Liedekens Van Bontekoe En Vijf Novellen Blaauw Bes Blauw Bes T
Chapter 9
Doorne ware een onmensch geweest, als hij het niet had beloofd;--hij deed meer, hij hield woord. Zoodra het jongske was teruggekeerd--met geld;--zoodra de angst voor dadelijk gebrek, tot welken prijs dan ook--geweken was, zoodra hij zich de vereischte kleinigheden had aangeschaft, om als sollicitant uit te kunnen gaan--de kleederen maken ook van den smeekende den man--trok hij de stoute schoenen aan. Hij beriep zich op zijn ongeluk,--hij sprak van de familie zijner vrouw, de familie, waarop hij gesmaald had, die schoon geen rijke, echter fatsoenlijke, eerlijke brave luî waren geweest,--en hij slaagde. Eer eene halve maand verstreken was, zag hij zich weder geplaatst, en wel beter dan te voren, bij den echtgenoot eener vroegere, jongere vriendin van Kaatje. Als deze haar bij wijlen des zondags uit de kerk een bezoek brengt,--de vriendschapsbetrekking is door de heusche rijker gehuwde weder aangeknoopt,--als Kaatje te harent komt, het geloste bijbeltje in de hand, en Amalia dan het slot beziet, waarop zij weleer aan de knie van Kaatje staande _Mozes_ en _Aäron_ leerde kennen, en haar verzekert, hoe haar dat alles nog heugt, dan denkt de vrouw van Doorne, en wel mag zij:
"Als gij eens wist, wat er sedert met dat boek gebeurd is, en hoe veel ik er aan ben verpligt!"
Gelukkig loopt het geen gevaar, andermaal in den Lombard te komen. De betere mensch, de mensch, die hoopt, die verwacht, die uitzigt heeft, en, daardoor geprikkeld, werkt, streeft en zich beijvert, is in Doorne weder ontwaakt.--
Wat Brammetje in zijn volgend leven vergete, nooit doet hij het de jufvrouw met mooije linten op de muts, die binnen chocolade zat te drinken, en hem geene zeventig gulden op het bijbeltje van zijne moeder wou geven:--"maar vijftig, het is zoo dun!--"
Wie is er die eischt, dat ik nog dieper afdale, dan ik het in het schetsen van Doorne deed, eer de val van het huis, waaraan hij zijn lot verbonden waande, het middel tot zijn oprigting werd? Een verwaarloosd huishouden,--een schot kinderen--als de term is--voor wier verstandelijke vorming even weinig zorg wordt gedragen als voor hunne zedelijke;--eene ellende, die overgaat van geslacht op geslacht? Men zou mij beschuldigen van overdrijving, van zware toetsen naar willekeur aangebragt. Ik zal er mij voor hoeden, hoe dikwijls dat alles ook het lot is der ongelukkigen, van welke ik vermogende lieden, die aanspraak maakten op humaniteit, en wie het in andere opzichten niet ontbrak aan menschenkennis heb hooren beweren: "Zulke luî zijn er aan gewend, zich te behelpen,--zij weten niet anders of het hoort zoo." Jammer voor deze wijsgeeren, dat zij van tijd tot tijd uit hunnen zoeten waan worden wakker geschrikt door het nieuws, dat een kantoorbediende zich aan het goed zijns meesters heeft vergrepen, dat een kashouder op de vlugt is gegaan, dat de verzoeking dezen of genen klerk te zwaar is geweest. Dagelijks zagen zij weelde, en dagelijks leden zij ellende; geene heuschheid beurde hen op, geen uitzigt bevredigde hen--en zij vielen! --Veroordeel,--de maatschappij eischt het, de wet geeft er u het regt toe,--maar beklaag tevens. Gelukkig zoo gij u zelven bevredigend kunt antwoorden, als ge u gemoedelijk afvraagt: "Schoot ik niet te kort in belangstelling in het lot van dien huisvader?--heb ik door het vertrouwen dat ik in dien _arme_ schonk, hem niet op te zware proef gesteld, zijne omstandigheden in aanmerking genomen?"
