Chapter 17
Army maakte een lichte buiging en plotseling viel zijn oog op een brief, dien de tengere vingers zijner grootmoeder vasthielden; hij kende dat stevige, roomkleurige papier, en op eens vloog het bloed hem gloeiend heet naar het hart.
"Vooreerst," begon de oude dame en nam van het nevens haar staand tafeltje een tweeden brief, "is hier een zeer minzaam schrijven van den hertog; hij wenscht uwe omstandigheden te leeren kennen, en belooft mij, in ieder opzicht uwe belangen te zullen bevorderen; dat is eene belofte, waarvan gij den omvang, naar ik hoop, op prijs zult weten te stellen; uwe plaats als officier is verzekerd, uwe carrière buiten allen twijfel." Zij zag hem uitvorschend aan. "Mijn raad is deze, gij maakt een einde aan die belachelijke comedie daar beneden in den molen en vertrekt dadelijk naar S."
"Grootmama," antwoordde hij bedaard, "dat kan u onmogelijk ernst zijn."
"Dat is het--in waarheid," verzekerde zij, "gij hebt hals over kop de laagste betrekkingen aangeknoopt, en ik wil u daarvoor andere geven, meer overeenkomstig uwen stand."
"Meer overeenkomstig mijn stand?" vroeg hij, "dat zal bezwaarlijk zijn; de betrekkingen, die ik aanvaard, zijn de beste die er zijn."
"Misschien compagnon van mijnheer uw schoonvader--lompenmolenaar numero twee! nietwaar?"
"Ik bid u, grootmama, laat ons van dat onderwerp afstappen! Ik zal nimmer mijn woord terugnemen, zelfs niet, wanneer uw voorstel mij kon verleiden--zoo veel te minder echter, nu ik geen lust gevoel terug te treden."
"Dan verlaat _ik_ het huis!" riep zij toornig, "nog voordat uwe vrouw er den voet inzet."
"Dat zou mij spijten, grootmama. Gij kunt met een weinig vriendelijkheid zooveel goed maken; trouwens wanneer gij--"
"Het is toch beter, dat ik ga, meent gij?" vroeg zij. "Goed, Army, dat wil ik ook, ziehier, _dit_ is een uitkomst."
Zij hield hem het roomkleurige briefje onder de oogen; hij herkende de sierlijke hand zijner trouwelooze bruid; onwillekeurig trad hij terug. "Blanka?" vroeg hij toonloos; "schrijft zij u?"
"Weet gij, wat zij mij schrijft? Zij verzoekt mij, haar op eene reis naar Italië te begeleiden, omdat de overste door dienstplichten verhinderd wordt, mede te gaan. Het liefste zou ik haar dit vod met de vleiendste woorden in het aangezicht smijten, maar onder deze omstandigheden is er geen anderen uitweg; ik neem haar aanbod aan."
"Gij wilt--gij kunt dat? Kunt gij tot haar gaan, die mij bedrogen heeft, grootmama?" vroeg de jonge man en greep hare hand.
"Mij blijft niets anders over; ik wil met die lieden daar beneden geene gemeenschap hebben; ik wil het niet, en ik doe het niet," hield zij vol.
"Dan is het zeker beter dat gij gaat," sprak hij zacht en keerde zich om.
"Dat is dan de dank voor al mijne liefde! Dat is de vervulling aller verwachtingen, die ik op u gebouwd heb!" bracht zij uit. "Incredibile! Als ik mij u voorstel, daar beneden in het kantoor op den stoel uws schoonvaders!" vervolgde zij in één adem, "schrijvende, of de boeken houdende, gij, die het vooruitzicht op een schitterende loopbaan zoo onzinnig verwerpt!"
"Ik had tevreden moeten zijn, zoo mijn schoonvader mij den kantoorstoel had aangewezen, maar hij heeft het beter met mij gemaakt; Liesje brengt als bruidschat onze oude familiegoederen mede, ik zal weder heer op Derenberg wezen."
Hij had langzaam gesproken en op ieder woord gedrukt.
