Chapter 3
Dat was nu lang, lang geleden, en de menschen, die toen in den molen leefden, waren lang dood. Marie was oud geworden en bij de Ervings gebleven, geacht en bemind, als behoorde zij tot de familie. Frederik Erving, de tegenwoordige eigenaar van den molen, de neef der schoone Lisette, had in haar een tweede moeder gevonden, want toen zijn ouders vroeg stierven, nam zij hem tot zich en voedde hem teeder en zorgvuldig op. Hij was flink opgegroeid onder haar hoede, en toen hij eens een lieve vrouw in huis bracht, trad zij het jonge paar op den drempel der vaderlijke woning vriendelijk tegemoet, en de jonge echtgenoot voerde zijn pas verkregen kleinood haar in de armen: "Daar, tante!"--zoo noemde hij haar steeds--"heb haar ook een weinig lief en wees ons beider moeder!"
Zoo was het dan ook geworden. En toen tante in de oude dorpskerk later een dochtertje van het jonge paar ten doop hield, en een paar groote blauwe kinderoogen haar aanstaarden, toen vielen vreugdetranen op het gezichtje der kleine, en een vurig dankgebed, voor al het geluk haar beschoren, steeg ten Hemel op. De kleine ontving den naam van Liesje.
Omstreeks dezen tijd viel de vreeselijke gebeurtenis op het slot voor, die ook de harten in den molen diep schokte--de plotselinge dood van den baron Derenberg. Tante zat zwijgend aan haar spinnewiel en dacht "hoe wonderlijk somtijds Gods wegen waren." Toen nu eens haar lieveling, het kleine vierjarige Liesje, met nog een even klein blond meisje hand in hand langs het molenpad kwam aantrippelen, gevolgd door een beeldschoonen jongen met zwart haar, en een trotsch uitzicht, die verlegen met zijn klein zweepje speelde, ging zij hun tegemoet en nam het lieve krullekopje op den arm, en toen de kleine op de vraag, of zij boven in het slot woonde, toestemmend knikte, bracht zij het kind bij de jonge vrouw in het woonvertrek, nam toen den knaap en Liesje bij de hand en bracht ze ook binnen. De beide vrouwen, de oude zoowel als de jonge, liefkoosden de vaderlooze kinderen, tot het blondje eindelijk de armpjes om den hals der oude vrouw sloeg en de knaap met glinsterende oogen den appel aannam, dien zij hem voorhield. En toen zij later weder huiswaarts trippelden langs het molenpad, de broeder zorgvuldig het zusje geleidende, beiden telkens omziende en knikkende, drukte de jonge vrouw haar dochtertje aan het hart, en zeide, met tranen in de oogen: "Van avond moeten wij den lieven God hartelijk daarvoor danken, dat gij nog zulk een besten, braven vader hebt, zie die beide kinderen daar, _die_ hebben _geen_ vader meer, en zij missen bovendien nog zóóveel!" Van toen af dagteekende de vriendschap tusschen lompenmolenaars Liesje en de kinderen van Derenberg.
Op den molen was intusschen het leven aangenaam voortgesneld. Liesje groeide steeds schooner op; zij was een schrander meisje geworden en leerde vlijtig. De geestelijke, haars vaders vriend en haar peetoom, onderwees haar, en zijn vrouw leerde haar Fransch spreken en zingen. Wanneer zij met haar buigzame, hoewel niet sterke altstem de oude vaderlandsche volksliederen zong, dan werden tante de oogen vochtig: "precies Lisette!" zeide zij halfluid in zich zelve.
