Chapter 16
"Kindlief," sprak de geestelijke, en streek haar zacht over het rijke, volle haar, terwijl hij zich naast haar zette en hare hand greep; "mij schiet een oude spreuk te binnen uit het album mijner Rosine; haar oude grootmoeder schreef die er in, toen zij als jong meisje het ouderlijk huis verliet, om in den vreemde als onderwijzeres in haar levensonderhoud te voorzien. Wanneer gij eens in tweestrijd zijt met uw gevoel, mijn geliefd kind, en beleediging of gekrenkte ijdelheid strijden met den lust tot vergeven, tot liefhebben, laat dan de liefde zegepralen, zelfs al laadt gij den schijn van vernedering op u! Het heerlijkste, het schoonste, wat eene vrouw vermag te doen, is te beminnen, altijd te beminnen, al wordt haar ook ongelijk aangedaan. Heb geduld, kind," vervolgde hij, toen het meisje hem met oogen vol tranen aanzag, "hij heeft eerst onlangs een bittere teleurstelling ondervonden, en de bewustheid, dat hij een stap doet, die in geen enkel opzicht in zijn voordeel kan worden uitgelegd, zal pijnlijk genoeg voor hem wezen. Hij zal dat overwinnen, en u dankbaar zijn, dat gij hem van schande en gebrek gered hebt en op zekeren dag bespeurt gij een vonkje liefde voor u in zijn hart, dat, door ootmoed en toegevendheid, met onvermoeide voorkomendheid gekoesterd en aangekweekt, eens tot een heldere vlam opflikkert. Maar wacht u er voor, dat gij de zwakke vonk niet uitdooft door uwe fijngevoeligheid; behandel hem als een ziek kind!"
Liesje was opgestaan. "Ik dank u oom!" sprak zij zacht, "en, nietwaar? gij zult mijne ouders en tante geruststellen, dat ik nog gelukkig zal worden? Ik wil vriendelijk en voorkomend jegens Army zijn, en zal mijne gevoeligheid bestrijden. Ach, als vader slechts niet boos op mij en Army wilde zijn! Hij is zoo somber en droefgeestig."
"Het valt hem moeilijk, niet bezorgd te zijn, mijn kind; gij zijt zijn eenigste dochter, en gij komt in zulke verwarde omstandigheden, in een gansch anderen kring. Maak er hem geen verwijt van, dat zijn voorhoofd zich rimpelt, en evenzoomin uwe tante! De oude vrouw heeft u zoo lief. Zij zullen weder vroolijk zien, wanneer zij u tevreden weten aan Army's zijde, en _dat_ ligt in uwe macht--gij bemint hem, en gij weet: de liefde duldt alles, zij verdraagt alles, zij hoopt alles."
"Dat is het rechte woord, oom," sprak zij met verhelderden blik en reikte hem de hand; "ik zal het tot waarheid maken. Vaarwel, oom! Ik kom morgen terug en---ach, lieve oom! Karel is veel smart bespaard!"
Buiten bij de wagentrede stond Army; hij hielp haar instijgen en nam nevens haar plaats. Weder reden zij zwijgend door den nacht naar buiten.
"Army," zeide zij eensklaps en legde hare hand op zijn schouder, "ik was wel ontstemd en onvriendelijk? Vergeef het mij--ik kom zoo even uit een sterfhuis--"
Hij nam hare hand in de zijne en keerde zich naar haar toe.
"Ik heb een verzoek aan u," ging zij voort, eer hij kon antwoorden. "Gij weet, mijn vader gaf met een bezwaard gemoed zijne toestemming tot onze verbintenis. Vergeef hem Army! Ik ben immers zijn eenig kind--help mij de wolken van zijn voorhoofd verdrijven! Houdt u slechts een weinig, alsof gij mij liefhebt, en laat hem gelooven, dat gij gelukkig zijt! Ik zal het ook doen--ik ben het immers ook," voegde zij er zacht bij.
Hij zweeg.
