Liesje van den Lompenmolen

Chapter 5

Chapter 54,037 wordsPublic domain

"Dat was Lisette's kamer," zeide zij met zekeren nadruk in haar toon. Het jonge meisje knikte en ijlde vlug de trappen af. Zij had immers reeds zoo dikwijls van Lisette gehoord; zij wist, dat het hare oudtante was, en haar naam altijd met eerbied werd uitgesproken; doch omdat men haar niets naders meedeelde, boezemde het haar weinig belang in, dat zij boven gewoond had. Zij schaamde er zich echter over, dat zij zoo kinderachtig geschreid had; wat zou hare tante nu wel gelooven? Misschien wel, dat zij Army---? Zij kleurde en voleindigde de gedachte niet, maar begon te zingen, terwijl zij naar de woonkamer ging om den predikant en zijne vrouw te begroeten. Tante Marie volgde haar met angstige blikken. "Heer in den hemel!" bad zij, "bewaar ons genadig voor een tweede ongeluk!" Want een ongeluk zou het worden; van daarboven is nog niets goeds gekomen, sedert de oude op het slot leeft. "Heere, bewaar het meisje! Zij weet het zelve nog niet, maar het is waar, wat ik zoo even hoorde--zij heeft dien Army lief. Hoe haar te helpen?--" Peinzend maakte zij het avondeten gereed, en toen eens Liesje's heldere lach tot in de keuken klonk, schudde zij het hoofd, en aan den avondmaaltijd bespiedde zij van ter zijde het lachende gezichtje, dat niet het minste spoor van tranen vertoonde. Het was ook een vergenoegd gezelschap, dat daar in de koele eetzaal zat om de groote, ronde tafel, met helderwit damast gedekt. De heer des huizes, met zijn vriendelijk gelaat; de predikant, die men het aanzag, dat hij zich verheugde bij den vriend zijner jeugd te zijn, en Rosine, zijn vrouwtje, dat altijd vergenoegd was, hoewel zij te huis een troepje kleine kinderen had, die als orgelpijpen op elkander volgden, en haar dikwijls veel zorgen gaven, als zij meermalen niet wist van waar ze nieuwe kleeren zouden krijgen. Zelfs de Donderdagavonden, wanneer zij in den molen van de zorgen en beslommeringen der week uitrustte, zat zij ternauwernood, of een kinderkousje kwam voor den dag, waaraan zij ijverig breide, en niet zelden legde juffrouw Erving haar lachend een pakje kousen in den schoot, met de woorden: "Ziedaar, lieve, ik heb u wat geholpen; laat nu voor van avond het breien eens rusten, en zing een lied voor ons!" En dan zong zij met haar lieve, zachte stem een eenvoudig lied. Later echter greep zij onwillekeurig weer naar hare breikous en zeide lachend: "laat mij begaan, Mina! Ik kan het niet laten." De vrouw des huizes was dezen avond bijzonder wel, en voerde een druk huishoudelijk gesprek met Rosine, terwijl Liesje vroolijk met haar vader en den geestelijke schertste; alleen tante was stil, en zelfs de loftuitingen over hare kookkunst waren niet bij machte, haar te doen glimlachen; ze proefde niet eens van den geurigen Rijnwijn, die in de groene glazen zoo heerlijk parelde.

"Weet gij wel, dominé," vroeg de gastheer, "dat ik nu een zoon van onzen ouden schoolkameraad Selldorf hier heb?"

"Een jongen van Selldorf? Wel, wat zegt gij daar! Hoe is het dien eigenlijk gegaan?"

"Hij heeft een groote scheikundige fabriek in Thüringen."

"Zoo, en de jongen zal--?"