Zij keerde zich met één ruk om; haar groote oogen zagen hem verbaasd aan, als geloofde zij zijne woorden niet. "Duur genoeg betaald!" bracht zij met moeite uit.
"Hoe zoo?"
"Omdat gij voor uw leven aan eene vrouw geketend zult zijn, die uws gelijken met den nek zal aanzien, en eindelijk, die gij niet liefhebt, niet kunt liefhebben!"
"Wie zegt u dat?" vroeg hij, en een fijn lachje speelde om zijn mond, "zou het laatste zoo onmogelijk zijn? Mij dacht, gij weet het tegendeel uit ondervinding. Denk slechts aan mijn gestorven oudoom Frits en de schoone Lisette!--"
De oude dame antwoordde niet; met een driftig gebaar ging zij weder in den leunstoel zitten, en hare vingers verkreukelden Blanka's brief; maar haar gelaat was wit geworden, zoo wit, als de strooken harer muts.
"Mijn zwager heeft er nimmer aan gedacht, dat meisje te trouwen," sprak zij eindelijk, "daarin moet ik hem verdedigen; het was een minnarij, zooals heeren die bij dozijnen plegen te hebben; de bekendheid met deze geschiedenis moest u juist van de onzinnige gedachte terughouden, een meisje uit dat huis tot uwe vrouw te maken!"
"O, toch niet, integendeel! Als iets mij nog in mijn besluit konde versterken, dan zou het dit zijn, dat ik daarmede een gedeelte van hetgeen zinnelooze hoogmoed en onedele wraak eens misdeden, vergoeden zou."
"Deze duistere toespelingen zijn mij geheel onbegrijpelijk," viel zij hem in de rede, en stond driftig op; "de broeder uws grootvaders was een mensch, die geene zelfbeheersching bezat, die een los, lichtzinnig leven leidde--hij is gestorven, God weet waar? Hij was een huichelaar, die zijn lichtzinnige gedachten, onder het masker van een rechtschapen, achtenswaardig uiterlijk, voortreffelijk wist te verbergen; het spijt mij, dat gij u eene legende op den mouw hebt laten spellen, waarin deze zedeprekende huzaren-officier met die Lisette de rol van heilige vervult.--Maar juist daarom, wijl reeds eenmaal zulke onpassende betrekkingen aangeknoopt werden tusschen ons en hen daar beneden, betrekkingen die--Gode zij dank!--door een verstandige bemoeiing verbroken werden, juist dáárom, herhaal ik u, zal ik nooit of nimmer het meisje als uwe bruid beschouwen, nooit of nimmer haar mijne hand reiken; en volhardt gij bij uw voornemen--goed, dan ga ik--ik weet nu waarheen--" zij hief Blanka's brief omhoog; "en hoewel het mij zwaar valt, dezen stap te doen bij haar, die u bedroog, ik verkies dit boven het vooruitzicht met deze persoon in hetzelfde huis te leven."
Haar lippen beefden, en haar oogen fonkelden van toorn.
"Goed, ga dan, grootmama! Het doet mij leed, dat de zaken zoo loopen. Maar gij zoudt het volste recht hebben te zeggen, dat ik geen man ben, slechts een verwijfde droomer, wien het weinigje ongeluk de armen verlamd heeft--wanneer ik mijn besluit veranderde; als man van eer _kan_ ik het niet; ik _wil_ het niet, omdat ik niet zoo dwaas zijn zal, een gansche gelukkige toekomst van mij te werpen."
"Gijzelf beveelt mij dus te gaan?" vroeg de oude dame ademloos.
"O neen, grootmama; het liefste zag ik, dat gij in mijn huis uw verder leven vreedzaam doorbracht, maar daar gij mij de keuze laat: gij of zij--zeg ik van ganscher harte: "mijne bruid!""
Hij had luid gesproken, en zijne woorden klonken oprecht gemeend.