Dat Army, nu hij officier was geworden, den molen niet meer bezocht, verwonderde de oude vrouw niet. "'t Is grootmoeders bloed," zeide zij. Maar Liesje wilde niet gelooven, dat Army trotsch geworden was, dezelfde Army, met wien zij nog kort geleden zoo vroolijk gelachen had; zij moest het hemzelf vragen; zij begaf zich op weg naar het slot. Zij trof de jonge lieden onder den grooten lindeboom aan: Army stond op het punt te vertrekken, maar het was spoedig opgehelderd; hij moest onverwacht op reis, anders zou hij zeker gekomen zijn. Toen zij nu weder in de warme kamer voor de oude vrouw stond, die ijverig spon, sprak zij: "Ziet gij wel, tante, het is niet waar, dat Army trotsch is geworden; hij heeft niet kunnen komen, omdat hij plotseling op reis moest;--ik wist het wel.
"Zoo?" vroeg de oude vrouw.
"Ja! Gij stoute tante hebt mij waarlijk doen schrikken. Gij--" zeide zij pruilend.
"Nu, het ei wil altijd wijzer wezen dan de hen," antwoordde deze. "Nelly heeft dus gezegd, dat hij had willen komen?"
"Ja, en Nelly jokt niet."
"Nelly is een goed kind; het doet mij altijd genoegen als zij komt; zij heeft de trekken en 't gemoed der Derenbergs, dat waren door en door brave lieden die Derenbergs, totdat---" Zij zweeg.
"Wat bedoelt gij, tante?"
"Nu, als de duivel de menschen verderven wil, doet hij zich als een engel voor."
"Wat zegt gij?"
"Ik zeg niets; maar gelooven moogt gij het, Liesje! wat de leeraar Zondag van den kansel verkondigd heeft: 'Onze God is een rechtvaardig God,' dat is een waar woord; nu, zie mij niet zoo verwonderd aan! Kijk liever eens in den oven! Daarin liggen voor u heerlijk gebradene appels."
Vierde Hoofdstuk.
Twee jaren en eenige maanden waren sedert verstreken. Het was op een avond in de maand Mei. Door het geopende venster drong een bedwelmende lucht in tantes kleine kamer; de wind speelde zacht in de jonge wijngaardranken, die het venster als met een lijst omgaven, en de maan wierp haar helder licht op de eenvoudige meubelen in het gezellig vertrekje en bescheen het gerimpeld gelaat der oude vrouw, die, de vlijtige handen in den schoot latende rusten, aan het venster zat, en naar buiten zag in den tuin, waar juist de appel- en vlierboomen in vollen bloei stonden. Zij hield haar schemeruurtje; licht werd er in de langer geworden avonden niet meer aangestoken; dat was een oud gebruik in huis; en de mensch wil ook wel gaarne eens rusten niet alleen met zijn handen, maar ook met zijn gedachten. Eigenlijk rustten deze ook niet, want zij dwaalden rond in het verleden, in schoone, lang vervlogen dagen, en dat was een genot, een ontspanning, wanneer, na de warmte en de lasten des daags, de schemering kwam. In huis was alles bezorgd; het tegenwoordige verdween op dezen nevelachtigen lenteavond voor de blikken der oude vrouw, en de tijd harer jeugd dook weer voor haar op, nevelachtig en door de maan beschenen, als de wereld daar buiten.
Zij vouwde de handen, en het hoofd omkeerende, bleven haar blikken op een schilderijtje boven de commode rusten dat in het heldere maanlicht de silhouette van een man vertoonde.
"Ja, ja, mijn Christiaan," fluisterde zij zacht, "wij hebben elkander liefgehad, zeer lief, en zijn wij slechts korten tijd gelukkig geweest, vergeten heb ik u niet, en ik ben u tot nu toe getrouw gebleven. Dat het ook zoo met u moest gaan--zoo treurig! Lieve hemelsche vader, wat kan men al niet beleven, in een korten tijd! Nauwelijks is de mensch een paar jaar gelukkig,--of daar komt de smart; een lading vol--mijn God! wat waren wij toch een paar lustige, vroolijke meisjes, mijne Lisette en ik, en juist toen wij dachten, wat is de wereld heerlijk! daar ving het treuren aan.
"Mijne Lisette en mijn goede Christiaan!" Zij schudde treurig het hoofd, want voor haar geest verschenen twee groene, met zoden bedekte grafheuvels, ginds boven in de schaduw der linden op het kerkhof.
