Chapter 6
"Ik vraag vergeving," zeide Liesje, terwijl zij zich tot de oude barones wendde; "ik wachtte reeds eenige minuten, voor ik het waagde uwe opmerkzaamheid te trekken, wijl ik vreesde u te storen," sprak zij kalm, op den hartstochtelijken uitroep der oude barones. "Ik kom," vervolgde zij, "slechts even, om gelukkige feestdagen te wenschen, zooals ik vroeger altijd deed, en om Nelly te zien."
"Ga zitten, Liesje," sprak de jonge barones; "Nelly zal wel aanstonds hier komen; zij is met Army en Blanka naar het park gegaan, en--maar daar is zij reeds, ik hoor hare stem."
De oude dame haalde ongeduldig de schouders op, toen Lise bedaard op de steenen bank plaats nam, en vol deelneming naar de gezondheid der bleeke vrouw vroeg, wier wangen een oogenblik bedekt waren geweest met een vluchtigen blos, door de onaardige woorden harer schoonmoeder daarop te voorschijn geroepen. Men hoorde stemmen naderen, en Lise onderscheidde duidelijk die van haar vroegeren speelgenoot. Een benauwend heet gevoel verwarde een oogenblik haar kalm, helder hoofd; toen drukten hare oogen de hoogste verbazing uit; want aan de zijde van Army bespeurde zij een jonge dame, wier verschijning haar geheele aandacht tot zich trok.
Was dat een volwassen dame, of een kind, dat daar zoo bevallig te paard henen zweefde?
En nu klonk een zachte stem, echter met de uitdrukking van een bedorven kind:
"Laat los, Army, laat los! Ik wil alléén eenige toeren voor tante rijden."
Army trad terug, en het paard begon met langzamen, statigen tred haar te naderen; bij elke beweging van het dier werd de sierlijke gestalte als 't ware in een wolk gehuld door het luchtige, witte gewaad; de oogen hield zij neergeslagen, en over het blanke voorhoofd blonk het overvloedig, prachtig goudkleurig haar in den helderen zonneschijn, en viel golvend op den rug neder.
"Voortreffelijk, Blanka," riep Army, wiens blik als betooverd aan de bekoorlijke verschijning hing; "voortreffelijk; Mamsel Elise bij Renz rijdt niet beter."
De oogen der oude barones fonkelden van vreugde, want zij was vroeger ook dikwijls bewonderd; en paardrijden is immers een der edelste liefhebberijen.
"Meraviglia, mijn engel!" riep zij uit, toen de jonge dame stilstond en op Army steunend, vlug uit den zadel sprong. "Gij houdt uw paard meesterlijk in bedwang; maar, mia cara, hoe durft gij zonder hoed in de zon rijden! Ik bid u--uw schoone teint--buiten moet men altijd--"
"Wees onbezorgd, tante, ik verbrand nooit."
Zij liet zich in den schommelstoel vallen, dien Army haar toeschoof, zonder het jonge meisje te bemerken.
"Mejuffer Elisabeth Erving, Nelly's vriendin!" sprak nu de jonge barones, haar voorstellende, "en mijne nicht, Blanka van Derenberg!"
Blanka sloeg hare oogleden op, en beantwoordde met een nauw merkbaar hoofdknikje, zonder eenigszins van houding te veranderen, de bevallige buiging van het jonge meisje. Hare donkere oogen bleven een oogenblik verwonderd op haar rusten, daarop greep zij haar waaier, maakte dien open, om daarachter een kleinen geeuw te verbergen.
Army had beleefd gegroet, en antwoordde op de vraag zijner moeder, waar Nelly bleef, waar zij waarschijnlijk nog in het park vertoefde. Op dit oogenblik verscheen Hendrik, om het paard weg te voeren; de oude man zag er in zijn nieuwe bruine livrei zoo deftig uit, dat Liesje hem eerst niet herkende en verwonderd aanzag. De jonge dame in den schommelstoel merkte dit wel op; want een oogenblik vertoonde zich een spotachtig lachje om den kleinen mond; zij schommelde wat meer, en hield toen in eens op.
