Chapter 9
"Wat ik bedoel?" vroeg de oude tante, terwijl zij hare eerlijke oogen op de groote, donkere gestalte vestigde en eenige schreden nader trad, "wat ik bedoel? Ei, juffer Sanna, dat behoeft gij niet te vragen; ik zie het aan uw gelaat, dat gij het wel weet--het heeft u toch zeker dikwijls genoeg aan uw hoofdkussen getrokken en geplukt en u verhinderd te slapen in lange benauwde nachten, en heeft als een berg, die niet te verschuiven was, op uwe borst gelegen, al hebt gij ook honderd maal uw rozenkrans afgebeden en alle heiligen aangeroepen--dat was het geweten, juffer Sanna, en een kwaad geweten heeft wolfstanden; die bijten scherp en diep--"
"O misericordia!" riep Sanna en sloeg hare handen met een hartstochtelijk, toornig gebaar in elkander: "dat heb ik er nu voor, dat ik zelve hierheen ben geloopen; mevrouw de barones had wel gelijk, dat zij mij steeds verbood, mij met het _plebaglio_, het _miserabile_, in te laten."
"Wat uwe barones zegt, is mij totaal onverschillig," verklaarde tante, "en uwe Italiaansche scheldnamen kunt gij wel sparen; die versta ik niet; maar één ding moet ik u toch nog zeggen, juffer Sanna, nu het toeval ons te zamen brengt--ik heb er lang naar verlangd, het te kunnen doen; gij en uwe barones hebt eene zonde op uw geweten, die ten hemel schreit. Misschien meent gij, dat niemand er van weet; wellicht weet gij, dat er eene is die de oorzaak kent en weet, waardoor een jong, bloeiend leven in 't graf moest nederdalen; ik zeg u echter, en gij kunt het aan uwe barones daar boven overbrengen: God is een tijd lankmoedig, maar niet eeuwig; Hij laat zich niet bespotten, en ik--ik, de oude tante uit den papiermolen--ik bid nog iederen avond den lieven God, dat hij mij den dag laat beleven, waarop ik uw trotsche meesteres in het gezicht kan zeggen, dat zij eene--"
"Cielo!" krijschte de Italiaansche en sloeg met de handen in de lucht, "het mensch is krankzinnig! Het verwondert mij, dat gij nog niet zegt, dat wij het hoogmoedige ding vermoord hebben."
"Dat zou ik met het volste recht kunnen beweren," hield de oude vol, "en als er geen hoogmoediger menschen waren dan zij, dan zou het beter wezen in de wereld."
"_Dat_ zou ik mij hier laten zeggen?" riep Sanna, rood van toorn, "wilt gij misschien ook beweren, dat wij haar vergeven of gewurgd hebben? Het was juffer Lisette's eigen schuld, dat zij stierf; wat behoefde zij zich in te beelden, dat de baron haar zou trouwen! Waarom knoopte zij een vrijerij aan boven haar stand! Zulk een heer heeft honderd oogen en ziet meer dan één mooi meisje."
"Wat?" riep nu de oude vrouw, en zette haastig het koffieblad, dat zij juist had opgenomen, weder neer--"wilt gij den baron Fritz nu ook nog belasteren? Die was beter dan de heele kliek daar boven bij elkaar"--zij wees naar het slot--"en zoo hij een lichtzinnig mensch is geworden, is dat ook uwe schuld. En wat het inbeelden betreft, onze zalig Lisette heeft zich niets ingebeeld; zij is de brave bruid van baron Fritz geweest, en zou, zoo waar als ik hier sta, zijne vrouw geworden zijn, hadden niet valsche, slechte menschen, erger dan roovers en moordenaars, hen van elkaar gerukt."
Sanna lachte onbeschoft en spottend.
"Gelooft gij dat waarlijk? En ik zeg u: zoo zeker als zij lompenmolenaars Lisette was, zoo zeker is dáár boven geen plaats voor dergelijken."
