Liesje van den Lompenmolen

Chapter 2

Chapter 23,918 wordsPublic domain

Hij stond in den hoogen, killen corridor, en vroeg zichzelf af, waar hij eigenlijk heen wilde. "Eerst moet ik mijn paletot halen," dacht hij, en ging door de lange gang naar zijn kamer; hij was wonderlijk te moede--voor het eerst had hij den ernst des levens leeren kennen. Ja, hij wist wel, dat zijne familie in behoeftige omstandigheden leefde, maar met de gewone onbezorgdheid der jeugd, had hij zich daarover niet bekommerd. Nu had zijne grootmoeder er over gesproken en hem tegelijk het uitzicht op eene rijke erfenis geopend, maar er was nog eene erfgename, een klein, roodharig schepsel, zooals grootmama haar genoemd had.

Hij dacht aan de schoone Agnese Mathilde! hoe heette het ook weer het rijmpje: "Daarom, let op de kleur van 't haar! En is dat rood, dan dreigt gevaar." Het roode haar zou _hem_ toch niet in gevaar brengen? Maar neen, hij had geen aanleg om idealist te worden.

Grootmoeder had gezegd: "Op u, Army, en op de Stontheimsche erfenis bouw ik al mijne hoop," en hij had haar iets verweten van jacht maken op erfenis. Maar Blanka dan, de kleine, roodharige Blanka--daar was zij alweer--maar tante Stontheim kon immers verdeelen tusschen Blanka, Nelly en hem--ja, dat was een uitkomst. Zou zóó alles nog niet terecht kunnen komen?

Hij huiverde; hij ging naar den haard en wierp een handvol hout op het haast uitgedoofde vuur; de vlammen vlogen knappend op uit het droge hout en wierpen een onzeker licht op den ingelegden vloer. Het roode schijnsel deed het vergulde loofwerk van den schoorsteen helder uitkomen en de oogen van den jongen man volgden droomend de kronkelingen van den eiken slinger, die onder de kroonlijst van den schoorsteen heenliep, en in het midden een omkranst schild vormde, waarop de spreuk:

"Wanhoop nooit aan God! Dan is geluk uw lot;"

een kernspreuk uit oude, lang vervlogen tijden. "Geluk is dan uw lot," herhaalde hij halfluid; had hij deze woorden dan nog nooit gelezen? Zij maakten thans een diepen indruk op hem; zou ook hij niet weder gelukkig kunnen worden?

Hij zag op naar de prachtige hertegeweiden--alle waren zij door de Derenbergs buitgemaakt, zooals de bijschriften met naam en datum vermeldden, in de bosschen, die men deels verkocht, deels verpand had. Maar het was immers mogelijk--waarom niet?--dat hij eenmaal weder dáár kon jagen, waar zijne voorouders zoo menige vroolijke jachtpartij gehouden hadden.

Weg met die zotte kuren! Het leven lag immers nog vóór hem, zoo vol hoop, zoo uitlokkend, en 't geluk kon immers komen.

Op zijn jeugdig gelaat blonk weder een zonnestraal; het hart klopte hem warm in de borst, en hij voelde den moed in zich 's levens stormen te trotseeren. "Voorwaarts dan in de golven des levens! Hoe sterker de branding hoe beter! Vreugd of smart, ik neem het zooals het valt; een leven zonder strijd is geen leven. Ik wil grootmama om vergeving vragen voor dat leelijke woord 'erfenisjacht', ging hij voort; ook mama mag niet meer zoo treurig zijn--waarom altijd zoo donker te zien? Zelfs de kleine liet haar hoofdje hangen; ja maar--dat was om Liesje, de kleine lompen-Liesje, bah! dat is niet de moeite waard er over te spreken, en zij zal zelve later wel inzien, dat--"

Hij floot een vroolijk liedje, toen hij door de gang naar zijne moeder terugkeerde.

Tweede Hoofdstuk.

Den volgenden morgen stond Army met een opgeruimd gelaat voor zijne grootmoeder; hij had hare vergiffenis verworven. Wel schudde zij lachend het hoofd, toen hij zijne meening herhaalde, dat de nog onbekende Blanka mee zou erven. "Gij zijt een dweeper, Army," zeide zij schertsend, doch sprak hem niet tegen; alleen wees zij op een tabouret aan haar voeten. "Ga zitten! Ik heb u nog wat te zeggen, voor wij scheiden."

