Chapter 12
"Neen, papa gaat in ieder geval meê, en--"
"Nu, en?"
"En ik," voegde Liesje er dralend bij.
"En zijt gij daar niet heel blij om?" riep Nelly opgewonden. "Hè, naar Italië; hoe mooi moet het daar zijn!"
"Neen, ik blijf liever bij tante tehuis; ik ben immers goed gezond; en schooner dan hier, zal het dáár wel niet zijn."
"O, Liesje, hoe dwaas!" bestrafte Nelly.
"Ja zie, Nelly! Gij moet mij niet voor zoo dwaas aanzien, maar ik heb er nog een andere reden voor. Gij moogt mij niet verklappen, want ik heb er nog niets van tegen vader gezegd. Zie, Bertha van onzen meesterknecht in den molen lijdt aan eene borstziekte; de dokter zegt, dat alleen een verblijf in Vevey of Montreux haar kan genezen; zij is veel zieker dan moeder, en nu zou ik graag zien, dat Bertha in mijne plaats meeging; ik ben nog jong, misschien kom ik nog wel eens in "_la bella Italia_", zooals uwe grootmama zegt."
Army stond plotseling op en ging naar het venster. Het jonge meisje had zachtjes gesproken, maar desniettemin was hem geen woord ontgaan. Dat was nog altijd de goedhartige Lise van vroeger, die haar boterham aan arme kinderen en hare blinkende driepenningstukken, die tante zoo zorgvuldig voor haar verzamelde, aan den eersten den besten handwerksjongen weggaf; zij schudde nog zoo, half trotsch, half bedeesd, het hoofdje, wanneer zij beknord werd. En dan rees een ander beeld voor zijn oog, een kleine, teedere gedaante, met goudkleurig haar--die terugdeinsde voor bedelaars, en dat "gemeen", met een wenk harer kleine hand onbarmhartig van haar deur verdreef; die met minachting haar kleed dicht om zich heen trok, wanneer op de wandeling een kreupele smeekend zijne handen naar haar uitstak. "Geef hem niets, Army," had zij gezegd, "ik word er wee van, kom, kom--tante betaalt overvloedig armengeld." Zóó ging _zij_ den armen natuurgenoot voorbij, met haar geparfumeerden kanten zakdoek voor den neus.
Buiten lag het park sneeuwwit en kalm; iedere boom stak duidelijk af op den helderen achtergrond, en daar beneden straalde het licht uit de vensters van den molen. Dat oude, gezellige huis, wat al zoete herinneringen waren daaraan voor hem verbonden! Hoe gerust en aangenaam moest het zijn, dáár te wonen, zonder zorgen, zonder angst voor de toekomst of aanstaande ellende!
"Uit mijn jeugdig leven, Uit mijn jeugdig leven, Klinkt mij steeds een lied in d' ooren; O, waar is gebleven, O, waar is gebleven, Wat mij ééns mocht toebehooren?"
klonk het zacht en teeder achter hem; hij keerde zich om--daar stond zij bij de oude pianino, de slanke, tenger gebouwde meisjesgestalte,--het hoofdje wat voorover gebogen, en bij het flauwe licht, dat de lamp in dien hoek van het vertrok verspreidde, meende Army te zien, dat een zachte blos zich over Liesjes gelaat vertoonde.
"Toen ik afscheid nam, Toen ik afscheid nam,-- Lachte mij het leven toe; Toen ik weder kwam, Toen ik weder kwam, Was mij alles droef te moê--"
Liesjes stem klonk diep weemoedig.
"Nu het laatste vers," verzocht Nelly; "mama hoort het zoo graag."
"Ik kan niet meer," antwoordde zij zacht en verwijderde zich van de piano.
"Och, dat spijt mij, Liesje," sprak Nelly's moeder nu, "ook geen Kerstlied?"
Aanstonds trad zij weder naar de piano:
"Daarboven fonkelt hel een ster, Die stil op aarde ziet, En 't Eng'lenheir, dat zingt van ver Een jub'lend Kerstnachtlied.
En om de schaam'le kribbe straalt Een wonderheerlijk licht; Een kindje ligt op 't harde stroo, Met godd'lijk aangezicht.
Verblijdt u dan in dezen stond, Die vrede op aarde geeft! Zoo klinkt het uit der Eng'len mond, Nu Jezus Christus leeft!
Knielt neer van verre en van nabij, Gij menschen groot en kleen, En dankt den Heer op zijnen troon, Nu 's werelds licht verscheen!"