"Wat voert gij hier den ganschen dag zoo wat uit?" vroeg zij, opnieuw achter haar waaier geeuwende.
"Wij kunnen van middag gaan wandelen," antwoordde Army. "Er zijn hier prachtige wandelingen."
"Wandelen?"
"Een rijtuig hebben wij niet ter onzer beschikking," merkte de jonge barones aan.
De oude dame lachte spottend:
"Die opmerking is vrij overbodig, Cornelie."
"Houdt gij van wandelen, cousine Blanka?" vroeg Army, die tegenover zijne moeder plaats nam.
"Neen," verklaarde zij, zonder de oogen op te slaan.
De jonge officier beet zich op de lippen.
"Zouden wij den burgemeester niet voor een paar uren om zijn rijtuig kunnen vragen? Wat dunkt u, grootmama?"
"Wat een kluchtig denkbeeld van u, Army! gij begrijpt toch wel, dat niemand in zulk een aartsvaderlijk ding kan zitten."
"Maar grootmama!--Ik geloof trouwens ook, dat de wagen heden niet disponibel zou zijn, omdat de familie gewoonlijk Zondags zelve een toertje maakt."
"Ik zou er toch ook voor bedanken," hernam de oude dame.
"Mag ik u ons rijtuig aanbieden?" vroeg Liesje, "het zal mijn vader zeker veel genoegen doen--"
"Dat zou eene uitkomst zijn," riep Army uit; "als gij lust hebt, Blanka, nemen wij het aan. Nietwaar, grootmama?"
"Ik dank," gaf deze ten antwoord.
Blanka zweeg; zij wierp een onderzoekenden, verbaasden blik op het eenvoudig gekleede meisje--wie was zij toch?
"Nu, besluit gij dan cousine!" zei Army.
"Ja, besluit gij," voegde de grootmoeder er bij, terwijl zij hatelijk lachte. "Het is niet alle dagen Pinkster; op werkdagen hebben die paarden geen tijd, omdat zij dan de wagens met lompen moeten aanhalen."
"Vaders rijpaarden zijn geen trekpaarden," sprak Liesje, met bevende lippen, "zij hebben daar geen tijd voor, omdat zij uitsluitend ten dienste mijner moeder bestemd zijn, wie het loopen moeielijk valt."
"Ik wil liever van daag niet rijden," verklaarde Blanka, die het woord "lompen" deed rillen.
"Hebt gij hier vele buren?" vroeg zij.
"O ja," antwoordde Army vriendelijk, "wij verkeeren echter met niemand; gij begrijpt, zonder equipage----"
"En in den naasten omtrek is geen enkele familie met welke men fatsoenlijk kan omgaan," vulde de oude barones aan.
"Zoo!" sprak Blanka, terwijl zij achterover in haar stoel leunde, en haar lange krullen om den vinger wond.
"Ik moet afscheid nemen, zonder Nelly gesproken te hebben."
"Het zal haar spijten, Liesje," sprak de kranke vrouw en reikte haar de hand; "misschien vindt gij haar nog in het park. Groet uwe ouders en tante van mij!"
"Ik dank u, genadige vrouw," antwoordde Lise, en na de anderen gegroet te hebben, vertrok zij.
De donkere oogen der oude dame fonkelden met een onbeschrijfelijke uitdrukking van haat.
"Goddank!" riep zij, diep ademhalend, "ik weet niet hoe het komt, maar de tegenwoordigheid van dit meisje brengt mij telkens uit mijn humeur; welk eene brutaliteit, haar rijtuig aan te bieden! En gij hadt dat bijna aangenomen, Army! Ons in de equipage van den lompenmolenaar te vertoonen, die ieder kind kent--onbegrijpelijk van u!"
