Chapter 8
"Wel, dat is vreemd, voor zulk een liefelijke verschijning te verschrikken!" sprak de overste, een blik van bewondering op het jonge meisje werpende. "Mag ik u verzoeken, genadige vrouw, mij aan de jonge dame voor te stellen?"
De aangesprokene trok de schouders op, terwijl zij den ouden heer meewarig aanzag en trad naar het venster.
"Nu, dan zal ik mijzelf moeten voorstellen; overste Derenberg!" zeide hij vriendelijk.
"Dit is mijne vriendin, oom, Liesje Erving," voleindigde Nelly de voorstelling.
Het jonge meisje maakte een lichte buiging.
"Erving?" herhaalde de oude heer vragend.
"De dochter van den tegenwoordigen bezitter der Derenbergsche bosschen, oom," bevestigde Nelly, hare oogen op zijn ietwat blozend gelaat vestigende.
"Ah zoo," antwoordde hij. "Daarom kwam mij den naam ook al zoo bekend voor; uw vader is waarschijnlijk een liefhebber van het edele jachtvermaak?"
"Ja, heer overste, en buitendien verbruikt hij veel hout in zijne papierfabriek."
"Uw vader bezit dus eene papierfabriek? Maar hout--ik meende dat het beste papier uitsluitend van lompen vervaardigd werd?"
Om Liesjes mond speelde een schalksche glimlach.
"Zeker, overste. Daarom heet onze fabriek in den ganschen omtrek de lompenmolen, mijn vader de lompenmolenaar en ik lompemolenaars Liesje."
"Lompemolenaars Liesje?" herhaalde de overste lachende, en zag haar vroolijk aan. "Dat is toch een naam, die mij voor u minder gepast voorkomt."
"Ik draag hem toch gaarne," zeide zij, "ieder kind noemt mij zoo; altijd hebben de dochters uit ons huis dezen bijnaam gehad; 't zij lompenmolenaars Grietje, of Mina, of Lisette--"
Zij ontstelde, toen zij dezen naam zoo onnadenkend uitsprak, en zag beschroomd naar de oude dame, die nog altijd aan het raam stond, en zich nu ook opeens omkeerde, als had haar een adder gebeten.
"Lisette?" herhaalde zij. "Op dien naam behoeft gij u niet zoo trotsch te beroemen; die Lisette was een lichtzinnig schepsel, dat hare ouders veel verdriet heeft aangedaan--"
"De nagedachtenis van tante Lisette is mij heilig," antwoordde het jonge meisje, uiterlijk kalm; "zij was niet lichtzinnig; zij was slechts zeer ongelukkig, maar, zooals men mij verzekerd heeft, niet door eigen schuld, barones."
Hare lippen beefden van aandoening bij het uiten dezer woorden, en in hare stem was het kloppen van haar hart hoorbaar.
"Wat is dat voor eene Lisette? Wie was zij?" vroeg Blanka levendig, die juist binnentrad. "Wie beleedigt haar, en wat heeft zij toch misdaan?" Zij stond nu tusschen Liesje en de grootmoeder, en zag beiden beurtelings aan.
"Wees niet zoo vreeselijk nieuwsgierig, mijn kind!" vermaande de overste, "ik zeide u immers reeds, dat oude sloten hunne geheimen hebben, en--"
"Wie zegt u dan, overste, dat het slot iets met deze zaak te maken heeft?" De oude dame was doodsbleek geworden.
"Nu ja," antwoordde hij bedachtzaam, en zag haar scherp aan, "ik combineer gaarne--"
"Het is zeer jammer, overste, dat gij geen romanschrijver geworden zijt. Gij hebt uwe carrière gemist."
"Vaarwel, Nelly," fluisterde Liesje, terwijl zij haar een kus op de wang drukte; zij boog voor de aanwezenden en verliet het vertrek; zij vloog letterlijk de gang door en het voorplein over. In de linden-allée stond zij plotseling voor--Army.