De vertrekken der oude dame hadden hunne weelderige inrichting behouden, en maakten op het eerste gezicht een bijna prachtigen indruk. Wie nauwkeuriger toezag, bemerkte wel, dat de kleur der zware purperen stof verbleekt, en de zijde hier en daar doorgesleten was, maar niettegenstaande dit alles, gaven de gordijnen voor deur en vensters, de sierlijke palissanderhouten meubels, het zware Smyrnasche tapijt aan het vertrek een deftig aanzien. De wanden waren versierd met in gouden lijsten gevatte, vroolijke Italiaansche landschappen; 't waren herinneringen aan de gelukkige dagen, door de barones als gevierde gravin Luja te Venetië en Napels doorgebracht, en bij deze herinneringen vergat zij het troostelooze heden.

"Hoe gij u te gedragen hebt jegens tante Stontheim, behoef ik u niet te zeggen, Army!" ving zij aan, verstandig het geschilpunt van gister vermijdende. "Gij zult dit zelf wel weten; breng haar mijne hartelijke groeten, en zeg haar, dat ik een oude, afgeleefde vrouw ben geworden."

"Die boodschap kan ik niet overbrengen, grootmama," zeide Army hoffelijk, "ik kan mijn geweten onmogelijk met een leugen bezwaren."

De oude dame lachte, en hem een tikje op de wang gevende, sprak zij: "Niet spotten met uw oude grootmoeder!"

Army kuste haar de hand. "En wat heeft u mij nog meer te zeggen?"

"Ja, waarlijk, ik moet u nog voor iets waarschuwen. Gij treedt zeer jong de wereld in en hebt het hartstochtelijke bloed mijner voorouders geërfd. Geniet uw jonkheid naar hartelust, maar wacht u voor een ernstige neiging! Zij, die gij eenmaal als vrouw naar huis zult voeren, moet veel in zich vereenigen, van oude familie zijn en vermogen bezitten, Army! veel vermogen; dit is een der weinige wegen, die u openstaan om den gezonken luister van uw huis weer op te richten.--Dat is alles, en als gij belooft, mij nu en dan eens te schrijven, heb ik u niets meer te zeggen!"

De jonge officier lachte. "Zeker grootmama, ik schrijf spoedig, want ik zal tijd in overvloed hebben; maak u niet bezorgd! Aan trouwen kan ik toch onmogelijk nu reeds denken; ik ben immers eerst onlangs achttien jaar geworden." Hij lachte luid; van zijn gelaat was elke schaduw van den vorigen avond verdwenen. "Mag ik nu afscheid nemen, grootmama?" vroeg hij, "ik wilde nog gaarne eens naar de familiezaal gaan, om de schoone Agnese Mathilde een afscheidsbezoek te brengen. Hoor eens, grootmama, dit kan ik u tot uwe geruststelling verzekeren," voegde hij er bij, "wanneer ik niet een meisje vind, dat haar gelijkt, dan trouw ik niet, want zij is mijn ideaal eener vrouw."

"Meent gij die Mathilde met het roode haar?" vroeg de oude dame verbaasd.

"Ja!" knikte de kleinzoon. "Ik heb eene voorliefde voor rood haar. A propos, grootmama, mag ik het oude boek behouden, dat gij gister avond beneden bracht?"

"Zeker, het is een familiekroniek, die ik voor u bestemd had."

"Duizendmaal dank! Tot weerziens van middag!" Hij kuste haar de tengere hand, en vertrok.

Een liedje neuriënd, ging hij den corridor door en stond weldra in de familiezaal voor het portret der schoone Agnese Mathilde. Op den donkeren achtergrond kwam het fraaie hoofd heerlijk uit; het zware, goudkleurige, ietwat roodachtige haar, over het blanke voorhoofd weggestreken, was bedekt door een mutsje van zilverstof. Onder dit voorhoofd, onder de scherpgeteekende wenkbrauwen, die een zonderling contrast vormden met het lichtkleurige haar, blonken groote, donkere oogen; met een uitdrukking van diep gevoelde smart zagen zij den beschouwer aan; zoo droomend, zoo lijdend, als vroegen zij hem om een verloren geluk. Een matte schemering heerschte in het groote vertrek; Army schoof de gordijnen van het dichtstbijgelegen venster ter zijde, en nu vielen de stralen der heldere winterzon op het roode haar der schoone vrouw en oefenden de oogen, die oogen met hunne droomende, diep smartelijke uitdrukking, op hem weder dezelfde betoovering uit. Daar naderden zachte schreden, en de kleine hand zijner zuster werd op zijn schouder gelegd.

