Chapter 11
"Army, er is slechts één middel, om u en ons te redden!"
Hij keerde zich langzaam om en zag haar vragend aan.
"Gij zoekt zoo spoedig mogelijk een andere rijke partij."
"Wat bedoelt gij, grootmama?"
"Er zijn meisjes genoeg, rijke, knappe meisjes, die zich een man koopen, zooals men dat noemt--"
"O, zoo, ik begrijp u," antwoordde hij los weg.
"Bedenk, Army! het betreft hier niet alleen uwe toekomst, het geldt ons allen."
"Hebt gij mij nog iets anders mee te deelen?" vroeg hij op een toon, die verstommen deed. "Niets? Dan zult gij mij wel vergunnen afscheid te nemen; ik wilde graag weten hoe het beneden gaat." Hij boog zich en ging heen.
Bijna werktuigelijk richtte hij zijne schreden naar de ziekenkamer; in het voorvertrek bleef hij staan; het was alsof hij daar binnen hoorde fluisteren; toen ging hij naar het raam en drukte het voorhoofd tegen de ruiten.
Hetgeen zijne grootmoeder hem zooeven gezegd had, was als een bijtend vocht in de versche wonde, hem toegebracht. De hevige pijn dreef hem het bloed naar de wangen, voor zijne oogen zweefde nog steeds een aanlokkelijk beeld, dat hem steeds vervolgde, al deed hij ook duizendmaal zijn best het te verbannen; hij zag haar steeds voor zich, zooals zij er uitzag op dien dag na de opening van het testament, toen het zoo kalm en rustig geworden was in de prachtige villa; alle bezoekers waren vertrokken, de overste was in een andere kamer ingedommeld, en hij bevond zich alleen met haar--voor de eerste maal sedert langen tijd. Hoe schoon was zij in dat donkere, met krip gegarneerde rouwgewaad, die gouden vlechten, met zwarte strikken saamgebonden! Zij lag peinzend in haar stoel, terwijl hij tot haar sprak; hij sprak van zijne liefde, van zijn verlangen haar te bezitten, van het zalig gevoel dat zijn hart vervulde. Of zij wel naar hem geluisterd had? De blik, dien zij op hem vestigde, toen hij hare hand greep, was hem als koud ijzer op het hart gevallen, en had hem met een angstig voorgevoel vervuld; in den loop van het gesprek was zij plotseling opgestaan en achter het deurgordijn verdwenen; het prachtige, goudkleurige haar zag hij nog even, toen het gordijn door den tocht van de opengaande deur omhoog waaide; toen was hij alléén met zijn overvol, bedroefd hart. Zij had hem nooit bemind, liet zij hem zeggen; zij had zich slechts naar den wensch harer tante met hem verloofd! En dáár boven, die gele, verdorde, vliegende bladeren in de lindenlaan, die hadden het gehoord, hoe zij hem trouw zwoer: hoe zij hem duizendmaal verzekerde, dat zij hem liefhad, liever dan alles op de wereld, en nu--nu was alles voorbij. Verkoopen zou hij zich--verkoopen, zooals grootmama hem geraden had!
"Neen, liever nog een kogel--een kogel!"
Hij kreunde en drukte de tanden op elkaar; waar was toch het geluk gebleven, waaraan hij zoo hoogmoedig geloofd had? De oude spreuk schoot hem te binnen: "Wanhoop nimmer, 't geluk kan iederen dag komen." Hoe dwaas, waarom had het geluk hem zoo spoedig verlaten?
Daar klonk een zachte tred achter hem; hij keerde zich om--een hoogblozend gelaat zag tot hem op. "Uwe moeder vraagt naar u, luitenant," sprak halfluid een heldere stem. Hij ging Liesje voorbij naar de ziekenkamer, en zij trad naar het venster, waar hij tot nu toe gestaan had. Buiten viel een fijne regen, die den omtrek in een vochtigen sluier hulde; zij staarde naar het huis harer ouders daar beneden, maar kon het door de dikke lucht niet onderscheiden. "Wat zouden zij daar nu wel doen,--mijn moedertje, mijn vader en tante Marie? Zou mijn vader niet op de jacht zijn? Och neen, hij heeft het zoo druk op het kantoor, sedert de heer Selldorf zoo plotseling vertrokken is." Weder vloog een donker rood over hare wangen.