"Hoogmoed steekt altijd den staart buiten 't nest," antwoordde tante Marie minachtend; "ons geslacht is Goddank te braaf en te goed en past niet in zulk een zondige huishouding, als het toen daar boven was. De Derenbergs waren altijd lieden van goed allooi; die zat de adel niet alleen in het bloed, maar ook in het gemoed, en zoo was het goed, totdat--nu, gij weet, wat ik meen--in het graf zouden zij zich hebben omgekeerd, allen in den ouden grafkelder, zoo zij geweten hadden, hoe ver het nog komen zou met hunne trotsche naneven."
"Tante! tante!" riep de vrouw des huizes met angstige stem uit het venster.
"Aanstonds, Mientje!" antwoordde zij en nam het koffieblad op; "ik kom al. Gij weet, wij oudjes praten gaarne over den ouden tijd, vooral als men elkander in zulk een langen tijd niet gezien heeft, als juffer Sanna en ik," en dit zeggende ging zij in huis, zonder verder om te zien.
"Maar tante, om Godswil!" sprak Ervings vrouw verwijtend, toen de oude vrouw met een rood gelaat binnen kwam: "wat praat gij toch! Ik werd wezenlijk angstig, zoo boos zag die groote, sombere vrouw er uit--"
"Ik niet, Mientje, ik niet," antwoordde de oude vrouw zegepralend, "het deed mij goed, dat ik eens uitspreken kon. Jarenlang heb ik daarop gewacht; soms vreesde ik al, dat ik sterven zou, zonder haar in het gezicht te hebben gezegd, welke groote zonden zij gedaan hebben, en nu vandaag--o, ik ben nog veel te zachtmoedig geweest, maar had ik het valsche wijf niet onder Gods vrijen hemel, maar op mijne kamer gehad, dan zoudt gij iets anders gehoord hebben, Mina--"
"Tante! tante! Mij is de wraak! Wat zoude onze dominé zeggen, als hij u nu hoorde!"
"Ik wil mij niet wreken," sprak de oude vrouw zacht, "want op alle wraak volgt berouw! Maar geloof mij, toen ik haar daar zoo voor mij zag staan, die vrouw, die mede aan het ongeluk schuld heeft, toen was het mij, alsof iemand mij kokende olie in het hart goot--" Zij hield op, want Liesje trad binnen.
"De gravin Stontheim is werkelijk overleden," verhaalde zij. "Nelly's moeder zeide het, toen zij ons in het park tegenkwam. Army heeft geschreven, dat zij reeds morgen wordt begraven, en daarna wil hij zijne bruid weder hierheen brengen; de bruiloft zal niet uitgesteld worden, alles blijft bij het oude. Zeg eens, tante, was Sanna, die ik pas bij den boschweg tegenkwam, tot nu toe bij u?"
"Tot nu toe, mijn schatje; wij hebben nog een vroolijk praatje met elkander gehad."
Het jonge meisje zag haar vragend aan en zette zich toen aan het raam. De beide anderen verlieten de kamer. Het was zoo stil rondom dat jonge meisje met een stille, hopelooze liefde in het hart. Van de hooge lindeboomen vielen langzaam de gele bladeren op den grond, beelden van voorbijgegaan lentegeluk; een paar kleine vogeltjes vlogen tjilpend van tak tot tak.
"Als _hij_ gestorven was?" sprak zij halfluid. "Maar neen--neen--het is beter zoo; lieve God, laat hem gelukkig worden--om der wille zijner moeder en zuster!"
Een paar dagen waren voorbijgegaan. Liesje had hare tante vlijtig in het huishouden geholpen, en meer dan in den laatsten tijd had haar heldere lach weder geklonken. "Lach maar, mijn liefje!" had de oude vrouw eenmaal in hare vreugde daarover gezegd, "God heeft den blijmoedigen mensch lief." Zij wordt weder vroolijk, zij heeft het overwonnen dacht zij; het kind was ook nog zoo jong en het leven dat voor haar lag, beloofde nog zooveel geluk. En onwillekeurig kwam haar de jonge, blonde man voor den geest, die zoo bescheiden was en toch door zijn degelijkheid meer en meer in den molen geliefd werd. "Het zou een uitgelezen paar zijn," sprak zij bij zichzelve.