Op dit oogenblik kwam Nelly haastig uit de allée; de blonde lokken hingen verward om haar gloeiend gelaat. Het nette, uiterst eenvoudige, katoenen kleedje liet den voet in een klein, hoewel niet zeer sierlijk lederen schoentje zien, en de zwart zijden boezelaar droeg duidelijk blijken, dat de tijd der nieuwheid lang voorbij was.
"Wat is er met Liesje gebeurd?" vroeg zij buiten adem, naderbij komende. "Zij weende."
"In de eerste plaats moet ik u vragen, Nelly, waar gij geweest zijt; en u zeggen, dat het zeer onfatsoenlijk voor een jonge dame is, zoo hard te loopen en in zulk een kleeding!"
"Grootmama!" riep zij, vroolijk lachend, "wat zijt gij koddig! Alsof ik ooit een ander toilet bezeten heb! Ik kan toch op dezen heerlijken dag mijn zwart avondmaalskleed niet aandoen!"
Blanka wendde het hoofd om, en beschouwde met een kouden blik het verachte katoenen kleedje. Haar kamenier zou voor zulk een bedankt hebben.
Army echter bloosde hevig; hij herinnerde zich het briefje met het goudstuk er in, het verjaarsgeschenk zijner zuster; waar was het briefje gebleven?
"Waarom weende Lise?" vroeg Nelly nog eens, ongeduldig; "zij wilde het mij niet vertellen."
Allen zwegen. "Army! zeg het mij toch," bad zij, terwijl tranen in hare oogen blonken.
"De kleine schijnt wat heel gevoelig te zijn," verklaarde in zijne plaats de oude barones; "ik zeide iets in 't algemeen, en daardoor meende zij beleedigd te zijn; maar het gaat altijd zoo met zulk volk; zij stellen zich met ons gelijk en kunnen niet verdragen, dat men hun het verkeerde van zulk een gedrag onder het oog brengt."
Nelly zweeg. Zij had uit den toon, waarop haar grootmoeder "zulk volk" uitsprak, genoeg begrepen.
"Het wordt mij hier ook te warm," zeide de oude dame; "ik geef de voorkeur aan mijn koele kamer. Bezoek is mij echter ten allen tijde welkom," en vriendelijk zag zij naar de jonge dame in den schommelstoel. Haar donkere oogen konden zoo betooverend liefelijk schitteren.
"Ik ga met u, mama," sprak hare schoondochter opstaande.
"Nelly, gij wilt nu immers wel hier blijven?"
Het jonge meisje ging naast hare nicht zitten. Zij had zich deze zoo geheel anders voorgesteld, zich zoo verheugd met haar recht meisjesachtig te babbelen; en nu was daar gister uit een extra-postrijtuig een jonge dame gestapt, die haar donkere oogen onderzoekend en koel over omgeving en personen liet gaan.
Geen enkel hartelijk woord was nog tusschen haar gewisseld. Blanka sprak meest met hare oogen, en deze donkere sterren schenen te zeggen: wat is het hier vervelend!
Ook hare grootmama en moeder hadden bij hare komst verrast opgezien. De eerste had aan Nelly verzekerd, dat zij nooit gedacht had dat de "kleine roodharige Blanka, het klierachtige kind," zulk een pikante schoonheid zou worden. Een pikante schoonheid! Nelly wist ter nauwernood wat de bijvoeging "pikant" beteekende; maar, dat zij schoon was, hare cousine, ja! dat zag zij ook; vooral op dit oogenblik, nu de koude oogen met de lange wimpers waren neergeslagen; het ovaal, bleek gelaat onder de hoog opgetrokken wenkbrauwen, wier zwarte kleur zulk een groot contrast vormde met het hoogblonde haar, was onbeschrijfelijk bekoorlijk om aan te zien. Sprekend geleek zij op het portret, boven in de zaal; de slanke hals op de teedere schouders, de houding van het hoofd waren geheel dezelfde; enkele korte lokken vielen naar de mode op het marmerblanke voorhoofd, en om den kleinen mond lag een nadenkend lachje. Zij speelde met haar ivoren waaier, en streek zich telkens met den gladden kant over hare wangen. Army stond onder den grooten lindeboom, en beschouwde haar vol gedachten.