Zachtkens stierven de tonen van het oude Kerstlied in het hooge vertrek weg; geen geluid werd gehoord, bij ieder had dit lied verschillende herinneringen opgewekt, die echter alle in denzelfden grond hun oorsprong hadden.
De sukkelende vrouw, in dien grooten stoel, zij herinnerde zich den tijd, toen zij als jonge moeder haar knaap die woorden leerde, opdat hij ze voor zijn vader onder den prachtigen Kerstboom zou opzeggen; zij zag weder den fermen jongen, om wien zij haar arm geslagen had, voor den knappen man staan; zij was naast het kind neergeknield en vouwde zijn kleine handjes biddend saam; van de takken des booms straalde licht; en licht werd teruggekaatst uit de helder schitterende kinderoogen; hij moest immers wel trotsch zijn op zijn zoon.... "Bid nu, mijn jongen!" en de heldere kinderstem had zoo roerend, ernstig geklonken:
"Verblijdt u dan in dezen stond, Die vrede op aarde geeft!"
Den jongen man stond deze avond niet voor den geest; die was uit zijn geheugen gewischt; maar hij zag zich met twee kleine meisjes daar beneden in de kamer van tante. Beiden zaten op bankjes aan de voeten der oude vrouw, de lieve mondjes wijd geopend, en de oogen ernstig voor zich uitziende; zij zongen, hoewel niet volgens de regelen der kunst, toch dapper en gloeiend van Kerstvreugde:
"En om de schaam'le kribbe straalt Een wonder heerlijk licht, Een kindje ligt op 't harde stroo--"
"Army zingt niet mede, tante!" had de grootste gezegd en haar vragend aangezien.
"Dan krijgt hij straks ook geen peperkoeken, als Ruprecht de knecht komt," was het antwoord geweest.
Toen was de kleine naar hem toegetrippeld. "Army meezingen!" had zij met tranen in de blauwe oogen gewaagd, en toen hij overmoedig de blauwe lokken schudde, had zij wanhopig haar gezichtje met de handen bedekt, Daarop was Ruprecht de knecht gekomen, met een grooten, zwaren pels om; hij had met de noten in den zak gerammeld en dreigend eene roede voor den dag gehaald. "Zijn de kinderen zoet, tante?" had hij met een diepe basstem gevraagd; "kunnen zij ook bidden?"
Ja, de meisjes wel; maar die daar, die jongen, is een kleine stijfkop, die zijn Kerstlied niet zingen wil; neem dien maar stilletjes mee naar uw sneeuwhol, heer Ruprecht!" En toen was het kleine meisje, bitter schreiend en haar angst vergetend, naar den gevreesden man toegeloopen.
"Neen, neen, lieve oom Ruprecht, neem Army niet mee! Hij is niet stout; ik wil ook geen enkelen peperkoek hebben." En Nelly was ook gaan schreien, zoodat knecht Ruprecht ten slotte was vertrokken, zonder een gebed gehoord te hebben, terwijl de troostwoorden van tante en het geween der meisjes hem achterna klonken. Hij alleen, die ondeugd, schreide niet; hij lachte, toen de laatste slip van den pelsmantel verdwenen was; hij hield stijf en stok staande, dat het niet knecht Ruprecht, maar Peter, de koetsier, geweest was, in den omgekeerden pelsjas van oom molenaar.
Aan al deze kinderlijke ervaringen dacht Army, en onwillekeurig ontviel hem de vraag: "Weet gij nog wel?" Toen zweeg hij, verschrikt over zijne woorden, die zoo duidelijk verstaanbaar door het stille vertrek klonken; zij waren immers reeds lang voorbij, die kinderdroomen--hij was een man geworden. Een man? Neen, een verwijfde droomer, dien een weinig tegenspoed verlamd had! Daarboven zat zij nu, de oude vrouw, en schreef om hem te redden een brief, die haar moeite kostte, die haar zwaar viel, en zij deed het, omdat hij geen man was.
"Ik moet naar huis." Liesje nam haar jakje van den stoel.
"Och, blijft gij van avond niet?" vroeg Nelly.
"Ik dank je, ik kan helaas niet," antwoordde zij aarzelend; "de dominé's-familie komt van avond bij ons, en gij weet wel, Nelly, dan durf ik niet wegblijven.
"Dat is zoo, maar komt gij spoedig weer?"
"Zeker!"
"Mag ik u te huis brengen," klonk op eens Army's stem.