"De jongen komt zijn neus eens in mijn bedrijf steken, omdat de oude plan heeft eene papierfabriek--eigenlijk lompenmolen--op te zetten. Hij is trouwens gelukkig geweest; hij kwam als boekhouder in de zaak, die nu de zijne is, huwde de eenige dochter zijns patroons en werd een gezeten man. Hij heeft een knappen kop en een door en door degelijk karakter. Gij moet den jongen eens zien; sprekend gelijkt hij op den oude van vroeger; dezelfde oogen, hetzelfde blonde haar. Ik verbeeldde mij dat ik nog jong was, toen ik hem zag."

"En waar is hij?"

"Boven in de werkkamer. Ik behandel hem geheel als de andere jongelui; vanmiddag heeft hij hier gegeten en daarmede basta.--Gij weet, ik ontvang niet graag vreemden in mijn huiselijken kring."

De geestelijke knikte. "Ik moet hem toch stellig eens zien. Wat zegt Liesje wel van hem?" vroeg hij schertsend aan het jonge meisje.

"Niemendal, oom!" antwoordde zij.

"Dat is al heel weinig," lachte hij. "Maar a propos, daar schiet mij te binnen, Liesje, dat Army hier geweest is. Ik zag hem, toen hij aankwam; wat is dat een knappe jongen geworden! Hebt gij hem gezien, kleine?"

Liesje knikte toestemmend, maar werd bloedrood; waarom zag tante haar ook zoo doordringend aan!

"Het hindert mij toch," voer de leeraar voort, "dat hij het niet de moeite waard acht, eens bij ons te komen; het is niet aardig van hem, dat hij zijn ouden leermeester niet meer wil kennen--dat is een aardje naar de oude barones."

"Gij zijt niet de eenige, die u daarover te beklagen hebt," zeide de gastvrouw. "Hier is hij ook niet geweest. Maar Nelly komt wel bij ons."

"Een allerliefst meisje," sprak de predikantsvrouw.

"Precies haar grootvader," riep tante, "_dat_ was een man! Maar wien de Heer lief heeft, dien zendt Hij dikwijls bitter lijden."

"Hij leefde zeer ongelukkig met zijne vrouw, niet waar?" vroeg Rosine.

"O, waar die komt, treedt het ongeluk ook binnen; zij heeft niet alleen haar eigene familie te gronde gericht, ook anderen heeft zij kommer en zorg berokkend."

"Ja, zij moet dol hebben huisgehouden," sprak de geestelijke: "tusschenbeide hoort men er nog over spreken door de dorpelingen."

"Mijne familie kan daar ook van meepraten, nietwaar, tante?" vroeg de heer des huizes.

"Dat weet de Almachtige!" riep de oude vrouw. "Hoevele tranen heeft deze vrouw doen storten! Maar God heeft ze alle geteld," snikte zij, terwijl zij haastig opstond en de kamer verliet.

"Het kan geen kwaad," meende zij, haar kamertje binnentredende, terwijl zij nog eens nadacht over 't geen haar bekommerde, "het kan geen kwaad, als ik Lise die geschiedenis vertel; het werd haar dan misschien duidelijk, hoe zij daarboven zijn."

Toen stond zij op, zocht een sleutel, ging zachtjes de trap op en ontsloot de deur van Lisette's kamer.

Het was een klein vertrek, en in het schemerlicht kon men ternauwernood de eenvoudige meubels onderscheiden. Tusschen de ramen stond eene commode met blinkend koper beslag, daarboven hing een spiegel in een gesneden lijst gevat; een smal ledikant, groen geverfd en met een ruwen slinger van rozen beschilderd; daar vóór een klein tafeltje op drie pooten, terwijl tegenover het bed een klein kruisbeeld hing, onder een bont gekleurde plaat, een meisje voorstellende, met een duif op de hand. Tusschen bed en venster was een linnenkastje van donkerkleurig hout geplaatst, en voor het andere raam stond een klein werktafeltje, met een stoel er voor. Onder den spiegel hing een krans van verwelkte, blauwe bloemen, die sterk afstak bij den frisschen, geurigen bloemruiker in de ouderwetsche vaas op de commode. Telken jare als de vlier bloeide, bracht Marie die hier; de vroegere bewoonster had die bloesems liefgehad. Die tijd van het jaar wekte altijd een smartelijke herinnering in het hart der oude.

