Chapter 10
"Dan heeft zij zeker een codicil er aan toegevoegd," antwoordde de oude dame ongeduldig.
"Wist ik slechts precies, wanneer zij kwamen!" zeide Nelly; "de gewone post komt stipt om half acht aan, maar Army schreef, dat zij met extrapost reisden, en dientengevolge aan het station eerst wat rusten, en tusschen zeven en acht uur, tegen het middageten, hier zouden zijn. Geduld, geduld! Zal ik dat nooit leeren? Zie het heerlijke avondrood, nu wordt het gauw donker; ik verlang zoo naar Army."
Langzamerhand werd slot en park in duisternis gehuld, en aan den hemel schitterden ster aan ster in fonkelenden glans; in de gezellige woonkamer was de lamp nog niet opgestoken, slechts het vuur in den haard wierp een schemerachtig licht in het vertrek. Moeder en dochter waren alleen: want de oude barones had de kamer verlaten. Het jonge meisje daar in de diepe vensternis staarde met groote, peinzende oogen naar het lichtend gewemel daar boven; zij knielde naast den stoel harer moeder en sloeg den arm om haar heen; de diep bewogen vrouw hield haar zakdoek voor het gelaat; haar borst ging op en neer onder een zacht geween.
"Mijn goed moedertje," bad de kleine met zoete stem, "schrei uw lieve oogen toch niet rood! Wat moet Army denken, als hij komt? Och! grootmama meent het niet zoo kwaad--"
"Och, Nelly, dat is het niet," antwoordde zacht de weenende vrouw, "maar reeds den ganschen dag vervolgt mij eene onrust, een angst, die niet te beschrijven is.--God geve slechts, dat den jongen niets is overkomen!"
"Maar, mama," troostte de dochter en drukte haar blond kopje stijf tegen hare borst, "wat zou hem dan overkomen zijn? Hij rijdt op dit oogenblik zeker in den ouden, gelen postwagen en zit tegenover zijne Blanka, in de aangenaamste stemming die hij wenschen kan; de overste vertelt anekdoten, en zij verheugen zich allen in het vooruitzicht van een warm avondmaal, en van uw vriendelijk gezicht, mijn moedertje."
De barones schrikte opeens. "Wat scheelt u, mama?" vroeg Nelly angstig.
"Ik meende zijn stap te hooren," antwoordde fluisterend de moeder; "hebt gij niets gehoord, Nelly?"
"Neen, mama; het is immers ook onmogelijk."
Het werd stil in het ruime vertrek; de fluisterende stemmen zwegen; niets werd gehoord als alleen het knetteren van het vuur in den haard, en nu en dan een bange zucht uit het beangstigde moederhart. Maar dáár--dáár--ja, dat was _zijn_ stap in de gang; "Nelly," riep de jonge barones met half gesmoorde stem, en het jonge meisje vloog op en naar de deur, die geopend werd--een man trad binnen.
"Army!" jubelde de zuster. "Army!" klonk het ook van de lippen der moeder, "Army, zijt gij het?"
"Ja, mama," antwoordde hij met doffe stem, als dwong hij zich met moeite om kalm te schijnen.
"Mijn beste jongen," zeide de moeder teeder, en omhelsde hem. "Army, lieve Army," vleide Nelly, "maar zeg, waar is Blanka?"
Hij stond bij den haard, nog met mantel en muts, en het flauwe schijnsel van het uitgaande vuur was niet voldoende om zijne gelaatstrekken te onderscheiden.
"Army," vroeg nu ook zijne moeder, "waar is uwe bruid?"
"Ik heb geene bruid meer." Zijne stem stokte van smart.
Nelly gaf een gil van schrik, zijne moeder sprak geen woord; dat was het ongeluk, waarvan zij een voorgevoel had gehad--zij drukte alleen zijne hand vast in de hare, als konde zij hem daardoor onttrekken aan een woesten, naren droom.