"Wilt gij dat doen, Army?" vroeg zij aarzelend.
Reeds rolde de wagen over de molenbrug en het fabrieksgebouw voorbij; hij reed om de kale linde tot voor de huisdeur. Army hield het hoofd afgewend en zag naar buiten. Doortje kwam juist met de lantaarn uit de deur, en liet de wagentrede neer; hij sprong er uit en bood Liesje de hand om uit te stijgen; een trek van diepe ontroering lag op zijn gezicht. Hij zou zich houden, _alsof_ hij haar liefhad! En als hij nu tot haar zei: "mijn hart klopt in waarheid warm voor u, voor u, beminnenswaardige, met het reinste gemoed; ik voel een adem des vredes in uwe nabijheid, die mij de wonden van een onzaligen hartstocht zacht verkoelt,"--zou zij dat gelooven? Dat was immers het ellendigste--hij had haar vertrouwen verloren--
Hij zag naar haar op--hij wilde haar antwoorden; maar wat? Ja, dat wist hij op dit oogenblik niet te zeggen, en reeds boog zich bij het schommelende licht der lantaarn een bekoorlijk hoofd uit den wagen; de kleine pelsmuts zat eenigszins scheef op de zware, bruine vlechten; het fijne gezicht was nog rood van het weenen, toch lag er een zacht beschaamd lachje om den bloeienden mond, dat twee bekoorlijke kuiltjes nog dieper groefde; de oogen echter staarden, als om antwoord smeekend, in de zijne en deden hem getroffen achteruit wijken. Waar had hij ooit zulke oogen gezien? Zij zagen hem zoo smartvol aan, als zochten zij een verloren geluk.--Bijna ontstuimig trok hij haar tot zich, en blikte diep in de droeve sterren, die steeds schitterender werden--
De wagen was weggereden, en Doortje liep haastig uit den storm naar binnen. Het was duister om die beide jonge lieden daar buiten; weder wilde hij spreken, en weder sloten zich zijne lippen. "Zij zou u toch niet gelooven," sprak hij bij zich zelven.
En zij waagde het niet, het hem nog eens te vragen, toen hij hare handen langzaam losliet. "Hij wil niet liegen," dacht zij en trad over den ouden drempel; "hij wil niets beloven, wat hij niet kan volbrengen--hij bemint mij immers niet." En het licht in de stralende oogen verdoofde weder, en zij drukte de beide handen op het hart. "Ach hij bemint mij immers niet!"
Zeventiende Hoofdstuk.
"En gij zegt, Hendrik, mijne grootmoeder heeft die beiden te zamen gezien?"
"Francis heeft het mij in vertrouwen verteld, heer luitenant, den avond vóór haar verdwijnen."
De jonge officier zat in een der groote leunstoelen in zijn kamer en zag onderzoekend en met kennelijke belangstelling den ouden man aan, die in eerbiedige houding dicht bij hem stond en in wiens trekken een lichte verlegenheid zichtbaar was. Army had hem nog laat in den avond laten roepen; hij wilde weten, welke beweegredenen zijne grootmoeder had, en waarin de haat wortelde, die zich ook heden weder geopenbaard had in de minachtende bejegening zijner bruid; uit een onpartijdigen mond wilde hij hooren, waarop de toespelingen zijns aanstaanden schoonvaders doelden. Hij had besloten, het met Hendrik te beproeven, en de oude man was inderdaad op zijne vragen aarzelend en verlegen begonnen te verhalen van baron Frits, die de schoone Lisette daar beneden in den molen zoo lief had gehad.
"In dien tijd," voer de oude voort, "kwam baron Frits op een avond zoo recht vroolijk aanrijden; ik nam hem zijn overjas af, want het was koud, deed toen het torenkamertje open en maakte vuur in den haard aan--"
"Het torenkamertje?" viel de jonge officier den verhaler driftig in de rede.