Wie het er op waagde, dat hij in zijn heer en meester zulk een witte raaf schieten zoude, Hammink wachtte zich wel voor een onberaden huwelijk, Hammink, de vertegenwoordiger van een talrijke soort kantoorbedienden, oud vrijër per systema, en egoïst bij gevolg. Maar de mensch moge eene bijdrage tot de natuurlijke historie leveren, zelfs een klerkenslag laat zich niet generaliseeren als eene vogelensoort b.v., laat zich niet afschepen met enkele trekken, zoo als: zulk een kop, zulke veêren, zulke pooten en zulk eene vlugt. Hammink behoorde, om dadelijk een bewijs te leveren, in hoe vele _species_ ook dit _genus_ moet worden verdeeld, Hammink behoorde even weinig tot de overgroote klasse van hen, die in hunne vrijheid--vergeef mij het woord, het feit verdient geen beter--verliederlijken, als tot de zeer kleintallige, welke in hun eentje vergierigaarden--ik vind de uitdrukking eer juist dan mooi. Ook was hij geen _sentimental bachelor_, in onze tijden meer in de wereld der verdichting, dan in die der wezenlijkheid aan de orde van den dag, maar waarvan toch enkele voorbeelden zijn op te duiken. Ge hadt jaren lang groot gevaar geloopen, hem evenzeer voor den gelukkigste, als voor den welgedaanste van den gilde te houden. Hij was rond als eene ton, want hij hield veel van een goed maal en een gullen dronk. Alle _table-d'hôte_-houders wisten, dat hij geene lijst voor een' maaltijd, ter viering van wat het zijn mogt, ongeteekend terugzond. Hij wilde voor eene geboorte, voor een' veldslag, voor een vijfentwintigjarigje; hij woû voor alles meê eten, al had hij geen plan ooit te trouwen--geen plan, voor zijn vaderland ooit eene vin te verroeren,--geen plan voor eenige maatschappij ooit een' driegulden af te schuiven. Ge stemt mij toe, dat de man in geen' gelukkiger leeftijd dan in den uwen en den mijnen kon zijn geboren; wat het aantal _diners_ betreft, meen ik. Behoef ik er bij te voegen, dat hij _habitué_ van elk koffijhuis was, en nergens minder te huis dan op zijne kamer? Het was er dan ook eene kamer naar. Doch wat maakte het uit? Vrienden zag hij niet, om de doodeenvoudige reden, dat "een jonge heer zich met al dat gesnor niet kan ophouden." En bovendien, man! hij was het zoo veel beter gewend, dan zijne meeste gehuwde kennissen opdischten. Welk een poespas! Dan at hij anders in de ---- en bij ---- en aan ----; allemaal middelmatige logementen, op mijn woord!
Laat mij voorzigtig zijn--ik ga den man in een scheef licht voorstellen; hij was niet ontbloot van gevoel; hij had eene plaats in den bak van den (toenmaligen) Stads-schouwburg te Amsterdam.
Vijf en twintig jaren lang was hij er elken Zaterdagavond, zóó trouw met den klokslag, als de _souffleur_ in zijn hok; vijf en twintig jaren, in de eerste tien van welke het parterre-publiek, geregeld ééns in de week,--en wel op zijn' avond--in tranen zwom, bij de vertooning van een treurspel. Al zijne meêwarigheid, al het vrouwelijke in zijn gemoed, al de verteedering, waarvoor hij vatbaar was, plagt zich dáár des winters lucht te geven; het was eene soort van veiligheidspijp voor aandoeningen, welke hem anders duurder zouden zijn te staan gekomen, Dries, Jans of Trui--(de heer Snoek en mevrouwen Wattier-Ziesenis en Grevelink)--ontlokten hem tranen: waarachtig, iets dat naar tranen zweemde;--hij had er de gansche week geen' last meer van. Vooral wanneer hij in de pauze een stevig glas punch had gedronken bij Casje, en daarna een ballet gezien, dan waren alle sporen van verweekeling weer glad uitgewischt.