In het nevenvertrek was het eerst stil; de deur stond half open; Army lag geknield bij het bed zijner moeder, en nu klonk het: "Mijn lief moedertje, dacht gij dat ik doen zou als de jonker van Streitwitz? Neen, neen, ik heb u immers nog en Nelly." Zijne stem klonk teeder en vertroostend, en toch was het, alsof met moeite weerhouden tranen de woorden onverstaanbaar maakten. En daarop de zwakke stem zijner moeder; Liesje kon de woorden niet verstaan, maar uit den toon der afgebroken woorden klonk het als een zoet vertroosten, als een blijde dank, dat zij haar zoon in de armen hield, de gansche onovertroffen volheid der moederlijke liefde, die helpen, steunen, raden wilde; zoo kalm, zoo zacht klonk het, alsof het gold een ziek kind in slaap te sussen.
En daar opeens--was het werkelijk mogelijk? Dat klonk als weenen, als met geweld onderdrukt gesnik. Zou Army--? Liesje keerde zich plotseling om en luisterde met verbleekend gelaat--weenen de mannen dan ook? Zij ijlde naar de deur; zij wilde weg; hij mocht niet weten, dat zij gehoord had, hoe hij--Daar kwam hij uit de kamer zijner moeder, ernstig en de lippen op elkander gedrukt; maar de oogen--ja, die waren nog nat van de tranen, die hij geweend had--om zijn verlorene bruid.
Zij stond vlak voor hem, de handen op de borst gevouwen, als wilde zij hem om vergeving vragen, dat zij hem zóó gezien had. Ook hij stond stil; hij zag haar aan en las innig medelijden in haar oogen. Kwam de herinnering weder bij hem boven aan den tijd, toen het kleine meisje den wilden knaap zoo dikwijls troostte, als hij bij hunne kinderspelen zijn geduld verloor en van spijt heete tranen weende?
"Liesje," sprak hij vriendelijk en dankbaar, en reikte haar de hand.
"Army, lieve Army," klonk het door snikken half verstikt terug; hij voelde een oogenblik haar kleine hand in de zijne; toen was zij verdwenen.
Twaalfde Hoofdstuk.
In het slot Derenberg was alles weder tot het eentonige leven van vroeger teruggekeerd. Na Army's vertrek was het zeer stil geworden in het oude slot. De nood sloop door de groote, ledige zalen en met hem--de zorgen.
"Gij _moet_ raad schaffen, Hellwig," had de oude barones tegen den getrouwen raadsman der familie, half biddend, half bevelend gezegd. "Gij _moet_! Binnen korten tijd moet er geld zijn, opdat het onweder niet nu boven mijn kleinzoon losbarst! Het verdere schikt zich later. Komt tijd, komt raad!"
En de oude man had met een bezwaard gemoed de belofte gedaan, te zullen beproeven "den duivelschen jongen, dien Army, uit den brand te helpen;" maar tevens had hij er naar gevraagd, op welke wijze de barones het verdere dacht te schikken? En toen zij op haar zenuwachtige manier den vriend der familie eenigszins had laten vermoeden, van waar zij redding hoopte, had hij bijna weemoedig geglimlacht, en een vragend "nog eens dat gevaarlijke middel?" was over zijne lippen gekomen. "God geve," had hij er bij gevoegd, "dat het deze maal beter uitvalt! Voor het overige, mevrouw de barones, gaat het tegenwoordig zoo gemakkelijk niet meer, als gij denkt; de wereld is in den laatsten tijd onaangenaam praktisch geworden; vaders, die zulk een jongen adellijken windbuil met open armen ontvangen en er eene eer in stellen, zijne kolossale schulden te betalen, worden steeds zeldzamer--het geld is schaarsch, zeer schaarsch, mevrouw de barones! Maar wat lichtzinnigheid is het ook, om equipages en zijden meubels voor mejuffrouw de bruid aan te schaffen! Dat was later vroeg genoeg; men moet de huid van den beer niet verkoopen, eer hij gevangen is. Gij, barones, die zooveel ondervonden hebt in uw leven, gij hadt den jongen bij de ooren moeten krijgen, en hem _mores_ moeten leeren; hij was vroeger altijd gemakkelijk te leiden."
