweren datum zijn. Het is heel duidelijk, dat menschenhanden van tijd tot tijd regelmatig deze handvatsels hebben aangepakt.”

„Je kunt wel gelijk hebben, Edward.”

Raffles was weer van de doodkist afgestapt en bekeek haar nauwkeurig.

„Het is wel zeker, dat hier veel voetstappen gestaan hebben, Charly.”

Toen de groote onbekende den lichtbundel van zijn lantaarn verder over de doodkist liet glijden, ontsnapte plotseling een kreet van verrukking zijn lippen.

Hij had aan den eenen kant een stukje roode stof ontdekt, die bij het sluiten van het deksel tusschen de doodkist was geklemd.

„Hola, jongen! Ik geloof niet, dat men de dooden hier in een rood kleed begraven heeft, dat bovendien nog zoo nieuw schijnt, dat er niet eens vocht is ingedrongen. Ik zou wel eens willen weten of er hier niet een vreemde doode rust! Dat moeten we onderzoeken. Ben je misschien bang?”

„Maar Edward! Houdt je mij voor zoo’n hazenhart? Vooruit, aan ’t werk!”

Raffles had zijn werktuigen te voorschijn gehaald en begon nu de schroeven los te maken, waarmee het deksel van de doodkist was bevestigd.

Aan de gemakkelijkheid waarmee de schroeven waren los te draaien, bemerkte men onmiddellijk, dat zij dikwijls en zeker nog voor korten tijd geopend waren.

Spoedig was de arbeid geëindigd.

Beide vrienden grepen het deksel, hieven het op en lieten het op den grond glijden. Toen namen zij de lantaarns en lichtten in het binnenste der kist

Raffles barstte in een schaterlach uit, toen hij den inhoud zag.

Het hoofdeinde der doodkist, dat door een plank was af gedeeld, was met goud- en zilverstukken opgevuld. In de overige ruimte van de doodkist lagen in een rooden doek gewikkeld, verscheiden andere metalen.

Bij nadere beschouwing bleek, dat deze stukken metaal deels uit gedegen goud en zilver bestonden, deels uit gouden ringen, armbanden, medaillons, enzoovoorts, waar de juweelen, die als versiering er in hadden gezeten, waren uitgenomen. Naar alle waarschijnlijkheid was deze voorraad metaal bestemd om te worden saamgesmolten.

Charly had eenige van de blinkende munten in de hand genomen en bekeek ze opmerkzaam. Raffles trad nader en bekeek ze eveneens. Zijn scherpen blik ontging het niet, dat hij hier vervalschingen voor zich had.

„Dat is dus het geheim van de doodkist. Het schijnt de schatkist van een bende valsche munters te zijn.”

Raffles dacht nog eens scherp na.

„Nu begrijp ik ook Charly, wat die stem sprak, die ik achter de deur hoorde en die over vlammen en vonken sprak.”

Charly had intusschen den doek te voorschijn gehaald, waarin de munten hadden gelegen; er kwam een onaangename geur uit.

„Aha”, zei Raffles, „daarom dus die zonderlinge bergplaats. De doek is in een zuur gedrenkt en dit moet, samen met de vochtige lucht in het grafgewelf, den munten een oud uitzien geven. Het valsche geld kan ons niet van nut zijn, maar het gedegen goud en zilver kan ons goede diensten bewijzen bij onze tochten in Londen en onze arme vrienden uit den nood helpen.”

Met kennersblik bekeek de Groote Onbekende de stukken en liet toen alles van waarde in zijn zakken glijden.

Toen deze arbeid volbracht was, sloten de beide vrienden de doodkist weder.

„En nu, Charly, willen we eens gaan onderzoeken, wie dezen grafkelder behoort.”

Zij verlieten de ruimte, waarin zij zulke belangrijke ontdekkingen hadden gedaan en zulke groote schatten hadden gevonden.

Op een steen aan den ingang, die weder stevig werd gesloten stond:

Grafkelder van de familie Webster.

„Wie is Webster?” fluisterde Raffles en de beide vrienden haastten zich om zoo snel mogelijk de herberg in Inverary te bereiken, die ongeveer tien minuten van het kerkhof lag verwijderd.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

VALSCH GELD.

Op het politie-bureau in Scotland-Yard heerschte groote opwinding. Ongeveer twee weken geleden waren op de verschillende Banken in Londen valsche gouden en zilveren munten in omloop gekomen.