"Ja, heer luitenant. Baron Frits woonde daar altijd; ik weet ook wel waarom; hij kon van daar het venster zijner liefste zien--ik maakte dan vuur aan, haalde hem een flesch madera en hielp hem van kleederen verwisselen. Hij vroeg naar alles, wat er was voorgevallen, of zijn broeder reeds weder te huis was; ik antwoordde hem op alles, en zei dat de meester binnen drie dagen terug werd verwacht; en daarop, hoe Mevrouw zijne moeder het maakte, benevens zijne schoonzuster en al zoo wat meer; ondertusschen zocht hij aanhoudend in de schuifladen van zijn schrijftafel, en vroeg eindelijk angstig: "Hendrik, hebt gij hier opgeruimd, toen ik onlangs zoo haastig ben vertrokken?"
"Ja, zeker, mijnheer de baron," zeide ik.
"Hebt gij niet een klein gouden hart gevonden?"
"Neen," en hij ging voort met zoeken, en ik zocht mede, maar er werd niets gevonden; eindelijk hield hij op, maar zag zeer treurig. "Weet gij, Hendrik!" sprak hij toen, "dat is een groot verlies voor mij; vijftig daalders geef ik u, als gij mij het hart terug bezorgt; toen nam hij hoed en stok, want hij droeg altijd burgerkleeding als hij hier was, en zeide, dat hij nog eene wandeling in het park ging doen, vóór hij zijne opwachting bij de dames wilde maken; maar ik wist wel, waar hij heen wilde."
"Mij spookten de vijftig daalders in het hoofd, heer luitenant, en dus begon ik weder te zoeken, en te zoeken, maar ik vond niets; daarop nam ik het licht en ging in de aangrenzende slaapkamer, waar ik nauwelijks binnen was, of ik verbeeldde mij, dat ik de deur heel, heel zachtjes hoorde openen, en toen ik haastig de woonkamer weder binnentrad, deinsde ik terug, want daar stond Sanna, die, mij ziende, van schrik neerviel."
"Weet gij, heer luitenant, ik ben nu oud en kalm geworden, maar toen kon ik het magere vrouwspersoon, met de koude, grauwe oogen, het zwarte haar, en de gele kleur niet uitstaan; het was altijd een valsch schepsel, en daarom stoof ik in drie duivelsnaam op haar toe, en vroeg, wat zij hier te zoeken had. "De genadige vrouw wil weten, wanneer baron Frits terugkomt?" Zij noemde mij toen altijd Enrico, want zij was trotsch op haar Italiaansche afkomst. "Waar is mijnheer de baron?" vroeg zij nog eens. "Loop naar de koekoek!" riep ik, "en spioneer hier niet. Ik weet niet, waar hij is;" ik wilde haar daarmede de deur uitschuiven. "Hoor!" zeide zij, en toen ik luisterde, hoorden wij beneden in het dorp de doodsklokken luiden; zij begon zich te bekruisen en een Ave Maria op te zeggen; intusschen schoof ik haar evenwel naar buiten: "Maak dat maar buiten af! Verstaat gij?" Toen keerde zij zich bij de deur om, en sprak:
"Weet gij, Enrico, wie er gestorven is? Lompenmolenaars Lisette is het."
Lompenmolenaars Lisette! Ik beefde van schrik; heilige vader, wat zal baron Frits zeggen? was mijne eerste gedachte; hij ging zoo vroolijk, zoo gelukkig naar haar toe en nu dood, dat lieve, jonge wezen! Het was een prachtstuk, heer, als men dat meisje zag; of men nu lompenmolenaars Liesje, ik wil zeggen: de bruid van mijnheer den baron aanziet of hare oudtante Lisette, is precies hetzelfde; Liesje is als uit haar gezicht gesneden. Terwijl ik daar zoo stond, stak er een storm op, dat de boomen bogen, de oude muren kraakten, en men allerlei geluiden hoorde. Baron Frits kwam niet en kwam niet, en onderwijl werd het weder al erger en erger het scheen alsof de orkaan den toren wilde omverrukken; het oog kon in de duisternis geen voorwerp onderscheiden, hoe ik mij ook inspande en het gezicht tegen het venster drukte. De klok van het slot had reeds tien geslagen, en nog keerde hij niet terug. Heer, het was een vreeselijke nacht! Op eens vloog de deur open, en toen ik mij omkeerde, vielen mijn ontstelde oogen op baron Frits--hij stond reeds midden in de kamer, en voor zijne voeten lag bleek en bevend de dolle Francis, die de handen angstig smeekend tot hem opgeheven hield.