"Maak mij niet week, mama!" bad hij en drong haar zachtjes naar een dichtbij staanden stoel, "het helpt niets; hoe kon ik mij ook verbeelden--" hij lachte bitter--"dat zij--steek het licht op, Nelly!" sprak hij toen kortaf, "en bereid grootmama voor! Ik heb niet veel tijd; morgen moet ik weder weg."
Met bevende handen ontstak Nelly de lamp; haar helder licht bescheen Army's bleeke trekken; hij stond nog op dezelfde plaats en staarde somber voor zich uit.
"Army, mijn lieve Army!" fluisterde zijne zuster, en sloeg snikkend hare armen om hem heen.
Hij streek haar gedachtenloos over het haar.
"Daar is grootmama!" riep zij toen en liep de oude dame tegemoet.
"Army," vroeg deze, haastig binnentredende, "wat beteekent dat? Ik wilde Sanna niet gelooven, die beweerde, dat zij u in de gang ontmoet had. Waar is Blanka? Waar is de overste? Wat beduidt het, dat gij alleen--?"
"Dat beteekent," antwoordde hij langzaam, en op elk woord drukkende, "dat mijne bruid mij heden morgen even voor ons vertrek, genadig heeft ontslagen; zij heeft mij niet lief, liet zij mij zeggen, als grond voor haar plotseling besluit, en, die reden is geldig genoeg, bij God!"
Weder lachte hij spotachtig. De oude dame waggelde achteruit, als van den bliksem getroffen.
"Het is niet mogelijk," stamelde zij doodsbleek.
"Dat zeide ik heden morgen ook, toen de overste mij dit uiteenzette en verklaarde," voer Army voort, "en ik heb wel honderd keer de hand aan mijn hoofd gebracht, en mij afgevraagd, of ik ook krankzinnig of iets dergelijks geworden was. Maar neen, het is een feit, Blanka van Derenberg is mijne bruid _niet_ meer."
"Army, was er dan niets voorafgegaan? vroeg zijne moeder, die als verpletterd in haar stoel zat.
"Wat voorafgegaan was?" antwoordde hij op snijdenden toon. "Ja, de opening van het testament. Blanka van Derenberg is eenige erfgename van het groote vermogen--dat is alles. Waarom zou zij een man huwen, dien zij niet bemint? Maar wees gerust, grootmama--" hij naderde de sidderende vrouw, die zich met beide handen aan een stoel vastklemde, "zij heeft toch een edel karakter; zij vermoedt, dat mijne verloving mij onkosten heeft veroorzaakt, en daarom liet zij mij door haar vader berichten, dat zij bereid was al mijne schulden te betalen. Dat was toch één troost voor den afgedankten bruidegom, voor den dommen jongen, die met dwaze liefde aan dit valsche schepsel hing!"
Hij had gedurende het gesprek met een kristallen bokaal gespeeld, dien hij gedurig ronddraaide; nu wierp hij dien op den grond, dat hij kletterend uit elkander sprong en de scherven over den vloer rolden.
"Army!" klonk het angstig van de lippen zijner moeder, terwijl zij hare bevende handen naar den opgewonden jongeling uitstrekte. De oude barones had zich in hare volle lengte opgericht. "Dat zullen wij ons niet laten welgevallen," sprak zij toornig. "Blanka erft in ieder geval slechts onder voorwaarde, dat gij haar echtgenoot wordt; ik heb nog een brief van tante Stontheim--"
"Denkt gij dan," vroeg Army, die in een oogwenk voor haar stond, "denkt gij dan, dat ik haar ooit weer zou willen aanzien? Al lag zij voor mij op de knieën, ik zou haar wegstooten, en al moest ik verhongeren, en gij allen met mij, geen cent nam ik van haar aan; eerder een kogel door den kop.--Ja wel, een kogel, dat zou nog het verstandigste zijn; dat heeft immers mijn vader ook geholpen, zooals Blanka mij zeide, toen ik haar nog eenmaal dringend verzocht, met mij hier op Derenberg te wonen; zij was bang--verklaarde zij--in dit sombere nest, waar de laatste eigenaar zich zelf van het leven had beroofd; ha, ha! Allemaal redenen, waar een verstandig mensch niets tegen zeggen kan!" Zijn stem klonk heesch en half krankzinnig; de felste smart sprak uit zijn ontstelde trekken.