De oogen der jongere barones hadden zich verwijtend op hare schoonmoeder, smeekend op den ouden man gericht; de smeekende oogen hadden hem zoo ver gebracht, dat hij ten minste beloofde, zijn best te doen---
Liesje was reeds lang naar het ouderlijke huis teruggekeerd, en had den innigsten dank van Nelly en hare moeder meegenomen. Zij kwam bijna dagelijks in het slot, en haar vroolijk gekeuvel, haar vriendelijke verschijning bracht uren van zonneschijn in die stille, hooge vertrekken; Nelly vergat dan voor een poos hare droefheid, om zich trouwens later dubbel ellendig te gevoelen.
Hoe goed heeft zij het! dacht zij, wanneer hare vriendin zoo vlug door de nu geheel ontbladerde lindenlaan, naar huis ging. Zij stelde zich het aangename "te huis" van Liesje voor, en zag in haar verbeelding, hoe zij den arm om den heer des huizes heensloeg, en hem haar lief vadertje noemde, op wien zij zoo trotsch, zoo trotsch kon zijn--en dan vloeiden weder Nelly's oogen over van bittere tranen.
Zoo was November gekomen, met zijn donkere dagen; de stormen huilden weder om het oude slot, zooals zij reeds eeuwen gedaan hadden; zwaar en vochtig dreven de wolken over het landschap, en regen, vermengd met sneeuw, sloeg kletterend tegen de ruiten. Zulk weder oefent zijn invloed op elk menschelijk wezen, en vooral op eene zieke, die zoo zeer behoefte heeft aan opwekking, en onwillekeurig komt de vraag op de lippen: "Zal voor mij wel ooit de zon weer schijnen? Zullen voor mij de stormen wel ooit weder zwijgen? Gelukkig de mensch, die hopen kan, ook in dagen van diepe smart!" Zij fluistert toch nog altijd vertroostende woorden tot de verslagene ziel, en schildert op den donkeren achtergrond lichtende arabesken en bekoorlijke bloemkransen, waartusschen allerhande gelukkige, vurig verlangde beelden der toekomst doorschijnen; de weenende oogen kunnen dan weder met vertrouwen opzien en de benauwde borst haalt ruimer adem; alles kan immers nog goed worden! En de tijd ging voorbij; eentonig en langzaam kropen de dagen voorbij. Wekelijks kwam er van den ver verwijderden zoon een brief, dien de moeder met angst en hartkloppingen openbrak; telkens vreesde zij, er een slechte tijding uit te zullen vernemen! "Bespeurt gij wel, hoe ongelukkig hij is, zoo verstrooid, zoo geheel anders dan vroeger?" zuchtte Nelly dan en herlas telkens en telkens weder den brief, wiens kortheid een diep bedroefd hart scheen te verraden.
"Het gaat hem goed," was de oude barones gewoon minachtend te zeggen; "hij hoopt het ook van ons; hij heeft veel dienstzaken te verrichten--_voilà tout!_ Hij is geen man; anders zou hij alle pogingen in het werk stellen, om het uiterste te voorkomen. Och hemel! dat ik in zijne plaats ware, zóó jong, en het leven vóór mij! Die onzalige gevoeligheid, die uit louter droefheid over het verlorene, den moed niet heeft om naar een nieuw geluk te streven--Orribile! Het is ons aller ongeluk; ik had nooit gedacht, dat hij ook zoo was."