"Verzoek mijne schoonzuster, Hendrik," sprak hij met toonlooze stem, "of zij zich de moeite wil geven, een oogenblik hier te komen!" Ik vloog naar de deur, heer luitenant; ik wist, er moest iets verschrikkelijks gebeurd zijn, toen ik de verslagen houding van het meisje zag, en juist toen ik de deur openrukte, stond mevrouw de barones--uwe grootmoeder--buiten en wilde naar binnen gaan. Zij deinsde terug, toen zij haar zwager zag; een oogenblik voer een hevige schrik haar door de leden. Zij verborg schielijk iets in den zak van haar kleed en trad toen schijnbaar kalm het vertrek binnen.
Heer luitenant, een schoonere vrouw dan zij, was er niet; zooals zij daar stond in het lange, witte nachtgewaad, de zwarte lokken half losgemaakt en met haar groote, donkere oogen in het bleeke gelaat, als een engel der onschuld, tegenover het arme, kermende schepsel op den vloer.
"Mio caro amico," riep zij den baron toe, "wat beteekent dat?" en wees verwondert met de hand naar Francis.
"Kom binnen, schoonzuster!" antwoordde hij ruw. "Ga, Hendrik, en sluit de deur!"--Toen eerst keerde hij zijn gelaat naar mij toe--mijnheer; ik was toen een ruwe, wilde borst--maar ik heb gesidderd, zoo zag hij er uit. De oogen schenen weggezonken; het jonge, bloeiende gelaat was oud en vervallen van waanzinnige smart, en de mond beefde van hevigen toorn. Van mijn leven vergeet ik dat gezicht niet, noch den doodsangst, dien ik gevoelde, toen ik de deur achter de barones sloot; de tanden klapperden mij van ontsteltenis, en als vastgenageld bleef ik in de gang staan. Sanna sloop ook naderbij, en zoo stonden wij beiden en waagden het nauwelijks adem te halen. Eerst was het onverstaanbaar, wat zij daarbinnen spraken; men hoorde slechts de zachte stem der barones en het snikken van Francis; toen echter vernamen wij de met een donderende stem uitgesproken woorden van baron Frits duidelijk; moordenares noemde hij de barones en vervloekte haar en haar huis; ik stond stom en stijf, toen de deur plotseling openvloog, de barones naar buiten stormde, en als een gejaagd ree de gang langs en de trappen afvloog; verschrikkelijk zag zij er uit, en daar beneden sloeg zij, als naar een steun reikende, de armen om den pilaar en gleed bewusteloos ter aarde; ik zie haar nog voor mij, de witte, ineengezonkene gedaante, en hoe Sanna haar schreiend volgde en op hare armen wegdroeg. Op hetzelfde oogenblik werd Francis naar buiten gestooten, en stond de baron in de deur: "Mijn paard!" beval hij met heesche stem, en terwijl ik naar beneden ijlde liep Francis het portaal door in donker en stormweer naar buiten. Ik bracht den baron zijn paard voor; hij wrong er zich op met zijn bleek, ontdaan gezicht--het arme dier, het steigerde hoog op, zoo drukte hij het de sporen in de zijden, en weg vloog hij, zoodat ik meende er moest een ongeluk geschieden. Toen kwam hij op eens terug; ik stond nog in wind en weder op de trappen van het bordes en luisterde naar het naderbij komende paardengetrappel. Hij wierp mij een geldstuk toe.