"Mama! mama!" riep het meisje op hartverscheurenden toon, "Army is ziek, hij weet niet meer wat hij zegt."
De bleeke vrouw stond op van haar stoel, naderde haren zoon en greep zijne hand; zij wilde spreken, maar hare lippen bewogen zich zonder geluid voort te brengen; hare oogen zagen hem zoo smartelijk biddend aan, alsof zij zeggen wilden: heb medelijden met mij, heb ik nog niet genoeg geleden in mijn leven? Hij zag ze niet, die smeekende blikken; ongeduldig poogde hij zijn hand uit de hare los te maken: "het is genoeg, mama! Ik denk niet aan sterven; ik zal leven--voor u. Hier is overigens een brief van den overste voor de baronesse van Derenberg," voegde hij er bij, een brief uit zijn borstzak halende en die op de tafel werpende, "misschien eene verklaring, waarom het zoo het beste is, en zoo al meer."
Hij streek met beide handen door zijn donker haar, en ging naar het venster; toen verliet hij haastig het vertrek.
Een oogenblik heerschte er stilte binnen. Het fijne papier van den geopenden brief knarste in de handen der oude barones.
"Zie hier, Cornelie!" riep zij, "daar staat het; wat heb ik u zoo even gezegd?" "Een andere grond voor het verzoek mijner dochter aan uwen kleinzoon," las zij, "om haar de vrijheid terug te geven, is deze, dat de Derenbergsche betrekkingen haar niet bevallen; het _waarom?_ zult gij mij wel besparen; waarom zullen wij elkander hatelijkheden zeggen, nu wij op het punt staan onze betrekking voor het vervolg geheel af te breken--" "Ziet gij," viel zij zich zelve toornig in de rede, "dat is het gevolg uwer, het gevolg van Nelly's onhandigheid in den omgang met het verwende meisje. Daar hebt gij nu de resultaten. Army heeft aan u, aan u alleen, het verlies van al zijne vooruitzichten te danken! O, het is vreeselijk, aan zoovele domme denkbeelden, zulke bekrompen gevoelens geketend te zijn--het ongeluk mijns levens!"
De oude dame balde hare handen en zag met de diepste minachting op moeder en dochter neer.
"Mij moogt gij beleedigen, grootmama!"--Nelly ging voor hare moeder staan, als om haar te beschermen--"maar laat mama er buiten! Vergeef mij dat ik het waag, zóó tot u te spreken! Maar ik kan niet anders. Mama was altijd vriendelijk jegens Blanka, vriendelijker dan gij het geweest zijt. _Ik_ heb Blanka trouwens nooit liefgehad, omdat ik gevoelde, dat zij zich alleen met Army verloofde, omdat tante het wenschte. En nu zeg ik: Army mag God op zijne knieën danken, dat alles zoo gegaan is. En daarom bid ik u, grootmama, krenk mama niet door onverdiende verwijten om der wille van dat valsche, gevoellooze schepsel, dat zelfs onzen vader nog in het graf belastert, en hem tot een zelfmoordenaar--Almachtige God!" viel zij zichzelve in de rede, en was reeds naast hare bewustelooze moeder op den vloer geknield, om te trachten de onmachtige op te heffen.
