Chapter 4
Daarop volgde het eene feest het andere, en eindelijk moest hij vertrekken, hoe zwaar het hem ook viel. Hij bad zijne tante, spoedig terug te mogen keeren, en in den borstzak zijner uniform droeg hij een sierlijk étui van juchtleder, een geschenk zijner nicht; dit was zijn kleinood geworden, want daarin lag een lange lok rood, zacht vrouwenhaar. Zij gaf hem op zijn verzoek het haar al schertsend, opdat hij zou kunnen vergelijken, welk het meest goudkleurig was, dat op het portret in de familiezaal, of het hare.
Army stond nog aan het geopende venster in het donkere vertrek; hij haalde haastig het étui te voorschijn en beschouwde in het maanlicht de haarlok, die van boven en van onderen sierlijk met een blauw zijden lintje was vastgemaakt; hij drukte ze aan zijne lippen, en heerlijke beelden der toekomst kwamen hem voor den geest; hij zag zich weder gevestigd in het slot zijner vaderen; zij stond naast hem in den zomernacht; hij hield den arm om haar heen geslagen, en het lokkige hoofd rustte aan zijne borst; buiten op het eenzame voorplein murmelde weder na langen tijd een frissche fontein, nieuw vroolijk leven aankondigende.
Hoe schoon was deze droom der toekomst! Maar het was immers slechts een droom; en de werkelijkheid?--Army huiverde; zij stelde hem eischen, die hem deden terugschrikken; deze vervelende, ongelukkige werkelijkheid.--Waar zou hij de middelen vinden, om voor de schoone gast de treurige armoede in het slot Derenberg te verbergen? Dat geld, o, dat booze geld!
Hij zag droomend naar het park. De nachtwind was opgestoken en ruischte door de boomen. "Het is tijd om te gaan slapen," zeide de jonge dweeper. Met zachten tred verliet hij de zaal en zocht zijne legerstede op. In den droom verscheen hem de schoone Agnese Mathilde. Zij stond vóór hem in een zilverkleurig zijden gewaad, en daarover lag een gouden sluier; zij zag hem met hare groote, treurige oogen aan en hief waarschuwend de hand omhoog:
"Let daarom op de kleur van 't haar, En is dat rood, dan dreigt gevaar."
klonk het in zijn oor.
Vijfde Hoofdstuk.
"Army, wat ben ik blij, ook eens een gast te zullen hebben," sprak den volgenden morgen Nelly tot haar broeder, toen zij te zamen door het frissche, groene park wandelden. "Wat zal Liesje wel zeggen? Ik moet het haar vertellen. Zeg eens, Army! hoe vindt gij Liesje eigenlijk? Is zij niet beeldschoon geworden?"
"Ik weet het waarlijk niet," antwoordde hij verstrooid, "ik heb er in 't geheel niet op gelet; ja, ik geloof het wel, ik herinner het mij nauwelijks meer--"
"Maar, Army!" klonk het van de lippen zijner zuster, "gij zijt verstrooid, of misschien bedroefd--is u iets onaangenaams bejegend? Kan ik u soms helpen?"
"Neen, zusje," lachte hij en streek haar schertsend met de hand over het bloeiend gelaat. "Gij kunt mij wel het allerminste helpen; het is een ongelukkige geschiedenis, ik--zie er tegen op het mama te zeggen, maar ik kan niet anders."
"Och, spreek er niet tegen mama over, Army!" bad het jonge meisje, staan blijvende. Zij legde de kleine hand op zijn schouder, en zag hem angstig aan. "Ik bid u, doe het niet! Zij is zoo droevig, en weent zooveel; ik smeek u, zeg het niet, als het iets onaangenaams is--"
Army werd verlegen.