Zoo zat zij dezen avond weder in het kamertje der schoone Lisette, en voor haar geest mengden zich het verleden en heden dooreen; het was haar, alsof zij weder het frissche, jonge meisje was, en de slanke gestalte harer vriendin daar vóór het venster stond en met haar schoone oogen smachtend op den zuidelijken slottoren staarde. "Hij komt, Marie; hij komt--ik heb het licht gezien," had zij toenmaals dikwijls geroepen, waarop zij dan naar beneden gingen, in den tuin, en daar in het donkere priëel van jasmijn had een gelukkig minnend paar gezeten, in alle eer en deugd---

En toen?

Toen lag zij op dit bed, de schoone gestalte, gebogen onder den last des jammers, met doodsbleeke wangen en de blauwe oogen schitterende van koortshitte.

"Is het niet genoeg, _éénmaal_ zulk lijden te moeten aanzien? O God, bewaar mijn lieveling, mijne Lise!" bad zij, de handen in den schoot gevouwen, met oogen vol tranen.

Op eens vatten een paar kleine handen de hare; een zachte wang legde zich tegen haar gelaat, en toen zij opzag, schouwde zij in een paar diepe, blauwe oogen, en een zachte stem vroeg: "waarom schreit gij, tante, zijt gij nog steeds boos op mij?"

De oude vrouw antwoordde niet terstond; het was haar op dit oogenblik, als zag zij een liefelijke verschijning; daarop vroeg zij: "Wat komt gij hier doen, Lise?"

"Och, tante! ik zocht u beneden in uwe kamer; zij praten binnen zooveel over een baron Frits en mijne oudtante Lisette; nu wilde ik u vragen, mij iets van hen te vertellen, en daarom ben ik hier gekomen."

"Dan komt gij juist van pas, Lise! Laat hen daar beneden maar praten. Niemand weet het zoo goed als ik; want ik heb het zelf beleefd; wel had ik gewenscht, dat het u nog lang onbekend zou blijven, hoe erg het soms in de wereld toegaat, maar het is beter voor u--kom, ga zitten!"

Het jonge meisje gehoorzaamde, nadat zij schuw de kamer, in welke zij als klein kind slechts ééns een blik had geworpen, had rondgezien, en de oude vrouw, de handen weder vouwende, maakte zich gereed te spreken. Toch bleef zij stom en zag verlegen voor zich. Zou zij het jonge wezen de droevige geschiedenis verhalen en haat en wantrouwen in haar reine ziel storten? Het meisje, dat in stomme verwachting naast haar zat, was immers nog bijna een kind; zij zou Army wel spoedig vergeten--neen, zij mocht deze droevige geschiedenis niet verhalen. En toch--als deze zich nog eens herhaalde, en zij had haar lieveling niet gewaarschuwd!

"Doe eerst het raam open, Lise!" zeide zij: "de lucht is hier drukkend."

Het meisje opende beide vensters; de regen had opgehouden; van de boomen vielen slechts nog enkele droppels en de frissche lucht, het gevolg van den regen, vervulde het vertrekje.

"Lise," klonk het halfluid, "Lise, gij--mij dunkt het is beter dat gij niet zoo dikwijls meer naar Nelly gaat--naderhand, meen ik; later, als Army weer te huis is, en de nicht," voegde zij er vergoelijkend bij, toen Liesje haar verrast aanzag. "Zie, het is niet--ik denk--ik--" zij stamelde en zweeg.

"Daar nu maar niet over, tante; vertel liever van Lisette?" vleide het meisje, bevreesd voor het oude thema.

"Wat ik van Lisette wilde vertellen," riep de oude vrouw heftig, "dit zeg ik, dat zij het liefste schepsel op Gods geheelen aardbodem was, en dat zij sterven moest, alleen omdat--omdat---Hoor, Lise, als ooit iemand iets in uwe oudtante te berispen heeft, spreek het tegen; want er heeft nooit reiner hart geleefd, maar er is er ook nooit één geweest, dat zoo schandelijk gebroken werd--"

Zij zweeg een poos.