"Zijt gij hier, Army? Het middagmaal is gereed. Kom mee. Gij gaat immers vroeg weg, en ik heb u den ganschen morgen nog niet gezien."

Hij trok het jonge meisje naar zich toe. "Zie mij eens even aan, Nelly!" bad hij, haar hoofdje een weinig oplichtende; "zijt gij nog boos op mij?"

Haar oogen vulden zich met tranen, toen zij haar broeder aanzag, maar zij schudde lachend het hoofd. "Boos? neen, o neen! Maar kom toch--het is hier zoo koud."

Hij nam haar hand; doch bij de kamerdeur gekomen, keerde hij zich nog eenmaal om, en zag naar het portret.

"Let daarom op de kleur van 't haar, en is dat rood, dan dreigt gevaar," mompelde hij zacht voor zich heen.

Nauwelijks een uur later stond de oude Sanna boven aan een der ramen, om den vertrekkenden Army na te zien. Hij had afscheid genomen van zijn weenende moeder; nu ging hij juist over het slotplein, en Nelly ging naast hem in een eenvoudig manteltje gewikkeld; zij had er niet van willen afzien, tot de laatste minuut bij haar broeder te blijven.

"Precies zijn grootmoeder!" mompelde de oude Sanna zacht; "het hart springt iemand op van blijdschap, als men hem ziet." Zij hield de handen boven de oogen, om des te beter te kunnen zien. "Het kan hem niet mislukken," dacht zij, "hij kan aankloppen, waar hij wil; de rijkste, de schoonste kan hij krijgen, en het ongeluk van zijn vader zal hem toch wel niet vervolgen. O, als mijne barones het nog eens mocht beleven, dat hier in het slot het oude, vroolijke, glansrijke leven weder heerschte! Zij zou weder jong en schoon worden. O, mijn bloedige Heiland, hoe zou ik u daarvoor op mijne knieën danken!"

Intusschen gingen broeder en zuster de linden-allée door; het was een heerlijk schoon winterlandschap, dat voor hen lag. Beneden, waar de allée eindigde, zag men de met sneeuw bedekte bergen schitteren, door een rand van boomen omgeven; aan de eene zijde kwamen de huizen van het dorp met hunne besneeuwde daken te voorschijn; uit bijna iederen schoorsteen steeg een rookzuil omhoog in de koude winterlucht; aan de andere zijde breidde zich het groote, donkere woud uit. Alles was met een verblindend wit laken bedekt--doodstil was het in de natuur; alleen een zwerm kraaien vloog onder een luid gekras uit de boomen omhoog en deed den witten tooi der stammen verstuiven in het rond. En dit alles werd verlicht door de stralen der ondergaande zon, die zich in de verte als in een purperen zee baadde.

De jonge man liet zijne blikken over het landschap weiden. "Zie Nelly," zeide hij, "dat alles, zoover uw oog zien kan, was eenmaal het onze."

"De papiermolen ook?" vroeg de kleine en wees op het met leien gedekte gebouw.

"De molen zelf niet, maar wel een groot gedeelte der landerijen. Grootvader heeft ze aan des molenaars vader verkocht, toen hij zich eens in verlegenheid bevond--zoo verhaalde grootmama mij. De man jaagt daar nu heerlijk, terwijl wij--" hij voer even met de hand over de oogen, toen lachtte hij en begon te fluiten; hij wilde er nu eenmaal niet over tobben.

Bij den uitgang van het park gekomen, keerde hij zich nog eens om en zag de groote laan langs.

Daar lag het machtige portaal; de treden der breede trappen waren geheel door de sneeuw bedekt, die ook hoog tegen de massieve vleugeldeuren was opgestuwd. Betooverend schoon kwam het slot te voorschijn, als 't ware overstroomd door den rooden gloed der ondergaande zon; de verlichte vensters straalden den jongen man daar beneden tegen, even helder en zonnig als de droomen der toekomst, die zich in zijn hart hadden ontwikkeld.

"Het _moet_ hier weder anders worden," zeide hij, "het _moet_; ik wil het."

Hij keerde zich om en volgde zijn zuster.

Zwijgend gingen zij verder; eindelijk stond de jonge officier stil en keek op zijn horloge.

"Zusje," zeide hij, "ik moet spoed maken, als ik de post niet wil misloopen; keer gij terug, gij zult koude voeten krijgen in de dikke sneeuw; vaarwel, kleine, en groet allen nog hartelijk van mij!" Hij bukte zich en kuste haar op den frisschen mond. "Pas op, dat de tijd u niet lang valt in het oude, eenzame slot!"