"O neen, ik dank u," stamelde zij verlegen, "ik--"
"Het is vandaag een feestdag--gij zoudt beschonken lieden kunnen ontmoeten," sprak hij, haar antwoord afsnijdend, en greep naar muts en degen.
Het was een wonderschoone winteravond, die daarbuiten over de Kerstnacht-vierende aarde gedaald was; in ademlooze stilte lag het landschap in een sneeuwkleed gehuld, overwelfd door een hemel, waaraan duizenden starren in de heldere, koude lucht fonkelden. Beneden in het dorp kwamen de verlichte vensters onder de besneeuwde daken te voorschijn, en hier boven aan den kruisweg, bij de met sneeuw bedekte zandsteenen bank, daar stond een rijzig paar; hoe verwonderd breidde de kale lindeboom zijne takken over de jeugdige hoofden uit, als om ze voor aller oogen te verbergen. Is het nu tijd tot minnekoozen? schijnt ieder takje te vragen, thans, nu er geen enkele nachtegaal zingt en geen groen takje een liefdegroet kan fluisteren?
En toch--het meisjeshoofdje rust zoo stil aan zijne borst, en in de blauwe oogen ligt een oneindige hemel van liefde en geluk.
"Zou ik u kunnen helpen, Army, om uw leven minder somber te maken? Is het waar?"
"Als gij dat wilt, Liesje," antwoordde hij zacht en kuste haar op het voorhoofd.
"Of ik het wil?" vroeg zij blozend, en vlijde zich dichter aan hem. "Of ik gelukkig wil zijn--?"
Hoe was het toch gekomen? Hoe was zij wel te moede, toen zij alléén het pad naar den molen insloeg? Als in een droom hoorde zij zijn ernstige woorden, voelde zij den kus op haar voorhoofd branden--en toch was het de werkelijkheid, zoo even doorleefd, die haar hart zoo deed kloppen! En morgen--haar kloppend hart stond haast stil, toen zij de verlichte vensters van haar huis zag--dan zal hij bij haar vader komen. Zij is verloofd; een gelukkige verloofde, _zijne_ bruid!
Zij bleef staan en zag achterom; daar boven moest hij nu zijn, bij den eenzamen, ouden linde, die, trots sneeuw en ijs, heden avond het zoetste geluk zag ontluiken. Zou hij haar liefhebben, waarlijk lief? Zij schudde het hoofd over dat wonder, dat nooit gehoopte wonder; zouden vader, moeder en tante het niet aan haar zien, dat zij--? Neen, neen, nu nog niet; als de gasten vertrokken zijn, wil zij het haren vader zeggen, dat er morgen iemand komen zal, die--
Zij trad de huisdeur binnen; die oude schel had heden ook zoo afschuwelijk hard geklonken, en zij wilde graag eerst stil naar haar kamertje gaan. Neen, dat ging niet, want juist deed tante de deur der huiskamer open.
"Wel, gij uitblijfster!" klonk vriendelijk de oude stem, "ik wilde juist Doortje zenden, want ik was bang, dat iemand u onderweg had meegenomen."
"Goeden avond," antwoordde zij, terwijl haar stem bijna verdween onder de hevige hartkloppingen, "is het al zóó laat?"
"Nu, dat zou ik denken," sprak de oude vrouw en deed de deur achter haar dicht. Dáár zat haar vader aan de ronde tafel, en hare moeder met den predikant op de sofa.
"Zoo, zijt gij daar!" sprak haar vader vriendelijk en trok haar naar zich toe. "Wat zegt gij daar wel van, Lise? Denk eens, de kinderen in de pastorie hebben de scharlakenkoorts en kunnen niet komen, is dat niet treurig?"
"Zeer treurig!" herhaalde zij; maar hare oogen schitterden zoo, en om haar mond speelde een gelukkig lachje; dat was geheel in tegenspraak met hare woorden. Vroeger zou zij in luide weeklachten zijn uitgebarsten, maar vandaag--zij lette ternauwernood op hetgeen haar werd medegedeeld.
"Een oogenblik slechts--ik zal boven mijn goed afdoen; ik kom dadelijk terug," en weg was zij.
"Wat scheelt het kind?" vroeg hare moeder angstig.