"Juffer Erving--" zij zag naar hem op; zijn gelaat stond ernstig.
"Juffer Erving--" herhaalde hij, "hebt gij gehoord, wat in onze huiskamer gesproken werd?"
"Ja," antwoordde zij bedaard.
"Het is juist niet zeer--hoe zal ik het noemen?--zeer bescheiden, te luisteren, wanneer er familie-aangelegenheden besproken worden--"
"Ik heb niet geluisterd, heer baron!" riep zij trotsch, "was er een andere uitgang aan de kamer geweest, ik zou die gaarne verlaten hebben, voor altijd gaarne, maar--"
"Gij hadt door de huiskamer kunnen gaan--"
"Neen, uwe moeder zelve heeft mij verzocht uwe grootmama uit den weg te blijven, want zij kan mij niet uitstaan; ik ben immers de dochter uit een huis, waarmede men niet fatsoenlijk verkeeren kan, heer luitenant--dat weet gij toch; ik was dus wel gedwongen te blijven; het liefst was ik uit het raam gesprongen." Bij deze woorden kwam een bittere trek om haar kleinen mond.
"Nu, hoe het ook zij, ik bid u, niet over het gehoorde te spreken. 't Is geen gemakkelijke taak, te voldoen aan het verzoek om deze openbaringen niet verder te verspreiden--ik geloof het gaarne--onze familie bood reeds van vroeger altijd stof genoeg tot praatjes in den omtrek; maar ik vertrouw, dat gij u dat offer van geheimhouding wel getroosten wilt, als ik u er aan herinner, dat wij vroeger trouwe vrienden waren--nietwaar, Liesje?"
Hij stak haar de hand toe, maar het meisje trad eene schrede terug en kruiste de armen op de borst.
"Eene belofte zal wel niet noodig zijn," antwoordde zij somber; "ik zou toch gezwegen hebben, want uwe gesprekken beleedigden gedeeltelijk mijn vader--mijn vader, in wiens huis gij zoo gaarne kwaamt, ook in dien tijd, dat wij nog 'trouwe vrienden' waren, zooals gij zegt."
Hij deed ontsteld een stap achterwaarts.
"Wat? Ik heb geen woord over uw vader gesproken."
"Maar aangehoord, dat men hem een parvenu noemde--dat men hem beschuldigde den adel en de familie Derenberg in het bijzonder te haten en dat hij op wraak zon--en het kalm aanhooren van lasteringen, terwijl men van de onwaarheid ten volle overtuigd is, staat gelijk met eene bevestiging daarvan. Uw gevoel van recht schijnt onder zekere omstandigheden te kort te schieten, heer luitenant!"
Een gevoel van bitterheid, vermengd met diepe smart van hopelooze liefde, vervulde haar. Eerst toen zij, met een koele buiging hem den rug toekeerende, zonder om te zien haastig een eind weg was, vulden hare oogen zich met tranen. Zij zag het niet hoe hij haar nog lang nastaarde, en eerst, toen zij verdwenen was, met een somber gelaat langzaam naar het slot ging.
Toen Army binnentrad, scheen er eenige rust na den storm gekomen te zijn; allen zwegen ten minste. De overste had een sigaar opgestoken en lag oogenschijnlijk zeer tevreden in een der ouderwetsche leunstoelen, terwijl de oude barones recht als een kaars op de sofa zat, en zenuwachtig haar dunne witte vingers bewoog. Blanka stond voor het raam en staarde naar buiten in het park; de lange sleep van haar donkerblauw rijkleed lag onbewegelijk achter haar over den vloer, en zij verroerde zich zelfs niet, toen haar verloofde naast haar kwam staan. Hij verstond de knorrige vraag der oude dame niet, die hem toeriep, waar zijne moeder was en of zij ook haast kwam. Hij zag alleen het bekoorlijke wezen naast hem, dat er in haar rijkleed nog sierlijker en kinderlijker uitzag dan anders; hij nam zacht een harer goudkleurige vlechten, die los op den rug hingen, en drukte zijne lippen er op. De jonge dame schudde, zonder om te zien, heftig het hoofd, en trok met haar kleine handen het haar over den schouder.