"Goed," antwoordde zij, "ik ga; en wanneer gij ook op uwe knieën voor mij laagt, en gij allen te zamen mij handenwringend smeektet om te blijven, ik zou toch gaan. Het is schandelijk; het is ongehoord--" zij trok met bevende haast aan de scheldkoord en begon onderscheiden laadjes van haar schrijftafel open te trekken: brieven, kistje, kleine doosjes vlogen er verward door elkander uit.
"Mijne reiskoffers," beval zij der binnentredende Sanna: "pak uw goed ook. Wij vertrekken."
Op dit oogenblik vloog een klein, blinkend voorwerp over het tapijt en bleef voor Army's voeten liggen; hij nam het op en beschouwde het--het was een klein gouden hart, bekrast en dof, waarop de letters L. E. waren gegraveerd. Hij staarde er langen tijd op; het was hem onmogelijk een woord te spreken; hij ging naar haar toe, en hield haar het kleine, gouden hartje voor. Zij vestigde haar oogen er op; toen greep zij opeens het blad van de tafel, om zich vast te houden; het rood week uit hare wangen, en een vale bleekheid verspreidde zich over haar gelaat. Geen geluid verbrak de stilte; alleen de kleine beeldjes op de schrijftafel stootten zacht tegen elkander, zóó zwaar leunde de bevende barones er op.
"Ik heb geen recht, u verwijten te doen," sprak hij ten laatste, en trok de hand, die het kleine voorwerp vasthield, terug. "Gij zijt de moeder mijns vaders, en--het zou ook nutteloos zijn. Maar ik zal dubbele moeite doen, aan mijne bruid te vergoeden, wat gij eens misdaan hebt aan een jong, beminnelijk schepsel; God geve, dat het mij moge gelukken!" Hij keerde zich om en wilde heengaan.
Daar trad Sanna hem in den weg.
"Wat wilt gij van mijne meesteres?" riep zij, "ik heb het gouden amulet den baron Frits ontnomen; ik alleen deed het. Mijne signora is onschuldig. Jaag mij weg, mijnheer, maar ontneem haar niet haar tehuis, de eenige plaats, waar zij haar hoofd kan nederleggen!" De oude meid was op den vloer gegleden en strekte smeekend de handen naar hem uit; in hare koude, grauwe oogen blonk een traan.
"Ik zend uwe gebiedster niet weg," zeide Army, geroerd door de trouw van het oude, hardvochtige schepsel, "integendeel,--"
"Sta op!" beval de barones toornig, "en doe, wat ik u bevolen heb--geen woord meer. Ik vertrek nog heden!"
"Misericordia!" snikte de oude in haar doodsangst, en greep de plooien van het zwarte kleed harer meesteres; "laat mij medegaan, signora Eleonora! Ik sterf zonder u."
Hij zag droevig naar de gebiedende gestalte, die daar midden in het vertrek stond, het hoofd trotsch in den nek geworpen; scherp en vijandig blikten de zwarte oogen hem aan, als stond een vreemde bedelaar voor haar, dien zij de deur wilde wijzen. Hij had haar altijd zoo liefgehad, zoo bewonderd, zijne schoone grootmoeder; zelfs thans, nu de nimbus, met welke zijn hart haar eens omgaf, geweken was, zelfs nu zegepraalde deze liefde; hij vergat haar heerschzucht, hare hardheid; hij zag slechts de trotsche, bevelende vrouw, die hem eenmaal met afgodische teederheid opvoedde. "Grootmama!" smeekte hij, en trad eene schrede nader, "laat vergeten zijn, wat eens gebeurd is! Ik geef u de hand er op, niets zal u hier aan het verleden herinneren--"
"Ga!" sprak zij kortaf, en wenkte hem met de hand op hare bevallige manier ten afscheidsgroet; "ga! Ik wil alleen zijn; ik heb nog veel te regelen."
Hij trad op haar toe. "Vaarwel!" zeide hij, "en zoo gij ooit heimwee gevoelt, kom dan! Gij zult--"
"Adieu!" viel zij hem in de rede, en onttrok hem de hand, die hij aan zijne lippen wilde brengen. "Gij hebt gekozen." Zij keerde hem den rug toe.