Dezen morgen had zij hem nog langen tijd nagezien, toen hij reeds vroeg met Erving, het geweer over den schouder, op de jacht gegaan was; zij had daarbij zeer goed bemerkt, hoe hij een verstolen blik wierp naar de vensters, waarachter Liesje nog rustig sliep, en gedacht: "Als zij hem nu zoo reus zag, knapper kan toch niemand er uitzien."
Maar Liesje had later niet geluisterd, toen zij hem prees, en was telkens lachend over iets anders begonnen te spreken. Zoo was het middag geworden; de soep dampte reeds op de tafel in de eetkamer, toen Lise naar buiten ijlde, haar vader tegemoet, zonder te bedenken, wie hem vergezelde.
"Goeden morgen, vadertje!" riep zij vroolijk, "wat brengt gij mede?" Nu eerst werd zij gewaar, dat de heer Selldorf achter hem stond, die den groenen jagershoed afgenomen en haar vader de hand gegeven had, terwijl hij hem smeekend aanzag. "Tot heden avond dan, beste Selldorf," hoorde zij haar vader zeggen; nog een handdruk, en de jonge man was verdwenen, zonder haar te hebben aangezien. De statige vader groette zijne dochter ter loops en wierp zijn weitasch af. "Waar is uwe moeder? Ik moet haar spreken," zeide hij haastig.
"Maar Frederik, de soep!" klonk tantes stem uit de keuken.
"Ja zoo--nu, dan later!" sprak hij. Onder het eten streek hij echter dikwijls met de hand over het gelaat; dan lachte hij, maar werd op eens weder ernstig. Eens zag hij Liesje stijf en zóó treurig aan, dat zij de lepel weglegde en vroeg:
"Vader, wat is u overkomen?" en "Erving, is u iets onaangenaams bejegend?" vroeg ook zijne vrouw.
"Wel beware, neen!" antwoordde hij vroolijk, alsof er niets bij hem gaande was.
Dadelijk toen de maaltijd geëindigd was, volgde hij zijne vrouw in de huiskamer. Liesje wandelde in den tuin op en neer en zag tusschenbeide angstig naar de ramen der woonkamer; eindelijk ging zij weder in huis, maar daar ging ook juist tante de kamer binnen en wenkte haar, buiten te blijven.
Vol bange voorgevoelens zette zij zich op de steenen bank onder het raam. Daar binnen werd druk gesproken, en eindelijk hoorde zij tante zeggen: "Neen Frederik, dit moet gij mij beloven, als zij niet _wil_, overreed haar dan niet, want gedwongen trouw geeft eeuwige rouw!"
"Dat spreekt van zelf," antwoordde haar vader, "maar men kan haar toch al het voor en tegen onder het oog brengen."
Het jonge meisje daar op de oude steenen bank was plotseling doodsbleek geworden. Op eenmaal was het haar helder geworden, wat daar binnen werd besproken; had zij dan in een droom geleefd? Hare ouders, haar lieve, goede vader--konden die het van zich verkrijgen, haar te laten heengaan? Zij zou den ouden geliefden molen verlaten moeten met een vreemden man? Weg van hare moeder, van hare tante, en alles wat haar lief was? Zij zou niet meer in haar kamertje weenen, niet meer dagelijks de torens van het oude slot zien? Zij drukte de handen op hare borst, en had een gevoel, alsof haar hart ophield te kloppen bij deze gedachten.
"Liesje, kom eens binnen!" klonk nu haars vaders stem. Werktuigelijk stond zij op en volgde deze aanmaning. Daar stond zij nu in de woonkamer; op de sofa zat hare moeder, bij het venster tante, en beiden zagen haar zoo vreemd--zoo teeder aan; ja, het scheen alsof hare moeder geweend had.