"Ga niet meer naar het slot, Lise," voer zij voort; "zie, ik kan u alles niet zeggen wat geschied is; het wil niet over mijne lippen komen; later zult gij alles vernemen; maar geloof mij, het gaat niet goed, de oude barones--de---"

"Heeft die iets met de geschiedenis van tante Lisette uit te staan?" vroeg het meisje. "Zeg het mij, tante, bid ik u!"

"Ik zeg ja noch neen, Lise," antwoordde zij; "maar dit zeg ik," en hare stem klonk ernstig, "wij zijn nog niet aan het einde, en ging het haar nog slechter op de wereld dan tot nu, en al kwam zij als bedelares hier voor ons huis, ik joeg haar weg, want waar zij komt, brengt zij vloek, en ik hoop het haar nog eens in het gezicht te kunnen zeggen, dat zij eene--"

"Tante!" riep Liesje, zoo angstig en luid, dat de oude vrouw verschrikt ophield.

"Het is goed," mompelde zij. "Ik zal niets meer zeggen. Maar gij moogt niet zoo ongelukkig worden als Lisette. Ik zou het niet kunnen overleven, wanneer---O, mijn God, kind! ik wilde u niet bedroeven. Ik wilde u slechts waarschuwen, Liesje," vervolgde zij en trok het snikkende meisje aan hare borst.--"Gij zult uwe vriendin niet verliezen, om alles ter wereld niet; maar zie, als iemand jong is, komen er soms allerlei dwaze gedachten----Liesje, kind," fluisterde zij angstig, "zeg, gij zijt toch overtuigd, dat ik het goed meen?"

Liesje knikte: "Ja, ik weet, gij meent het goed, tante! maar---" Zij zweeg, zij was zoo droef te moede, als nooit te voren---

Beneden in de huiskamer zaten ze ook nog en spraken over oude tijden; over de schoone Lisette en baron Frits; toen stond de kleine predikantsvrouw op, en zong met haar lieve stem een eenvoudig lied:

Bij 't graf staat een linde en die welft er zich over; De vogels en 't windeken fluiten door 't loover, Er zit aan zijn voet--of het feestavond was-- Een knaap met zijn liefje, in 't donzige gras; Het windeken waait er zoo koud en zoo pijnend, De vogels, die zingen zoo zacht en zoo kwijnend, En beide gelieven, zij worden dra stom, Zij weenen, en geen van de twee weet waarom!

"Waar is onze Lise toch," vroeg zij daarop, "zij moet ook eens wat zingen."

En Lise zat nog immer boven bij hare tante; en toen zij naar het gezang beneden luisterde, begon zij ook te weenen--zonder zelve te weten waarom. Het was, als dook een nevel voor hare oogen op, waarin twee lachende kindergezichten meer en meer verdwenen; deze werd hoe langer zoo dikker, tot ze een hoogen muur vormde en daarvóór stond de trotsche, schoone burchtvrouw uit de familiezaal daarboven, met de wondervolle zwarte oogen en het blauw zijden gewaad, haar met de handen afwijzende: "Wat wilt gij hier? Gij behoort niet bij ons. Gij zijt lompenmolenaars Lise; keer terug, anders moet gij sterven. Denk aan Lisette, de schoone Lisette en---"

Haastig sprong zij op en ijlde naar haar kamer, waar zij zich op het bed wierp, en bittere tranen weende om iets, wat haar nu eerst duidelijk was geworden, en waarvan het verlies haar het leven zoo ledig, zoo treurig deed voorkomen.

Marie stond aan hare deur en luisterde naar het bange snikken daar binnen.