"O, cielo, cielo!" mompelde de oude dame, "welk een leven, welk een afgrijselijk leven!"--
Middernacht had reeds lang geslagen en nog altijd zat Nelly bij het bed harer koortsige moeder. Zij was de eenige die hare zinnen bij elkander gehouden had bij den treurigen omkeer der zaken. Zij had de afgematte, bewustelooze moeder te bed gebracht, en zooveel mogelijk alle toebereidselen weggenomen, die men gemaakt had om den vorigen avond de bruid van den eenigen zoon te ontvangen. Zij was zacht door de gang geslopen en had aan de deur van Army's kamer geluisterd; de stappen van den rusteloos heen en weer gaande hadden haar geruststellend in de ooren geklonken. En nu zat zij weder te luisteren naar de ademhaling der koortsachtige moeder, en drukte nu en dan een zachten kus op die magere handen, die zij zoo vast op de snel ademende borst gedrukt hield. De grauwe schemering van den aanbrekenden dag werd door de gordijnen zichtbaar en kleurde zich langzamerhand met een mat rooskleurig licht.
Nelly trad aan het venster; daar beneden lag het park; de bladeren der boomen lagen nat en zwaar op den met rijp bedekten grond; de roode toppen der sorbeboomen kwamen helder uit het herfstachtig gele loof te voorschijn, en over het woud zweefde een fijne, witte nevel, die in de toppen der hooge boomen van het park hing als een lichten, doorschijnenden sluier, door de opgaande zon zacht gekleurd. Moede van het nachtwaken, leunde Nelly met het hoofd tegen de ruiten en sloot de oogen--toen zij op eens het geluid van een verschuivenden stoel achter zich hoorde.
"Mama," riep zij, toen zij hare moeder met koortsachtige haast het eene kleedingstuk na het andere zag aantrekken.
"Ik heb zoo lang geslapen, Nelly, en heb niet eens Army getroost; het is reeds morgen--neen, laat mij, ik moet naar hem toe; hij mag het geloof aan de menschheid niet geheel verliezen; daar is hij nog veel te jong voor. Houd mij niet terug, Nelly; hij zal niet slapen; men slaapt niet gemakkelijk na zulk een leed."
Zij gunde het jonge meisje ter nauwernood den tijd, dat zij haar een doek omsloeg en ijlde weg. Nelly waagde het niet, haar te volgen; zij sloop naar de zijdeur en luisterde; daar weerklonk plotseling een gil. Haastig vloog zij de gang door. De deur van haars broeders kamer stond open; daar binnen stond hare moeder, zich bevende aan de tafel vasthoudende.
In een oogwenk overzag zij het vertrek--dáár het oude ledikant, de kussens omgewoeld, op de tafel een half geledigde flesch wijn, benevens een glas; boven de sofa het ledige behangsel; het groote portret, dat daar gehangen had, stond met de voorzijde tegen den muur; daar lagen zijne epauletten naast den degen op een stoel--maar Army--waar was Army?
"Hij is weg!" stamelden de bleeke lippen der bevende vrouw; "hij is weg, Nelly--als hij--als hij evenals zijn vader--?"
"Wat dan, mama? wat dan, om Gods wil?"
"Wanneer hij, Nelly, wanneer hij--o, ik--mijn God!" sprak zij buiten zich zelve.
"Vlieg, Nelly, zoek hem!" smeekte zij haastig, "ik kan het niet; zeg hem, dat hij bij mij moet blijven! Eenmaal heb ik het verschrikkelijke beleefd--eenmaal, dat is genoeg; een tweede maal zou ik het niet overkomen."
"Mama," vroeg Nelly in doodsangst, "wat bedoelt gij?"
"Gauw, gauw! ga toch, vlieg! Hij mag niet sterven; hij moet leven. Ga, anders brengen zij mij hem hier ook zoo bleek en bloedend--" zij huiverde en wees naar de deur. Het beangste kind had hare moeder begrepen, en als met gieren-klauwen greep de vrees haar hart aan; zij ijlde weg--waar, waar zou zij het eerste zoeken? Onwillekeurig liep zij de trappen af, de toren deur stond aan; haastig vloog zij over het voorplein, de stenen beren langs, de linden-allée op. De wanhopende gebaren harer moeder, de verschrikkelijke toespeling op haar vader, dit alles wekte bij haar een akelig vermoeden op. Zij drukte de handen op hare borst en stond stil. Waar zou Army zijn?