Zij schudde het hoofd. "O neen, ik heb Liesje immers."

Zij stonden juist op de plek, waar de weg, langs welken zij gekomen waren, op den grooten weg uitliep. Door het dennenbosch daarboven voerde een pad naar den papiermolen, dat eveneens hier uitkwam; de weg daalde tamelijk steil naar beneden in het dorpje; onder de breede takken van een lindeboom stond een door de sneeuw bedekte steenen bank. Uit het dorp klonken duidelijk de tonen van een posthoorn.

"Wijl ik van u scheiden moet, Bied ik u den afscheidsgroet! Meisjelief, adé, 't Scheiden doet wee!"

zong vroolijk een heldere kinderstem, en tegelijk trad een jong meisje uit het dennenbosch te voorschijn.

Zij bleef staan, toen zij de beiden gewaar werd; een donker rood bedekte een oogenblik het kinderlijk gelaat, en een paar donkerblauwe oogen staarden verschrikt voor zich neer; maar toen kwam zij dadelijk nader, en een vriendelijke lach plooide haar lieven mond, waardoor zich twee kuiltjes in de wangen vormden.

"O, Nelly," riep zij, "hoe heerlijk dat ik u aantref! En gij Army," voegde zij er vriendelijk en zonder eenige verlegenheid bij, "gaat gij alweer heen, zonder een enkele maal bij ons op den molen geweest te zijn?"

De jonge officier bloosde hevig, toen hij de blauwe oogen op hem gericht zag en de hand vatte, die zij ouder gewoonte hem toestak. Hij kon nog niet genoeg veinzen om eene verontschuldiging te bedenken; zijn lach verstomde bij den aanblik van het lieve, frissche gezichtje, dat hem vragend en verwijtend aanstaarde.

"Army moet heel onverwacht vertrekken," zeide Nelly, "anders--" zij bleef steken; het was haar onmogelijk, het argelooze kind te bedriegen; zij had wel van schaamte willen schreien en zag haar broeder smeekend aan.

Maar het jonge meisje was met deze weinige woorden tevreden. "Goede Army," zeide zij gerustgesteld, "ik had u al beschuldigd, dat gij niet meer in den molen wildet komen; ik wilde juist naar Nelly gaan,"--zij lachte, zoodat de kuiltjes weer te voorschijn kwamen--"om te vragen of het waar was, wat tante beweert, namelijk dat gij trotsch geworden zijt. Nu kan ik haar echter uitlachen, nietwaar? Gij zoudt van daag of morgen _toch_ gekomen zijn," voegde zij er trouwhartig bij.

Als in gedachten verdiept, zag hij haar aan. "Wat zijt gij groot geworden!" zeide hij en beschouwde haar slanke gestalte. Liesje was werkelijk even lang geworden als hij zelf; zij zag er hoogst bevallig uit in haar blauw fluweelen, met bont omzet jakje; op eens werd zij bloedrood onder zijn blik en vroeg gejaagd:

"Moet gij met de vijfuur-post vertrekken? Dan moet gij u haasten, Army; ik ben toch blij, dat ik u nog als officier gezien heb." Zij stak hem weder de hand toe, en weder lag hij de zijne in de hare; hij lachte nu ook; de herinneringen uit hunne kinderjaren kwamen nu weder te voorschijn.

"De laatste, Army," riep zij vroolijk, tikte hem licht op den schouder en liep toen haastig weg. Een oogenblik stond de jonge man, als wilde hij, evenals vroeger haar naloopen, om haar "de laatste" weer te geven, zooals zij vroeger telkens deden, wanneer hij den molen of zij het slot verliet;--zij plaagden elkaar daar zoo gaarne mede. Hij trok echter zijn paletot dichter om zich heen, knikte nog eens en ging door. Hij zag niet weder om naar de beide meisjes, die arm in arm hem nazagen; hij moest zich immers haasten.

Onder de oude besneeuwde linde werden een paar zachte blauwe oogen vochtig, en een stem, waaruit plotseling alle dartelheid verdwenen was, fluisterde een zacht "vaarwel!"

Ook Nelly weende, en toen zijne gestalte achter de huizen in het dorp verdween, vroeg zij angstig: "Nietwaar, Liesje, gij zijt niet boos op Army?" Maar Liesje antwoordde niet; zij schudde slechts het hoofdje en ging zwijgend nevens hare vriendin verder.