"Ja, mijn God!" zeide hij, "wist ik slechts wat te doen? Tot grootmama kan ik mij niet wenden; het zou te vergeefsch zijn, daar zij werkelijk niet in staat is, mij--"
"Army," fluisterde het meisje, de oorzaak zijner verlegenheid radende, "ik geloof, ik kan u helpen; wacht een oogenblik, of neen, ga vooruit onder den grooten ahorn aan den dijk! Ik ben aanstonds terug." En vlug liep zij naar huis; de zonnestralen dansten over haar eenvoudig kleedje en beschenen de blonde lokken; spoedig was zij om den hoek verdwenen.
De jonge man zag haar na en ging verder. Wat meende zij? Zij kon toch onmogelijk weten---
Hij zat op de steenen bank en zag naar het heldere water, waarin de blauwe hemel en de hooge boomen zoo liefelijk weerkaatsten.
"Hoe schoon is het hier!" sprak hij halfluid; "als zij maar een weinig gevoel voor natuurschoon heeft, moet het haar hier bevallen."
Vlugge schreden klonken achter hem, en zich omkeerende, blikte hij in het van vreugde stralende gelaat zijner zuster.
"Daar, Army!" zeide zij blozend, en legde een sierlijk zijden beursje in zijne hand. "Ik heb het waarlijk niet noodig; neen, wezenlijk niet; waarvoor toch? En nu zult gij niets aan mama zeggen; niets, nietwaar?" De blijdschap, iets te kunnen geven, straalde het lieve meisje uit de oogen. "Goede, lieve Army!" bad zij, "berg het spoedig! Het zal zeker voldoende wezen."
"Neen, Nelly, neen!" riep hij, kleurende; "uwe spaarpenningen--"
Zij hield hem de hand voor den mond. "Gij maakt mij boos, Army," zeide zij: "zouden broeder en zuster elkander niet helpen--Wie weet, of ik ook niet nog eens bij u kom! Laat ons nu verder gaan, spreek er niet meer over! Zie, hoe zoudt gij het vinden, als wij hier eene boot hadden? Ik heb het reeds lang gewenscht. Dan konden wij met Blanka roeien, en Liesje--nietwaar? Blanka zal toch niet trotsch zijn?"
Hij antwoordde niet; hij kwam zichzelf op dit oogenblik zeer verachtelijk voor. Haastig wendde hij het gelaat af.
Zijne zuster bemerkte het. "Army," zeide zij, "volg mij spoedig! Ik moet aanstonds naar mama, en--ik heb het druk," en zij sloeg den naasten weg naar het slot in.
Hij volgde haar langzaam, diep beschaamd. Hij had haar gister op haar geboortedag niet eens een kleinigheid geschonken, en heden gaf zij hem blijmoedig al hare bespaarde penningen. Hij bleef staan en opende de kleine zijden beurs; een paar losse daalders lagen er in, en nog iets in een papier gewikkeld; hij deed het open en vond een goudstuk, benevens een paar woorden van de hand zijner moeder op het papier. "Voor een nieuw kleedje voor mijne Nelly," las hij. Het jonge meisje had klaarblijkelijk de woorden nog niet gelezen; dan had zij hem deze vernedering bespaard; hij dacht aan het versleten kleedje, dat zij heden en gister droeg, en hoe zij zich over een nieuw verheugd zou hebben. Een nieuw kleed voor vijf daalders! Zooveel had ongeveer de ruiker gekost, dien hij Blanka gezonden had, en welken zij wellicht den morgen na het bal achteloos had weggeworpen; hij dacht aan de sierlijke gestalte, welke hij nooit anders dan in zware zijde of licht krip had gezien--welke tegenstrijdigheden biedt het leven! Daar lag het slot voor hem, zoo indrukwekkend, met zijn reusachtigen gevel, zijne torens; en de zoon des huizes bezat niet zóóveel, om,--neen, het was om wanhopend te worden.