Daar vloog een bloeiende vliertak door het raam en viel haar in den schoot.
"Ha, wacht! Dat doet Lise," zeide zij, en een schalkachtige trek verdreef de treurige uitdrukking van haar gelaat; zij zat onbeweeglijk achter in haar hoogen stoel. Een oogenblik daarna werd een meisjeshoofd, met donkere vlechten als een krans omwonden, voor het venster zichtbaar en zag bespiedend naar binnen.
"Zij is hier niet!" sprak zij verdrietig; toen gaf zij een gil van schrik, want tante maakte een rassche beweging en streek het meisje met den vliertak over het verblufte gelaat.
"Foei! Hoe afschuwelijk, tante, mij zoo te doen schrikken!"
"Ei, wat! wie zou wel het meest ontsteld zijn?" vroeg de oude; "wacht, gij ondeugd, meent gij nog wel de beleedigde te zijn?"
Het meisje gaf hierop geen antwoord, maar vroeg: "Zijn vader en moeder reeds terug uit de stad?"
"Nog niet; dat kan wel elf uur worden, mijn kind. Ga rustig slapen. Ik blijf immers wacht houden."
"Maar, tante! wat denkt gij wel?" riep het jonge meisje. Op dezen wonderschoonen avond? Kom eens even buiten, ruik toch hoe liefelijk de vlierboomen geuren! Gij kunt niet gelooven hoe heerlijk het in den tuin is."
"Ach, kind, dat is niet meer voor mij; oude lieden zijn moeielijk weder jong te maken; het is buiten vochtig, en mijn nare jicht--blijf gij echter maar buiten en geniet den schoonen avond."
"Dan kom ik bij u binnen, tante. Mag ik? Ik kan van avond niet alleen zijn, voor niets ter wereld niet."
"Nu, kom dan, gij dwaas kind!"
Het kopje verdween voor het venster, en aanstonds daarop werd de kamerdeur geopend, en de slanke meisjesgestalte, in een licht gewaad gekleed, trad binnen.
"Daar ben ik, tante!" riep zij vroolijk, en zette zich op een bankje aan de voeten der oude. Het maanlicht viel op het ronde gezichtje en bescheen een paar wonderlijk diepe, blauwe oogen, die smeekend tot de oude vrouw opzagen. "Tante," sprak zij toen zacht, "vertel mij heden avond iets, bid ik--"
"Ei! moet ik zulk een groot meisje nog sprookjes vertellen?"
"O, toch niet! Iets uit uwe jeugd, tante."
"Uit mijne jeugd? Maar wat dan toch?"
"Och, tante, vertel mij eens, hoe gevoeldet gij u, toen gij--toen gij uw liefste voor de eerste maal zaagt?"
"Wel gij--nieuwsgierig ding! Gij zijt nog veel te jong om alles te weten. Waarom moet ik u juist dat vertellen?"
"Ik ben al zeventien jaar, tante; andere meisjes hebben dan reeds een bruidegom, en--"
"Hoor mij dat eens aan! Gij zoudt bij slot van rekening er ook wel graag een hebben,--ei, ei, als ik dat aan moeder verhaal--"
"Doe dat maar, tante!" riep het jonge meisje, lachend. "Moeder heeft mij onlangs o! zooveel linnengoed laten zien en gezegd: dat is alles voor uw uitzet, Lise."
"Zoo? men zou zeggen! Maar wat wildet gij weten?"
"Gij zoudt mij eens verhalen, hoe gij waart, toen gij uw geliefde voor het eerst gezien hebt?"
De oude vrouw ontroerde, en het kind voor haar zag met, groote, vochtige oogen vol verwachting tot haar op.
Het was zoo stil in het rond; alleen het bruisen van het water klonk met eentonige melodieën uit de verte.
"Drie leliën, drie leliën, die plantten ze op mijn graf!"
zong een frissche meisjesstem, beneden in den tuin.