"Blanka," zeide hij verwijtend, en boog zich voorover om haar in het gelaat te zien. Zij wendde het hoofd af en staarde schijnbaar met belangstelling naar buiten.
"Heb ik u beleedigd, Blanka?" vroeg hij zacht. "Zijt gij boos op mij?"
Zij hield haar beide handen voor de ooren.
"Neen, neen, om Godswil, neen!" riep zij hartstochtelijk, zich opeens omkeerend; "ik bid u, Armand, vraag toch zulke bespottelijke dingen niet! Gij ziet immers, dat ik op 't oogenblik geen lust heb, uw verliefd gefluister en uwe liefkoozingen aan te hooren; ieder ander zou het dadelijk begrepen hebben, en gij vraagt, of ik boos ben en al zulken onzin meer." Zij trapte kregel met den voet.
Army's gezicht werd donkerrood. "Vergeef mij," sprak hij en ging naar de pianino. Hij opende die en sloeg een paar accoorden aan.
"Ik bid u, speel niet!" riep Blanka, en hield weder de handen voor de ooren.
Hij stond op. "Speel gij dan iets!" vroeg hij, "ik zou zoo gaarne wat muziek hooren; dat heeft voor mij altijd iets kalmeerends, iets verzoenends."
"Ja, speel wat, mijn lieve!" sprak nu ook de overste, die van de gansche woordenwisseling slechts het laatste gehoord had, en wien het aangenaam zou zijn, hierdoor de pijnlijke spanning tusschen hem en de oude dame te kunnen verbergen.
"Op _dat_ instrument _dáár_?" vroeg zij. "Neen, dáárop kan ik niet spelen; ik mag die rammelende tonen zelfs niet gaarne hooren. Buitendien ben ik ook te vermoeid van den verren rit," voegde zij er bij.
Een oogenblik zag Army toornig; toen ging hij naar het oude, versmaadde instrument, sloot het en naderde weder zijne verloofde; zij had haar kleine rijzweep in de hand genomen en speelde met den zilveren knop, terwijl de oude dame opstond en het vertrek verliet.
"Ik wil gelooven, dat gij werkelijk vermoeid zijn, anders was het meer dan een bloote luim, dat gij op mijn verzoek weigerdet te spelen," merkte hij met gedwongen houding aan.
"Geloof het, mijn lieve jongen; geloof het," sprak lachend de oude heer en sloeg hem op den schouder; "men komt zóó het verste; ik merk wel, gij zult het best met haar vinden."
Army beet zich op de lippen.
"Mag ik u naar uwe kamer brengen?" vroeg hij aan zijne verloofde, "als gij wat uitgerust zijt, hoor ik na het eten misschien nog wel iets van u, nietwaar?"
"Ik geloof het niet," antwoordde zij; "want ik heb hoofdpijn en zal heden mijne kamer houden."
De overste lachte. "Nu, goeden nacht dan, en goede _beterschap_," en daarmede ging hij, nog lachend, terwijl hij zijn neef toeknikte, uit de kamer.
Blanka nam de sleep van haar rijkleed over den arm en volgde hem; zij ging zonder een woord te spreken Army voorbij.
"Blanka," vroeg hij zacht en versperde haar den weg, "wilt gij mij niet goeden nacht zeggen?"
"Gij behandelt mij als een ondeugend kind," riep zij driftig: "het verwondert mij, dat gij nog niet eischt, dat ik u om vergeving zal vragen; het kan u niet schelen of ik hoofdpijn heb of niet."