"O, de vloek! de vloek! O, mio dio!" snikte de oude dienstmaagd, die nog altijd handenwringend op den vloer geknield lag.
"Gekken!" hoorde hij zijne grootmoeder zeggen; toen viel de deur tusschen hem en haar in het slot.
Negentiende Hoofdstuk.
De laatste dag van het oude jaar, heeft hij niet iets plechtig weemoedigs? Het is het gevoel van scheiden, dat het menschenhart vervult, en een angstig terugdenken en vragen: wat gaf ons het oude jaar, hoeveel ontnam het ons, en wat zal het nieuwe brengen? Vreugde of smart, geluk of zwaar verlies?
Er is een tijd, waarin men zulke vragen nog niet doet, een tijd, in welken men gelooft dat de toekomst met ieder dag schooner moet worden, waarin de tuin onzer droomen trotsche bloesems in overvloed draagt, en men in zalig ongeduld op het opengaan der bloeiknoppen wacht, om zich in een waarlijk fabelachtige bloemenpracht te bedwelmen; maar de tijd snelt heen, knop bij knop valt verdord ter aarde; slechts enkele bloeien eenzaam en beven, dat ook haar de ruwe hand zal vernielen, die hare zusters trof. En die eens zulke bloesems zag vallen, staat met een treurig, vragend hart aan den ingang van een nieuw jaar, vouwt bezorgd de handen, en vraagt onwillekeurig: wat zal de toekomst mij brengen? Zullen de bloesems mijner hoop verwelken of bloeien? Het is treurig, als jonge harten deze vragen reeds moeten doen, wanneer één vorst in de lente al deze zonnige geluk-belovende bloesempracht verstoort.
Het was des namiddags tegen vier uur, toen de onrust Liesje naar het slot dreef; sedert vier dagen was Army reeds weg met haar vader en zij had nog geen tijding van hem ontvangen. En heden was het oudejaar, een dag, die vroeger lieve gasten in huis bracht--maar heden? Vader niet tehuis, moeder zoo stil, tante treurig, oom en tante in de pastorie in diepe droefheid over hun lieveling. En zij?
Zij ging weder de allée door naar het slot; zij wilde vragen, of zijne moeder of Nelly misschien tijding van hem hadden? De brief haars vaders was zoo kort geweest; alles was gebleken veel verwarder te zijn, dan hij gedacht had, schreef hij; wanneer hij terugkwam, was nog onbepaald--geen woord voor haar over Army!
Zij moest heden iets van hem hooren.--Zij zag onder het gaan door de kale takken der boomen en de allée naar het bordes, dat juist te voorschijn kwam. Aan den hemel hingen zware, grauwe wolken, en een onaangename, zoele lucht kwam haar tegemoet; bij de spaarzame verlichting zag het oude slot er recht somber uit; zoo ledig, zoo verlaten, een waar ongeluksnest, zooals tante zeide. Hoevele jaren zijn gekomen en heengevaren over deze oude daken, en hoevele zullen nog komen en gaan, en wat zullen zij brengen? Wat men eens verloren heeft, keert niet weder, en zij, zij had zoo oneindig veel verloren, den ganschen wondervollen lentetijd der liefde; van al de schitterende bloeiknoppen waren alleen de doornen overgebleven, die zich in haar gewond hart gedrukt hadden; geen zoet geluk aan de zijde des geliefden mans, slechts een leven van krachtige zelfverloochening, een smartelijke lach, maar geene liefde voor haar. En daarom ook geen brief.
Wat zou hij haar ook schrijven? Zij herinnerde zich, hare moeder eens gezien te hebben, hoe zij met een gelukkig lachje een pakje oude brieven opende, die in een kistje zorgvuldig bewaard werden. "De brieven uws vaders," had zij gezegd, toen het jonge meisje haar vroeg, "uit den tijd, toen wij nog bruid en bruidegom waren." Welk eene zaligheid straalde daarbij uit de oogen harer moeder! Liesje drukte de handen op de borst en ging haastig verder.