"Daar kwam een vreemde ruiter aan, en brak ze allen af."
Tante schudde het hoofd. "Dat is Doortje; hoe kan zij zoo zingen, zij is van daag nog beknord! Maar, minnen en zingen, laat zich niet dwingen."
"Och, ruitertje, och, ruitertje! Blijf van mijn bloemen af; Die moet mijn schat, mij allerliefst, Zelf plukken van mijn graf."
"Dat liedje heb ik ook dikwijls gezongen, toen ik nog jong was," zeide tante; "ik heb ook daar beneden gezeten in het jasmijnpriëel met Lisette en naar hartelust gezongen, en zij kon het zoo schoon--maar gij wildet immers weten," viel zij zich zelve plotseling in de rede, "wáár ik hem voor het eerst gezien heb? Hoor dan, eens op een avond, zoo heerlijk als deze, maar iets later in het jaar, in Juli ongeveer, ging ik den weg langs, die voorbij het park voert, en zong:
"Hij is geen keizer, bij is geen koning; Hij is soldaat, hij is soldaat."
"Daar trad uit de schaduw der lindenallée een man te voorschijn en vroeg: 'Wel juffer, moet het juist een soldaat zijn?' waardoor ik zóó schrikte, dat ik zonder antwoord te geven, mij haastig wegspoedde. Hij echter volgde mij, en bad zoo vriendelijk om vergiffenis, dat ik stilstond en hem aanzag. Hij had zulk een lief, goedig gelaat, met een paar eerlijke, trouwhartige oogen, dat ik geen vrees meer gevoelde; wij wandelen langzaam verder en hij verhaalde mij, dat hij rijknecht was op het slot bij de jonge barones, de grootmoeder van Army en Nelly, die voor korten tijd hier was komen wonen; dat hij mij reeds dikwijls gezien had, als hij den molen voorbijreed, want gij weet wel, dat ik bij uwe overgrootmoeder diende. En ik verhaalde hem, dat ik vader noch moeder meer had, en toen reikten wij elkander boven bij de molenbrug de hand en zeide hij: 'goeden nacht, Marie!' Wij spraken niet meer, maar stonden langen tijd zwijgend naast elkander, tot ik op eens zoo hard ik kon over de brug naar huis liep."
"Hoe waart gij toen te moede, tante?"
"Ja, dat weet ik niet meer zoo nauwkeurig, Lise," zeide de oude vrouw; "ik weet alleen, dat het mij was, alsof de maan nog nooit zoo helder op den ouden molen geschenen had, en de hemel nog nimmer zoo hoog was geweest; ik kon den ganschen nacht niet slapen en was toch den volgenden morgen niet moede, en de woorden: 'goeden nacht, Marie!' klonken mij onophoudelijk in de ooren."
De oude zag naar het jonge meisje; haar oogen stonden vol tranen. "Zeg mij eens, Lise, wat scheelt u toch?"
"Och, niets, tante!" antwoordde zij. "Weet gij wat, ik ga nog even naar buiten; vader en moeder zullen wel aanstonds komen. Goeden nacht, tante!"
"Goeden nacht, Lise! God behoede u! maar hoor eens, kind, als gij morgen vroeg weer aspergies steekt, moet gij niet als vandaag de helft laten staan, anders moet ik er weder zelf voor zorgen, hoe zwaar het mij ook valt. Goeden nacht!"
En toen was de oude vrouw weder alleen in haar kamertje. Zij sloot het venster en ging, het hoofd schuddend, naar de commode; zij zag naar de beeldtenis van haren Christiaan; de maan bescheen die niet meer, zoodat zij die niet meer onderscheiden kon; maar zij wist immers nauwkeurig, hoe hij er uitzag.