"Het een zoo min als het ander. Ik verlang noch een verzoek om vergeving, noch weiger ik u mijne deelneming in uw hoofdpijn; maar mij is het onmogelijk, zoo zonder 'goeden nacht' van u te gaan. Nietwaar, Blanka? dat is ook niet aangenaam. Wanneer twee menschen elkander zoo liefhebben als wij, dan is het verlangen naar eene opheldering, naar een goed begrijpen van elkaar zoo natuurlijk."
Hij was haar bij deze woorden genaderd en wilde haar tot zich trekken, maar zij ontweek hem met een ongeduldige beweging en vertrok haar mond een oogenblik tot een spotachtigen lach.
"Indien gij mij werkelijk liefhadt, zoudt gij mij zulke dwaze zedepreeken niet houden, daar gij immers weet dat ik vermoeid ben. Het is verschrikkelijk," vervolgde zij, "welke opvatting gij schijnt te hebben van onze onderlinge verhouding; die eeuwige stijve manieren; dat voegen van den een naar den ander, zonder een eigene meening te durven uiten; dat opgaan in elkander--het is een knellende, ontzettende keten, maar geen geluk! Ik wil vrij zijn--hoort gij? vrij zijn!" herhaalde zij nog eens, en dreunend viel de zware deur achter haar dicht.
Hij stond als versteend en staarde op de deur door welke zij verdwenen was.
Het was stil geworden in de groote kamer; het avondrood wierp zijn gloeiend schijnsel door de vensters en vervulde het vertrek met een rooskleurige schemering. Langzamerhand verbleekte de purperen gloed en daalde de grauwe sluier van den avond op de aarde neder. De jonge man trad naar het venster en staarde onafgewend naar buiten, de lippen wrevelig op elkander gedrukt; plotseling kromp hij ineen; klanken van boven troffen zijn oor. Haastig opende hij het venster en nu vernam hij duidelijk de heerlijke tonen eener wals uit den Faust, zoo maatvast en opwekkend gespeeld, als zij alleen het kon; als parelsnoeren rolden de passages over de piano en daartusschendoor verhief zich, met meesterlijke kracht, de melodie.
"Zij speelt," mompelde hij, en zijn gebalde vuist viel toornig op de harde vensterbank. "Is zij zonder luim of nuk, 't is voorwaar een groot geluk," lachte hij bitter; toen verliet hij de kamer.
Buiten omgaf hem een zachte, zoele avondlucht. Hij richtte zijne schreden onwillekeurig langs de slotgracht, waaruit de vlier zijn uitgebloeide takken naar boven stak, en bleef toen onder haar venster staan. Dicht bij hem verhief zich de oude toren, en de witte klimrozen, wier ranken er tegen opklommen, blonken hem helder toe in de duisternis--daarboven was het spel opgehouden. Maar neen, daar begon het opnieuw--een sombere, zwaarmoedige melodie; hij kende den tekst:
"Daar staat ook een mensch en ziet naar boven. En wringt zich de handen in bittere smart,"
Hoe meesterlijk werd dat voorgedragen! Plotseling verstomde de muziek met een schrillen wanklank. Army haalde ruimer adem. Hij, die zoo trouw en vurig beminde, poogde te vergeefs het gemoed zijner bruid te ontraadselen; met geweld drong zich heden avond de bange vraag bij hem op: als zij u eens niet liefhad? "Liever sterven, dan van haar afstand doen!" mompelde hij, zijn weg vervolgende, en dacht onwillekeurig aan de schoone Agnese Mathilde en den jonker van Streitwitz, die hier in den tuin begraven moest liggen. Ontstemd trad hij de naaste laan in. De verloopen namiddag met al zijn onaangename ondervindingen kwamen hem weder voor den geest; tegenstrijdige gevoelens maakten zich van hem meester; de herinnering aan het gesprek van oom met grootmama, en de vele hatelijke toespelingen op het verledene; Blanka's halsstarrige weigering om hier te wonen en dan de bestraffende woorden, hem door Liesje daar in de allée toegevoegd, toen hij haar verzocht, het gehoorde niet te verraden! Zij hadden hem diep beschaamd, die eenvoudige woorden en die smartelijk verwijtende blik; hij had den braven man daar in den molen laten belasteren, zonder een woord ter zijner verdediging te zeggen--uit gedachteloosheid; in gespannen oplettendheid was hij den woordenstrijd gevolgd, die zijn lievelingswensch zoo ruw verijdelde, den wensch, met Blanka in het voorvaderlijke slot te wonen. Maar Liesje moest wel meenen, dat hij juist zoo dacht als--"o neen, neen, zeker niet; haar vader is een eerlijke, brave man." Dat was bij slot van rekening dan ook vrij onverschillig--neen, het laatst gebeurde, dat had den angel het diepst in zijn borst gedrukt. De bittere woorden zijner bruid klonken hem weder in de ooren: "Welke opvatting hebt gij toch wel van onze wederzijdsche verhouding?" en dan: "een keten is het, een drukkende keten, maar geen geluk."