Hij wendde zich haastig om, en keerde terug; zijne blikken dwaalden onwillekeurig over den heuvelachtigen grond en bleven op het leien dak van den papiermolen rusten; eensklaps lachte hij hardop. "Ja, die hebben des te meer," sprak hij half luid; "men moet zich maar met lompen en diergelijk tuig afgeven, dan stroomt iemand het geld toe; en dat alles zal de hand vullen van het kleine meisje, met 't welk ik eens speelde. Lompenmolenaars Liesje is de rijkste erfgename uit den ganschen omtrek--waarachtig, het is om zich dood te lachen, zooals het in het leven verdeeld is."
In zijn donkere oogen las men intusschen niets van lachen; hij zag er zeer neerslachtig uit, de knappe, jonge officier; het geld zijner zuster brandde hem in de handen, terwijl hij haastig voortliep, de lippen stijf op elkaar gedrukt. De schoone droom der toekomst was vervlogen voor het drukkende heden, en zijn geldelijke ongelegenheid had hem geducht aangegrepen. Hij nam het kleine briefje zijner moeder en legde het in zijne portefeuille; toen ging hij verder, en den hoofdweg inslaande, zag hij den ouden Hendrik, die naar hem toekwam, zoo spoedig zijn oude beenen het hem toelieten.
"Uwe grootmama verzoekt mijnheer den luitenant aanstonds bij haar te komen," boodschapte hij, den jongen man vriendelijk in het opgewonden gelaat ziende.
De oude barones liep haastig het vertrek op en neer. Haar trotsch gelaat was met een blos overtogen en de donkere oogen richtten zich ongeduldig naar de deur, waardoor haar kleinzoon moest binnentreden.
In hare hand hield zij een geopenden brief, en van tijd tot tijd bleef zij staan en wierp een blik op het papier.
"Het is ongeloofelijk," sprak zij zacht, "deze Koningsberger Derenbergs! Zich dáár zoo te nestelen. Dio mio! Wat geeft die Stontheim mij daar bittere pillen te slikken in dien korten brief! En toch mag ik God nog danken, dat die zaak zich zóó schikt. Hoe verheug ik mij, dat ik, trots de koelheid die tusschen ons heerscht, Army heb overgehaald haar te bezoeken!"
Zij wierp weder een blik in den brief.
"Ik heb in Armand," las zij, "een beschaafd, beminnelijk mensch leeren kennen, die geheel het karakter der Derenbergs bezit, en niettegenstaande den betrekkelijk korten tijd onzer kennismaking, heb ik hem hartelijk lief gekregen."
De lippen der oude dame plooiden zich tot een minachtenden glimlach.
"Ik ben, zooals gij u wel van vroeger zult herinneren," las zij verder, "iemand, die doorgaans eerlijk en openhartig mijne meening zeg--dat wij beiden het nooit eens waren, zal wel te wijten zijn aan het groote verschil onzer beschouwingen; nu zijn wij beiden oude vrouwen geworden, liefste Derenberg, en het wordt waarlijk tijd, vrede te sluiten voor de korte spanne tijds, die wij nog te leven hebben. Ik bied u de hand der verzoening aan; laat, wat vroeger is voorgevallen, vergeten zijn! De schuld lag waarschijnlijk aan beide zijden. En nu wil ik u in vertrouwen een lievelingswensch mededeelen, die ook Armand betreft. Gij zult door hem wel reeds vernomen hebben, dat in mijn huis een jonge moederlooze verwante leeft, die bij mij de plaats eener dochter in mijn eenzaam leven vervult, en die ik liefheb, alsof zij het werkelijk is. Bedrieg ik mij niet, dan ziet Armand zijne nicht niet met onverschillige blikken aan,--het zou mij hartelijk verheugen, zoo deze twee elkander leerden liefhebben; en ten einde hun daartoe de gelegenheid te geven, zend ik Blanka, onder het voorwendsel van hare gezondheid te versterken, naar uwe boschrijke woonplaats. Mochten de beide jonge harten elkander daar leeren verstaan, en ik in Armand nog eens een zoon begroeten! Gij zijt een verstandige vrouw, lieve barones, en ik behoef u niet te vragen, alle toespelingen op mijne wenschen bij de jonge lieden te vermijden; ik hoop dat zij elkander in waarheid genegen zullen zijn; het is mogelijk, dat Blanka met haar helder hoofdje mijne bedoeling vermoedt; meegedeeld heb ik ze haar niet. Moge de hemel voor het overige zorgen en het tot onze blijdschap doen uitkomen! Terwijl ik u in den geest nog eenmaal verzoenend de hand reik, ben ik, in afwachting van een spoedig antwoord, lieve Derenberg! uwe
"Ernestine, gravin Stontheim, geboren Derenberg."