"Ja, zoo was het," fluisterde zij, "dáár buiten bij de molenbrug, daar ving het aan. Liefde heeft een goed geheugen; ik herinner het mij heden avond even zoo goed, alsof wij gister daar stonden. Dat is Lise's schuld. Wat of zij toch eigenlijk wilde, het dwaze ding?"---
Lise was buiten onder den lindeboom gaan zitten; het water van de molenbeek ruischte aan haar voeten. Haar oogen staarden op den weg, die, aan de overzijde van het water, naar het slot voert, en daarboven, achter de donkere toppen der boomen, verhieven zich de trotsche, door de maan helder beschenen torens naar den nachtelijken hemel, zooals zij dat reeds dikwijls gezien had, zoo ontelbare malen--hoe kwam het, dat zij heden zoo wonderlijk te moede was?
De oorzaak was een onverhoopt wederzien. Army was plotseling het priëel binnengetreden, waarin zij en Nelly elkander zaten voor te lezen. Geheel onverwacht stond hij voor haar en omhelsde lachend zijne zuster die, blozend van vreugde, bijna niet spreken kon; daarop had hij haar zeer verbaasd aangezien en eindelijk "juffer Lise" genoemd. "Juffer Lise!" Hoe gek klonk dat! Zij moest er om lachen; hij lachte mede, maar bleef haar zoo noemen. Hij was grooter en statiger geworden sedert dien winteravond, toen zij hem voor het laatst onder de besneeuwde linde zag, en nu prijkte de frissche mond met een aardig kneveltje; wat was hij toch knap! En wat was de avond van Nelly's verjaardag spoedig omgevlogen; zij hadden hunne kinderjaren in herinnering teruggeroepen en hij was zoo vroolijk, zoo tevreden geweest; het gelaat zijner moeder had zoo van vreugde gestraald; en toen zij vertrekken moest, had hij haar vergezeld; zij waren te zamen de lindenallée doorgewandeld tot aan de molenbrug, evenals vroeger tante met haar Christiaan; zij hadden over hunne jeugd gepraat en bij de brug was hij blijven staan.
"Goeden nacht, juffer Lise!" Zij had er weder om moeten lachen; "goeden nacht, mijnheer Army!" had zij willen zeggen, maar het kwam niet over haar lippen; zij stak hem weifelend de hand toe, die hij als een oude bekende greep, en toen ging hij heen. Zij boog zich over de leuning en zag in het water, waarop de stralen der maan als zilveren strepen dansten, en hoorde de nachtegaal zingen in de oude linden--'t was alsof zij droomde.
"Of hij ditmaal ook in den molen zal komen?" vroeg zij bij zich zelve en zag naar het slot. "Ja, zeker! Als moeder nu maar juist niet morgen het beloofde bezoek bij de houtvestersvrouw wil afleggen," dacht zij. Dat zou toch jammer zijn, en meegaan moest zij in alle geval.
En zoo zat zij en droomde onder de oude linde in dien lentenacht, en de maan zag vriendelijk en stil op haar neder, als wilde zij haar niet storen in die zalige droomen der jeugd; zij weet het immers, die oude kameraad, hoe spoedig ze soms vervliegen---
Boven in het slot scheen nog laat in den nacht het licht in de kamer der oude barones. Zij zat achterover in haar stoel geleund, en haar handen speelden met den witten zakdoek op haren schoot.
"En gij zegt, Army!" sprak zij vragend tot den jongen officier, die tegenover haar zat, "tante Stontheim heeft zelve den wensch te kennen gegeven, dat Blanka ons hier bezoeken zal?"
"Neen, lieve grootmama, dat is te veel gezegd," antwoordde deze: "tante Stontheim is een zonderlinge vrouw; zij zegt eigenlijk nooit wat zij wenscht; zij sprak er over, dat de vermoeienissen van den winter Blanka verzwakt hadden, en vroeg mij, of de lucht onzer bosschen versterkend was; waarop ik natuurlijk, den wenk verstaande, aanstonds onze gastvrijheid aanbood."