"Een _keten_!" herhaalde hij halfluid, terwijl hij staan bleef; snel voegde hij er echter bij:
"Bah! Meisjesgrillen, anders niets! Zij is ook te schoon, te trotsch--zij heeft een te eigenaardig karakter, om zich binnen de enge grenzen te beperken, die om eene vrouw getrokken zijn." Hij had dat moeten bedenken, meende hij; hij moest niet altijd en altijd weder trachten, haar tot _zijne_ denkbeelden over te halen, dat was vernederend voor haar; zij had gelijk ontstemd te zijn, zijne schoone, trotsche verloofde. En zij had hem immers lief; dat had zij hem zoo dikwijls op zijn dringende vragen verzekerd. In den herfst, had oom Derenberg gezegd, in den herfst zou zij de zijne, onherroepelijk de zijne worden. En moest voor dit zalig vooruitzicht niet alle tegenwoordig leed wijken?
De nachtwind was opgestoken; boven het hoofd van den jongen man boog hij de takken te zamen tot een zacht geruisch, en krulde de oppervlakte van den donkeren vijver aan Army's voeten; hij voerde alle droevige gedachten naar de verste verte en bracht verzoenende liefde en zoet verlangen door den stillen, zoelen zomernacht. "In den herfst," sprak Army nog eens zacht, "in den herfst, dan komt het geluk!"
Negende Hoofdstuk.
De zomer was voorbij gegaan en de herfst begon het loof der bosschen bont te kleuren; een kristalheldere blauwe hemel welfde zich over de aarde; in de lindenbaan van het slotpark lagen de eerste verdorde bladeren op den grond, en in Ervings tuin bloeiden de asters en dahlia's in bonte kleurenpracht. Over de wijnstokken waren netten gespannen, om de snoeplustige musschen te weren; uit het loof der ooftboomen keken de rijpe, goudgele vruchten met roodgekleurde wangen naar buiten, slechts wachtende om geplukt te worden.
In den molen was alles zijn gewonen gang gegaan; hoe spoedig was die zomer voorbij, en nu verheugde men zich weder in het vooruitzicht van de lange winteravonden bij de warme kachel. De lieden in den molen verheugden zich trouwens ook nog op iets anders: zij wisten immers allen, zoowel de arbeiders in de fabriek, als Mina en Doortje in de keuken en Peter in den stal, dat er spoedig eene bruid in huis zou komen; voor hen, die oogen hadden om te zien, was het zonneklaar, dat de heer Selldorf en "onze Lise" een paar zouden worden. De flinke, blonde man blonk immers de liefde zoo duidelijk uit de eerlijke, heldere oogen, en met niemand ging de heer des huizes zoo vertrouwelijk en hartelijk om, en geen zijner collega's ontving zulke vriendelijke blikken van Liesjes moeder, als hij. Zelfs tante knikte hem steeds zoo welwillend toe, en als er beneden in de keuken over hem gesproken werd, zeide zij altijd: "een flink mensch, die Selldorf!"