Het gloeiend rood aan den hemel was verdwenen, en slechts een dof geel kleurde nog den horizon; de vensters van het oude slot zagen er weder even treurig uit als altijd; de beide jeugdige harten waren droevig gestemd door het afscheid; de nachtkus, dien zij elkander bij het hek van het park gaven, was inniger, veel inniger dan vroeger, en Liesje had een gevoel of zij de kleine hand harer vriendin heden niet kon loslaten; nog eenmaal fluisterde zij zacht: "goeden nacht!"

Derde Hoofdstuk.

De lompenmolen, zooals de papiermolen van ouds her in den ganschen omtrek genoemd werd, lag bekoorlijk tusschen hoog oud geboomte aan het ruischend riviertje. Het statige woonhuis, met den vergulden weerhaan op het spitse leien dak, was gebouwd in de eerste helft der vorige eeuw en had geheel het karakter van dien tijd behouden. De zware eikenhouten voordeur met den blank geschuurden koperen klopper, was nog dezelfde; de kleine vensterruiten waren nog door geen spiegelglas vervangen, en het gebeeldhouwde opschrift in het oude balkon verkondigde, dat dit huis "tot Gods eer Anno 1741 gebouwd (was) door Johan Frederik Erving en zijn huisvrouw Ernestine, geboren IJzerhardin." De oude drakenkoppen aan de vier hoeken van het dak waren nog steeds bereid, het regenwater uit te spuwen, en de hardsteenen banken naast de huisdeur onder de twee groote lindeboomen waren nog steeds de geliefkoosde zitplaats der familie in de heerlijke zomeravonden. Een groote tuin met vruchtboomen omgaf het huis aan drie zijden met rechte paden, jasmijnstruiken en vele kruis- en aalbessenboomen; deze tuin stond onder het bijzonder toezicht van tante. In den geheelen omtrek waren zulke voortreffelijke appels en peren niet te vinden als op den molen, en de met zorg gekweekte aspergies van tante waren beroemd wegens haar fijnheid en grootte.

Wie had zich ook den lompenmolen kunnen voorstellen zonder de oude? Welk een aangenamen indruk maakte het, als men het pad langs kwam, dat naar het woonhuis voerde! De oude vrouw zag dan over de sneeuwwitte gordijnen, om den gast met een paar vriendelijke, heldere oogen te verwelkomen; zij zette het spinnewiel ter zijde en was zoo vlug, dat zij den binnenkomende meestal aan de reeds geopende huisdeur kon ontvangen met een "God zegene u! wat zal dat Mina"--dat was de huisvrouw--of: "wat zal dat Frederik"--zoo heette de heer des huizes--"genoegen doen!" en dan trippelde zij vooruit om den gast in de gezellige woonkamer te laten, en terwijl zij den sleutelbos van haar zijde nam, verdween zij haastig in de keuken en provisiekamer.

De oude vrouw leefde sedert haar tiende jaar in den molen; zij was eene weeze, en de grootvader van den tegenwoordigen bezitter had het vriendelijke, kleine meisje tot zich genomen; zoo was zij de speelgenoote zijner beide kinderen geworden. Zij had deze weldaad door trouwe aanhankelijkheid beloond, lief en leed met de familie gedeeld en was reeds lang een geliefd lid des huisgezins en allen onontbeerlijk geworden. De Ervings hadden zich steeds door goedheid en welwillendheid jegens de armen gekenmerkt; hunne rechterhand mocht niet weten wat de linker deed, en de Heer had het hun vergolden, zooals tante dikwijls zeide: zij waren de rijksten, wijd en zijd in den omtrek.

Op den molen hadden altijd mannen gewoond van den echten stempel, wier handslag meer gold dan tien eeden, en die een vasten wil en krachtige werkzaamheid in zich vereenigden. Het "bid en werk" was van oudsher de zinspreuk van hun geslacht geweest, door de ouders steeds den kinderen ingeprent. De molen kon zich nog op iets anders beroemen: op de bijna tot een spreekwoord geworden schoonheid der vrouwen en dochters. "Zóó schoon, alsof zij van den molen afstamde," was een compliment, dat men in het dorp aan menig schoone maagd gaf: de blauwe oogen der molenaarskinderen hadden reeds sinds jaren menigeen kommer en hartepijn veroorzaakt. De oude molen was ook getuige geweest van veel levensgenot, maar altijd was het de echte, rechte, gulden vroolijkheid.