"Zeer voorbarig, mijn waarde Army! Ik moet bekennen, hier in dit ledige, eenzame slot aan een jonge, verwende dame eenigszins een genoeglijk leven te verschaffen, schijnt mij een moeielijke zaak toe. Het is onbescheiden van tante Stontheim, uw aanbod aan te nemen en dat nog wel voor die Blanka! Zij kan later haren vader verhalen, hoe men in het slot Derenberg gasten weet te ontvangen." De oude dame lachte bitter.
Army zweeg; hij zag naar een mug, die om de lamp fladderde.
"Hoe ziet zij er toch eigenlijk wel uit, die Blanka?" vroeg de grootmoeder, na eenig stilzwijgen.
Army's gelaat verhelderde zich. "Hoe zal ik u haar beschrijven, grootmama? Ik kan u alleen zeggen, dat Blanka een buitengewone verschijning is; men wordt verblind, als men haar voor de eerste maal ziet, en hoe meer men haar ontmoet, hoe meer zij iemand aan zich boeit."
"Dat is de taal eens verliefden," sprak de oude dame koel; "zooveel ik weet, had zij nooit aanleg eene schoonheid te worden."
Army werd gloeiend rood onder de koude blikken der groote, zwarte oogen.
"Zij is ook eigenlijk niet schoon; zij heeft zoo iets--"
"Genoeg!" viel de oude barones hem ongeduldig in de rede; "zeg mij liever, hoe denkt men over de verhouding van tante tot Blanka, en wat heeft deze te hopen?"
"Zij gaat door voor de eenige erfgename harer tante. Veel hartelijkheid heb ik echter gedurende mijn veertiendaagsch verblijf, bij het Kerstfeest en den verjaardag van tante, tusschen die beiden niet kunnen bespeuren."
De barones haalde minachtend de schouders op.
"Hebt gij uwe moeder het heuglijk bericht van het te wachten bezoek reeds medegedeeld?"
"Neen, noch aan mama, noch aan Nelly; zij waren niet alleen--de kleine uit den molen was bij haar."
"Natuurlijk! Het is onbegrijpelijk. Ik heb eens voor altijd verzocht van hare tegenwoordigheid verschoond te blijven, en desniettegenstaande is zij de eerste en de laatste bij uwe moeder en zuster, die in haar een engel van schoonheid en goedheid zien. Maar, Army, waar ter wereld zal deze Blanka logeeren? Door wie zal zij bediend worden?"
"Ik had aan de kamer naast de uwe gedacht, grootmama! en de torenkamer zou tot zitkamer kunnen worden ingericht."
"De torenkamer? Nooit!" riep de oude dame vertoornd uit; haar buitendien reeds bleek gelaat had in dit oogenblik een bijna spookachtig aanzien.
Army zag haar verschrikt aan.
"Zooals gij wilt, grootmama!"
"Schik dat met uwe moeder!" liet zij er haastig op volgen, "laat Blanka zitten waar zij wil! De torenkamer blijft gesloten, zoolang ik leef. Begeef u nu ter rust! Morgen spreken wij elkander nader."
Army kuste hare hand en ging heen. Buiten op den corridor scheen de maan door de kleine ruiten der hooge ramen helder op den witten marmeren vloer.
"Nog altijd het oude liedje," mompelde hij; "wat heeft dat nu weer te beteekenen met dat torenkamertje? En ik had mij zoo voorgesteld, het voor Blanka in te richten--"
"Voor Blanka!" Hij hield een oogenblik op; zijne gedachten vlogen terug naar de groote stad, naar de deftige villa met de hooge spiegelruiten en de met bloemen getooide veranda; dáár, boven op de tweede verdieping, achter de fijne kanten gordijnen, rustte zij nu zeker en sliep. Hij trad zijne kamer binnen; de vensters waren geopend, en de lucht voerde hem een stroom van geuren te gemoet; hij zag naar buiten in het door de maan beschenen park. Hij herinnerde zich dien winteravond, toen hij in deze zelfde kamer vertoefd had, nog onbekend met het leven, beangst voor de toekomst, en hoe hem toen de oude spreuk voor den schoorsteen zoo verrassend hoop en levensmoed gaf: "Vertrouw gerust op God, geluk is dan uw lot." Was het geluk hem reeds ten deel gevallen? O, neen; het geluk zelf nog niet, maar toch de hoop er op. In den geest bevond hij zich bij tante Stontheim, in haar sierlijk salon.