De oude vrouw aan het venster ging naar buiten, zij wilde zich niet mengen in hetgeen de ouders met hun kind hadden te bespreken; zij ging stil naar haar kamertje en nam den bijbel van de commode; daarop ging zij in den leuningstoel zitten en vouwde de handen op het boek. "God alleen weet wat goed is," fluisterde zij; "moge Hij haar hart leiden, zoo zal alles ten beste uitkomen." Buiten schenen de zonnestralen op de bonte asters, en lange, witte draden weefden als 't ware een zilveren sluier om de half ontbladerde besseboomen. "Als het weder voorjaar wordt, hoe zal dan alles hier in huis zijn?" Zij dacht aan haar lieveling, die daar zoo onverwacht de gewichtigste beslissing in haar leven moest nemen. Hoe zou Liesje de tijding ontvangen? Zou zij werkelijk niet bemerkt hebben, hoe lief zij den jongen man was geworden? En zou zij hem niet een klein weinigje--"Och neen!" De oude vrouw schudde het hoofd; zij wist, hoe het in het jonge hart gesteld was.--"Neen, zij bemint hem niet, en als zij hem nu toch eens het jawoord gaf, wanneer zij zich geweld aandeed, omdat hare ouders het wenschten--zou zij dan _gelukkig_ worden? Och, gedwongen liefde en geverfde wangen duren niet lang. Het arme kind!" sprak zij bij zich zelve. "Als zij haar maar niet zoeken over te halen! Mientje zal het niet doen, maar Frederik, die is geheel door den jongen betooverd!"
Zij opende het oude boek en staarde op de geel geworden bladen, maar zij kon niet lezen: de letters dansten haar voor de oogen en hare handen beefden--daar was zij aan de deur--zal nu het gezicht van een vroolijke, jonge bruid, met een donkeren gloed overgoten, naar binnen zien? De oude vrouw hield haar adem in; de deur werd langzaam geopend en het jonge meisje stond op den drempel; was zij dan gegroeid sedert zooeven? Zij trad rustig de kamer binnen: op het bleeke gelaat stond diepe ernst te lezen.
"Tante," sprak zij zacht, "ik heb _neen_ gezegd."
Tante antwoordde niet; zij knikte slechts toestemmend met het hoofd. "Zijt gij hem niet genegen, mijn kind?" vroeg zij toen. "Zie, wat uw hart gevoelt, dat weet gij zelve het beste."
"Ik kan niemand liefhebben, tante," klonk het dicht aan het oor der oude vrouw; twee zachte armen omvatten haar hals en een bleek gelaat verborg zich aan hare borst. Zoo lag zij op de knieën naast de oude, en deze streek met de hand liefkoozend over de bruine vlechten.
"God zegene u, mijne Lise!" fluisterde zij, "gij hebt goed gehandeld."
In de huiskamer liep Erving driftig heen en weer. Zijne vrouw had roodgeschreide oogen en bad:
"Als zij hem toch niet liefheeft, Erving?"
"Mina, men kan met eene vrouw niet verstandig over zoo iets spreken," zeide hij, voor haar staan blijvende. "Zie den jongen aan! Hij is knap en verdient achting; hij bemint haar en is van een goede familie; zijn vader schrijft mij, dat zij het meisje op de handen zullen dragen--is dat niet alles, wat zij verlangen kan? Maar daar steekt iets anders achter, dat laat ik mij niet uit het hoofd praten."
"Maar ik vraag u, Erving, wat zou dat dan kunnen zijn?"
"En dan, ik herkende het meisje niet meer; zij die altijd zoo gedwee en volgzaam was, stond daar, doodsbleek, en zei niets anders dan 'neen' en nog eens 'neen!' God help mij, wie had dat gedacht?"
"Zij is immers uwe dochter, vaderlief," zeide zijn vrouw, opstaande en naar hem toe komende. "Gij weet wel," voer zij voort, terwijl zij poogde te glimlachen, "dat uw vader gewild had, dat gij Agnes zoudt trouwen, en toen hebt gij evengoed 'neen' gezegd en niets meer."