Met de Derenbergs hadden zij altijd als vriendschappelijke buren verkeerd; van weerszijden waren het dan ook mannen, die elkander achting moesten toedragen; en wanneer de toenmalige landheer langs de molenbeek reed en de toenmalige molenaar met zijn vrouw onder den lindeboom zat, ontstond er altijd een vriendschappelijk gesprek.

Ook in den nood reikte men elkander de hand, en toen de oorlog van 1807 tot 1813 uitbarstte, konden geen bloedverwanten elkander trouwer bijstaan, dan de trotsche Derenbergs en de Ervings van den lompenmolen.

Toen tante in huis kwam, bloeiden daar twee vroolijke kinderen. Het meisje was even oud als zij, de knaap vier jaren ouder. Zij groeide met hem op; toch was de molenaarsvrouw, die even huishoudelijk als godsdienstig was, er zeer op gesteld, dat het arme weeskind in haar eigen stand bleef. Zij zou haar later als meid dienen, maar juffrouw Erving kon en wilde het niet beletten, dat de drie kinderen te zamen speelden, en er tusschen de beide meisjes een vriendschap ontstond, die met de jaren steeds vaster werd. De knaap, van zijn kant, hield goede kameraadschap met de beide zonen, die daar boven op het slot opgroeiden, en de barones Derenberg hield zooveel van den blonden krullebol, dat zij zijn ouders wist over te halen, hem aan het onderwijs harer zonen te laten deelnemen. Zoo kwam de kleine Frederik uit de dorpsschool in de leerkamer van het vrijheerlijke slot, en zelden heeft men van een leerling meer genoegen gehad. Toen in later tijd de zonen der Derenbergs volwassen waren en sedert lang kennis gemaakt hadden met het buitenland, en de oudste reeds de bezittingen, hem door zijn vader nagelaten, had aanvaard, terwijl de jongste een knap officier bij de huzaren was geworden, kwamen zij nog altijd gaarne in het oude huis terug, om den vriend te bezoeken. De kleine Lisette was intusschen tot een statige jonkvrouw opgegroeid; zij bezat de spreekwoordelijke schoonheid der molenaars-dochters in de ruimste mate, en kon met haar groote oogen, die zoo diep en blauw waren als het meer in het Derenbergsche bosch, iemand zóó aanzien, dat zij zijn hart won.

Marietje was ook groot geworden; een prachtige meid, zooals de huisvrouw verklaarde; zij sprong en zong in keuken en kelder en keek daarbij zoo vriendelijk, dat men het vroolijke ding met de roode wangen wel lief _moest_ krijgen. Zij moest nu wel is waar haar speelgenoot met "juffer" en "u" aanspreken, maar onder vier oogen kwam nog wel eens het vertrouwelijke Lisette over haar lippen en menigen zomeravond zaten zij hand in hand in het jasmijnpriëel, evenzoo als toen zij kinderen waren.

En in deze dagen gebeurde het, dat een zwaar ongeluk over het huisgezin kwam, zoo zwaar, dat de wanhopige ouders meenden het niet te kunnen dragen; de vroolijke Marietje werd een ernstig, stil meisje; het betrof immers ook het sieraad des huizes, de schoone Lisette.

Het bekoorlijke kind had wel is waar dikwijls genoeg van haar moeder het rijmpje gehoord:

"Gelijk goed, gelijk bloed, Gelijke jaren, geeft de beste paren,"

maar, hoe kon zij daaraan denken, toen werkelijk de liefde, die zich om rang noch stand bekommert, haar hart binnensloop? En zij beminde voor het eerst, met haar geheele ziel, met haar rein en vertrouwend gemoed, en de liefde, die haar wederkeerig werd geschonken, was even ernstig en heilig gemeend als de hare. Dáár verwoestte een hand ruw en boosaardig het pas ontloken geluk; het was een fijne, schoone vrouwenhand, maar zij reet de beide harten zoo wreed van elkander, dat het eene aan zijne wonden bezweek--Lisette sloot haar wonderschoone blauwe oogen na een kort, smartelijk ziekbed, voor altijd.

Van dit oogenblik af werden alle betrekkingen met het slot afgebroken, en wanneer de bedroefde Marie den jongen landheer aan de zijde zijner schoone gemalin boven op den boschweg voorbij zag rijden, dan zuchtte zij dikwijls bij zich zelve: "zij komt immers uit het lichtzinnige Italië--hoe zou zij weten kunnen, hoe een Duitsch hart te moede is, als het iemand recht innig liefheeft? Maar de vergelding blijft niet uit."