Het kind echter stond, diep ademhalend, boven in haar kamertje. Haar jakje en muts werden op een stoel gesmeten, en zij zelve viel voor haar bed op de knieën, zooals zij elken avond gewoon was te doen; zij drukte het gloeiend gelaat in de kussens en vouwde hare handen, maar geen woord kwam over hare lippen; slechts in haar hart vermengde zich een verward dankgebed met een ongekende vrees en een onuitsprekelijk gevoel van geluk. Eindelijk sprong zij op, en opende het raam, "daar boven, daar boven," fluisterde zij, en groette met de hand, alsof hij haar zien kon. Of hij nu aan haar dacht? Of hij al aan zijne moeder bekend had, dat hij de kleine Liesje uit den molen omarmd en gekust had? En Nelly?
"Liesje, Liesje!" riep men van beneden.
"Aanstonds!" antwoordde zij; haar stem klonk, alsof ze opgeschrikt was; zij nam het licht en zag in den spiegel; een paar gloeiende, donkere oogen zagen haar uit het glas aan. "_Zijne_ bruid!" fluisterde zij, "zijne verloofde!" en een donkere blos vloog over haar gelaat; zij deed snel het licht uit en ijlde naar beneden.
"Zij zijn al in de eetkamer, juffer," riep Doortje haar toe, en begon toen op eens hard te schreeuwen: "o Hemel, juffer! er is een verborgene bruid in huis; zie maar--een, twee, drie lichten!"
Het jonge meisje, dat reeds de kruk der eetkamerdeur in de hand had, keerde zich hoog blozend om--waarlijk, dáár stond Doortje met de keukenlamp; hier hing de groen verlakte ganglamp aan den wand, en tante was juist uit hare kamer gekomen en hield de hand voor de waskaars, waarvan het volle schijnsel op haar oud, goedig gezicht viel.
"'t Is best mogelijk!" sprak zij, alsof ze boos was.
"Meid, ge zijt gek; dat maakt een leven, alsof ze het hoogste lot uit de loterij heeft getrokken! Een geheime bruid--domme gans! Gij zult zelve wel het beste weten, wie het is! Aan de tuindeur staat immers iederen avond een verliefd paar, niettegenstaande de dikke sneeuw! Ga binnen, kind! Ik volg u," wendde zij zich tot Liesje, die nog talmend bij de deur stond te wachten en toen met de oude vrouw naar binnen ging.
Vader, moeder en oom de predikant waren reeds gezeten; de laatste deed het tafelgebed en daarna verscheen Doortje met een gebraden gans, die de gastheer begon voor te snijden.
"En weet gij, dominé" zeide hij, een afgebroken gesprek voortzettende, terwijl hij zijn mes op het slijpstaal aanzette, "het zou een ware zegen zijn, als het geschiedde; maar gelooven kan ik het niet; men heeft het al tien jaar lang gezegd."
"Ja, ik kan u ook niets verder zeggen, Frederik," antwoordde de geestelijke, "als wat ik onlangs te B. van den architect Leonhardt hoorde; hij zeide, in het voorjaar zou er eene commissie komen, om de landerijen te onteigenen, en zoodra dit geschied zal zijn, gaat het bouwen er op los; 't is mij onverschillig, of er een spoorweg komt of niet! Ik wenschte maar--" hij streek met de hand over het voorhoofd.
"Maakt gij u bezorgd over de ziekte uwer kinderen, dominé?" vroeg de huisvrouw deelnemend.
"Nog al," antwoordde hij en zag er waarlijk bezorgd uit; "wij zijn allen in Gods hand, maar het menschelijke hart wordt zoo licht moedeloos; die verraderlijke ziekte is dit jaar bijzonder gevaarlijk, in het dorp zijn huis aan huis de kleinen aangetast; uit menig huisgezin heb ik er één of soms twee ten grave gebracht, en bij alle onderwerping aan den wil des Heeren, Mina ... kan men den angst toch niet weren."
"Om Gods wil, oom, is het zoo erg?" Liesje zag hem verschrikt aan; zij kwam zichzelve eensklaps hoogst liefdeloos voor, dat zij door haar geluk zijn angst niet eens bespeurd had. "Zal ik meegaan? Kan ik helpen?"
"Wel beware, Liesje! het is eene zeer gevaarlijke, besmettelijke ziekte--voor niets ter wereld!" sprak de geestelijke vriendelijk, en drukte haar de kleine hand, "neen neen, dat zal mijne Rosine alléén wel klaren; men mag zich niet lichtzinnig in gevaar begeven. Gij zijt een eenig kind--gij moet u sparen voor uwe ouders; neen, ik dank u, Liesje; het zal zich wel schikken. Maar ik moet dadelijk na het eten weder weg; Rosine heeft mij met geweld de deur uitgejaagd."