Daar was zij in zijn voorvaderlijk huis! Met welk een vroolijk, kloppend hart had hij haar verwacht, en nu had hij een gevoel, alsof zij het liefst maar weder, als een gevangen vogel, weg wilde vliegen uit deze stilte, naar het vroolijke, drukke leven. Zij was zoo koel; zelfs hare zoo keurig ingerichte kamers, die hem zooveel hoofdbreken en moeite gekost hadden, had zij ter nauwernood een blik waardig gekeurd.
Het was eigenlijk toch vreeselijk lichtzinnig! De kosten bedroegen meer dan zijn geheele inkomen, gedurende twee jaren. Maar bah!--als hij maar eerst die kleine hand voor goed in de zijne hield, dan was deze geheele zaak immers eene kleinigheid! Dat had grootmama ook tegen zijne moeder gezegd, die met angstige blikken de behangers had aangezien, evenals de nieuwe livreiën van den ouden Hendrik en den knecht, die met Blanka's rijpaard en den goudvos gekomen was. Ook was voor deze dagen eene kookvrouw gehuurd, die nu in de groote slotkeuken de baas speelde--en dat alles voor het kleine wezen, dat daar zoo onverschillig tegenover hem zat! Army zuchtte, en wendde den blik naar het groote, indrukwekkende gebouw, dat door de volle middagzon beschenen werd; in Blanka's kamer sloot juist hare kamenier de ramen.
"Hoe onverstandig!" riep Blanka uit, en sprong overeind. "Zij weet, dat ik van warmte houd, en dan nog die ontzettend vochtige lucht in de oude hooge kamers! Nelly, zeg haar--dat zij de vensters open moet laten."
De kleine liep haastig naar het slot, blijde dat zij aan de drukkende verveling kon ontkomen.
"Wat zijn eigenlijk mijne kamers, Army? Men kan in dat doolhof van ramen geen weg vinden," vroeg Blanka.
"Dáár, cousine, op de tweede verdieping; uwe kleedkamer is dicht bij den toren."
"O, dat is die deur, zoo kunstig onder het groene behang verborgen--ik kon maar niet gewaar worden of achter de vastgespijkerde plooien een oude kast of eene deur verborgen was. Maar, waarom heeft men mij de torenkamer niet gegeven? Daar moet een heerlijk uitzicht zijn!"
"Het spijt mij zeer, Blanka; ik had hetzelfde idee; maar grootmama schijnt een bijzondere reden--"
"Zoo, spookt het er misschien?" viel zij hem in de rede.
Army lachte. "Dat niet, cousine; ik weet er ten minste niets van; of het moest de jonker van Streitwitz zijn, die zich eenmaal om uw bekoorlijk evenbeeld heeft doodgeschoten, zooals de overlevering luidt."
"Army, ik bid u, maak dat ik de torenkamer krijg!" Hare stem klonk zacht, als van een vragend kind.
"Ik zal het grootmama nog eens vragen, Blanka."
"Maar spoedig, Army," riep zij, en zag hem lachend aan.
Hij was verrukt. "Zeker, dadelijk!" stamelde hij; want zóó bekoorlijk had zij er nog niet uitgezien, zoolang zij hier was. "Blanka," liet hij er op volgen, "ik vrees, dat gij u hier erg verveelt."
"Ik bid u, spreek dat woord niet uit, vertel mij liever wat, neef! tot ik naar binnen moet om toilet te maken. Voor wie kleedt men zich hier eigenlijk?" zeide zij, schouder ophalend. "Zeg eens," vervolgde zij, en schommelde zich weder in haar stoel, "wie is dat meisje, waartegen uwe grootmoeder--neem het mij niet kwalijk--zoo onuitsprekelijk lomp was?"
"Liesje Erving."
"Dat weet ik; maar wie is haar vader? Zij sprak van haar rijtuig?"