Alleen Liesje scheen van dat alles niets te merken; wel was zij altijd vriendelijk en aardig jegens den leerling haars vaders en zette de groote struiken vergeet-mij-niet, die hij haar nu en dan medebracht, dadelijk in schoon water, maar overigens kon niemand iets van de liefde bespeuren, welke men volstrekt wilde dat zij hem zou toedragen, welke moeite Mina en Doortje zich daartoe ook gaven.
"Zij houdt zich maar zoo," meende de laatste, "dat is zoo de mode bij de voorname lui, maar van binnen is het anders gesteld, nietwaar, tante?"
"Die veel praten, liegen veel!" had deze geantwoord; "bekommer u niet om Lise, maar blijf bij uw potten en pannen! Bruiloft zullen wij wel eenmaal in huis vieren. Wie echter de bruidegom zijn zal, weet God alleen; wij kunnen niet in de toekomst zien, en daarom, houdt uw mond over zaken, die u niet aangaan. Maar gij denkt nergens anders over, dan over vrijers en trouwen. Lise weet zeer goed:
"Bij vrijen, als bij paarden koopen, Meisje, doe uw oogen open!"
De oude had hierbij ernstig met het hoofd geknikt.
Maar, hoeveel ingang hare woorden anders ook vonden, nu gingen zij het eene oor in, en het andere uit; zij wisten het immers veel te goed, dat de heer Selldorf zin aan de juffer had; de tijd zou het leeren, wie gelijk had.
Ondertusschen bracht tante met haar gewonen ijver den wintervoorraad in kelder en provisiekamer en Liesje moest overal bij zijn en aan alles helpen, "want zie, mijn liefje, het is voor de aanstaande huishouding," zeide de oude vrouw.
Dezen middag werd er aan de oude noteboomen geweldig geschud en getrokken, bladeren en vruchten vielen op den grond, waarover een groot laken gespreid lag; Peter en Christoffel sloegen met lange stokken onbarmhartig in de takken, en drie of vier kinderen kropen en tuimelden over elkander in de drukte van het oprapen.
Liesje, die Nelly bij zich had, had juist de plaats en de kinderen verlaten en nu stonden de jonge meisjes in het zomerhuisje voor het huis, bij de steenen tafel, waarover de oude vrouw een helder wit tafellaken legde, en wachtten zwijgend, tot zij het koffieblad van de bank en op de tafel gezet had.
"Nietwaar, tante, gij drinkt hier buiten bij ons koffie?" vroeg Liesje.
"Dat kan ik wel doen; in de huiskamer is ook bezoek," antwoordde zij; en naast Nelly plaats nemende, verzocht zij Liesje een kopje voor haar te halen. "Zoo vlijtig?" vroeg zij, toen het meisje naast haar uit een korfje een handwerk te voorschijn haalde en ijverig begon te werken.
"Een huwelijksgeschenk voor Army!" antwoordde zij vriendelijk.
"Lieve God, hij is toch nog erg jong," sprak de oude vrouw, terwijl zij het gevulde kopje dankend van Liesje aannam. "Het heugt mij nog als gister, dat hij over de brug kwam aanloopen in zijn zwart kieltje."
Nelly knikte; Liesje echter zag onwillekeurig naar de brug, waaronder het water helder en haastig heenliep.
"Wie is daar binnen bij vader?" vroeg zij met een bedrukte stem, alsof zij het gesprek op iets anders wilde brengen; tegelijkertijd lachte zij hare moeder tegen, wier gelaat een oogenblik aan het venster zichtbaar werd.
"Een vreemd heer,--ik ken hem niet," antwoordde tante; daarop zette zij plotseling haar kopje neer, schoof haar bril iets lager en zag daarover heen naar den weg aan de overzij van het water. "Heilige God," zeide zij, "was dat Sanna niet, Nelly, die daar onder de boomen liep? Zij is nu achter die elze- en wilgeboomen--ik heb haar in langen tijd niet gezien, maar het scheen mij haar gang toe. Ziet gij, waarlijk zij is het," en zij wees op de groote vrouw, die met het, donker gewaad en wit voorschoot over de brug kwam.