"Het is waarlijk grootmoedig," vervolgde de oude dame; "men moet nog een vriendelijk gezicht zetten, en dankbaar wezen; het is fijn overlegd van tante Stontheim, maar zoo was zij altijd. Blanka is haar erfgename--dat is zonneklaar en nu zij den jongen heeft leeren kennen, wil zij de zaak zóó regelen; ik moet met een zoet gezicht in dezen zuren appel bijten en God danken, dat het zóó geschikt wordt; zij heeft een boosaardig karakter. Maar één wenk moet ik hem toch geven; het schijnt mij toe, dat deze Blanka hem niet onverschillig is, en--"
Op dit oogenblik trad Army binnen. Zijne grootmoeder zag hem vriendelijk aan.
"Ik heb een brief ontvangen van tante Stontheim," sprak zij, staan blijvende en hem de hand toestekende; "zij meldt mij Blanka's komst; en nu mijn jongen! vergeet, dat ik gister zoo onvriendelijk over uwe plannen sprak! Ik had een lichten aanval mijner migraine, en dat ontstemde mij; ik verheug mij werkelijk over het bezoek der jonge dame."
Army zag haar verrast aan. "Waarlijk, grootmama? Ik dank u; gij neemt een centenaarslast van mijn gemoed; het was zeer onaangenaam voor mij, u moeite te veroorzaken, die u niet aangenaam was. Mag ik weten, wat tante nog meer schrijft?"
De oude dame lachte. "Neen, mijn kind," zeide zij, "het is niet goed, dat men te veel vleiends over zichzelven hoort."
"Houdt tante van mij?" vroeg hij opgewonden.
"Tante is van oordeel, dat gij een verstandig jong mensch zijt, en zeker eens een echte Derenberg zult worden."
Army's gelaat werd bewolkt. "Is dat alles?"
"Vooral," klonk het schalksch van de dunne lippen der grootmoeder, "wanneer u eenmaal een schoone, geliefde vrouw ter zijde staat."
"Heeft zij dat geschreven?" riep hij haastig en greep, hoog blozend, hare hand. "Grootmama, wees goed! Zeg mij, meldde zij iets van haar, van Blanka? Denkt zij, dat Blanka mij ook bemint?"
"Army! mijn God, hoe onbeschaamd! Bedaar toch! Wie spreekt er van Blanka? Ik heb immers niets gezegd--verstaat gij? In het geheel niets; wie denkt _dááraan_? Gij zijt pas een-en-twintig jaar!"
Maar Army had de armen om den hals zijner grootmoeder geslagen, drukte in weêrwil van haar tegenstreven een paar hartelijke kussen op haar mond, en stormde toen zeer onhoffelijk de kamer uit.
"Orribile!" zeide de oude dame, hare muts terecht zettende; "hij is zeker al erg verliefd; als tante Stontheim hem nu gezien had, zou zij zeker niet aan zijn Derenbergs karakter gelooven."