"Army," riep zij, maar het was als bleef het geluid in haar keel steken. "Army!"--alles was doodstil rondom haar.
Vochtig en nat lagen de verwelkte bladeren aan hare voeten; een paar kleine vogels fladderden in de takken en keken met nieuwsgierige oogen naar het beangste, jonge menschenkind daarbeneden; "Army!" stootte zij nog eenmaal met alle kracht uit, en daarop een lang aangehouden galm--als een gejubel klonk het; zóó hadden zij elkander als kinderen altijd geroepen; dat _moest_ hij hooren.
Geen antwoord werd echter vernomen; slechts een gefluister ging door de oude lindeboomen, als schudden zij ontkennend de hoofden, om te zeggen: hij is hier niet. Aan den dijk misschien, aan den dijk--dacht zij, en toen zij zich nu door het dichte geboomte voortspoedde, greep haar een nooit gevoelde huivering aan in deze stilte, deze eenzaamheid. Hoe, als zij hem vond? Als hij niet meer hooren kon, dat zij hem riep? Als hij bleek en bloedend--? Haar hart kromp ineen, maar toch schreed zij voorwaarts.
Daar lag het kleine donkere water zoo kalm, alsof er storm noch onweer in de wereld was; waterplanten en verwelkte bladeren dreven onbeweeglijk op de gladde oppervlakte, en de steenen bank aan den oever was ledig. Haastig ging zij verder; de omlaag hangende takken sloegen haar in het gezicht en schudden de dauw in hare blonde haren. De rand van haar kleed sleepte zwaar en vochtig achter haar aan; verder, altijd verder! Angstig zag zij rechts en links, en van tijd tot tijd klonk de naam haars broeders door de morgenlucht. Luister--schreden--! Gejaagd vloog zij verder; daar was het traliehek, de ééne deur was geopend; reeds was zij er doorgegaan--het was een arbeider, die, zijne muts afnemende, haar voorbij ging, de onverwachte verschijning verwonderd aanstarende; toen bleef hij staan; zij had een beweging gemaakt, alsof zij iets wilde zeggen; maar daar zij zweeg, vroeg de man:
"Zoekt gij iets, genadige freule?"
"Och neen, neen, ik wilde met mijn broeder eene morgenwandeling doen--hebt gij hem misschien gezien?"
"Den luitenant, meent gij? Ja, dien ben ik tegengekomen, een eindje achter den lompenmolen."
"Ik dank u!" snikte zij en sloeg den weg naar den molen in; haastig schreed zij voorwaarts. Daar zag zij het woonhuis reeds; daar lag de brug--voorbij, voorbij! Daar in huis sliepen allen nog. Verder maar! Dáár--almachtige God--daar viel een schot; het klonk haar zoo duidelijk, zoo vreeselijk in de ooren; zij sloeg, onwillekeurig een steun zoekende, den arm om den dichtst bijstaanden boom; toen zonk zij ter aarde. Zij zag niet meer, hoe een oude vrouw, zoo schielijk als hare beenen haar dragen konden, over den molenbrug kwam aanloopen; hoe een goed, vriendelijk gezicht, met een witte muts op, zich angstig over haar heenboog; zij hoorde den hulpkreet niet die over de bevende lippen kwam:
"O, hemel! Nelly, onze Nelly! wat is er nu weder gebeurd?"
Elfde Hoofdstuk.