En bevend van ergernis zette de oude dame zich neder om een brief aan haar kleinzoon te schrijven, en hem moed in te spreken, en een anderen aan Hellwig, ten einde hem aan te sporen, de zaak betreffende de schulden zooveel mogelijk op te houden.
November was ten einde en December kwam met zijn stormen; zij huilden in de hooge schoorsteenen en deden de roestige weerhanen op de torens knarsend gieren; zij bogen en schudden de oude boomen in het bosch; de regen kletterde evenals vroeger tegen de ruiten, en doorweekte de paden in het park, totdat in een helderen winternacht de felle vorst gekomen was, die de wegen zoo hard en glad als een rijbaan maakte; hij bedekte den dijk met een spiegelblanke ijskorst, en de velden en wegen met de eerste fijne sneeuwvlokjes.
"Het is binnenkort Kerstmis," zeiden de lieden in het dorp en verheugden er zich over. "Het is spoedig Kerstmis, mama," sprak ook Nelly tot de sukkelende vrouw, die bij den haard zat te breien, maar in haar gelaat blonk geene vreugde bij het vooruitzicht van het heerlijke feest; "of Army ook zal komen?" vervolgde zij vragend, en hare moeder omhelzende, zeide zij: "lieve mama, ik wil geen enkel geschenk hebben, als Army maar komt."
"Nu is het spoedig Kerstmis," riep Liesje hare tante juichend tegemoet, toen zij des morgens alles met sneeuw bedekt zag--het klonk zoo hartelijk opgeruimd, dat de oude vrouw haar verbaasd aanzag. Was dat meisje dan in de laatste weken niet geheel veranderd? De oude dartelheid, die haar zoo bekoorlijk stond, waarmede zij ieders hart won, blonk weer uit hare groote, blauwe oogen; hare wangen bloeiden weer even rooskleurig, als vroeger, en dit wonder was klaarblijkelijk geschied, toen zij--ja, toen zij uit het slot naar huis teruggekeerd was. Evenals vroeger schertste zij met haar vader, en voerde allerlei guitenstreken uit, die zelfs hare moeder hartelijk deden lachen.
En nu was Kerstmis aanstaande. Toen de oude vrouw haar aanzag, fluisterde de kleine mond dicht aan haar oor, en zij verstond zoo iets van Christeskindje, van Kerstboomen, en Kerstgeschenken en van iets zoo heel, heel fraais voor tante, als zij zich niet kon voorstellen.
En al deze vreugde en dit gejubel was in een enkel oogenblik te voorschijn geroepen: het enkele woord "Liesje!" uitgesproken op een teederen, dankbaren toon, en een enkele, vluchtige handdruk!--
En eindelijk was de heilige avond aangebroken over de wijde wereld; hij bracht in elk huis een helderen lichtglans; hij ontstak de kaarsen aan de groene boomen, in paleizen en hutten; en deze wierpen hun licht op vroolijke gezichten, op kostbare en eenvoudige geschenken; de kerkklokken luidden in de stille, koude winterlucht en noodigden de menschen tot een plechtige, dankbare feestviering; en hoog boven de verheugde wereld spreidde de hemel zijn donkeren blauwen mantel uit; in schitterende, fonkelende pracht straalden de sterren naar beneden, en "Eere zij God in den hoogen," klonk het tot haar naar boven, "in den menschen een welbehagen en vrede op aarde!"
"Vrede op aarde!" Er waren ook woningen, waar de weldadige gast geen ingang vond, en harten, zeer vele harten, die geen ruimten voor feestvreugde hadden, omdat leed en smart hen geheel vervulde! En op geen dag drukt de zorg zulk een arm menschenkind dieper ter neder, gevoelt het de smarten meer dan op dien, waarop zich allen verheugen, waarop de vrede moest nederdalen in alle harten, alléén in het zijne niet; waarop de bange vraag naar boven rijst; waarom ben ik--waarom zijn wij uitgesloten van de feestvreugde?