"Mijn God," fluisterde zij, "ik had wel goed gezien; zij heeft hem lief, dien Army; mocht ik haar nog tijdig genoeg gewaarschuwd hebben! Beter nu geschreid, dan later. Arm kind! ja--zulk een eerste liefde maakt immers zoo gelukkig--"

En beneden vertrokken juist de gasten; zij verstond duidelijk de woorden, bij het afscheid gesproken:

"Ja, ja, Bernard, zoo gaat het in de wereld!" sprak de predikant; "het leven baart vreugde en smart--nu, als wij eens als oude luidjes over het verledene spreken, zal het hoop ik niet zoo droevig luiden, als het verhaal van heden avond, en wij kunnen dan zeggen: Ziet kinderen, het is ons beter gegaan dan wij verdienden; wel, Bernard, ik zie u waarlijk al grootpapa, en Lise naast een flinken man op den molen. Nu, God behoede u! tot weerziens met Pinksteren, den tweeden feestdag--den derden komt gij bij ons, nietwaar Rosina! Goeden nacht! Groet Liesje en tante van ons." Het werd stil in huis, slechts in Liesjes kamer had het bitter weenen nog niet opgehouden, en eerst laat ging de oude vrouw de trappen af naar haar eigen klein vertrek. "Zij slaapt," mompelde zij, "God geve haar een vroolijk ontwaken, en mettertijd veel liefde en zegen! Zij is immers nog zóó jong, zóó jong, en het leven is zoo zwaar en lang, voor velen, ja--voor de meesten!

Zevende Hoofdstuk.

Het was Zaterdag vóór Pinkster. Lachend zond de zon haar gouden stralen op de aarde neder, kuste in den tuin bij den molen de vele rozen wakker, keek eventjes door de sneeuwwitte gordijnen in de kamers en brandde op de steenen bank voor de huisdeur.

Tante Marie stond in den tuin en plukte bloemen in haar voorschoot; Liesje hielp haar; zij had een grooten, ronden stroohoed op, de handen gedekt door tuinhandschoenen, en plukte de schoonste bloemen.

Er was een andere uitdrukking op haar gelaat zichtbaar; vooral hare oogen zagen er anders uit dan vroeger; lang niet zoo vroolijk, als bij zulk een heerlijken lentedag voegde, en hare tante was teederder dan ooit jegens haar. Van het dak vlogen twee zwaluwen haar tjilpend voorbij en verdwenen toen hoog in de blauwe lucht. In huis glom en blonk reeds alles; zelfs de ramen der ouderwetsche pronkkamer stonden wijd open, om overal de frissche lucht binnen te laten. Boven in de werkplaats en de fabriek had reeds vroeg het klapperen en stampen der machines opgehouden; de arbeiders maakten zich te huis voor het feest gereed. De heer Erving gaf hun gaarne dien dag vrij af--des te vlugger ging het werk later weer van de hand.

De boekhouder was, met de twee andere jonge lieden van het kantoor, reeds vroeg vertrokken om een kleinen Pinkstertoer te maken, alleen Selldorf was te huis gebleven. Hij wandelde vergenoegd aan den oever der beek heen en weer, en verlustigde zich in de zonnestralen, die tot op den bodem van het water doordrongen en in het gewemel der kleine vischjes, die zoo potsierlijk op die zonnige plek door elkander schoten; nu en dan wierp hij een zijdelingschen blik in den tuin, of de groote witte stroohoed met korenblauwe linten ook weer te voorschijn kwam, en daaronder de liefste, sprekendste oogen, die hij nog ooit gezien had.

Aan het open raam, dat op den tuin uitzag, zat de huisvrouw en naaide blauwe strikken op een wit kleed, dat haar Lise op het feest moest dragen; zij wenkte haren man, die juist binnenkwam, en wees hem de beide gestalten in den bloementuin.

"Zie, Erving, hoe Marie het meisje liefkoost," zeide zij lachend; "zij heeft haar altijd vertroeteld, maar in den laatsten tijd is het veel erger geworden, en sedert een paar dagen, nu Lise wat bleek ziet, draagt zij haar letterlijk op de handen."