"Haar vader is de rijkste man in den omtrek, Blanka; bezitter eener papierfabriek--vandaar grootmama's spot over de lompen--eigenaar van verschillende bosschen waarin wij wandelen kunnen, dewijl zij aan ons park grenzen."
"En waarom mag tante het meisje niet lijden?"
"Ja, Blanka, wanneer vraagt grootmama naar een _waarom_? Zij heeft altijd een onverklaarbaren afkeer van het jonge meisje gehad; buitendien ergert het haar, dat Nelly zoo intiem met haar omgaat; zij houdt streng vast aan het onderscheid van stand en heeft, om de waarheid te zeggen, daarin gelijk."
Blanka schudde het hoofd. "Gij schijnt hier nog geheel in de oude atmosfeer te leven, die daar buiten in de wereld hoe langer zoo meer vervliegt. O--een brief," viel zij zichzelve in de rede, en greep haastig naar het sierlijke vierkante couvert, dat de oude Hendrik haar op een blad aanbood, en die toen, even stil als hij gekomen was, weer vertrok. "Van Léonie," sprak zij halfluid, terwijl zij het papier losscheurde.
Een donkerrood bedekte een oogenblik haar gelaat, dat daarop bleek werd, even wit als het kleed, dat zij droeg; het papier beefde in haar sidderende handen; toen barstte zij uit in een schaterend gelach.
"Dat is koddig," riep zij uit, en frommelde den brief in elkaar; "daar komt juist een bewijs voor hetgeen ik zoo even zeide; ziet gij, Army! zoo exclusief als uwe grootmama denkt de wereld niet meer.--Daar schrijft Léonie van Hammerstein mij, dat graaf Seebach verloofd is met eene juffer, de dochter van een opperhoutvester, en dat uit liefde, zegt Léonie--hoort gij, uit liefde! Zij lachte; hare oogen schoten vuur, en de kleine handen scheurden het papier in duizend stukken.
"Wat? graaf Seebach, met wien gij den vorigen winter zoo dikwijls danstet?" vroeg Army; "die u letterlijk met bloemen overstelpte?" Hij sprak haastig en sloeg een vorschenden blik op het opgewonden gelaat zijner cousine.
"Heb ik met hem gedanst? Ik herinner het mij niet meer," antwoordde zij losweg; hare neusvleugels trilden zenuwachtig. "Ja, de wereld gaat vooruit! Dat een man als Seebach, die altoos over zijn vlekkeloozen stamboom sprak, dat zoo iemand uit liefde--ha ha, nietwaar? het is bespottelijk--een burgermeisje tot zijne gemalin neemt!" zij schudde het hoofd, en weder klonk dat onnatuurlijke, krampachtige lachen van hare lippen. Toen stond zij haastig op: "ik ben erg vermoeid," voegde zij er bij en hield hare hand boven de oogen, alsof de zon haar hinderde: "ik ben niet gewoon, zoo lang buiten te zitten, en zal wat rusten moeten, indien ik tegen het eten weer frisch wil zijn. Adio, cousin!"
Zij knikte hem toe, terwijl zij met een afwijzende beweging der hand voor zijn geleide bedankte, en ging het voorplein over. Bij de torendeur keerde zij zich nog eens om, en Army hoorde haar vroolijk lachen. Welk een verschil met den straks gehoorden toornigen lach, die hem nog in de ooren klonk! Zij was een raadselachtig wezen; wanneer zou hij het recht hebben haar te doorgronden?
Bij den maaltijd verscheen de jonge dame in een schitterend toilet. De bleekgroene zijde scheen zacht door het witte overkleed; het prachtige haar was met een ivoren kam op het achterhoofd bevestigd, en een breede matgouden armband omsloot de fijne pols. Het gelaat vertoonde geen spoor meer van de koelheid en verveling van dien morgen. Blanka had voor ieder een vriendelijk lachje, en de oude barones zag het jonge paar, dat tegenover haar zat, met teedere blikken aan.