In de woonkamer van het slot waren de donkere gordijnen toegeschoven, en dáár, waar vroeger de groote, ouderwetsche sofa geplaatst was, stond nu het ziekbed van Nelly's moeder; zij was zeer ziek geworden op dien ongelukkigen morgen, toen zij haar zoon zocht en niet vond; het zwakke leven worstelde met den somberen engel, wiens onheilspellende nabijheid men in het vertrek scheen te bespeuren. Als in een cirkel draaide hare verbeelding om dien dag, waarop zij bij het bloedige, verstijfde lichaam haars echtgenoots gestaan had; nu eens was _hij_ het, dien zij aanzag, dan weder was het den zoon, en op hartverscheurenden toon bad zij hem, toch niet te sterven, haar ook niet te verlaten; zij kon zonder hem immers niet leven. Het was thans stil in het ruime vertrek; een slanke meisjesgestalte, die telkens angstig luisterde naar de verwarde woorden der kranke, zweefde met bijna onhoorbare schreden over het oude tapijt, legde met zachte hand de kussens terecht en boog zich onderzoekend over de zieke heen, om naar haar zachte ademhaling te luisteren, als zij ingeslapen scheen. Ja--lompenmolenaars Liesje deed voor de tweede maal dienst als samaritane op het slot Derenberg, en het was nu al de tiende dag, dien zij er doorbracht! Het waren lange, bange dagen en nog bangere nachten geweest; heden was de koorts iets afgenomen, zooals de dokter zei, en de uitgeputte zieke sluimerde nu.
Liesje nam een boek van de tafel en ging aan het venster zitten, dat een weinig licht doorliet; zij leunde met het hoofd tegen haar stoel en sloot de oogen. Hoe vreemd was het toch, dat zij nu weer hier boven in het slot zat, dat zij gedacht had nooit weer te zullen betreden! Tante had haar op een morgen met groot geraas gewekt, en in de huiskamer vond zij Nelly, die doornat van den dauw, bewusteloos op de sofa lag! Hoe was zij geschrikt! Uren waren verstreken, vóór men het arme kind weder tot bewustzijn gebracht had; maar vóór het zoover was gekomen, was de deur der huiskamer in de ouderlijke woning open gedaan en had _hij_ op den drempel gestaan. Zij had een gil gegeven van ontsteltenis en schrik; ja van schrik, want hij, die daar binnentrad met dien diep smartelijken trek om den mond, de oogen zoo wezenloos op haar gericht--dat was de vroegere Army niet meer, de vroolijke levenslustige Army, met de trotsche schoone trekken.
"Is mijne zuster hier niet?" had hij gevraagd, en toen zijn blik op haar viel, zooals zij daar bleek en bewusteloos nederlag, had zijn gelaat een uitdrukking gekregen van het diepste medelijden.
Wat er verder gebeurde? Tante Marie en hij hadden samen gefluisterd; Liesje had echter alleen de woorden verstaan: dat zijne moeder zeer ziek was en hulp noodig had; Sanna was zoo onhandig en grootmama klaagde over migraine; en nu Nelly ook nog, die arme Nelly!
"Ik ga mede," had Liesje verklaard. En toen was zij met hem zwijgend meegegaan. Geen woord had hij toen tot haar gesproken, en geen enkel woord was tot nu toe over zijne lippen gekomen, hoe dikwijls hij ook zacht de ziekenkamer binnentrad en het bedgordijn opendeed, om zijne moeder te zien. En Liesje wist, waarom hij zoo somber en stil was. De blinkende verlovingsring ontbrak aan zijne hand, en de droombeelden der zieke hadden haar de ongelukkige zaak geheel duidelijk doen kennen. O, dat schoone, valsche schepsel! Hoe haatte Liesje die trouwelooze! Wel had Nelly gelijk gehad, toen zij beweerde: "zij heeft hem niet lief." Maar _hij_, och, kon zij hem maar iets vertroostends zeggen!
Zacht werd de deur der ziekenkamer opengedaan, en Nelly trad binnen.
"Wat slaapt zij gerust!" fluisterde zij, een blik op de zieke werpende, en ging op een bankje, aan de voeten harer vriendin zitten. "God zij gedankt! De dokter oordeelt, dat het gevaar voorbij is; ach, Liesje! wat ben ik gelukkig! Ik gevoel mij nu ook weder sterk, en gij zult nu van nacht slapen, gij goedhartig schepsel!"