Zij bleef nadenkend staan en het was, alsof haar iets uit het verleden te binnen schoot, dat veel overeenkomst had met het zoo even gebeurde. Plotseling herinnerde zij zich, hoe zij, in betere dagen, als een schoone jonkvrouw in overmaat van geluk de half blinde duenna om den hals viel en haar vurig kuste. En waarom? Omdat buiten op het balkon, onder de bloeiende oleanders, in de zoele avondlucht, een slanke, blonde man in gebroken Italiaansch haar zooveel verhaald had van een oud, Duitsch slot, omgeven door groene eikenbosschen, en van een oude, Duitsche vrouw met trouwe, blauwe oogen ... De trek om haren mond werd zachter, toen zij aan den jubel van haar jeugdig hart dacht. "Hij heeft toch mijn bloed in de ad'ren," zeide zij toen, "God geve, dat het leven zijne wenschen beter vervulle, dan de mijne!" Daarop zette zij zich aan haar schrijftafel en stelde zich de toekomst voor, die weder rooskleurig voor haar begon te schemeren, en voor hare oogen stond weder het oude slot in al de betoovering, die het vroeger omgaf.
Intusschen doorkruiste Army onrustig het park. Eerst had hij zijne zuster bijna platgedrukt door zijne omhelzing en haar iets onbegrijpelijks verteld van een nieuw kleed, een blauw, zooals Blanka droeg. Hij had zijne moeder, die de opgewondenheid van haren zoon niet begreep, de noodzakelijkheid betoogd, om hare zwakke gezondheid door een badreis te versterken, was het niet in dit, dan in een volgend jaar. Daarop was hij met Nelly en den ouden Hendrik in de kamer geweest, die hij voor Blanka had uitgekozen, en had er allerlei veranderingen bevolen; zijne zuster had hem haar werktafeltje en den bloemenstandaard hunner moeder moeten beloven; toen had hij aanmerking gemaakt op de gordijnen en schilderijen, de laatsten weggenomen en andere in de plaats gehangen en Nelly meer dan eens verzekerd, dat hij gordijnen en tapijten uit zijne garnizoensplaats zou laten komen in de plaats van al dat verkleurde tuig, alsook een nieuwe livrei voor Hendrik. Eindelijk had hij zijne zuster omhelsd, en haar gevraagd, of zij niet dacht, dat het Blanka hier wel bevallen zou, en of zij niet vond dat deze kamer het fraaiste uitzicht had? En zonder haar antwoord af te wachten, had hij er bijgevoegd: "Wat zult gij verbaasd staan, zusje, als gij haar ziet!" Toen was hij naar buiten gegaan, naar het oude park, en liep haastig door de met gras begroeide paden; bij wenschte het uur zijner afreis te bespoedigen, ten einde _haar_ te kunnen zeggen, hoe men zich te huis op hare komst verheugde--eindelijk werd het avond, en wandelde hij in den heerlijken lentenacht naar het dorpje, om de post op te wachten. Bij het parkhek plukte hij nog een bloeienden vliertak, een groet uit zijn huis voor Blanka. En eindelijk, eindelijk blies de postillon en reisde hij af, vervuld van gelukkige gedachten.
Daarboven echter, in den molen, werd zacht een venster geopend, en een donker meisjeshoofd boog zich naar buiten en zag met vochtige oogen naar den straatweg. Zij wist, dat hij heden avond weder vertrekken zou; hij had het haar immers zelf gezegd, en zij had op hem gewacht, den ganschen langen dag gewacht, maar hij was niet gekomen; en hoor! daar klonk nu de posthoorn door den stillen nacht Hoe treurig klonk dat! Uit het woud kaatste zacht een echo terug, en stil, heel stil werd het venster weder gesloten.
Zesde Hoofdstuk.