Hij was, op de uitnoodiging der oude dame, de Kerstdagen te D. komen doorbrengen, en toen hij haar de hand kuste, die zij hem ter verwelkoming toereikte, had hij niet zeer vriendelijk gezien. Hem werd thee gediend, en een gevoel van onuitsprekelijke verveling beklemde zijne borst. Op eens was de deur opengedaan, en zweefde een meisjesgestalte de kamer binnen. De kroon aan den zolder wierp haar verblindend licht op een wezen, aan een elf gelijk, gehuld in een kleed van bleek groen krip, waardoor fijne, marmerwitte schouders zichtbaar werden, en over het blanke, smalle voorhoofd glinsterde het goudkleurig haar, dat langs den rug nederviel in zware, weelderige vlechten. Hij was opgesprongen en staarde haar aan, alsof hij eene geestverschijning zag. De jonge dame wierp den prachtigen ruiker van witte camélia's op de tafel, ijlde hem voorbij, en begroette hare tante.
"Agnese!" klonk het in zijn binnenste; "de schoone Agnese Mathilde uit de familiezaal 't huis!"
"Is het reeds zóó laat?" vroeg hare tante, een onderzoekenden blik op de bekoorlijke gestalte werpende, en toen op hem wijzende, zeide zij:
"Lieve Blanka, uw neef Armand van Derenberg, die gedurende de feestdagen onze gast zijn zal!"
De jonge dame, met hare donkere oogen, had een vluchtigen blik op hem geworpen; hij staarde haar nog steeds aan; hij kon niet anders; voor hem stond immers zij, de schoone Agnese Mathilde, alsof zij zoo uit haar vergulde lijst getreden was! Ja zeker, hij had zich zeer links gedragen; het bloed steeg hem nog gloeiend heet naar boven, als hij daaraan dacht. Toen had hij, op verzoek zijner tante, haastig toilet gemaakt, en was met de dames in een prachtig rijtuig uitgereden, was een vorstelijk verlichte zaal binnengetreden, en had met Blanka gedanst; hij had haar verteld, dat er thuis in het slot een portret in de familiezaal hing, dat haar sprekend geleek, en waarvoor hij als knaap uren lang had gestaan zonder zich ooit aan het aanschouwen te kunnen verzadigen.
Zij had toen gelachen, en hem gezegd, dat zij wel lust had de proef te nemen en er naast te gaan staan, om te zien, of het niet veel meer inbeelding was dan werkelijke gelijkenis. Trouwens, die oogen, die diep treurige oogen, bezat zij niet; wel waren zij ook donker, maar die onbegrijpelijke smart lag er niet in; hoe was dit ook mogelijk? Was zij niet zóó jong, zóó vroolijk, zóó gevierd!--Hij volgde haar met zijn blikken, toen zij hem in den dans voorbijzweefde; als een goudkleurige sluier omgaf het loshangende haar het bleeke gelaat; hij kon zich niet verzadigen aan dien wondervollen tooi; hij benijdde elk, die met haar danste, en verheugde zich in het vooruitzicht van den heiligen avond, om welken te vieren hij toch eigenlijk gekomen was, en dien men zeker stil in den huiselijken kring zou doorbrengen.
Maar juist dáár was zij hem het minste bevallen; niet, dat zij er minder bekoorlijk had uitgezien--zeker niet; de gouden sluier lag zoo wonderschoon op het donkerblauwe zijden kleed; de lichten van den Kerstboom weefden schitterende vonken daarin, maar de vroolijke lach, die een gelaat eerst waarlijk betooverend maakt, ontbrak; de innige Kerstvreugde miste hij geheel in Blanka's zwarte oogen.