_Probatum est!_
Als een arme drommel van een' confrater, met een zwaar huishouden belast, hem in de volgende week tien gulden ter leen vroeg, dan antwoordde hij: "Jongen, je weet, dat ik het nooit doe;" en herinnerde zich te gelijk, hoe het hem, eergisteravond, bij het tooneel tusschen Ninus en Semiramis, op nieuw gebleken was, dat zijn hart wel op de regte plaats zat. Zoo iemand, hij trok partij van zijne liefhebberij voor de kunst!--Als hij in den zomer, op zijn gewoon zondagstogtje naar Haarlem, eens bij toeval van Piepenbrink was afgedwaald,--hij zag er het bekende _uitstapje_ zoo gaarne _in natura_--en hem eene arme vrouw in de Spanjaardslaan verraste, dan zou hij misschien in den zak hebben gegrepen, als hij er niet juist aan gedacht had, hoe Phedra wenschte in de lommer van het bosch te zitten, om een' wagen na te oogen, in wolken stofs gehuld! "Loop naar den drommel!" riep hij der vrouw toe, zij stoorde zijne illusie.--Eén bewijs nog, en gij schenkt mij de overigen. Wanneer zijn patroon hem eens wat hard viel--het moest erg zijn eer hij het voelde,--dan troostte hij er zich mede, hoe diep de man, trots al zijne schatten, toch nog beneden Augustus stond; Augustus die tot Cinna zeide:--wie weet niet wat?--Verwondert het u nog, dat het klassieke treurspel op zoo vele ongeroepen aansprekers bogen mogt?
Ik heb de éénige poëtische zijde van zijn karakter in het licht gesteld, men vergunne mij te zeggen, de éénige plek aangewezen, waarop eenige soort van poëzij vat op hem had--behalve het epicurisch genot der tafel. Ge begrijpt wat hij leed, toen het treurspel uit de mode raakte. Houd het er echter voor, dat hij het zou zijn overgekomen, als hij niet, langzamerhand, een dagje ouder geworden, eene kwaal had gekregen, die hem van tijd tot tijd hulp, toespraak, gezelschap, onontbeerlijk maakte. _O obstructies! o hemorrhoïdes!_ Hammink--het motief was het vreemdste, het ongehoordste niet--Hammink dacht inderdaad aan een huwelijk, hij zat zoo alleen--hij was zoo vlug niet meer--ter been altoos.--Vrienden? hij had er geene.--Kennissen? die komen naar geen' grommert omzien.--Een huwelijk dus. Maar wie zoude hij vragen? wie kende hij?
Deze--die--dat--vul al de fraaije benamingen, waarmede een oud vrijer vrouwen en meisjes bestempelt, zelf in,--neen, het ging niet. De dagen om er eene speculatie van te maken waren voorbij. Voorbij? had hij er dan ooit plan op gehad? Kwade tongen relden wel, dat hij in zijne jeugd--vroeg--heel vroeg--naar een weêuw had gevrijd, die rijk, zeer rijk was,--maar dat hij er met een blaauwe scheen af was gekomen. Hoe konden de menschen het zeggen? O logen! Had hij dan niet op hare bruiloft gedanst, ik meen, gegeten, voor zes? En dan te verspreiden, dat hij verliefd was geweest,--verliefd--de kwaal, waarvan men bleek ziet, al is men zwart als Orosman;--verliefd--dat ding waarvan de helden den mond vol hadden, tot Titus, den zoon van Brutus toe, maar waarvan hij, ondanks al hunne tirades, nooit het verhevene had begrepen. Het was laster; schandelijke, zwarte laster. Doch, dat mogt zijn zoo het wilde, hij had nu behoefte aan oppassing. Hoe dit den kring beperkte, waaruit hij kiezen kon! Van eischer was hij er waarlijk toe gebragt te overleggen, welk voordeel een huwelijk met hem, zelfs een burger-, zelfs een minder meisje aanbood. Een meisje?--ja!--want wat hij over 't hoofd mogt zien, op twee voorwaarden moest hij aandringen, slechts om deze huwde hij: zij moest jong, zij moest vlug wezen. Het was ligter die beide vereischten te vinden dan den steen der wijzen; maar hij had toch in geen zijner treurspelen ooit iets gezien, ooit iets gehoord, dat naar een' echt zweemde, als dien, welken hij zat te beramen. Het was iets ongehoords in de zoogenaamde klassiek, en ook de romantiek leverde er maar weinig voorbeelden van op. Zelfs de historie van "het Spaansche Heidinnetje" maakte beter figuur dan de zijne zou doen.