"Kom, dominé," zeide de gastheer hartelijk, en hief zijn glas op, "dat het spoedig bij u aan huis beter worde, en alle angst te vergeefs geweest zij!"
"God geve het!" Het ernstige gelaat van den leeraar klaarde weder op; "maar genoeg daarover," sprak hij, zich geweld aandoende, "ik wil uwe feestvreugde niet bederven. Kom, Liesje! lach eens weder. Gij zaagt er straks zoo gelukkig uit. Wat hebt gij toch met Nelly uitgevoerd? Uw gezicht was louter lust en vreugde."
Liesje kleurde als een roode roos.
"Nu, daar boven zal het er wel niet zoo schitterend uitzien," merkte de heer Erving aan.
"Ach ja, daar hebben ze ook een bitter kruis te dragen--dat is waar," zuchtte de predikant; "kleine kinderen, kleine zorgen, groote kinderen, groote zorgen! Zoo gaat het in de wereld."
"O ja!" sprak de oude vrouw, "een beetje vertrouwen op God behoort daar ook toe; voor den jongen, voor Army, heb ik geen zorg; zulk een frisch, jong gemoed laat zich door zoo'n beetje valsche liefde niet neerdrukken; liefdesmart doet nieuwe liefde ontluiken; die zal wel spoedig een ander liefje hebben."
"O, dat is bijzaak, tante, maar die andere treurige omstandigheden nog, en--"
Flap! daar was de deur geopend en het jonge meisje verdwenen; en daar zaten de achterblijvenden elkander met stomme verbazing aan te zien.
Veertiende Hoofdstuk.
De predikant was vertrokken zonder het meisje te hebben weergezien; men had haar geroepen, maar geen antwoord ontvangen.
Tante zocht haar Lise overal. In de woonkamer was zij niet, ook niet in de kamer waar de Kerstboom stond, en nu opende zij voorzichtig de deur van Liesjes kamertje; het was er donker, maar bij het raam stond een slanke gedaante, die onbeweeglijk naar buiten staarde.
"Lise!" riep de oude vrouw zacht.
"Tante!" klonk het met een onderdrukte stem.
"Zeg, kind, wat scheelt u toch? Gij hebt toch geen hoofdpijn, gij zijt toch niet ziek?"
Als eenig antwoord werden twee meisjesarmen om haar heen geslagen; een gloeiend gelaat verborg zich aan haren hals en deed niets anders hooren dan een onderdrukt snikken.
"Kind, Liesje, wat scheelt er aan?" vroeg de oude vrouw verschrikt, "heeft iemand u kwaad gedaan?"
Zij schudde het hoofd.
"Wat is het dan, mijn hartediefje?" en zij trok de wederstrevende naar de sofa, en ging naast haar zitten.
"Och tante, liefste, beste tante--"
"Wat dan, mijn liefje? Nu? Gij lacht immers al weer, dwaas ding? Wat moet dat beteekenen?"
"Och, ik zou kunnen lachen en schreien en--ik weet niet wat al," fluisterde zij; "doe de oogen toe, tante! ik wil u zeggen waarom--och, ik ben zoo bang voor u--"
"Bang voor mij? Ja, dat begrijp ik; daar zijt gij juist de rechte voor; nu--wat hebt gij gedaan?"
"Ik--ik--ben verloofd tante," stamelde zij; "hebt gij dat niet duidelijk genoeg aan mij kunnen zien?"
"Verloofd? Kind!"
"Ik ben zoo gelukkig, o zoo gelukkig--Army--"
"Army!" zeide de oude vrouw verbaasd en klappertandde van schrik. "Army? gij zijne verloofde?" herhaalde zij dof, "het is dus zoo!"
"Tante hebt gij geen vriendelijk woord voor mij? Wij hebben elkander zoo lief, o zoo lief!"
"Lief? Heeft hij u lief?"
"Maar tante, hoe kunt gij zoo iets vragen? Zou hij mij dan tot zijne bruid willen maken?"
"Barmhartige Hemel!" kreet het in de ziel der oude vrouw; "dat arme, dwaze kind! Zij waant zich bemind, en hij--hij wil alleen haar geld, om zich te redden." En in stillen angst drukte zij Liesjes brandend heete hand in hare ijskoude; was het niet eveneens, als toen Lisette haar hare eerste liefde toevertrouwde?