Tevergeefs waren alle dievenholen, alle bekende boevenkroegjes en helersnesten doorzocht. De politie had geen moeite ontzien om de valsche munters op het spoor te komen, maar alles bleef zonder eenig resultaat.

De som van de in omloop gekomen valsche munten moest niet heel groot zijn, want er waren geen aanmeldingen meer ingekomen en het groote publiek dacht allang niet meer aan de alarmeerende berichten.

„De duivel schijnt vandaag losgebroken,” vloekte inspecteur Baxter, toen hij, voor den twintigsten keer in een uur aan de telefoon werd geroepen.

Telegraaf en telefoon stonden vandaag niet stil. De beambten wisten niet, waar zij heen moesten.

Uit Birmingham, Bristol, Plymouth, Hull, zelfs uit Dublin in Londonderry kwamen berichten in, dat er wederom gouden en zilveren munten waren aangehouden en dat alles erop wees, dat de sporen der valsche munters naar Londen wezen.

De berichten kwamen binnen in zoo groot aantal, dat men er geen raad mee wist.

„Zoo’n brutaliteit is nog niet voorgekomen. Ik zou wel eens willen weten, hoe die bende dat heeft aangelegd. Die moeten wel een bondgenootschap met den duivel hebben gesloten. Het lijkt wel, alsof zij over de gezamenlijke koninkrijken een regen van valsch geld hebben neergestrooid. Wat denkt gij er van, Marholm?”

De toegesprokene scheen de eenige te zijn, die in de algemeene opwinding zijn kalmte bewaard had.

Hij stak het laatste hapje van zijn avondboterham in den mond en zei lachend:

„Het is mij voorloopig totaal onverschillig, waarde Baxter, hoe de kerels het hebben aangelegd.”

„Nu ja, u is alles onverschillig,” viel Baxter in. „Ik heb je al honderd keer gezegd, dat je absoluut geen aanleg hebt voor detective.”

Op doodkalmen toon antwoordde Marholm:

„Ik meende slechts, dat het van veel grooter belang is om te weten, wie de kerels zijn, dan hoe ze het hebben aangelegd.”

In dit oogenblik trad een beambte binnen, die een klein pakje bracht, dat aan Baxter was geadresseerd.

Baxter nam het pakje in ontvangst en bekeek het poststempel met groote opmerkzaamheid.

Hij las den naam Edinburg. Nadenkend draaide hij het pakje heen en weer. Het handschrift kwam hem bekend voor, en toch kon hij het niet thuis brengen. Eindelijk besloot hij het te openen. In het papier zat wederom een papier, dat met een draad stevig was dichtgebonden. Door het papier heen voelde Baxter duidelijk zware, ronde voorwerpen. Hoofdschuddend sneed hij den draad door en opende het tweede papier.

Toen hij dit gedaan had, ontsnapte hem een kreet van verbazing. Vóór hem lagen twee gouden en een zilveren munt.

Baxter schoof de goudstukken ter zijde en vouwde een brief open, die er onder lag. Bij het lezen werd zijn gezicht steeds langer en langer. De toornader zwol op zijn voorhoofd. Met een zwaren vloek sprong hij plotseling op en sloeg met de gebalde vuist zóó heftig op de tafel, dat de drie geldstukken omhoog sprongen.

Marholm draaide zich verschrikt om en vroeg:

„Maar mr. Baxter, wat is er gebeurd?”

Deze liep als door een wesp gestoken in het kantoor heen en weer. Zijn gelaat gloeide van opwinding:

„Dat is een grenzelooze brutaliteit! Ik geloof, dat ik mijn verstand verloren heb!”

„Maar mr. Baxter vertel toch eens!”

„Zoo’n onbeschaamdheid, Marholm. Zóó’n onbeschaamdheid!”

Baxter nam den brief, die bij de geldstukken in het pakje had gezeten en las:

Den Heer Politie-Inspecteur Baxter, Londen.

Tot mijn groote spijt was ik dikwijls genoodzaakt u allerlei kleine teleurstellingen te bereiden.

Heden ben ik zoo gelukkig u daarvoor een weinig schadeloos te stellen.

Ik zend u bijgaand twee gouden en een zilveren munt. Dit stelt echter niet de schadeloosstelling voor. Ik zou die nooit durven aanbieden aan zulk een verdienstelijk beambte!

Maar ik heb een voor u gewichtige ontdekking gedaan! Deze munten komen bijna direct uit de werkplaats van de bende valsche munters, die op het oogenblik geheel Engeland overstroomt met hun fabricaat.