Goden en menschen!--hij trouwde de meid van zijne commensales.
Arme stakker! Op zijn vijfenvijftigste jaar heeft hij het pleizier aan het wiegetouw te trekken,--en bitter weinig oppassing op den koop toe;--zelfs de meid vindt niet dat zij fortuin heeft gemaakt met een' kantoorbediende.
Het valt moeijelijk ernstig te blijven bij eene figuur, bespottelijk als deze;--en echter was het mijn doel niet, uwen lachlust op te wekken; echter zijn Hammink's gelijken beklagenswaardiger dan gij gelooft. Van alle gewaagde echtverbintenissen schijnt mij die van ongelijke standen--een jammer, waartoe meer klerken vervallen dan onze tooneelkijker--de meeste kwade kansen te opleveren. Het strijdige der begrippen van beide echtgenooten over allerlei menschen en allerlei dingen kweekt een eindeloos verschil van meening. Wat vertrouwelijks, wat innigs is denkbaar, waar sympathie in wijze van zien faalt? Stel u een paar voor, bij hetwelk zoo min verstand als gevoel ongeveer in dezelfde mate zijn ontwikkeld en beschaafd, en zeg mij, of de band niet los zal springen, zoodra verzadiging op genot volgt? Hebt ge ooit huiselijk heil benijd of bewonderd, waar de echtgenoot in eene geheel andere wereld van gedachten en gevoelens leefde, dan de gade, of omgekeerd? Het is veel, als het bij louter koelheid, louter vervreemding blijft; als de ongelijkheid geene walging, geen' weêrzin opwekt. Verscheidenheid moge tot éénheid voeren, van elkander afkeerige elementen kampen tot het sterkste overwint. Enkele malen, het is waar, trekt de man zijne vrouw tot zich op, of haalt de vrouw haren man tot zich neêr; maar gewoonte, die ons van kindsbeen af bootseerde, is eene onhandige herschepster; zij doet het volwassenen slechts pijnlijk, stuksgewijze, en niet zonder herhaalde wederinstorting. Liefde is almagtig;--doch is de liefde van een' klerk voor eene meid, is dat de hartstogt, die, veredeld, het onmogelijke mogelijk maakt? Helaas, neen, hoe weinig is zij in harmonie met zijne jeugd, zijne opvoeding, zijne herinneringen,--hoe wreken deze zich, als hij zijn kroost aanziet! Kinderen uit zulk eenen echt zijn geene strikken, welke het paar naauwer aan een sluiten, het zijn struikelblokken, die den dagelijkschen omgang verzwaren. Hoe verscheiden is het oordeel van zulke ouders over hunne vorming niet? Wie schetst de ergernis eens vaders, die in zijne dochters dezelfde onbehouwen stukken vleesch ziet opgroeijen, als waaraan hij zich verslingerde; wie het leed eener moeder, die zoo gaarne uit hare jongens iets aêrs zag opwassen, dan het evenbeeld des timmermans, wien zij in een zwak oogenblik hare hand gaf? Ziedaar de wroeging naar het ligchamelijke; dat het naar den geest beter ginge! Maar hetzij de man of de vrouw ophebbe met een weinig meer beschaving, met ietwat opener zin voor het welvoegelijke, het bevallige, het edelaardige, het verhevene --het zijn allen zusters van het schoone--hoe dikwijls grieft het hem of haar, bij melieve, of bij mijnlief, in plaats van eene ijverige hulpe in de ontwikkeling, onverschilligheid of wederstand aan te treffen! Men begrijpt elkander niet,--men voelt verschillend,--men doet zeer zonder het op te merken,--men kwetst eer men het weet,--men ergert elkander,--men kwijnt weg,--men geeft het op;--arme kinderen, wat wordt er van u?