"Nu, dat was toch heel iets anders, ik kende u toen en beminde u reeds, maar zij--zij komt immers pas in de wereld kijken. God weet het, zoo zwaar is mij nog niets gevallen, als den jongen van avond zulk een antwoord te geven." Hij bleef aan het venster staan en zag verdrietig door de ruiten. Hij keerde zich ook niet om, toen de deur zachtjes openging en tante binnentrad.
Zij bleef even staan. "Nu, nu, Mientje," sprak zij toen, "gij weent--er is immers niemand gestorven, en zulk een haast heeft het vrijen ook niet! Er zijn niet een hand vol, maar een land vol mannen--de rechte zal wel komen--"
De molenaar aan het venster maakte een heftige beweging, als wilde hij een scherp antwoord geven; hij zeide echter kalm: "gij spreekt, naar gij verstand hebt, tante!"
"Wel, ik zou meenen, dat ik in die dingen toch niet zoo dom ben; ook heb ik wat meer ondervonden dan gij. Lise is zeventien jaar geworden--nauwelijks zijn de kinderschoenen uitgetrokken; er zullen nog wel honderd vrijers naar den molen komen; waarom zou zij nu den eersten den besten nemen? Selldorf is een flinke jongen, ja! maar de smaken zijn verschillend, en liefde zonder wederliefde, is als een vraag zonder antwoord, en maakt ongelukkig. En daarom, Frederik, laat het zóó goed zijn en zie haar niet donker aan; zij is immers uw éénigste, waarom wilt gij haar dan dwingen! Al uw boosheid helpt u niets, en uw macht kunt ge in deze zaak niet doen gelden; daarom, wees tevreden, en verheug u, dat gij uw kind nog behoudt! Heeft zij eens een man, dan behoort zij u niet meer toe.
"Stil maar, al genoeg!" antwoordde hij ongeduldig en ving zijne wandeling door de kamer weder aan.
De oude vrouw sprak geen woord meer; zij wist, dat haar doel bereikt, was; zij nam dan ook haar breiwerk en ging op haar gewone plaats zitten.
"Hebt gij haar dan gesproken?" vroeg de moeder na een lang stilzwijgen.
"Natuurlijk! Zij kwam bij mij en vertelde mij, hou het er mee gesteld was, en ten laatste heeft zij mij schreiende gebeden, haar toch te helpen, dat haar vader weder vriendelijk jegens haar werd."
"Waar is zij dan?" vroeg hij.
"Zij is naar haar kamertje gegaan."
"Zoo," antwoordde hij en liep weer op en neer, tot hij eindelijk de deur opende en het vertrek verliet.
"Ik weet al, waar hij heengaat," sprak de oude vrouw lachende. "Hij was zeker heel boos?"
"Het ging nog al, tante, maar ik had hem nooit boos gezien--daardoor was ik er zoo bang voor."
"Neen, maar zie nu eens, Mina," sprak zij en wees naar den tuin; daar liep de molenaar langzaam het pad langs, de arm om zijne dochter geslagen, en zij met haar hoofdje tegen zijn schouder geleund en tot hem opziende; hij sprak met haar en zij lachte hem toe.
"Mijn beste man! mijn lieve kind!" sprak zacht de vrouw aan het venster.
Tiende Hoofdstuk.
Op het slot had de tijding van den dood der gravin Stontheim niet veel droefheid veroorzaakt; de jonge barones en Nelly hadden de gestorvene in 't geheel niet gekend. Nelly had een krans van immortellen gevlochten en die met eene betuiging van deelneming naar Blanka gezonden, daarop hadden de drie dames zich in rouwgewaad gestoken, om aan den uiterlijken vorm te voldoen, hoofdzakelijk ter wille van Blanka, die, volgens het schrijven van Army, voor een langdurig verblijf op Derenberg kon verwacht worden. Army en haar vader zouden haar vergezellen.