Nu trad zij uit de allée en richtte hare schreden naar het voorplein; een wagen stond voor de zijpoort. "Een wagen, hoe komt hier een wagen? Zou Army--? Maar neen, dan zou vader immers ook gekomen zijn."
Zij schudde het hoofd, toen zij om het rijtuig heen liep; het was een jammerlijke oude kast, klaarblijkelijk een rijtuig uit het dorp.
Zij trad het slot binnen en bleef opeens in de gang staan; het scheen haar toe, alsof zij stemmen en voetstappen hoorde. In de lange gewelfde gang schemerde het reeds, alleen viel op de breede treden een flauw schijnsel door de trapvensters, die met het groote portaal in verbinding stonden; aarzelend ging zij verder.
"Gij hebt het immers niet anders gewild," hoorde zij de eenigszins barsche stem der oude barones zeggen, "tranen vind ik heusch geheel onnoodig, Cornelie."
Tegelijkertijd vernam Liesje het ruischen van kleederen en lichte voetstappen; op de bovenste trede verscheen de oude barones, zich half omkeerende naar hare schoondochter en Nelly. Zij was in een oude fluweelen pels gewikkeld en het trotsche gelaat kwam even onbewegelijk als altijd uit de zwarte kanten sjaal, die zij om het hoofd geslagen had, te voorschijn.
"Het is bezorgdheid voor u, mamaatje," sprak de jonge barones, "in dit weder! En gij zijt de ongemakken van het reizen niet meer gewoon."
Reizen? Zij ging op reis? Een oogenblik vervulde een gevoel van blijdschap Liesje's hart.
"De noodzakelijke gevolgen uwer handelwijze, Cornelie," klonk het terug, "heb intusschen geen zorg! Nog ben ik niet zoo zwak, dat ik---"
"Het is te haastig opgekomen, mama, te schielijk."
"Te haastig? Ik heb met ongeduld de oogenblikken geteld; het liefst was ik nog op hetzelfde oogenblik vertrokken."
"Het valt mij onuitsprekelijk zwaar, u zonder verzoening te zien heengaan."
"Ik meen, de verzoening het meest gezocht te hebben, men wilde mij echter niet verstaan. Denkt gij, dat het mij licht valt, heen te gaan? In dit oogenblik gevoel ik al het droevige er van, welke ellendige tijden ik hier ook beleefd heb. Maar blijven onder de voorwaarden, die de toekomstige heer van Derenberg mij stelde; blijven om een leven te leiden, zooals hij mij aanbood, om mijne grondbeginselen aan zijn nieuwe, zeker niet aristocratische begrippen ten offer te brengen--dat nooit! Ik ben nog uit de oude school: _Noblesse oblige!_"
"Zij gaat om mij," fluisterde Liesje.
"Ik geloof dat Army vertrok, in de zekere hoop, u nog weder te vinden, mama," smeekte hare schoondochter.
De oude dame lachte luidkeels. "_Dio mio!_" riep zij. "Hij weet zeer goed, dat hij mij hier niet meer vindt, en het is zoo goed; ik wil hem niet weêr zien. Hij wijst een aanbod af, dat hem een schitterende loopbaan opent---"
"Ik weet het," viel hare schoondochter in de rede, "de hertog--"
"Geen woord meer!" gebood de barones; zij ging de trappen af.
"Blijf gerust, mevrouw de barones!" zeide een bevende stem, en Liesje boog zich in de schemering voor haar. "Blijf, het is nog niet te laat; wanneer het zóó gesteld is, dan geef ik Army de vrijheid terug; ik wist immers niet, dat er zich nog een middel tot zijne redding had opgedaan---" Zij zweeg, en greep onwillekeurig naar de gebeeldhouwde leuning der trap. De donkere gestalte der oude dame voor haar week verschrikt terug; Nelly echter was met één sprong naast haars broeders bruid.