Diezelfde vraag stond ook te lezen in de oogen van het jonge meisje, dat daar aan het venster stond en in den helderen avond naar buiten zag. "Daar beneden in den molen zijn de ramen helder verlicht; daar brandt de Kerstboom," fluisterde zij zacht, en drukte smartelijk de handen op de borst--welk een verlangen overviel haar naar zijne helder verlichte en versierde takken! Liesje had haar gevraagd te komen; zij moest toch ten minste de lichten op den boom zien branden; maar neen, waartoe zou dat dienen? Wat ging haar des molenaars Kerstboom aan? Het was de hare toch niet, en waarom zou zij Liesjes gelukkig gelaat aanschouwen? Hare sombere, stille woning zou baar daarna nog eens zoo treurig hebben toegeschenen. Zij keerde zich om en ging naar den stoel harer moeder, om haar wang tegen het lieve gezicht te vlijen. Zij tastte met de hand, maar vond slechts het ledige kussen. "Mama," riep zij zacht--het bleef stil. "Nu is ook zij naar grootmama gegaan," fluisterde zij en viel in den zachten stoel neder. "Allen verlaten zij mij, och, dat ze toch terugkwamen! Mama en Army, o ja, Army is dáár"--dat was toch nog een zoete troost. Morgen zou hij zeker wel niet meer zooveel met grootmama te spreken hebben over zaken; wat kunnen zij toch voor belangrijks te verhandelen hebben sedert zijn aankomst? Zou het nog altijd over Blanka zijn?---
Nelly vergiste zich; hare moeder was niet boven, waar de oude barones met den jongen officier een onderhoud had over zaken--leelijke, niet zeer stichtelijke zaken, die niets gemeen hadden met den geest van het Kerstfeest.
"Tot Nieuwjaar--nog maar acht dagen!" sprak de oude dame, en zag somber voor zich.
"Tot Nieuwjaar," bevestigde Army, die voor haar stond.
"En gij zegt, Hellwig weet geen raad?"
"Zoo zeide hij--"
"Maar dio mio! Het is toch anders voor een officier niet zoo moeilijk, geld te krijgen?"
"Anders? Gij vergeet, grootmama, dat onze omstandigheden voldoende bekend zijn. Geen bankier leent mij geld, met de zekerheid, het te verliezen, en dan nog zulke sommen! Het eenige, wat ik bewerken kon, was--uitstel tot Nieuwjaar."
"En hebt gij geene moeite gedaan het middel te beproeven, dat ik u als de éénige redding aanwees?"
Hij zag haar fier aan. "Neen, mijne schuldeischers gaven mij werkelijk denzelfden raad en wilden mij er wel behulpzaam in zijn; maar duizendmaal liever naar Amerika en werken als een knecht, dan zulk een juk op mij te nemen!"
"Zooals gij wilt!" sprak de oude dame koel, "het is uwe zaak en niet de mijne."
"Juist zoo!" lachte hij. "Maar laat de geheele historie naar den duivel loopen! Ik ben hier niet gekomen om u mijn nood te klagen; ik wil het Kerstfeest met u vieren; het Kerstfeest!" herhaalde hij spottend.
"Goed dan!" klonk de stem der grootmoeder. Dan zal ik raad zien te schaffen; er zijn nog wel menschen in de wereld, die den naam Derenberg niet vergeten hebben. Morgen--neen, van avond nog schrijf ik aan den hertog van R.
Om Army's lippen zweefde een bittere lach. Hij dacht aan het schilderij boven in de familiezaal, dat zijne grootmoeder voorstelde, hoe zij, als een schoone, jonge vrouw, den hertog de hand bood als welkomstgroet in haar gastvrij huis. "Bedelarij!" klonk het verachtelijk in zijn binnenste; hij voer met de hand over het voorhoofd, en sloeg een blik op de statige, zwarte vrouw tegenover hem, die zoo onbewegelijk, met een uitdrukking van vastberadenheid op het gelaat, bij de tafel stond. Hij had medelijden met haar, de trotsche vrouw; hij wist, dat het haar onuitsprekelijk zwaar zou vallen, zulk een brief te schrijven.