En thans was de dag hunner komst daar. In Blanka's vertrek waren de ramen wijd open gezet, en de frissche herfstlucht vervulde de weelderige en gezellige kamer; de zon scheen helder op de bleekgroene, zijden behangsels, en op de donzige kussens van dezelfde stof; overal prijkten frisch geplukte herfstbloemen in vazen en mandjes, en Nelly onderzocht zorgvuldig, of het verwende kind ook aan iets gebrek zou kunnen hebben. In haar eenvoudig, zwart wollen kleed geleek zij in dit schitterend boudoir bijna een betooverde prinses, die door het toeval of door een goede fee weder in de prachtige omgeving geplaatst was, waarin zij eigenlijk thuis behoorde. Het ovale, rooskleurige gezichtje kwam bekoorlijk uit bij het zwarte kleed, en de blanke handen, die uit de krippen manchetten te voorschijn kwamen, waren haast te klein voor een volwassen meisje.
"Dit is toch een recht lieve kamer, grootmama," sprak zij, tot de oude dame opziende, die juist op den drempel verscheen.
"Zeker! maar voor u, mio cuore, zou ik blauw veel liever vinden."
"O, voor mij!" lachte zij; "ik en een kamer met zijden behangsels en kanten gordijnen! Ik zou mij ongelukkig gevoelen in dezen geur en glans."
"Gij zoudt het wel leeren, mijn kind, u daarin gelukkig te gevoelen."
Het jonge meisje keek op; dat klonk zoo ernstig.
"Als mijn kleine Nelly heel lief is," vervolgde de oude dame, het verbaasde meisje naderende, "en haar best doet, haar onbeschaafde manieren af te leggen, dan geef ik haar misschien zulk een prachtig kamertje tot een Kerstgeschenk."
"Gij, grootmama?" riep de kleine ongeloovig. "O neen, ik zou veel liever een kamertje hebben zooals Liesje, met wit en blauw gebloemd katoen--dat ziet er zoo beelderig uit."
De oude barones haalde de schouders op en keerde zich om, want hare schoondochter trad binnen.
"Daar wordt mij een groot pak japonstoffen en stalen gezonden; hebt gij dat besteld?" vroeg zij; "ik denk dat het eene vergissing is, want er zijn zijden meubelstoffen bij, en allerhande dingen, die wij onmogelijk kunnen gebruiken."
"_Ik_ heb dat besteld, Cornelie," verklaarde de aangesprokene ongeduldig; "laat die zaken op mijne kamer brengen!"
Nelly vloog heen, om het bevel te volvoeren, en de beide vrouwen stonden zwijgend tegenover elkander.
"Maar," vroeg eindelijk de jongste, "waartoe is dat noodig?"
"Hebt gij u reeds in den spiegel bezien, Cornelie?" was het bitse antwoord; "in die plunje kunt gij u ter nauwernood aan onze lieden vertoonen, nog minder op eene bruiloft."
Zij lachte.
"Ik heb reeds inkoopen gedaan, mama; voor Nelly een wit kleed, en voor mij een zwart zijden."
"Slechtste kwaliteit, dunne taf, paardrijders zijde, zooals men dat noemt, ik ken dat," antwoordde de dame spotachtig. "Genoeg, het blijft er bij; ik koop, wat ik oordeel dat noodig is--"
"Maar, mama!"
"Gij zult zeker vragen, waar komt het geld vandaan? Hoor eens, Cornelie, die firma heeft vroeger duizenden aan mij verdiend en zal ook nu nog wel de gravin Derenberg krediet geven--dat is voorloopig voldoende; laat mij voor het overige zorgen. Of wilt gij misschien, dat het huwelijk uws zoons plaats hebbe in een ledige zaal, waar de gordijnen ternauwernood nog aan de stokken blijven hangen, omdat zij door de mot zijn verteerd, en de overtrekken der meubels vol gaten zijn, zoo groot als die schotel daar? Uwe schoondochter zou geraakt den neus optrekken, denkt gij dat ook niet?"