"Laat haar maar begaan, Mina!" antwoordde Erving, "zij is goed bij haar bewaard; maar gij hebt gelijk, zij ziet wat bleek, en weet gij wel, wat mij is opgevallen? Zij is in geen week naar het slot geweest, en Nelly wel driemaal hier."

"Och, dat zijn meisjesgrillen; misschien hebben die beiden wel gekibbeld; maar zij gaat er morgen heen; ik meende, dat zij het verteld had."

"Morgen?" vroeg Erving, "hm! dan is immers Selldorf onze gast; wat zullen wij beiden alleen met hem beginnen?"

"O, zij blijft immers niet lang boven; ze hebben bezoek op het slot; de nicht van wie Nelly vertelde, en Army; maar Liesje is er tot nu toe nog altijd geweest om vroolijke feestdagen te wenschen, en kan het dus nu niet best nalaten."

Hij knikte verstrooid.

"Die Selldorf is een hupsche jongen," sprak hij toen.

Zijne vrouw zag hem lachend aan, en ook hij lachte.

"Nu weet ik, waaraan gij denkt, oudje," riep zij vroolijk.

"Zoo waarlijk, Mina? Nu, zou dat wel zoo slim zijn? Ik moet toch eenmaal een schoonzoon hebben, die verstand van de zaken heeft, en hij is een flink mensch; ik heb hem leeren kennen--hetzelfde degelijke karakter als zijn vader."

"Man," zeide zij, en hare groote, schoone oogen zagen hem bijna smeekend aan, "ik bid u, maak geene plannen! Zij is immers nog bijna een kind!"

"Waart gij _ouder_ toen gij mijne vrouw werdt, Mina?"

"Neen, Bernard, maar--"

"En zijn wij samen tot nu toe niet gelukkig geweest, en zullen wij het niet nog verder zijn?"

"Zoo bedoelde ik het niet," sprak zij, terwijl hij zijn arm om haar middel sloeg; "maar ik zou haar nog zoo gaarne eenigen tijd alleen voor mij houden, want wie weet, hoe lang ik--" zij hield op, en poogde hare tranen te bedwingen. "Laat mij," sprak zij, bemerkende hoe zijn gelaat betrok, "ik voel mij heden zoo angstig--verlaat mij niet! Zie, Erving, ik zal mij ook zeer verheugen, als zij een lieven man heeft, maar dan moet hij even goed en achtenswaardig zijn als gij."

Hij zag haar teeder aan. "De allerbeste moet het zijn," stemde hij toe, "en gij moogt beslissen."

"Erving," sprak zij toen ernstig, en beschouwde de slanke gestalte, die met het voorschoot vol bloemen naderde, "Erving, ik moet nu nauwkeurig letten op uwen Selldorf."

"Doe dat Mina," antwoordde hij en liet hare hand los. "Gij zult een rechtschapen mensch leeren kennen." En daarmede kuste hij haar op het voorhoofd en liet haar alleen met hare droomen. Het lichte werk gleed van haar schoot; hare gedachten verwijlden in de verre toekomst, en langzamerhand plooide een zachte, gelukkige glimlach hare lippen.

En zoo was nu de Eerste Pinksterdag aangebroken; voor de huisdeur stonden twee lichtgroene Meiboomen, als kaarsen zoo recht, en van de bovenste takken waaiden roode linten in den warmen lentewind; de duiven zaten allen naast elkander op het dak, en kirden en koesterden zich, en Peter, die van zijne zitplaats de vurige bruinen in toom hield, had ook een rood lint om zijne zweep gewonden. Frissche berketakken waren ter zijden in het rijtuig gestoken, en toen nu van beneden uit het dorpje de kerkklokken luidden, en Mina in haar beste Zondagskleed (Doortje moest te huis blijven om te koken) langs den wagen ging, knikte zij Peter in stilte toe. Nu kwam ook de heer des huizes, en hielp zijne vrouw in den wagen. Liesje en tante volgden. De eerste zag er in het luchtige, witte kleed met blauwe linten lieftalliger uit dan ooit; tante droeg een zwart zijden japon en hield, nevens gezangboek en zakdoek, frissche bloemen in de hand; ook Lise had een paar rozeknopjes in de hand. Doortje deed het portier dicht.