"Doe dat niet, grootmama!" bad hij vriendelijk, "gij moogt u niet zoo vernederen--"
"Neen, ik laat het niet," was het antwoord, "want ik zie, dat ik de eenige ben, die misschien nog uitkomst vinden kan, hoewel ik maar een oude vrouw ben."
"Maar, grootmama! zal de oude heer zich uwer nog herinneren?"
Zij lachte. "Zult gij ooit het beeld uwer bruid vergeten?" vroeg zij, en de zwarte oogen schoten stralen uit hun brandenden gloed. "Zeker niet! Evenmin vergeet de hertog van R. Leonore van Derenberg, want hij heeft mij liefgehad, Army! van het oogenblik af, dat hij mij voor het eerste zag. Hij was toen nog erfprins; mijn man stelde mij ten hove voor; er werd juist een feest gevierd--ik weet niet meer ter eere van wie; en, toen ik door de bonte menigte, die de helder verlichte zalen vulde, aan den arm uws grootvaders vooruit trad, dewijl het hertogelijke paar mij wenschte te zien, en de menschen rechts en links ter zijde weken en de vreemde, de Italiaansche, aanzagen, terwijl ik eene buiging maakte voor het hooge echtpaar--toen werd mijn oor getroffen door een kreet van verrassing, en toen ik mijne oogen ophief, ontmoetten zij die van een schoon jong man, welke mij bewonderend aanstaarden. Ik was zeventien jaar, Army, en wat bedwelmt eene vrouw meer, dan bewonderd te worden en--voorbij, voorbij!" fluisterde zij, "waartoe het verledene weer te voorschijn te roepen!"
"En"--vervolgde zij peinzend, zonder acht op zijn gloeiend gelaat te geven, "hij kwam dikwijls naar Derenberg; hij was mijn cavalier bij elke gelegenheid, tot hij een verre reis ondernam--die goede ouders, zij waren bezorgd over hem, en mijn echtgenoot was de belachelijkste Othello, dien de wereld ooit zag; hij haatte den levenslustigen prins, omdat mijne lippen lachten als hij sprak, en mijne oogen, schitterden als ik hem zag, iets dat zij reeds bijna verleerd hadden; alles wat mij omgaf, droeg immers den stempel der verveling, de hemel, de aarde, de menschen, zelfs de feesten die mijn echtgenoot gaf. Hij was het, die in overeenstemming met de vorstelijke ouders, den vlinder verwijderde, die zoo onstuimig om de kaars fladderde--echt burgerlijk, zooals alles hier te lande! Ik wist het, dat mijn gemaal opmerkzaam gemaakt was geworden, ik wist, wie hem in den geheel onschuldigen omgang het ergste deed zien. O, ik heb hem gehaat, mijn zwager, dien--"
"Grootmoeder! en aan dien man wilt gij schrijven? Bij hem bedelen, omdat hij u eens bewonderde? Bij hem, dien mijn grootvader haatte?"
"Ik ben nu een oude vrouw geworden, mijn kind," antwoordde zij op hoogen toon, en wierp het nog altijd schoone hoofd in den nek, "en wat ik doe, heb ik slechts mijzelve te verantwoordden. Toen wij voor twintig jaar plotseling arm werden, schreef hij mij; hij had de vrouw niet vergeten, die eenmaal zijn jong hart verrukt had; ik had ons in eens uit alle drukkende omstandigheden kunnen bevrijden--maar ik wist, wat ik den naam Derenberg, wat ik mijzelve verschuldigd was." Zij stond met opgeheven hand voor haar kleinzoon, en haar groote oogen blonken van edelen trots.