Vernedering in de jeugd, als bij Rivers; verloochening in de jongelingsjaren, als bij Vreese; afhankelijkheid in den middelbaren leeftijd, als bij Gerrit en Aagje; verval naar ligchaam en geest in den vóórherfst, als bij Doorne; vervreemding van den kring waarin men geboren, voor wien men gevormd werd, als bij de beteren uit de klasse van Hammink,--of de avond van het leven van een' kantoorbediende, de ellende van ochtend en middag opwoog! Vlei er u niet mede, tenzij de klerk reeds vroeger getracht hebbe boekhouder te worden,--bij een' komenijsman, bij een' winkelier, bij een tweedehands huis, bij wie hem nemen wil, in één woord,--de wijssten doen dit het vroegst. Het geeft aanleiding, met meer menschen in betrekking te komen; het bewaart voor den vloek, van een' enkele af te hangen. Ik ken er, die zes, zeven pezen van die soort op hunnen boog hebben, en er hun wit meê beschoten: eenige huisjes, een effect of wat, en kroost, des noods in minderen, maar toch degelijken stand geplaatst. Zóó behoort het--genadebrood is altijd hard, maar hardst uit de handen van jongeren van dagen. Waan daarom niet, dat allen zóó gelukkig zijn. Al ziet gij zeldzaam een man, die al grootvader is--en toch nog kantoorbediende--des middags naar de beurs strompelen, om dezen of genen jongen mensch in een' anderen hoek dan dien van het huis op te sporen, en hem te verzoeken, eens bij den patroon te komen, --daar zijn er, voor wie de schaduwen zich verlengen, zonder dat zij hun ruste aankondigen. Daar zij er, die 's ochtends naar het kantoor sukkelen, traag van voet en stijf van leden,--die binnenkomen, met het hoedje in de hand, schoon kaal of grijs van schedel,--die den rok aan den kapstok hangen, schoon de hand hem naauwelijks meer beuren kan,--die de pen versnijden met bevende vingers. Aan uwe taak, oude stumper, of gij en uw besje hebt gebrek! O, hooggeroemde vrijheid onzer instellingen! wat wist de oude vassal van zulke ellende? Plagt hij niet voor de deur zijner hut, in de lommer der eiken gezeten, rustig toe te zien, hoe zijne kinderen en kleinkinderen feest vierden op het groene gras; had hij geene bete broods en geen glas melk over voor den moeden pelgrim, dien zijne oogen in het verschiet niet meer konden onderscheiden, maar die den grijze met een: "de heilige maagd zegene u!" genaderd, door dezen "welkom!" werd geheeten, onbekommerd welkom? Het is waar, als de trompet werd gestoken, als het strijdros op het vóórplein van den burg trappelde, als de ridder, de heer, zich het harnas om de leden gespte, dan moest zijn zoon, zijn kleinzoon, den ploeg den ploeg laten, om de morgenster of den strijdakst op te nemen, om te velde te trekken voor, neen! met zijnen meester; want voor wat anders vochten deze, dan voor het stuk gronds, dat hunnen oogst droeg, dan voor de kleine woning, wier dak de grijsheid en de jeugd, het verledene en de toekomst, hunne ouders en hunne telgen herbergde? De dagen der grafelijkheid leverden geene wedergade op van het jammer onzer handels-eeuw.