Den volgenden dag was het ongunstig weder. De hemel was geheel met een donker floers bedekt, en een zachte regen viel op de bloeiende appelboomen en de vlier. Liesje stond des namiddags boven in haar kamertje, en zag met een droevig gelaat naar het slot, welks torens in een grauwen sluier gehuld schenen. Alles was vandaag verkeerd gegaan; iedereen zag donker; haar vader had onaangenaamheden in zijn beroep gehad; tante had zich geërgerd, omdat Doortje de staldeur niet gesloten had, waarachter de hen met hare kiekens verblijf hield, die nu in den regen buiten waren: iets, dat streng verboden was; de kleine diertjes zouden nu allen omkomen, voorspelde zij; de oogen verdraaiden reeds. Doortje was erg beknord en liep met roodgeweende oogen door het huis; en tot overvloed van smart was de jonge heer Selldorf gekomen, die bij haar vader in de zaak zou werkzaam zijn, en had met de familie het middagmaal gehouden.
Gewoonlijk aten de heeren, die bij hem in de leer waren, boven in het huis dat zij bewoonden, want de heer Erving bevond zich het liefst uitsluitend te midden der zijnen; heden had hij echter eene uitzondering gemaakt, omdat hij zeer bevriend was met den vader van den jongen man. De jonge blonde heer, met zijn blauwe das, had tegenover Liesje gezeten en haar gedurig aangekeken, hetgeen volstrekt niet noodig was; er was gesproken over zijn vader, over beroepsaangelegenheden, en over de gezondheid zijner moeder, wat alles recht vervelend was geweest. Daarbij kwam, dat Liesje, voor de eerste maal sedert haar dit werk was opgedragen, vergeten had de duiven te voeren; zij ergerde zich over zich zelve--wat scheelde haar toch? En toen dacht zij er aan, hoe zij gister met haar naaiwerk onder den lindeboom vóór het huis had gezeten, tot het donker werd, en telkens, als er iemand naderde, geschrikt was, en hartkloppingen had gevoeld; hoe het steeds onverschillige menschen geweest waren; ten laatste kwam de oude bedelaarster Marie, en toen was zij in huis gegaan en had geweend. Zij bloosde uit schaamte over zich zelve, toen zij zich herinnerde, dat zij gister avond, wijl zij niet slapen kon, nog eenmaal was opgestaan om het venster te openen en naar den postillon te luisteren, die een lustig deuntje zat te blazen op den bok van het rijtuig, waarmede Army--zoo spoedig weder vertrok.
"Dat het nu ook zulk naar weer is," sprak zij op eens halfluid, een deeltje van Geibels gedichten van de boekenplank nemende, "anders zou Nelly zeker eindelijk wel eens komen."
Zij zette zich op de kleine sofa, en bladerde in het boek, zonder de liefelijke zangen, van welke zij anders zooveel hield, met iets meer dan een vluchtigen blik te verwaardigen. Zoo zat zij, totdat in de gang de voetstappen harer tante gehoord werden, en het goedige gezicht met het helderwitte mutsje in de deur zichtbaar werd.
"Zeg eens, Lise, waar om Gods wil zit gij toch?" vroeg zij geheel buiten adem; "eerst ziet gij den ganschen dag zoo zuur als azijn, en nu zit ge hier te lezen, in plaats van uw oude tante beneden wat te helpen. Gij weet wel, het is van daag Donderdag; dan komt de familie uit de pastorie. Doortje is geheel verslagen door de berisping, die zij ontvangen heeft, en Mina pruilt om haar gezelschap te houden; gij hadt mij wel kunnen helpen de duiven klaar te maken, of de aspergies te schillen; dat is niet gemakkelijk, en gij dient het te leeren voor de aanstaande huishouding, want een vlijtige huisvrouw is de rijkdom des mans. Maar wat ziet het er hier toch gezellig uit," viel zij zich zelve in de rede, terwijl zij het vertrek rondkeek, dat er met zijn witte verf, met wit en blauw gestreept katoen overtrokken meubels en neteldoeksche venstergordijnen, als een echte meisjeskamer uitzag. "Zie eens, hoe uw myrtheboompje in 't water drijft! Daar schiet mij te binnen, waarom ik hier eigenlijk kwam: hier is een briefje van Nelly. Hendrik bracht het mede;" zij nam het uit haar zak en gaf het Lise, die het openbrak en las.