"Wat zegt gij daar, Liesje?" vroeg zij, "wat wilt gij doen?"
"Dat hadt gij vroeger moeten bedenken, mijn kind," zeide de oude dame bits, "nu kon uw beter doorzicht te laat komen."
"Ik heb hem willen redden, hem helpen," antwoordde Liesje bedrukt, "maar nooit wilde ik zijn geluk in den weg staan.--O, het is zeker nog niet te laat, mevrouw de barones!" riep zij smeekend, toen de oude dame, het hoofd op hare trotsche, onnavolgbare wijze in den nek werpend, haar voorbij ging. "Blijf, tot hij komt, genadige vrouw; zeg hem, dat hij geenerlei verplichting jegens mij heeft! Ik zelf maak hem vrij, opdat hij elders het geluk vinde, dat ik hem toch niet geven kan. Hij heeft mij immers niet lief.--O, blijf, blijf!"
De oude dame schudde de kleine bevende handen niet af, welke haar mantel vasthielden; zij stond als betooverd en staarde op het schoone gelaat, dat haar zoo ontsteld aanzag in het schemerachtige, sombere licht van den verdwijnenden winterdag. Hare trekken bleven onveranderd; geen spoor van medelijden met het beangstigde kind blonk in de schoone oogen, geen enkel woord kwam over hare lippen.
Daar klonk een haastige, welbekende voetstap door het portaal, en in het schemerlicht van de gang verscheen een slanke, mannelijke gedaante. Het jonge meisje zag hem met brandend droge oogen tegemoet--kwam hij nog? Zou zij hem hier nog ontmoeten? Moest haar deze ure dan nog zwaarder gemaakt worden? Als wilde zij niets meer zien, om sterk te blijven, sloeg zij de handen voor het gezicht.
"Wat gebeurt hier?" klonk haar zijne stem haastig en opgewonden in 't oor, "mijne verloofde weent?"
Zijne verloofde! Wat deed dat woord haar onuitsprekelijk zeer--was zij toch maar weg van hier, duizend mijlen ver, om deze kwelling te ontvlieden.
"Zij is verstandiger dan gij," antwoordde de oude dame, "nog ééns staat gij aan den kruisweg, want zij is bereid terug te treden--"
"Omdat gij het haar aannemelijk gemaakt hebt?" vroeg hij morrend.
"Neen, Army," kwam zijne moeder er tusschen, "Liesje hoorde toevallig, dat grootmama--"
"Wat hebt gij gehoord, Liesje?" vroeg hij, zijn arm om haar heen slaande en zich tot haar nederbuigende; wat klonk zijne stem opeens teeder!
Zij antwoordde niet, maar de tranen rolden haar nu uit de oogen over de teedere vingers, die nog altijd haar gelaat bedekten. Zij zag niet, hoe angstig hij haar aanschouwde; zij voelde alleen de brandende smart, dat zij hem toch nog moest laten gaan, dat zelfs een leven zonder liefde aan zijne zijde nog een paradijs was bij de ledigheid die haar wachtte, wanneer zij van hem afzag.
"Liesje," smeekte hij, "kondt gij werkelijk zoo--zoo verstandig zijn, als grootmoeder zooeven beweerde?"
Zij knikte.
"Ja, ja!" snikte zij, al hare zelfbeheersching verzamelende, "ik wist immers niet, dat de hertog u helpen wilde, anders--och, anders was ik nooit hier aangekomen, om--ik geloofde--ik, ik alléén kon u redden."
"Dat kunt gij ook," sprak hij zacht, "gij alleen kunt het, anders geen mensch op de gansche wijde wereld."
Hij nam haar de handen voor het gezicht weg en zag haar in de betraande oogen.
"Liesje, als gij wist, hoe ongerust ik over u geweest ben--"
Zij schudde het hoofd.