"Meent gij, dat het mij licht valt aan hem te schrijven?" ging zij voort, "ik doe het om uwentwil, Army, want het weinigje ongeluk, dat u trof, heeft uwe hand verlamd, en heeft van u gemaakt een weekhartigen droomer in plaats van een sterken man met een vasten wil; daarom zal ik in uwe plaats handelen!" Zij ging hem voorbij en verdween in de naaste kamer; de deur vloog zoo krachtig en snel achter haar dicht, dat de roode gordijnen omhoog waaiden.
Army stond onbeweeglijk bij den schoorsteen; nu en dan schudde hij zacht het hoofd, en een bittere lach zweefde om zijn mond. Plotseling was het, alsof zijn gebogene gestalte zich in zijn volle lengte oprichtte, als trof hem eene gedachte, een besluit dat hem--
"Army," riep een zachte stem, en het blonde hoofdje zijner zuster kwam tusschen de plooien van het deurgordijn te voorschijn; "Army, kom toch beneden! gauw! Mama stuurt mij." Zij was de kamer ingeslopen, en drukte zich tegen hem aan. "Weet gij wat ik geloof?" fluisterde zij, "mama heeft zeker een Kerstboom ontstoken; er schijnt zulk een helder licht onder de deur door."
Hij staarde in de donkere oogen, die zoo kinderlijk blijmoedig tot hem opzagen.
"Spoedig," smeekte zij, "grootmama gaat toch niet mee; zij mag immers den Duitschen Kerstboom niet lijden."
"Ja, kom Nelly!" zeide hij, en de arm om zijne zuster heen slaande, verliet hij ijlings met haar het vertrek.
Dertiende Hoofdstuk.
Het begon reeds te schemeren, toen Liesje boven in haar kamertje een sierlijk korfje vol kleinigheden pakte; telkens voegde zij er nog iets fraais bij; eindelijk sloot zij het, en een halfluid: "zie zoo, het is vol marsepein en chocolade--dat lust zij het liefste," kwam over hare lippen. Zingend trok zij het met bont gevoerde jakje aan, dat gisteravond onder den Kerstboom had gelegen, en zette het daarbij behoorende mutsje van zwart fluweel, met een rand van marter omzoomd, vluchtig op de bruine vlechten; zij bekeek zich in den spiegel en begon op eens te lachen.
"Precies een jongen! Tante heeft wel gelijk," sprak zij en zette het sierlijke hoofddeksel wat vaster en midden op het hoofd. "Nu nog de mof, en dan spoedig weg; want ik moet tijdig weer terug zijn."
Zij greep mof en mandje en sprong de trappen af. "Ik ga naar Nelly," riep zij, de deur der huiskamer even opendoende.
"Zorg, dat gij op tijd weer tehuis komt, Liesje," vermaande hare moeder; "anders wordt oom de dominé boos en worden de kinderen ongeduldig. Gij weet, om zeven uur wordt voor hen de Kerstboom aangestoken--"
"Ja, ja, zeker," riep Liesje, en weg was zij.
Tante Marie zag haar na, toen zij over den molenbrug ging. "Och lieve hemel!" dacht zij, "hoe zal het er daar op het slot uitzien? Daar zullen de Kerstgeschenken ook wel niet rijkelijk zijn uitgevallen."
Liesje zat reeds sedert een kwartier naast Nelly bij den haard te praten; tegen haar over zat Army op zijn gemak in een grooten stoel; hij was in diep gepeins verzonken, en luisterde slechts nu en dan, wanneer een der beide meisjes hem met een hartelijken lach uit zijne mijmering wekte.
"..... En moeder kreeg van vader een pillendoos," vertelde Liesje, "waarop geschreven stond: 'de beste medicijn', en waarin reisgeld lag, om naar Italië te gaan.--Gij weet immers, Nelly, de dokter heeft altijd tegen mama gezegd, dat zij den winter hier niet moest doorbrengen, maar zij was er altijd tegen; nu echter heeft zij half en half toegegeven--"
"Zij gaat toch niet alleen?" vroeg Nelly.