"Laat de hoenders niet verbranden," vermaande tante.

"Zeker niet," antwoordde zij, en voegde er, het jonge meisje aanziende, bij: "Bid ook voor mij, juffer!"

Liesje knikte: "Waarom moet ik dat juist doen?" vroeg zij lachend.

"O, omdat de lieve God heden zeker welgevallen in u heeft," zei Doortje.

De heer Erving lachte.

"Nu, Peter, vooruit;" en de wagen reed naar het dorp, terwijl de eigenaars moeite hadden alle groeten te beantwoorden, die zij ontvingen. Aan de pastorie gekomen, vloog Lise een ware bloemregen in den schoot, en de kleine deugnieten verstopten zich lachend achter de haag, en riepen haar vroolijk "goeden morgen, tante Liesje!" achterna, toen de wagen voorbij reed.

Selldorf stond bij de kerkdeur; blozend bood hij Liesje bij het uitstijgen de hand, en vroeg den heer Erving vergunning in zijne bank te mogen plaats nemen. Zoo zat hij gedurende de prediking naast haar, en tante Marie zat naast hare ouders, op de voorste stoelen. Eere, wien eere toekomt! Juffrouw Erving en de predikantsvrouw knikten elkander vriendelijk toe, en toen Selldorf de talrijk opgekomen schaar overzag, verbeeldde hij zich, dat aller blikken op zijne beminnelijke buurvrouw gevestigd waren. Deze zat intusschen met gebogen hoofd, de handen in den schoot gevouwen, en hare lippen bewogen zich zacht; haar buurman meende zelfs eens eene traan op het witte kleed te zien vallen.

Maar neen, dat was immers niet mogelijk; waarom zou zulk een lieftallig jong wezen tranen storten op zulk een heerlijken Pinksterdag?

En inderdaad, toen de geestelijke den zegen had uitgesproken, en de gemeente den slotzang aanhief, sloeg zij hare oogen rustig en vroolijk op.

Bij het naar huis rijden vermaakte Liesje zich met het bonte gewoel op den weg. Bij den grooten lindeboom moest Peter ophouden, en steeg zij uit. "Groet Nelly van ons, Lise!" klonk het, en met rassche schreden vervolgde zij haren weg. Haar hart begon sneller te kloppen, toen zij de lindenallée intrad; zij zette haar hoed af en ging langzamer; daar werd reeds het massieve voorportaal zichtbaar, en de beide steenen beren schenen haar heden bijzonder dreigend aan te zien. Zij stond stil en legde haar hand op het kloppend hart; het liefst wilde zij terugkeeren; maar wat zou Nelly denken, Nelly, die zij vroeger bijna dagelijks bezocht? Men zou misschien denken dat zij bang was voor de vreemde nicht. Neen, vooruit! Zij liep haastig de laan door, bleef echter plotseling verrast staan, want op het grasperk, onder de schaduw der zware boomen, die de opene ruimte voor het slot omgaven, stond vóór de steenen bank een gedekte tafel, en daaraan zat de jonge barones in een leunstoel, echter zóó, dat zij het naderende meisje den rug toekeerde; hare schoonmoeder zat tegenover haar en las ijverig eene courant. Alles op de tafel toonde duidelijk aan, dat men hier ontbeten had. Liesje waagde het niet, verder te gaan. De oude dame sloeg de oogen op en bemerkte haar; zij schrikte zoodanig, dat zij een sierlijken schotel van de tafel stootte, die kletterend op den grond viel.

"Hoe onbescheiden, ons zoo te verschrikken!"

"Goeden morgen, Liesje!" sprak hare schoondochter, opstaande, en gaf het jonge meisje de hand.