Eene vergelijking uit onzen tijd!
Er gaat in den ganschen lande maar ééne stem op over de bureaucratie, welke ons uitmergelt; doch schoon de jongste wet op de pensioenen werd verworpen, hoe luttel leden der Tweede Kamer loochenden de billijkheid van het beginsel, dat dertig of veertig jaren trouwe dienst aanspraak geven op een onbezorgden ouden dag! Eere den minister, die menschen- kennis genoeg had, den staat noch eerlijke, noch ijverige dienaren te durven beloven, als alle uitzigt op pensioen, den ziekelijken of bedaagden werd ontnomen. Maar wie waarborgt dit den kantoorbediende, den klerk, die meer van zijnen patroon inschikt, dan de ambtenaar van zijnen superieur; den pennelikker, die niet, als de geëmploijeerde, gegronde hoop koesteren mogt op bevordering? Waarlijk, de laatste valt naauwelijks onder de automaten te betrekken; want er was een prikkel, die hem aanvuurde; want, vergelijkender wijze gesproken, had hij veel vrijen tijd; want er blijft voor hem eene rust over, als de Heer zijne dagen rekt. In den toestand, dien wij beschouwen, schemert geenerlei licht den donkeren nacht door, dan de bleeke toorts des medelijdens van een jonger geslacht; bouw daar uwe hoop eens op! Het is hartverscheurend, dat ik er bij moet voegen, dat eene kleinigheid, "te veel om van te sterven, te weinig om van te leven," slechts zelden wordt toegestaan, zeldzamer nog met die genegenheid, waarop de dienst van een gansch leven regt geeft.
Er is iets verschoonlijks in de aarzeling, waarmede men er toe komt, eenen ouden klerk van zijne werkzaamheden op het kantoor te ontslaan, schoon men hem zijne bezoldiging blijft uitbetalen. "Wie weet hoe lang het met den ouden man nog duren zal?" heet het soms, "in de laatste jaren hadden wij toch reeds zoo weinig dienst van hem." En echter, och, dat ge liever bedacht, dat zijne beenen verstramd zijn, door het opklimmen van uwe trappen,--dat zijne oogen verglaasd zijn, bij het licht van uwe lamp,--dat zijn hoofd suf is geworden, door het optellen van uw vermogen--uw vermogen!--Hij heeft stellig dat uws vaders, misschien dat van uwen grootvader gekend--hij heeft geweten, hoe deze begon--overlegde--groote winsten had. Al die jaren bleef hij de oude knecht; of was uw voorganger milder dan gij, zijne kleine douceurs werden wel vereischt, om zes of zeven kinderen groot te brengen. Hij heeft meer voor u gedaan, dan al die dagen en maanden en jaren der zaken uws vaders te wijden--niet meer dan hij schuldig was, als ge wilt, maar dat u niet minder aan hem verpligt:--hij heeft gezwegen, gezwegen met voorbeeldige trouw, toen eene onderneming van uwen grootvader faalde, toen zijn crediet hem staande hield, terwijl de schaal van zijn vermogen wankelde. Als gij die toen welligt nog in de wieg laagt, of zorgeloos speeldet en stoeidet, getroeteld kind als gij waart, rijke jongeheer als gij heettet, wanneer gij er toen begrip van hadt kunnen hebben, hoe uwe toekomst, hoe de middelen van herstel afhingen van de stilzwijgendheid van dien eenvoudigen, burgerlijken man, dan hadt gij hem gaarne een' onbekommerden ouden dag beloofd, ten prijs zijner geheimhouding. Die oude getrouwe! Als hij voor zich en de zijnen bad, dan bad hij ook voor u, want het huis uws vaders was schier zijne Voorzienigheid, en hij wiens naam gij draagt, wiens vermogen gij erfdet, wien gij uwen rang in de maatschappij verschuldigd zijt, hij had dien eenvoudigen, burgerlijken man lief!