"Neen, dat zult _gij_ doen, Nelly. Geen tegenspraak!" antwoordde Liesje beslist; "de dokter wil er volstrekt niet van hooren, dat gij waken zult. Gij slaat een doek om en gaat wat in de frissche lucht; uw broeder zal u zeker gaarne vergezellen."
Nelly schudde treurig het hoofdje. "O ja, hij zal wel meegaan--maar Liesje, gij weet niet hoe akelig het is, zoo alléén met hem te zijn! Hij loopt somber naast mij, en dan begint hij plotseling als in vertwijfeling vroolijk te fluiten. Bij u ben ik het liefste. Wanneer gij en uwe tante er niet waart, en uwe goede moeder niet zoo voor ons gezorgd had, had het hier boven er slecht uitgezien."
"Maar, Nelly!" fluisterde blozend het jonge meisje en lei haar hand op den mond harer vriendin---
Terwijl de jonge meisjes zulke woorden in de ziekenkamer wisselden, zat de oude barones peinzend boven in hare kamer. "Eenmaal moet het toch zijn," sprak zij ten laatste halfluid, "ik moet met hem spreken, wat er nu dan toch gedaan moet worden." Zij stond op en belde. "Ik verzoek mijn kleinzoon hier te komen," beval zij Sanna kortaf en onvriendelijk, en ging weder zitten.
Door de roode gordijnen drong slechts een flauw licht naar binnen, want buiten was de lucht betrokken en een scherpe herfstwind begon met kracht de bladeren van de boomen te schudden; in den haard flikkerde een houtvuur en verlichtte de roode kussens en gordijnen; door dien weerschijn was het, alsof de verschoten kleuren weder haar ouden gloed hadden verkregen; somber staarde de barones in de spelende vlammen.
"Binnen!" riep zij, toen een haastig tikken op de deur gehoord werd.
"Ik wilde u juist om een kort onderhoud verzoeken, grootmama," begon Army, binnentredende met eene buiging en achter den stoel staan blijvende, die de oude hem met de hand aanwees. "Mama wordt beter; ik moet vertrekken."
"Zoudt gij in dienst kunnen blijven?" vroeg de oude barones onverschillig.
Hij zag somber voor zich.--"Ik weet het niet," sprak hij toen, "voorloopig hangt dit van de stemming mijner schuldeischers af. Trouwens, zoodra het bericht van mijn verbroken engagement wereldkundig is, zullen zij wel als een troep jachthonden op mij afkomen; de zaak komt bij het regiment; de overste zal mij vragen: 'betalen of niet?' Dan komt het slot. Het noodlot zal _mij_ achterhalen, evenals vóór mij reeds zoo menig ander."
De oude dame had even kalm naar hem geluisterd, alsof hij over een vroolijke partij sprak.
"Hellwig moet raad schaffen," sprak zij op beslisten toon.
"Hellwig? Ja, als hij geld kon maken! Hij heeft nog onlangs de onmogelijkheid erkend, mij tweehonderd daalder te bezorgen; eene som, die ik den wagenmaker op een bepaalden tijd moest betalen. De man wilde geduld hebben, tot ik--nu, tot ultimo October," eindigde hij kortaf. "O, zij wilden allen wel wachten; het had geen haast--beware! Ik was immers de neef van tante Stontheim en op het punt, hare nicht te huwen--"
"Hoeveel bedragen uw gezamenlijke schulden?" vroeg zijne grootmoeder.
Hij maakte een afwijzende beweging met de hand. "Wat kan dat schelen? Ze kunnen toch niet betaald worden!"
Een lange stilte ontstond. Army beschouwde schijnbaar zeer aandachtig een Italiaansch landschap in een vergulde lijst. Buiten was de wind hevig opgestoken; hij huilde in den schoorsteen, en joeg de vonken over het oude tapijt tot op het zwarte, wollen kleed der oude dame.