"O, daaraan dacht ik niet," antwoordde de bleeke vrouw zacht, en sloot de deur, daar een koele tocht de zijden gordijnen ver naar binnen waaide. "Ik dacht slechts," voegde zij er terugkeerende bij, terwijl zij tegen den prachtigen salonvleugel leunde, die Blanka voor den zomer had laten komen, omdat zij, volgens haar zeggen, op het oude klavier in de woonkamer niet kon spelen, "ik dacht, omdat wij zoo geheel _en famille_ zijn--"
"Dat is weer een van uw overdreven denkbeelden, Cornelie! Army is geen weggeloopen knaap, die dáár bruiloft viert, waar hij toevallig een meisje aantreft; hij stamt af uit een der edelste geslachten des lands en zijne bruid is onze bloedverwante; daarom zal ik er voor zorgen, dat deze plechtigheid ten minste naar behooren gevierd worde. Uwe manier van denken over zulke zaken zou van een lam een tijger maken, Cornelie!"
De oude dame ging met een hoogrood gelaat hare schoondochter voorbij en trad aan het venster.
"Ik moet u toch dringend verzoeken, Cornelie," ging zij voort, "uw burgerlijke denkbeelden in vele zaken te laten varen, wanneer Blanka hier is; zij zouden een uitstekend middel zijn om haar het verblijf hier te verbitteren; zij kan die eeuwige kleingeestigheid en zuinigheid, die zelfs de boter voor iedere boterham afweegt, evenmin verdragen als ik, en voor alle dingen moeten wij nu zorgen, haar vast te houden--vast te houden tot elken prijs. Is eenmaal het 'amen' na de inzegening uitgesproken, dan zijn al onze bezwaren uit den weg geruimd."
Een donker rood had de wangen der schoondochter bedekt, en tranen kwamen haar in de oogen. Voor wie spaarde zij? Voor wie zorgde zij? Waarom ging zij zoo slecht gekleed? Opdat die grillige vrouw dáár zoo weinig mogelijk het drukkende der armoede zou gevoelen, en al was het ook maar gedeeltelijk, zóó zou kunnen leven als vroeger; zij zond elken avond Sanna met thee en koudvleesch naar boven terwijl Nelly en zij zich met een eenvoudige boterham tevreden stelden.
"Nu schreit gij waarschijnlijk ook nog, Cornelie," klonk weder de stem, die het Duitsch zoo hard en hoekig uitsprak, terwijl zij in hare moedertaal de zachtheid zelve scheen, "misericordia! wat zijn die Duitsche vrouwen toch gevoelige schepsels; ik kan mij zelve haast geen meester blijven, als ik dien tranenvloed zie stroomen; wat ik u zooeven zeide, was slechts tot ons aller bestwil--als gij het maar begrijpen wildet!"
Op dit oogenblik kwam Nelly weder binnen. "Het is al vijf uur, mama, en even na zessen kunnen wij hen verwachten; de tafel is beneden reeds gedekt, en Hendrik zal zoo dadelijk hier vuur aanleggen en de vensters sluiten--ik ben zoo nieuwsgierig," ging zij voort, "wat zij al te vertellen zullen hebben, hoe Blanka de rouw staat en hoe het testament is uitgevallen." Zij zag bij deze woorden hare moeder aan en bespeurde de tranen in hare oogen. "Schrei niet, mama!" fluisterde zij, "zoo aanstonds komt Army, onze lieve Army."
"Het testament?" vroeg de grootmoeder, "mon Dieu, Army de helft, zij de helft en onderscheidene legaten aan oude bedienden, hospitaal enz., en misschien ook aan den overste, die wel opgepast zal hebben ook zijn deel te krijgen."
"Ja, grootmoedertje, maar weet u nog wel, dat Army ons indertijd vertelde, dat Blanka overal gehouden werd voor de eenige erfgename--?"
"Och kom! Dan staat de zaak nog gunstiger--de man heeft altijd de beschikking over het vermogen zijner vrouw; trouwens, ik geloof het niet; tante Stontheim hield te veel van Army."
"Maar, wanneer nu het testament eens vóór dien tijd gemaakt is?"