De parelende wijn blonk weder in de fijne glazen; Hendrik bediende met zijn gewone deftigheid en liet zijn heldere oogen tusschenbeide gaan over het kleine gezelschap, en het schoone meisje naast zijn jongen meester, dat, naar het zeggen harer kamenier, ééns zeker onmetelijk rijk zou worden, en zoovele minnaars als ringen aan de handen had. De oude Sanna was overgelukkig; want hare meesteres had haar meer dan eens te kennen gegeven, waar het om te doen was, en zij zag voor hare barones nog blijde dagen tegemoet. Het vroolijk lachen der jonge dame met het goudlokkig hoofdje klonk door het hooge vertrek, en de jonge officier, aan hare zijde, klopte het hart onstuimig, als zij hem zoo minzaam aanzag en hij haar adem op zijn gelaat voelde. Maar Nelly, wat scheelde haar? Nelly, die altijd haar broeder zwijgend gehoorzaamde, hem altijd gelijk gaf, wat hij ook sprak of deed; die gewoon was den geringsten wensch in zijne oogen te lezen; Nelly was jegens haar cousine zoo onverschillig, nam zoo weinig notitie van hare omgeving, dat het bijna lomp moest heeten. Haar roode mond, die zoo hartelijk kon lachen, bleef gesloten, en hare blikken rustten somtijds angstig op het gelukkige gelaat haars broeders, die onuitputtelijk was in attenties voor zijne buurvrouw. Voor hare oogen stond nog altijd het bleeke gezichtje, met groote tranen in de blauwe oogen; wat hadden zij Liesje, haar Liesje, toch gedaan? Neen, zij moest eerst naar haar toe, en zij moest het haar zeggen, wie haar beleedigd had.
Het was reeds geheel donker, toen Nelly eenige uren later Liesjes kamer verliet, waar zij in de schemering met hare vriendin had zitten praten.
"Het is niets, Nelly," verzekerde Lise meer dan eens, met een zachte stem; "het was zeer kinderachtig van mij, dat ik kwalijk nam wat niet de moeite is om over te spreken; kom, ik zal u tehuis brengen."
En zoo gingen zij samen over de brug, onder de donkere boomen, den bekenden weg langs. Het was een zoele avond; geen windje bewoog zich; aan den gezichteinder werd een donkere wolk zichtbaar, een flauw weerlicht wierp van tijd tot tijd een geelachtig schijnsel op den omtrek; nachtegalen zongen in het struikgewas, en in de verte klonk het gezang der jonge knapen, die uit volle borst een avondlied aanhieven.
"Ik weet niet, wat mij scheelt," zeide Liesje, diep ademhalend. "Het is alsof ik stik! Wat is de lucht drukkend en zwaar! Ik geloof dat tante gelijk heeft--er broeit een onweder."
Nelly knikte toestemmend.
"Mijne moeder klaagt ook, dat zij zoo benauwd is," voer Lise voort; "nog nooit ben ik op Pinkster zoo treurig geweest, Nelly! en toch was alles evenals vroeger. Als er maar niets ergers gebeurt, wanneer het onweer losbarst!"
Zij waren het park genaderd, en betraden zwijgend de donkere linden-allée--op eens voelde Liesje haar arm zacht drukken en bleef Nelly staan.
"Wacht even, Liesje," sprak zij, "was dat Blanka's stem niet?"
Een poos bleef alles stil, toen naderden schreden, en een zachte heldere stem zeide: "Army, mijn lieve Army!"
Hoe verleidelijk klonk dat! Het jonge meisje daar beneden kreeg een gevoel, alsof een messteek in hare borst drong; onwillekeurig drukte zij de hand op het hart. Daarop volgde een zacht gefluister--_dat_ was zijne stem--hoe gelukkig, dat zij niet verstond, wat hij zeide! Och, was zij maar niet mee gegaan!
De langzame schreden kwamen nader; zij liet de hand harer vriendin los, en vluchtte achter een grooten lindeboom, boog zich voorover en daar, bij een helder weerlicht, zag zij eene slanke, mannelijke gedaante, en aan zijn arm, als eene fee, zóó teer en licht, de schoone cousine met de goudblonde lokken; hij bukte zich en kuste haar.