"Verbeeld u, tante," riep zij verrast, "zij krijgen bezoek op het slot! Nelly is er bovenmate over verheugd; het is eene nicht, Blanka van Derenberg; en Army komt ook over met verlof en zij hoopt, dat ik haar dan dikwijls zal komen bezoeken.
"Zoo?" vroeg de oude vrouw.
"Ja, Nelly schrijft, zij zou zelve gekomen zijn om het mij te vertellen, maar zij had vandaag geen tijd, dewijl zij helpen moest de kamers in orde te brengen."
"Zouden zij dat dan nu eerst hebben vernomen?" sprak de oude vrouw.
"Och neen," zei Lise, "Army is dáárom over geweest, schrijft Nelly."
"Is Army weer hier geweest?" vroeg tante, en zag verbaasd naar het jonge meisje, dat plotseling hoogrood geworden was; "wanneer dan?"
"Op Nelly's verjaardag," klonk het zacht.
"Ei zoo! en daar hebt gij mij niets van verteld, Lise? Gij zegt mij anders toch alles!" en de stem der oude vrouw klonk angstig. "Zeg Lise, waarom hebt gij dat verzwegen?"
"Omdat ik niet altijd hooren wil, als gij zegt dat hij trotsch en voornaam is geworden."
"En waarom wilt gij dat niet hooren, Lise?"
"Omdat het niet waar is; omdat hij geen tijd heeft gehad om hier te komen--anders had hij het zeker gedaan."
Zij brak in tranen uit; de bedrogen verwachting van gister kwam haar weder te binnen.
"Maar, Lise, groote goedheid, wat moet dat beteekenen? Hoe dwaas, dat gij om zóó iets schreit! Wat ter wereld kan u Army schelen?"
De oude vrouw sprak knorrig; men kon het haar aanzien, dat haar hart bezwaard was. "Ik denk, dat het u niet aangaat, wat ik van Army zeg. Uwe wegen en de zijne loopen niet naast elkaar, zooals in uwe kindsheid; hij is nu een voornaam heer en gij zijt een volwassen meisje.--Wat moet men daarvan denken, dat gij zoo bitter weent?"
Lise viel de oude vrouw om den hals. "Och, tante, wees niet boos!" snikte zij; "het is recht kinderachtig van mij, maar ik kan het nu eenmaal niet aanhooren, zooals gij over de bewoners van het slot spreekt; wij hebben altijd zoo vriendschappelijk gespeeld, en het is altijd net of gij die schoone herinneringen onbarmhartig wilt uitwisschen, als gij boos zijt op Army en Nelly."
De oude vrouw schudde het hoofd. "Kind!" zei zij toen, "och, wist gij slechts, wat bitter leed zij daarboven ons berokkend hebben!"
"Kunnen Army en Nelly dat helpen?"
"Neen--maar--"
"Gij zegt immers zelf altijd, dat wij onze vijanden moeten vergeven."
"Dat is zoo, maar het is onmogelijk een onrecht te vergeten, dat u zoo van nabij treft, als--"
"Och, spreek daar niet van, tante!" bad Liesje vriendelijk en zag haar door hare tranen heen lachend in het gelaat; "ik zal niet weder zoo dwaas weenen; maar hoor! dan bromt gij ook niet meer. Ik ga nu met u naar beneden, en zal u helpen de duiven klaar te maken en ze zóó braden, als vader ze graag lust? En hebt gij reeds radijs uit den tuin gehaald of zal ik het doen?"
Zij vleide en bad zoo lang, tot de oude haar een kus gaf, en toen zij de voorzaal boven doorgingen, waarin groote linnen- en kleerkasten stonden, zag tante onwillekeurig naar een der deuren, en een bange zucht ontglipte haar.