"Hoor eens, Hendrik," zeide hij, "ga gij naar mijn oude moeder en zeg haar voor mij vaarwel; mij ziet zij nimmer weer--" Het laatste verstond ik nauwelijks; de wind verwaaide het, òf zijne stem werd door snikken verbroken, ik weet het niet; hij gaf mij de hand, toen was hij weg, en is nooit teruggekomen.
Francis zag ik echter nog eens; zij lag daar boven onder de oude boomen op de knieën, en toen zij hem in den duisteren nacht zag wegrijden, gaf zij zulk een hartverscheurenden gil, dat ik er heen liep. Dáár, mijnheer, daar vond ik een arm ongelukkig schepsel, dat van berouw en smart verging; toen bemerkte ik, dat zij niet zoo slecht was; ik troostte haar in haar ellende--nu, toen heeft zij mij verhaald, dat baron Frits en de schoone Lisette gescheiden moesten worden--dat zij gestorven was, omdat men haar had doen gelooven, dat hij haar ontrouw was en--dat is alles wat ik weet."
"Meent gij, Hendrik, dat mijne grootmoeder werkelijk--"
De stem van den jongen man klonk dof.
"O, mijnheer, mij voegt het niet iets slechts van mijne meesters te gelooven; ik heb immers geen bewijs er voor, dat baron Frits reden had tot zulk een vreeselijke vervloeking; maar dit weet ik zeker, dat hij met de barones sedert eenigen tijd niet op een goeden voet stond, omdat--och, hij had zich eens in hare zaken gemengd; daarbij was zij gruwelijk trotsch; zij had voor geen geld ter wereld lompenmolenaars Lisette als schoonzuster erkend; en daarom--mijnheer de luitenant--neem het mij niet kwalijk! ik durf het u immers wel zeggen, ik heb u in den wieg zien liggen en tot een jonkman zien opgroeien. Duidt het mij niet euvel--Liesje--"
"Is mijne bruid, Hendrik--"
"Ik weet het, en heb mij verblijd, toen ik u beiden zag, zooals ik nooit geloofd had, mij ooit weer te zullen verheugen--ach, mijnheer, houdt uwe bruid in eere, en laat haar niet uit uwe oogen gaan! Men kan angstig worden voor zulk een jong wezen, hier boven in het slot; vergeef mij, heer baron! Mijn hart drong mij, u dit te zeggen; zij gelijkt zooveel op Lisette, vooral dezelfde oogen, even zoo blauw, diep en helder, en dezelfde uitdrukking er in. Zulke oogen vergeet men niet. God geve haar enkel vreugdetranen!"
De stem van den oude was ontroerd toen hij weg ging, en het "goeden nacht" klonk zeer onduidelijk in Army's ooren; hij lette er ook niet op--voor zijn geest stonden zij ook, die blauwe kinderoogen, maar zoo smartelijk, zoo bang, en onuitsprekelijk droevig, als hij ze dezen avond gezien had.
"Dezelfde oogen," herhaalde hij halfluid, "dezelfde uitdrukking!" en hij zag naar de beeltenis der schoone Agnese Mathilde. Het licht was diep neergebrand; het flikkerde slechts nu en dan flauw op, en het roode, volle haar was bijna onzichtbaar in het matte schijnsel; de twee donkere, droevige oogen echter staarden uit het bleeke gelaat onafgewend op den jongen man, zoo smartvol, zoo bang, als zochten zij een verloren geluk. Dat waren de oogen, waaraan hij gedacht had bij het uitstijgen uit den wagen--de oogen der schoone Agnese Mathilde!
Achttiende Hoofdstuk.
Den volgenden morgen ging Army naar den molen; zijn aanstaande schoonvader wenschte een onderhoud met hem. Liesje zag hij niet; tante, die uit de keuken kwam, en de kamerdeur voor hem opende, antwoordde op zijne vragen, dat het jonge meisje nog sliep; een weinig rust zou wel noodig zijn en goeddoen, als men den geheelen nacht geweend had.