"Mij zweefden," ging hij voort, "onophoudelijk een paar treurige blauwe oogen voor den geest, en een lang verleden, droevige geschiedenis van twee even zulke blauwe oogen, die van kommer en harteleed gestorven zijn; als ik daaraan dacht, greep ontzetting mij aan, en mijn angst, mijn voorgevoel was niet ongegrond, bijna was ik te laat gekomen--nietwaar?"
"Neen, neen Army; het is medelijden van u; gij weet niet, wat gij van u werpt; een schitterend leven, een grootsche loopbaan--laat mij! Nog is het niet te laat," smeekte zij.
"Dwaas kind! ik weet zeer goed, wàt ik weiger, ik weet echter ook, wat ik daarvoor win--het beste, het edelste, het reinste, wat de wereld bezit."
Het was stil geworden op de oude, gewelfde trap, stil en donker; beneden reed ratelend een wagen over den straatweg.--De laatste dag des jaars liep ten einde; wat zal het nieuwe brengen?
Twintigste Hoofdstuk.
De aarde stond in volle lentepracht. Het eerste jonge groen tooide boom en struik; in Ervings tuin bloeiden narcissen en vlier; de goudenregen boog zich over de haag, en de met roode bloemen prijkende takken van den hagedoorn hingen zwaar neder onder al hare bloemenpracht. In het park echter wiegde de zoele wind de jonge bladeren der lindeboomen, en kuste ieder grassprietje op de smaragdgroene weilanden, als wilde hij haar vertellen van nieuwen lust en nieuw leven. En nieuwe lust en nieuw leven verkondigde ook de waterstraal, die uit het oude zandsteenen bekken kristalhelder omhoog steeg, om ruischend en fonkelend weder neer te vallen. Evenals in lang verleden tijd, stond het portaal, met zijne massieve zware vleugeldeuren, wijd open, als wist het, dat spoedig, binnen weinige weken, de gelukkige slotheer zijn jonge schoone vrouw over den ouden drempel van zijn voorvaderlijk huis zou leiden; van de trappen van het bordes was het groene mostapijt verdwenen, en de beide oude beren zagen verwonderlijk trotsch uit onder een paar groote eiken kransen, die een schalksche hand hun op de eerwaardige hoofden gezet had.
De lange reeks van vensters op het slot waren geopend; slechts voor enkele hingen zware gordijnen; deze vertrekken hadden geen behoefte aan de voorjaarszon, want hun bewoonster ontbrak; zij was weg, werkelijk weg. Geen spier in haar trotsch gelaat had getrild, toen zij op dien oudejaarsavond in het ellendige rijtuig steeg, dat haar wegvoerde van de plaats, die jaren lang haar tehuis was geweest. Koud en vluchtig hadden hare lippen op het voorhoofd van hare schoon- en kleindochter gerust; zij wist wel, dat daar boven in de schemering haar kleinzoon zich een geluk had verzekerd, bij welks glans al het andere verbleekte, en dat hare oogen verblindde--aldus besloot deze eenmaal zoo bewonderde ster hare rol, en toen zij het oude bordes voorbij reed, balde zij de fijne handen, terwijl Sanna zich snikkend uit den wagen boog--voorbij, voorbij! Wat zal háár het komende jaar brengen?
En nu werd de jonge heer iederen dag terug verwacht. Hij was tot aan de overname van het landgoed op de bezittingen van een vriend geweest, om zonder tijdverlies zich met zijn werkkring bekend te maken. Daar boven in het kleine torenkamertje stond Nelly met den ouden Hendrik; de beide ronde vensters waren eveneens geopend; zij zag met een glimlach van geluk naar buiten over het park, en hare blikken bleven op de in 't zonnelicht fonkelende ramen van den papiermolen rustten, die als onder bloesems begraven lag.
"Zie, Hendrik," riep zij, "nu weet ik ook, waarom mijn broeder schreef, dat wij juist deze kamer voor hem gereed moesten maken."
"O ja, hier is een prachtig uitzicht," zeide de oude, met een beteekenisvol lachje op het gerimpelde gelaat; mijnheer de baron zal dit vertrek niet weer willen verlaten, wanneer hij er eens in woont."