Het duurde slechts een oogenblik; maar dit was voldoende om de angstige meisjesoogen alles te verraden; zij drukte het hoofd tegen den boom en sloot de oogen met een gevoel van vurige, nooit gekende smart. Nelly echter gilde. "Army, Army--"
Bijna beschuldigend klonk het als eene waarschuwing. Hij antwoordde, en hoe opgewekt was zijne stem: "Zusje, waar zit gij toch? Kom, en zie wat ik gevonden heb! Kom hier--ga vooruit en zeg aan grootmama, dat het geluk werkelijk bij ons is teruggekeerd; dat Blanka de mijne is geworden!"
En een nieuwe lichtstraal flikkerde door de boomen, en bescheen een meisjesgestalte, die door de laan huiswaarts ijlde.
De kleine Nelly zag haren broeder angstig aan, en toen het weder donker was, drong een zucht uit hare borst en met gebogen hoofd begaf zij zich naar het slot, om hare moeder te vertellen, dat Blanka en Army--haar lieve, goede Army--verloofd waren.
Op de steenen bank voor de deur zat tante Marie op haar lieveling te wachten; de heer des huizes en zijne vrouw wandelden in den tuin op en neer, en Selldorf vergezelde hen, van zijn huis en familie vertellende. De oude vrouw zat in gedachten verdiept, en bij elke lichtende straal zuchtte zij, "was Lise maar eerst te huis! O wee, het regent morgen," vervolgde zij bij zich zelve, "dan komt er niets van de partij in het bosch met de dominé's familie. Nu, dan moeten zij zich maar in huis zien te vermaken; dat zal een gewoel geven in den ouden molen--hoeveel krijg ik er dan te eten? Uit de pastorie alleen acht personen, dan de beide houtvesters en--Goede hemel!" gilde zij, "Liesje, wat doet gij mij schrikken!" en zij boog zich over het jonge meisje heen, dat aan hare voeten neerviel en het hoofd in haar schoot verborg.
"Wat scheelt u toch, mijn kind? Lise, spreek toch! Wat scheelt u?" vroeg zij, haar liefkoozende. "Mijn God," vervolgde zij, "zijt gij ziek, mijn hartedief?" Maar geen antwoord.
Alleen werden twee armen om haar hals geslagen en gloeiende, sidderende lippen drukten de hare--toen was het meisje verdwenen, en de oude vrouw hoorde, hoe zij de trap opging en hare kamerdeur sloot.
"Een wonderlijk kind!" mompelde zij en schudde het hoofd. Zij zag echter niet, hoe haar lieveling daar boven rusteloos op en neder liep; hoe eindelijk het moede hoofdje op het van tranen natte kussen zonk en de kleine handen zich vouwden tot een gebed voor Army, met wien zij eenmaal als kind gespeeld had en wien zij nu niets meer aanging, och, niets, niets meer!
Achtste Hoofdstuk.
Boven in het slot kwam men nog in lang niet tot rust. De jonge verloofde had zich wel is waar in hare vertrekken teruggetrokken; het was alles zoo haastig, zoo onverwacht gekomen. Zij liet zich trouwens de vleierijen der oude barones welgevallen, en luisterde naar de vriendelijke woorden van Army's moeder; toen werd zij zoo moede en sloot zich op in haar kamer. De liefelijke lach verdween van het schoone gelaat, en Sophie, hare kamenier, had een zeer ongemakkelijke gebiedster te bedienen.
Eindelijk zat zij in haar nachtgewaad aan haar schrijftafel, en vloog de pen over het papier, terwijl de trekken om den mond bitter verdriet teekenden.
In het woonvertrek beneden sloeg Army's moeder hare armen om zijn hals en staarde in zijne van geluk stralende oogen.
"Mijn lieve, beste jongen," fluisterde zij, "moogt gij gelukkig worden! Het is zoo snel gegaan, en gij zijt nog zoo jong, God zegene u!"