"Bedenk eens, tante, ik kan zijn leven weder opvroolijken; om mijnentwille zal hij het weer leeren liefhebben! Is dat niet heerlijk? En _ik_ zou dat kunnen, tante; zou dat werkelijk waar zijn? O, tante! daar buiten, onder den ouden, besneeuwden lindeboom, waar ik voor drie jaar afscheid van hem nam, daar heeft hij mij gevraagd. En--nietwaar, gij zult het vader en moeder zeggen? Ik bestierf het van--ja van schaamte, als ik hun bekennen moest, dat ik een vreemden man liefheb; ik kan het niet--toe, doe gij het toch! Ik had het u nooit durven zeggen; als het hier niet zoo donker geweest was--tante, spreek toch, en geef mij een enkelen kus--"
"Lisette--Lisette--waart gij het dan niet, die daareven fluisterde? Is dit het geluk, dat ik elken morgen en avond voor dat kind van God heb afgebeden? Heeft zij niet iets duizendmaal beters verdiend, dan dit lot?" Eenige oogenblikken zat zij, stom van smart. "Liesje," sprak zij eindelijk somber, "gij weet niet, wat gij gedaan hebt; gij weet niet, wat u wacht, als deze onzalige--wees niet boos, maar ik _moet_ zoo spreken--als deze onzalige verloving tot stand komt. Gij kent de oude barones niet, zooals ik haar ken; zij is erger dan een duivel. Zij zal u ongelukkig maken, evenals mijn arme Lisette, wier dood zij op haar geweten heeft; en ik zou mij zelf beschuldigen, zoo ik u niet gewaarschuwd had, nu het nog tijd is, en niemand van uwe liefde weet, dan gij beiden en ik. Houd u stil!" vermaande zij, toen Lise poogde haar in de rede te vallen--"doe het, ter wille van uw oude tante en van u zelve! Wat ik u vertellen wil, smaakt bitter, maar het is een geneesmiddel, en God geve, dat gij het inneemt en het u geneze!--Het is Lisettes geschiedenis, die ik u moet vertellen.--Gij weet nog wel, dat ik het van 't voorjaar wilde doen, omdat ik uwe liefde zag aankomen, maar het wilde mij toen niet over de lippen--had ik het maar gedaan!"
Het jonge meisje zette zich zwijgend aan hare voeten neder; geen woord liet vermoeden, welk eene huivering haar jeugdig hart doortrilde, alsof plotseling een ijskoude wind de lachende lente had ontbladerd.
"Baron Frits dan," begon de oude vrouw met doffe stem, "de broeder van Army's en Nelly's grootvader, was Lisettes verloofde; zij hadden elkander in stilte het jawoord gegeven, niemand buiten mij wist er iets van. Baron Frits wilde eerst na zijne meerderjarigheid aanzoek doen bij Lisettes ouders, en met zijn broeder spreken; dan zouden zij een landgoed koopen. Het was een schoon en gelukkig paar, Lise; en zij hadden elkander zoo innig lief, dat het een lust was hen samen te zien daar beneden, in het oude zomerhuisje aan het water. Baron Frits lag als huzaren-officier in een naburig stadje in garnizoen; hij kwam dikwijls over en tegen den tijd, dat hij komen moest, stond Lisette boven in haar kamertje aan het raam, en zag naar den toren aan den overkant, en dan brandde daar al spoedig een licht ten teeken dat hij kwam. Dan juichte zij van blijdschap, sloeg de handen samen en ging hem een eind in het bosch tegemoet. En vervolgens--'t was een zomeravond--deed de schoone vrouw van zijn broeder, Nelly's grootmoeder, hare intrede in het oude slot. Lisette en ik waren heengegaan om haar te zien; het geheele slot was verlicht en de dienstboden wachtten met groote fakkels onder aan den voet van het bordes; ook baron Frits stond daar met zijn oude moeder, toen het jonge paar aankwam. Nu, dat moet gezegd worden: schoon was de jonge vrouw; maar trots sprak uit haar houding, uit het bleeke gelaat, en blonk uit de groote, zwarte oogen. Lisette was doodsbleek geworden, toen zij haar aanzag.
"Die wordt nooit mijne vriendin, Marie," sprak zij tot mij.
En zij sprak waarheid. God weet, waar de jonge vrouw vernomen had, dat baron Frits Lisette liefhad, en wie haar het duivelsche plan heeft ingeblazen, die twee van elkander te scheiden. Ik weet alleen dit, dat het haar gelukte. En hoe--ja, hoe is het haar gelukt!