Ik weet dus, waar die schurken te vinden zijn.

Het spijt mij, u op het oogenblik geen nadere inlichtingen te kunnen verstrekken, want ik moet zelf nog in die buurt werkzaam zijn.

Ik verzoek u echter, over drie dagen op het postkantoor te Edinburg een aan u geadresseerden brief af te halen. Hierin zult gij nauwkeurig vinden aangeduid, waar gij de valsche munters te zoeken hebt.

Ik hoop, U hiermee een dienst te bewijzen en blijf gaarne hoogachtend,

JOHN C. RAFFLES.

Baxter was bij het lezen steeds woedender geworden. Marholm daarentegen hield zich, bijna stikkende van het lachen, aan de tafel vast.

Vol woede hijgde Baxter:

„Wat beteekent dat domme gelach? Gij moest liever probeeren, dien schurk, dien Raffles, onschadelijk te maken.”

„Kalm, kalm, mijn waarde. Gij hebt hem zeker al een dozijn keeren laten ontsnappen, al was hij ook nog zoo dicht bij u. Wie kan het mij dan kwalijk nemen, dat ik hem niet pak? Het doet mij bijna genoegen, dat de man ons voor den gek houdt; hij moet een geestige kerel zijn.”

„Kom, Marholm, ben je nu heelemaal krankzinnig geworden?”

„Waarom? Hij brengt ons immers op het spoor der valsche munters.”

„Daaraan geloof ik nog niet. In elk geval zal ik mij niet aan zijn aanwijzing storen, maar dadelijk naar Schotland vertrekken.”

„Ziet gij, dat zou ik niet doen, mr. Baxter. Ik ben ervan overtuigd, dat gij niets vindt, als Raffles het niet wil.”

„Je dwepen met Raffles staat mij werkelijk tegen!”

Mopperend ging Baxter aan een schrijftafel zitten, terwijl Marholm, vroolijk glimlachend, zijn glas nog eens volschonk.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

HET SPOOK.

Toen Raffles en Charly het kerkhof te Inverary verlieten, was de schemering reeds gevallen. Het gelukte hun daardoor de herberg te bereiken, zonder door iemand te worden gezien.

Nadat zij in hun kamer licht hadden aangestoken, begon Lord Lister eerst de sporen van het avontuur uit te wisschen. Toen hij zich had verkleed en gewasschen, sprak hij, terwijl hij een sigarette aanstak:

„Nu, mijn lieve Charly, moeten wij eens te zamen overleggen, wat er nu te doen valt om ons doel te bereiken.”

„Ik verzoek je dringend, Edward, waag je leven niet verder. Je hebt vandaag immers gezien, dat men daar voor niets terugdeinst. Laat ons vertrekken.”

„Heb je ooit gemerkt, dat ik iets half heb gedaan? Neen. Ik rust niet, voordat ik mijn doel heb bereikt. Opdat het niet opvalle, dat wij ons zoo weinig laten zien, moet je naar beneden in de eetzaal gaan en daar allereerst trachten te weten te komen, wie de familie Webster is, in wier grafkelder de geheime gang uitkomt. Ik zal intusschen een beetje gaan rusten en erover nadenken, wat ons te doen staat.”

Terwijl Charly zich naar de eetzaal begaf, strekte Lord Lister zich uit op een rustbed en gaf zich over aan het genot van zijn sigaretten, die hij zoo lang had moeten missen, daar de sigaretten bij het onvrijwillige stortbad nat waren geworden.

Hij had misschien een kwartiertje zoo gelegen, toen hij plotseling haastig opstond. Hij scheen nu een besluit te hebben genomen. In een oogenblik had hij twee brieven geschreven en juist was hij bezig, ze te sluiten, toen Charly weer binnentrad.

„Nu, wat heb je voor nieuws?”

„De familie Webster heeft langen tijd hier gewoond. Nu leeft nog alleen een zekere John Webster, die bij Lady Ethel de betrekking van kamerdienaar bekleedt. Hij is gehuwd en woont op het kasteel met zijn vrouw Bessie, die daar portiersdiensten verricht. John Webster laat zich bijna nooit in de stad zien. Hij schijnt steeds zeer gesloten en schijnt wegens zijn spreekwoordelijke gierigheid weinig bemind te zijn.”

John Raffles volgde het bericht van zijn vriend oplettend, zonder hem in de rede te vallen. Daarop sprak hij op schertsenden toon: