Chapter 7
De oude barones stond vóór haar, juist toen de jonge man zijne lippen op den mond zijner moeder drukte.
"Army," begon zij, blijkbaar geërgerd over dit betoon van hartelijkheid, "gij weet, wat gij nu het eerst te doen hebt. Gij reist naar tante Stontheim en vraagt formeel om Blanka's hand, en dan zal al het andere, hoop ik, zich vanzelf schikken. Aan Blanka's vader schrijft gij slechts; met dien mensch zullen wij, hoop ik, in ieder geval niet in aanraking komen."
"Zeker, grootmama," viel hij haar met zachte stem in de rede. Hij naderde Nelly, die in een grooten leunstoel gehurkt, de handen voor de oogen hield; "kleine," sprak hij zacht, "hebt gij geen vriendelijk woord voor mij?"
"Och, Army," snikte zij, "ik--ik schrikte zoo, toen ik u samen zag, en het bedroeft mij zoo, dat--"
"Maar, Nelly, het is toch voor ons allen zeer gelukkig, dat het zoo ver gekomen is, en ik heb Blanka zoo lief--"
"Heeft zij u ook lief?" vroeg zij ernstig, zijne hand vattende, "weet gij dat zeker?"
"Maar, kindlief! denkt gij, dat zij mij zonder dat zou willen trouwen? Zij, die zoo schoon en gevierd is?"
Nelly schudde het hoofd en zag haar broeder met betraande oogen aan.
"Ik stelde mij alles zoo geheel anders voor," fluisterde zij.
"Kleine gekkin!" sprak hij, en streek haar zacht liefkoozend over hare lokken. "Maar, nietwaar Nelly, het is toch heerlijk, dat ik zoo gelukkig ben?"
Zij lachte door hare tranen heen en verliet toen schielijk het vertrek. Buiten klonk het eerste rollen des donders van het naderende onweer in den zwoelen nacht.
"Nelly is ziek, vrees ik," sprak hare moeder bezorgd, "hare handen waren gloeiend heet."
"Och kom, zij is in een kwaden luim; zij mokt, omdat haar Liesje, naar hare meening, vandaag niet vriendelijk genoeg bejegend is," verklaarde de oude barones wrevelig. "Ik wed, dat zij reeds naar den molen geweest is, en het onnoozele kind om verschooning gevraagd heeft; het is waarlijk ongehoord."
"Zij scheen er vandaan te komen, toen zij ons zoo onverwacht ontmoette; overigens, moet ik bekennen, en Blanka vindt het ook, grootmama! dat gij veel te lomp jegens het meisje waart."
Op dit oogenblik doorkliefde een helle bliksemstraal de lucht, gevolgd door een zwaren donderslag.
"Misericordia, welk een weer!" riep bevend de oude dame, op wier lippen het scherpe antwoord door den schrik bestierf, "zou Blanka ook bang zijn?"
Daar vloog de deur open en in het ruime, witte cachemiren kleed stond de jonge dame plotseling midden in het vertrek; zij hield de handen voor de ooren en zag angstig in het rond.
"Ik ben zoo bang," sprak zij huiverend, en liet zich in den stoel vallen, dien Nelly zooeven verlaten had.
Army ijlde naar haar toe; hij zag haar bleek gelaat en vatte hare koude, kleine hand.
"Ik zou om niets ter wereld altijd hier willen wonen!" vervolgde zij, en stampte met haar klein voetje heftig op den grond.
"Waar wilt gij _dan_ wonen, mijn kind?" vroeg de oude barones verwonderd.
"_Dan_ wonen?" herhaalde verbaasd de jonge dame, die voor een oogenblik haar angst totaal vergeten scheen te zijn. "Wel, lieve grootmama, meent gij dan, dat Army en ik ons hier zullen begraven? Neen, nietwaar, Army? Wij gaan eerst reizen en wat van de wereld zien; ik ken nog geen der groote badplaatsen, Ems, Baden-Baden, dan Zwitserland, Italië--verbeeld u eens Italië, waar gij mij gister nog zooveel van verteld hebt, en dan, als wij dat alles gezien hebben, zoeken wij een plekje uit, waar het ons bevalt om te wonen." Zij zweeg opeens, want een nieuwe bliksemstraal en donderslag deden het oude slot op zijne grondvesten schudden.
Army hield de hand zijner verloofde vast; hij stond rechtop naast haar en luisterde naar den wegstervenden donder; de oude dame naderde echter het jonge paar met een gelaat, waarop de hoogste verbazing te lezen stond, terwijl hare schoondochter angstig luisterde naar hetgeen die kleine mond zei, als iets dat van zelf sprak.
"Wij zullen wel dáár moeten wonen, Blanka," sprak nu de jonge man kalm, "waar tante Stontheim het verkiest."
"Neen, nooit!" antwoordde zij driftig, "ik wil hier in dit oude slot niet eens begraven worden; ik ben nog jong, en wil het leven genieten; Army! gij zult mij gelijk geven. Hier wonen? Nooit of nimmer! Tante is te verstandig, zij zal dit niet van mij vergen; neen, zeker niet," voegde zij er bevestigend bij.
"Zeker, Blanka, wij zullen reizen; maar onze vaste woonplaats heeft tante te bepalen."
"En wanneer zij Derenberg kiest, dan--dan ga ik niet mede; ik verzeker u, ik ga niet mee; het is hier veel te stil; ik zou sterven in deze eenzaamheid."
"En zoudt gij mij hier alléén willen laten?" vroeg Army zacht en bukte zich om haar aan te zien. De toon was schertsend, maar klonk toch eenigszins angstig; "en gij hebt mij straks in den tuin nog verzekerd, dat gij slechts gelukkig zoudt zijn, waar--"
Zijne stem daalde tot zacht fluisteren.
Een heftig hoofdschudden was het antwoord. "Neen, neen," riep zij daarop; "zoo meende ik het niet, Army! Mijn weinigje vrijheid laat ik mij niet ontnemen, het zou mijn dood zijn, als ik dagelijks door de koude, hooge gangen loopen en in het donkere park uitzien moest."
"Als echter uw aanstaande echtgenoot wenscht, dat gij hier blijft?" vroeg de oude dame met ingehouden adem; hare handen grepen krampachtig de plooien van haar kleed.
"Hij _zal_ het niet wenschen," riep zij hartstochtelijk en sprong overeind; haar lief gelaat had een dreigende uitdrukking aangenomen en haar voet stampte hevig op het tapijt; geen spoor was er meer van de minzaamheid van dien avond. De eigenzinnigheid vertoonde zich op eens in hare hatelijkste gedaante, en haar stem klonk scherp en ruw.
"Het is belachelijk, inderdaad belachelijk," ging zij voort, "de vrouw als eene slavin te behandelen en tegen haar te zeggen, dáár, waar uw man zich gelukkig gevoelt, moet gij het u noodwendig ook doen, en doet gij het niet, dan is het uwe zaak te zien hoe gij u redt! Army kan en zal mij zoo niet behandelen; ik heb hem mijn woord gegeven de zijne te worden, het ligt aan hem, mij gelukkig te maken, maar hier _kan_ en _wil_ ik niet wonen."
"Blanka," riep hij, en zijne groote oogen zagen verschrikt het jonge meisje aan, dat straks onder duizend liefdesbetuigingen zijne verloofde geworden was.
"Blanka! ik bid u, houd op! gij zijt opgewonden van angst en schrik." Hij schelde en bracht haar naar haar stoel terug. "Een glas water," beval hij Hendrik, die binnentrad.
De oude dame zag als versteend naar de verloofde van haren kleinzoon. Zou dit kleine wezen al haar kostelijke plannen in duigen werpen? Zou zij evenals vroeger hier eenzaam leven? Zou zij van dien schitterenden rijkdom niet genieten? Zich niet koesteren in de stralen, die een frisch, vroolijk leven hier zou verspreiden? Ontsteld viel zij op een stoel en sloeg een donkeren blik op den jongen officier, die juist het glas water uit Hendriks hand aannam en het zijne verloofde toereikte.
Plotseling klonk een flauwe kreet uit het belendend vertrek. "Nelly," riep de jonge barones ontsteld, en verdween door de kamerdeur. "Kind, wat scheelt u toch?" vroeg zij angstig, terwijl zij zich over het op de sofa liggende meisje heenboog en de hand op haar brandend voorhoofd legde.
"Och, zij is vreeselijk mama, zij is vreeselijk!" snikte het kind; "mijn Army, mijn lieve, goede Army! Zij heeft hem niet lief, mama, geloof mij."
"Heb maar geen zorg, liefje!" troostte de moeder zacht; "zij is slechts wat nukkig; alles zal nog wel terecht komen."
"Neen, neen, mama! O, toen ik haar aanzag, schoot mij de oude kroniek te binnen, en het vers over het roode haar. Och! dat zij weer wegging, van avond nog, en maar nooit, nooit weerkwam!"
Liefkoozend poogde de moeder het opgewonden meisje tot bedaren te brengen; haar hart was zelf zoo vol angst! De bleeke vrouw boog het hoofd en hare oogen vulden zich met tranen. Nelly sliep onder de troostredenen harer moeder in. Het was een onrustige, koortsachtige slaap, maar toch liet de bezorgde, bleeke vrouw haar dochtertje alleen. Zij had immers nog een kind, haar Army. Voorzichtig zag zij om den hoek van de deur; de oude dame en de schoone verloofde waren verdwenen; maar dáár, in de diepe vensternis, stond _hij_ nog, haar lieveling, en staarde naar buiten. Zij naderde hem, en de hand op zijn schouder leggende, sprak zij zacht: "Army!" Hij keerde zich om en zag haar vragend aan. Zij zweeg, maar hare oogen bleven met een angstig onderzoekenden blik op het schoone, trotsche gelaat gevestigd.
"Wees gerust, mama!" zeide hij haastig, hoewel met eenigszins onvaste stem, "zij is een bedorven kind, een zeer bedorven kind, maar zij heeft mij lief--zeker, ik weet het; zij zal zich veranderen; het spijt haar immers al, dat zij zoo driftig werd."
De moeder onderdrukte met geweld hare tranen en streek zacht over zijn voorhoofd. "Goeden nacht, Army," fluisterde zij.
"Goeden nacht, mama," antwoordde hij, haar teeder kussende, "wees voor mij niet bezorgd."
Sedert waren veertien dagen verstreken. Storm en regen hadden al de frissche bloesems van boomen en heesters geschud en ze als versche sneeuw over den grond gestrooid, maar in plaats daarvan bloeiden in den tuin des molenaars de rozen allerprachtigst en de lindeboom in het slotpark stond in vollen bloei. Zeer dikwijls was Liesje in den laatsten tijd dien weg gegaan, welken zij gemeend had niet zoo spoedig weer te zullen betreden. Maar Nelly was erg ziek geweest, en de oude Hendrik had op haar verlangen hare vriendin bij haar ziekbed moeten halen. Uren aaneen had Liesje daar gezeten, in het hooge schemerachtige vertrek, en de kleine, van koorts gloeiende hand in de hare gehouden.
De boodschap, die Lise op het slot riep, was juist gekomen midden in het gewoel, waarover tante Marie gesproken had. De predikant met vrouw en kinderen, alsook de houtvester, waren op hun tijd verschenen, en Liesje had al hare vermogens moeten inspannen, om evenals vroeger de kinderen bezig te houden, waarbij zij gelukkig in den heer Selldorf een goeden steun vond. Op eens was Hendrik binnengekomen met zijne boodschap, en Lise had zich slechts even opgehouden om de toestemming harer ouders te vragen, die zij natuurlijk aanstonds verkreeg, hoe ongaarne men haar juist heden ook miste in den blijden kring. "Tante Liesje, kom gauw weer; dag tante Liesje!" hadden de vroolijke kinderstemmen haar nageroepen, terwijl achter de gordijnen een blonde, jonge man had gestaan, en twee trouwe, heldere oogen de slanke gedaante nastaarden, die juist in het bosch verdween, terwijl een mismoedige trek op zijn gelaat zichtbaar werd. Wat was er van dien zoo vurig verlangden Tweeden Pinksterdag geworden! In plaats van eene partij in het bosch--regen; in stede van vriendelijke blikken uit blauwe oogen--de plagerijen der wilde jongens, door wie Selldorf reeds tot oom was gepromoveerd. Op het slot was in die veertien dagen veel gebeurd.
Army had van een kort bezoek bij tante Stontheim, hare toestemming en een keurig equipage voor zijne verloofde meegebracht en in een vriendelijk schrijven had Blanka's vader de jongelieden zijn zegen gegeven. Zij was weder de beminnelijkheid zelve en had uit eigen beweging verklaard, dat het haar leed deed, zoo heftig te zijn geweest op den avond harer verloving, maar een onweder maakte haar altijd erg zenuwachtig; Army was overgelukkig, ten minste zoo scheen het Liesje toe. Hij bezocht de donkere ziekenkamer dikwijls, om naar zijne zuster te zien en zijn gelaat straalde altijd, als hij zich over haar heenboog en een groet bracht van zijne bruid. De laatste was slechts ééns aan het ziekbed verschenen; maar hare vluchtige vragen, hoe of het ging en of Nelly haast weer kon opstaan, gevoegd bij de drukke verhalen van al hare uitstapjes en plannen bij haar huwelijk, maakten het jonge meisje zóó zenuwachtig, dat zij bij haar vertrek in tranen uitbarstte.
"Laat haar toch niet weerkomen," klaagde zij, "ik word zoo angstig in haar nabijheid, en hare parfumerieën geven mij hoofdpijn." Van Lise had Blanka geen notitie genomen, hoewel zij bij het bed stond. Grootmama kwam nooit in de ziekenkamer, zoolang zij wist dat Liesje er was; en Sanna mompelde zoo iets van eigenzinnigheid, en dat zij even goed eene zieke kon verplegen als dat nietige ding, daar uit den molen; "dat was weer zoo'n idée van de jonge barones."
Eindelijk was de ziekte geweken; de donkere gordijnen in de ziekenkamer waren opgehaald, de ramen geopend en Nelly lag op de sofa met welgevallen de frissche boschlucht in te ademen, die het vertrek binnendrong, terwijl Liesje naast haar zat en met haar praatte. Zij waren alleen. Blanka's vader was gekomen om, zooals Nelly fluisterde, met grootmama en Army te spreken op last van tante Stontheim. "Ik ben heel blij," voegde zij er bij, "dat ik weg mocht blijven, want van het oogenblik af dat de brief kwam, die ooms komst meldde, ziet grootmama boos. Maar zeg eens, Liesje, wat ziet gij bleek! gij hebt u zeker te veel overspannen, door mij op te passen."
Het jonge meisje ontkende blozend. Stemmen en paardengetrappel werden buiten hoorbaar, "O! daar komen zij van hun rit terug," sprak Nelly; "kom, dat moeten wij zien."
Zij stond langzaam op en trad aan het venster. Op het voorplein was de geheele familie vergaderd; Blanka zat nog te paard in haar zwart rijkleed, het kleine hoedje met de lange zwarte veder op het weelderige haar, dat op het achterhoofd was vastgestoken, inplaats van, zooals gewoonlijk, in lange krullen op den rug te hangen. Army was reeds van zijn paard gesprongen, gereed haar bij het afstijgen te helpen, en zag opmerkzaam naar haar vader, die langzaam tusschen de beide baronessen naderde. Het was een klein, gezet heer, die zeer ijverig eene meening scheen te verdedigen; hij gesticuleerde ten minste hevig.
Nelly's moeder zag naar het venster, waar de beide meisjes stonden. Zij knikte haar vriendelijk toe, en de oogen der haar vergezellenden volgden dien groet. De oude barones zag onverschillig voor zich, terwijl de overste staan bleef, zijn hoed afnam en glimlachte. Toen hoorden zij, hoe hij naar Liesje vroeg; het antwoord konden zij niet verstaan.
Ondertusschen was Blanka afgestegen en had Liesje hare vriendin weder naar de sofa gebracht; spoedig daarop verkondigde een luid gesprek, dat het gezelschap de kamer daarnaast binnentrad. Liesje nam haar boek weer op en wilde hare lectuur weder beginnen, toen stoelen werden bijgeschoven en zij plotseling den ouden heer duidelijk hoorden zeggen:
"Het spijt mij, genadige vrouw, dat de zaak zoo weinig in uw smaak schijnt te vallen, intusschen--"
"Schijnt zij het des te meer in den uwen te doen, heer overste," viel de oude barones hem in de rede.
"Pardon, ik kom slechts als afgevaardigde der barones Stontheim, en heb reeds eenmaal verzekerd, dat ik mij volstrekt niet in de regeling der zaak wil mengen; echter wil ik niet ontkennen, dat het mij _zoo_ het verstandigste voorkomt;" zijne stem verried eenige geraaktheid.
"Meeningen, lieve Derenberg!"
"Gij zult toch zelve toegeven, dat Army nog te jong, te onervaren is, om de verwarring--vergeef mij het woord, barones--te ontknoopen, in welke trouwens alle Derenbergsche zaken verkeeren. Er behoort een ervaren landhuishoudkundige toe, om de verwaarloosde goederen weder in orde te brengen, verondersteld, dat wij ze terug kunnen bekomen; het bosch bij voorbeeld,--gravin Stontheim sprak er met den justitieraad Hellwig over--het bosch is zoo goed als verloren; de tegenwoordige bezitter--hoe heet hij ook? gij zult hem wel kennen, een fabrikant hier in de buurt--zal onder geen beding het weder willen afstaan; het bosch is derhalve voor immer verloren en wat beteekent zulk eene bezitting zonder bosschen?"
"Erving zou het niet weer willen verkoopen?" viel de oude dame in: "ha, ha, dan kent gij hem niet; het komt er bij zulke lieden slechts op aan, hoeveel men biedt; voor een kleine winst verkoopt zulk volk zijne zaligheid. Neen, neen, beste overste, dat is een belachelijk denkbeeld, dat ik van u niet verwacht had. Ik wil om alles met u wedden: bied hem zoo en zooveel meer, en het bosch is 't uwe."
"Gij zoudt de weddingschap verliezen, genadige vrouw, want Hellwig heeft er, op last van vrouwe van Stontheim, naar vernomen en een bepaalde weigering ontvangen. Voor het overige--"
De oude dame viel hem luid lachende in de rede.
"Gij zoudt toch wel gelijk kunnen hebben, Derenberg," sprak zij, "want deze parvenu haat, evenals al zijns gelijken, den adel, en ons in het bijzonder. Plebaglio!" voegde zij er verachtelijk bij in hare moedertaal.
"Voor het overige," zeide de overste met verheffing van stem--"pardon, barones," vervolgde hij beleefd, toen zij zweeg, "ik stel er volstrekt geen belang in te weten, op welken voet gij met dien man staat; dat verandert niets aan de zaak; ik wilde er slechts bijvoegen, dat, wat de goederen betreft, die deerlijk in de war zijn. Het is verschrikkelijk--joden, makelaars, koopbrieven, eerste, tweede, derde en vierde hypotheek--en wat niet al meer; kort en goed, gravin Stontheim verkiest niet zich er mede te bemoeien, omdat de zaak slechts met enorme opofferingen te schikken is; zij wenscht, zooals ik van morgen vroeg reeds de eer had u mee te deelen, dat Army, ook nog na zijn bruiloft, die tegen den herfst bepaald is, in dienst zal blijven; zij zal het jonge paar ruim van middelen voorzien, en is voornemens, wanneer Army later zin in de landhuishoudkunde heeft, hun een landgoed te koopen, dat geheel onbezwaard is. Het slot Derenberg is nog altijd een prachtig zomerverblijf voor het jonge paar, en het voorvaderlijke slot blijft Army's eigendom. Nietwaar, Army, gij wilt nog wel een tijdlang den bonten rok dragen?"
"Zeker, ik moet mij onderwerpen, oom!" sprak de jonge man, "maar ik beken dat het mij zwaar valt, er van af te zien op Derenberg te wonen--het was altijd mijn lievelings-idée."
"Maar de mijne niet," viel Blanka haastig in; "ik ben het volkomen met tante Stontheim eens, dat heb ik vroeger ook al verklaard."
"Gij weet niet, Blanka," hernam Army, en zijne stem beefde; "gij weet niet, welk eene bekoorlijkheid zulk een erfgoed heeft! Gij _kunt_ het niet weten, want gij hebt nooit het trotsche gevoel gekend, den voet op eigen grond te zetten. U hebben geen oude muren, geen ledige vertrekken, geen eeuwenoude boomen verhaald van lang verloopen tijden, toen onze voorouders hier leefden en werkten. Het was mijn liefste droom hier te wonen, waar een lange reeks van voorvaderen leefden en stierven, en het zal mij zeer smartelijk vallen, dien droom niet vervuld te zien; geloof mij."
"Om 's hemels wil!" riep de jonge dame uit, "nu wordt hij waarlijk sentimenteel! Mij komt de kleinste villa aan den meest bezochten wandelweg onzer residentie duizendmaal aanlokkelijker voor, dan dit vervelend, verlaten--"
"Stil, kinderen!" viel de overste sussend in, "laat ieder zijn gevoelen voor zich houden! Gij, Blanka, hangt even goed van tante Stontheim af, als Army! Wat zij verkiest, geschiedt; daar is niet aan te veranderen, en mij dunkt, wij moesten de zaak laten rusten en er niet over twisten."
"Zeer verstandig aangemerkt, overste," mengde zich nu de oude dame in het gesprek; "maar, hoe zwaar zulk een afhankelijkheid te dragen valt, kan alleen hij gevoelen, die gewoon is geweest vrij te gebieden. _Gij_ gevoelt dat niet; gij hebt nooit op eigen grond gestaan; gij zijt, om zoo te spreken, in afhankelijkheid groot geworden, en dan valt het gemakkelijk anderen ondergeschiktheid te prediken. Ik vind het vreemd van tante Stontheim; zij _heeft_ de middelen en wil niet helpen; Army moet officier blijven om de bespottelijke reden, dat hij te jong is; alsof geen oudere krachten hem radend en helpend ter zijde stonden?"
"Gij misschien, genadige vrouw?" sprak de overste lachend. "Voorwaar niet kwaad bedacht! finantiëele talenten kan men u niet betwisten--dat gij ongelukkig zijt geweest in uwe speculaties--wie kan dat helpen?"
"Gij zijt nog even ondeugend, als vroeger, overste! toen ik het geluk had u hier eenige malen te ontmoeten; in dit geval echter zijn uwe verwijten ongegrond, want het was werkelijk het ongeluk, dat ons vervolgde."
"Onverdiend ongeluk!" verbeterde de overste spotachtig.
"Oom, ik bid u, zwijg daarvan! Het maakt mama zenuwachtig," bad Army.
"En, mijn jongen," vervolgde deze onbevangen en met nadruk, "het is juist om nog eens zulk een onverdiend ongeluk te vermijden, dat gravin Stontheim hoofdzakelijk wenscht, dat gij niet hier--versta mij wel: niet _hier_--de eerste jaren van uw huwelijk zult doorleven. Vergeef mij, dat ik zoo duidelijk moest spreken! Ik had het gaarne vermeden--"
"Ik begrijp u," zeide de oude dame koel; "gravin Stontheim heeft nog het ongelukkige idée, dat ik de oorzaak ben van den ondergang der familie; zij heeft mij dit meer dan eens grof en onverbloemd verweten, als wij in nood en kommer verkeerden; iemand moest toch de schuld dragen," vervolgde zij, met een bitteren lach: "en daar men mij van den beginne af als een indringster beschouwde en de vreemde, de Italiaansche, niet uitstaan kon, was het gemakkelijk haar ook die schuld te verwijten. Va, bene! Gij vertelt mij niets nieuws overste; het spijt mij, dat iemand zoo--zoo--" zij hield op; blijkbaar zweefde haar een scherpe uitdrukking op de lippen.
De overste zweeg.
"Oom," vroeg Army driftig, "wat beduidt dat? Tante kan toch onmogelijk meenen, dat grootmama--"
"Zwijg," riep de oude dame, en tegelijk hoorde men haar stoel over den vloer rollen.
Liesje en Nelly zaten bijna ademloos hand in hand naast elkaar. Toen de eerste haar vaders naam hoorde noemen, was zij opgesprongen, en had rondgezien, of er geen andere uitweg was dan door het vertrek, waarin men zoo hatelijk zijn goeden naam bevlekte.
"Waar kan ik heen?" fluisterde zij hare vriendin toe.
"Blijf hier, Liesje," smeekte Nelly en trok haar tot zich; "zij weten niet, dat wij hier alles kunnen verstaan; och, schrei toch niet zoo! O, dat ik gezond ware, en een man als Army; ik zou antwoorden, als zij u beschimpten!"
Daar binnen hoorde men de oude dame op en neder loopen en telkens, als zij de deur naderde, zag Liesje angstig de kamer rond, of zij ook eene plek vond om zich te verschuilen.
Op eens vernamen zij Blanka's stem, vriendelijk en welluidend als immer.
"Grootmoedertje," vleide zij, "ik heb een verzoek aan u; ik had het Army opgedragen, maar hij heeft het zeker vergeten, die ondeugd. Ja, ja, zie mij maar niet zoo verwonderd aan, gij--" ging zij schalksch voort, "nietwaar, grootmama? dat heeft uw bruidegom zeker nooit gedaan; die las zeker al uwe wenschen in uwe oogen."
De laatste woorden waren duidelijker dan het begin van haar verzoek; blijkbaar stond zij naast de oude dame bij de deur.
"Nu slaat zij hare armen om grootmama's hals, net als een katje," fluisterde Nelly; "o, gij weet niet, hoe zij kan vleien."
"Nu?" klonk de stem der oude barones.
"Ik had Army verzocht u te vragen, mij toe te staan in het torenkamertje te wonen, dat aan mijn kamer grenst; o, ik bid u, grootmamaatje, amatissima mia!"
"Het was zeer verstandig van Army, dat hij het mij niet vroeg; ik had het hem reeds eenmaal geweigerd en kan het ook u niet toestaan."
"Waarom niet?" vroeg Blanka verwonderd.
"Gij zult mij wel toestaan, dat ik de reden voor mij zelve houd."
"Vraag niet verder, Blanka," liet zich de overste hooren; "oude kasteelen hebben hunne geheimen, en daaronder zijn er, die men liefst laat rusten."
De deur werd heftig opengerukt en de oude dame stond onverwacht voor de beide meisjes.
Lise was opgesprongen, zij deed geen moeite meer te ontvlieden, maar bleef onbewegelijk staan.
De ondergaande zon wierp hare stralen door het venster en overgoot het meisje, als het ware, met een rooskleurig licht. De oude barones week terug, alsof zij een spook zag, en stak verschrikt de handen uit.
"Dio mio! Het is ongehoord," riep zij stampvoetend uit. "Zijt gij dan altijd hier om mij een schrik aan te jagen?"
"Het doet mij leed, barones, dat ik altijd het ongeluk heb--"