"Sanna!" riep Nelly, en sprong op, "mijn God, wat is er toch gebeurd?"
"Mevrouw de barones laat vragen," klonk het met een vreemd accent uit den mond der oude dienstbode, "of de freule niet dadelijk bij haar wil komen."
"Om Godswil, Sanna, wat is er voorgevallen?" vroeg het jonge meisje haastig, haar werk opbergende. "Moet ik bij mama komen of bij grootmama?"
"Natuurlijk bij grootmama," antwoordde de oude, zonder Liesje of hare tante, die Nelly hielpen haar borduurwol in te pakken, met een blik te verwaardigen. "Uwe grootmoeder is zeer boos, dat gij niet te huis waart, zóó boos, dat ik maar aanstonds hier heen ben geloopen, omdat mevrouw uwe moeder meende, dat gij wel weder naar den molen gegaan zoudt zijn, en Hendrik had geen tijd; hij moest brieven naar de post brengen."
"Zeg het toch, Sanna!" bad Nelly, en zag de magere vrouw angstig aan, "is er iemand ziek, of zijn er slechte tijdingen gekomen?"
"De oude barones heeft een brief met een doodbericht ontvangen," antwoordde de oude en zag tante, die opgestaan was, met donkere blikken aan.
"Om Godswil!" riep Nelly en zag Sanna ontsteld aan; "het is Army toch niet? Sanna, lieve Sanna, gij weet het wel--zeg het toch! Ik bid u," en zij liep naar haar toe en vatte smeekend hare beide handen.
Liesje ging echter op de steenen bank zitten; het was haar, alsof hare beenen haar niet langer wilden dragen; als onbewust, staarde zij met wijd geopende oogen op de groep.
"Ik weet het niet," antwoordde schouderophalend de oude dienstbode, terwijl Nelly haar gelaat met de handen bedekte en nogmaals snikkend uitriep:
"Army! Almachtige God, zoo het Army eens ware!"
"Wees gerust, Nelly," troostte tante haar nu, en sloot het weenende meisje in hare armen. "Uw broeder is het niet; dan zoude zij daar niet zoo rustig staan--ga gauw naar huis en wees getroost! Hij is het niet."
"Och, tante!" snikte zij, "ik kan van angst niet op mijn beenen staan."
"Schrei niet, genadige freule!" zeide nu ook de oude Sanna, sterk op de benaming "genadige freule" drukkende; "gravin Stontheim is overleden, maar de barones had mij verboden er hier in den molen over te spreken, daar zij alle gebabbel wil vermijden, en hier--" zij hield het overige voor zich, en wierp een uitdagenden blik op de tante, die nog altijd naast het weenende meisje stond.
"Nu," merkte deze aan, "gij moogt het wel voor u houden, juffer Sanna; wat raakt het mij, of die tante dood is of niet. Maar daarom behoeft gij het arme kind niet zulk een schrik aan te jagen met uw doodsbericht, het was vroeg genoeg als zij het te huis vernam."
"Ik heb met u niets te maken; ik doe slechts wat mijne meesteres mij beveelt," antwoordde de oude dienstbode minachtend.
"O ja! dat weet ik nog van vroeger," sprak tante, wie eensklaps het bloed naar de wangen vloog; zij zag hare vijandin doordringend aan.
"Ik ga een eind met uw mede, Nelly," riep Liesje, als uit een droom ontwakende, en volgde haar vriendin, terwijl Sanna, als aan den grond genageld, staan bleef.
"Wat bedoelt gij toch?" vroeg zij, en zag tante met een blik aan, vol onverzoenlijken haat. Uit de houding van deze beide vrouwen was het duidelijk te zien, dat hier een oude, lang onderdrukte veete weder ontbrandde.