"Waar blijft Loman toch?" vraagt de nog jeugdige patroon, eene plaats aan den lessenaar ledig ziende.
En het antwoord is niet: "Loman is ongesteld," want het is ongeveer eene halve eeuw geleden, dat de man in den leeftijd was, waarin deze of gene uitspatting op kermis of partij met een' dag te huisblijvens wordt geboet,--ook is het hem tusschen de twintig en dertig misschien geene drie malen gebeurd. En het antwoord is nog minder: "Loman heeft verlof gevraagd, om naar buiten te gaan," want noch zijne betrekking, noch zijn salaris, hebben hem ooit vergund boven Utrecht te komen, en sedert hij getrouwd is, heeft hij, even als de aartsvaders naar het paradijs, dikwijls maar vergeefs, naar Haarlem uitgezien; de slatuintjes en de Amstelveensche weg,--ziedaar al de schoone natuur, welke hij in twintig jaren genoot. Sloten of Ouderkerk is zijn _Ultima Thule_ geworden. En het antwoord is allerminst: "Loman viert de bruiloft van een zijner kinders," want dat feest zou de man op zondag hebben geschikt, als er van zijne vier dochters meer dan ééne enkele gehuwd was. Stel u gerust, de overigen winnen zelve den kost, door mutsen opmaken, door kleedjes verstellen, enz, enz.--de middelen waardoor eene oude vrijster er ten minste voor bewaard wordt, van honger om te komen.
Het antwoord is: "Loman heeft de jicht!"
De jicht! Vreeselijke kwaal voor een' geest, die nooit had geleerd in lectuur afleiding te vinden, door nadenken;--die, in het huiselijk tooneel om hem heen, niets opbeurends aanschouwde,--die maar wenschte, dat hij zich op het kantoor weêr van zijn' pligt kwijten kon,--die de ziekte verergerde door het ongeduld.
"Het is lastig," zegt de patroon. De man meent voor hem, aan den zieke denkt hij niet.
Er verloopt eene week, en de chef herhaalt de vraag, en het antwoord is hetzelfde. Jan (de knecht) is in het voorbijgaan bij den oude aangeweest, --de boodschap blijft "_pijnlijk!_"--Voor twintig, voor tien jaren nog, toen de man, zoo al niet meer in zijn' fleur, echter nog vrij kras mogt heeten, zou de patroon zelfs eens hebben gaan zien, hoe hij het maakte, deels uit belangstelling, deels uit belang. Maar nu! de oude zaak, die Loman zou napluizen, moet dan maar weêr een veertien dagen rusten;--de jicht, wat is daartegen te doen? Weleer--ja, toen zond mevrouw eene flesch wijn voor den herstellende, nadat zij een potje gelei had gestuurd, om op de bittere medicijnen toe te nemen,--doch thans, er is voor den ouderdom geen kruid gewassen, het einde is toch de dood.
Duid het menschen van jaren eens ten kwade, dat zij gierig zijn, als ge zoo vaak ziet, wat grijsheid is zonder geld!
Het eindje was bij Loman niet de dood; op een' maandagmorgen, later dan anders, maar toch niet over kwartier over tien, kwam Loman, vermagerd en aêmechtig, zijne plaats achter den lessenaar hernemen, eene schaduw van hetgeen hij nog voor een jaar was geweest. De jicht heette geweken voor het zoele weder, voor het roode flanel, dat de knie nog omzwachtelde, voor--waarom het verzwegen?--voor den ijzeren dwang der behoefte; de man steende bij iedere beweging, en zijne borst "was niet vrij." Als gij er aan getwijfeld hadt, dan had zijn kuch er u van overtuigd.
Het werk ging drie dagen lang zoo als het kon.
Den vierden ontmoette mevrouw hem toevallig bij den trap--hij zou haar voorgaan--ik spaar u het overige.
Den vijfden zei de patroon:
"Je kunt in 't vervolg wel t'huisblijven, Loman, we hebben toch weinig meer an je."