Een donkere schaduw lag op zijn gelaat, toen hij de kamer zijns schoonvaders binnentrad; hij had verlangd Liesje te zien, na den vorigen avond, en de gedachte, dat zij den ganschen nacht geweend had, lag hem zwaar op het hart. Hij moest eenige oogenblikken wachten. De heer Erving was boven in het kantoor; onwillekeurig sloeg hij zijne blikken in het rond; het was een gezellig vertrek, met donkere tapijten, groene meubels en gordijnen; op een groote schrijftafel stond een portret; het was eene photographie van Liesje uit hare kinderjaren; het lieve gezichtje zag er recht schalksch uit. Hij hield de beeltenis omhoog, om het beter te zien, en had het nog in de hand, toen de heer Erving binnentrad.
Op het gelaat van den statigen man lag eene uitdrukking, die men er anders niet op vond, van zorg en spanning; hij had zeker dien nacht weinig geslapen. "Vergeef mij, dat ik u liet wachten!" begon hij het gesprek en reikte den jonkman zijn hand. "Ga zitten," vervolgde hij, "en laat ons dadelijk tot onze zaken overgaan!--Ik zal niet veel onnoodige woorden gebruiken," ging hij voort en schoof een stoel voor zich bij de tafel. "Vooreerst denk ik, reizen wij te zamen naar uw garnizoen, om daar de zaken te regelen; dan dient gij uw ontslag uit den dienst in--Gij kunt het mij niet kwalijk nemen, dat ik dit zoo bepaald verlang! zij is mijn eenig kind"--zijne stem beefde bij deze woorden--"en ik wil haar ten minste in mijne nabijheid, onder mijne bescherming houden."
Army boog toestemmend, maar het bloed steeg hem gloeiend heet naar de wangen.
"Ik verlang niets onredelijks," voer de andere voort; "gij weet, dat mijne familie in vroegere jaren van de uwe een aanzienlijk deel der omliggende landerijen gekocht heeft. Nu is Liesje ons eenig kind, en ik heb met mijne vrouw overlegd, dat het het beste zou zijn, dat gij weder werdt, wat uwe voorouders waren, heer van Derenberg. Ik heb heden morgen vroeg reeds aan Hellwig geschreven, hoe de zaken staan, en hem tot eene samenkomst te S. uitgenoodigd, hoofdzakelijk met het doel, om te beproeven, hoeveel wij van de landerijen van uw erfgoed, die bovendien niet in goede handen zijn, weder machtig kunnen worden, om ze dan weder tot één geheel te vereenigen; zooals wij hopen, zal het met het meerendeel gelukken. Van u verwacht ik daarvoor, dat gij u---" hij hield plotseling op, trad naar de schrijftafel en zocht tusschen zijne papieren.
"Ik heb niet lichtvaardig mijne toestemming gegeven," wendde hij zich weder tot den jongen man, en zijne stem klonk week en zacht, "want ik vrees, dat mijne dochter vele vernederingen tegemoet gaat; maar zij wilde niet anders.--Ik ken u eigenlijk alleen uit uw jeugd, want als jongeling hebt gij mijn huis niet weer betreden, maar het weinige, dat ik van u weet, is niet van dien aard, om u onvoorwaardelijk mijn vertrouwen te schenken. Gij hebt tot nu toe getrouw de voetstappen uwer grootmoeder gevolgd, die in menschen van mijn stand zeer ondergeschikte wezens ziet; uwe voorouders--ik weet het--dachten anders. Ik heb u thans het liefste gegeven, dat wij, mijne ziekelijke vrouw en ik, op de gansche wereld bezitten, en daarvoor eisch ik, dat gij mijn kind zult beschermen en in eere houden; ik wil niet, dat zij door uwe grootmoeder zóó behandeld zal worden als uwe ongelukkige moeder; deze belofte kan ik van u verlangen, en gij zult mij die nu geven; zoodra ik tranen in het oog mijns kinds zie, stel ik u daarvoor verantwoordelijk. Kunt gij mij beloven alles te doen, om mijn kind voor den hoogmoed dier vrouw te behoeden?"
Hij hield hem de hand toe. Het liefst was Army den man om den hals gevallen; Derenberg zou hem weder toebehooren, zijn schoonste droom verwezenlijkt worden! En toch lag er een drukkende last op zijne blijdschap.
"Het zal Liesje nimmer berouwen, dat zij mij van een donkere toekomst redde," antwoordde hij, toen zijne hand in die van Erving lag; "ik zal weten haar te beschermen in ieder opzicht--ook voor mijne grootmoeder; ik moet dadelijk naar haar toe."
Een snelle, onderzoekende blik van Erving gleed over het gelaat van den jongen man vóór hem; hij scheen kalm, alleen zijne oogen fonkelden. "Laat u niet door drift vervoeren!" vermaande de oudere man, en lag de hand op Army's schouder, "zij is en blijft de moeder uws vaders en den ouderdom moet men eeren. Ik verlang niets anders, dan dat zij mijn kind geen kwaad doet, voor 't overige mag zij handelen, zooals zij wil. Dus bedaard, Army, hoort gij wel? Zij is een oude vrouw."
Het was de eerste maal, dat hij den jongen officier bij zijn voornaam aansprak. Diep geroerd zag deze tot hem op; dàt was de man, van wien hij eenmaal in dwazen trots gezegd had, dat hij niet onder zijn dak kon verkeeren, en nu zorgde hij voor hem als een vader! Hem dankte hij nu alles, alles, zijn geheele toekomst.
"Ga nu, Army!" vermaande hij, toen deze zijn hand greep en zwijgend drukte, "en heden namiddag vertrekken wij. Ga--en nog eens--bedaard!"
Hij ging als in een droom; boven aan het einde der allée dook reeds het slot op en het prachtige met wapens getooide bordes. Één oogenblik rustte zijn blik daarop; hij gevoelde zich heden zoo nietig, zoo ellendig. Hij richtte het hoofd op, en een trek van vastberadenheid lag op zijn gelaat, toen hij de trap opging, die naar de kamer zijner grootmoeder voerde. Daar kwam Nelly hem tegemoet loopen; hare oogen schitterden als zonneschijn.
"Hoe maakt het Liesje, Army?" vroeg zij, en sloeg de beide armen om zijn hals. Hij zag haar in het lachende, gelaat.
"Wilt gij mij een genoegen doen, kleine?" vroeg hij, en streek haar de lokken van het voorhoofd. Zij knikte haastig.
"Ga dan naar haar toe--ja? Maar spoedig, aanstonds, en zeg haar dat ik haar laat groeten, en zij niet meer moet weenen; ik laat haar dit dringend verzoeken--hoort gij?" Hij maakte driftig hare handen los en keerde zich om; toen hij een verbaasde, vragende uitdrukking op haar gelaat las, riep hij haar toe: "Ga toch spoedig, en blijf wat bij haar. Ik moet nu met grootmama spreken."
In de gang sloop Sanna hem voorbij, haar groet was eenigszins snibbig.
"Kan ik grootmama nu spreken?" vroeg hij.
"Ik was reeds tweemaal in uw kamer, heer baron," antwoordde zij, "mevrouw uwe grootmama wacht met ongeduld."
Hij ging haar schielijk voorbij en trad binnen. De oude dame zat op hare gewone plaats bij den haard: zij knikte vluchtig met het hoofd en wees op een stoel. "Gij hebt mij lang laten wachten," sprak zij.
"Ik had een noodzakelijk onderhoud met mijn aanstaanden schoonvader," antwoordde hij, plaats nemende, "hij was zoo goed, mij de plannen voor onze toekomst mede te doelen."
"De proef is dus toch gelukt?" vroeg zij, zijn eigene woorden gebruikende. "Nu, in ieder geval hebt gij nog geene ringen gewisseld; er kan dus nog over de zaak gesproken worden." Hij maakte een ongeduldige beweging. "Gij veroorlooft toch, dat ik nog een paar woorden spreek?" vroeg zij.