Liedekens Van Bontekoe En Vijf Novellen Blaauw Bes Blauw Bes T
Chapter 7
Onze schilders bezitten een eigenaardig talent voor het huiselijke. Ik heb het hun zelden zoo zeer benijd als in dit oogenblik; want ik moet u een klein vertrek binnen leiden, zoo klein, dat gij het met een' enkelen oogopslag kunt overzien. Gelukkig dat het avond is, dat er een tinnen kapje werd gezet op de kleine lamp die in het midden der kamer op tafel staat--anders gaf ik dadelijk den wedstrijd met hen op. Maar schort het geheel aan mijn gebrek aan talent? Staar eens een oogenblik in die graauwe schemering, buiten den kring des lichts, rond, en ge zult begrijpen, waarom de heeren van het penseel zoo ongaarne hedendaagsche binnenhuizen schilderen, waarom zij bij voorkeur de stoffaadje der zeventiende eeuw kiezen. Of zou het u invallen den weerzin, welken hun dit vertrek zeker inboezemde, toe te schrijven aan de menigte der voorwerpen, welke gij allengs ontdekt? Neen, er is geen enkel onder deze, dat zich opdringt, dat uitsteekt, dat schreeuwt. Er heerscht zelfs meer orde in hunne plaatsing--lof zij der huisvrouw!--dan een schilder verlangen, dulden zoude. Maar de lijnen dier meubelen, maar de vermenging van allerlei stijl, in den vorm dier sieraden; maar het volslagen ontbreken van een' harmonischen indruk des geheels, ziedaar zwarigheden, welke moeijelijker zijn te boven te komen, dan dat de kamer tevens tot huizen en tot slapen dient. Nog eenmaal zij de moeder des gezins geprezen, er komt desondanks in het vertrek niets aan het licht, dat der keurigste kieschheid ergeren kan. Doch orde in de schikking, en zindelijkheid in het gebruik, het zijn wel voorwaarden van schoonheid, maar zij volstaan voor haar wezen niet, dat eischt meer. Ik zou dan ook geen woord reppen van dien vierkanten klomp houts, eene _chiffonnière_ geheeten--zijn beslag is nog glanzig of het pas uit den winkel kwam--als er naast de kleine, heel kleine pendule, op deze geplaatst, niet een paar jannen van kastanjevazen hadden gestaan. Ik zou mij bij gebreke der golvende lijnen van een ouderwetsch spiegelkabinet wel wachten, u een aanregtje, alias _trumeau_, te wijzen, dat ons leelijk schoeisel aan het licht brengt, als zich daarop niet een hooge pijpenstandaard had verheven, wiens krullende koperen slang verwaten neerzag op een paar herders en herderinnetjes van porselein. Ik zou--maar ge schenkt mij de verdere beschrijving, dewijl ik niet als de schilders stoffeeren mag, _à fantasie_, en ik maak dankbaar van uw verlof gebruik, na der vrouw des huizes met een enkel woord te hebben verontschuldigd over de plaatsing dier kastanjevazen, over die liefhebberij in gebakken beeldjes, na u tevens te hebben verduidelijkt, waarom ik er van ophaalde. Beide waren _cadeaux_, het jonge paar bij zijn huwelijk vereerd. De eerste werden hun te huis gezonden door een' Oom, die het hart te hoog droeg om iets nuttigs te geven; en de jeugdige echtgenoote, welke hem ontzag, wist hare dankbaarheid niet beter te bewijzen, dan door een geschenk, waarvan zij wel nooit gebruik zou maken--te pronk te zetten. De tweede zijn haar vereerd door eene oude Nicht, "die eindelijk iets had gevonden, waarbij men haar dagelijks gedenken kon,"--en of men het deed, bij de porseleinen _sta in den weg's!_
Te over willigt, om u eene burgerlijke bovenvoorkamer voor den geest te roepen, nu binnen het schijnsel der lamp gezien. Welk eene groep! Eene moeder met twee kinderen: een jongetje van vijf, een meisje van drie jaren,--het laatste zit stil op haren schoot, terwijl het eerste aan hare knieën zijne avondbede opzegt.
"Amen!" fluistert de moeder haar zoontje na.
Maar hoe lief is die kleine in haar wolkje van wit nachtgoed; hoe koost en streelt ze met hare mollige armpjes de wangen der moeder: zóó iets laat zich niet beschrijven, het is te zeer natuur.
Geloof mij, dat ik het verder zou brengen in het schetsen van het jongske, dat niet afgunstig, maar toch benijdend aan hare knie staat, en--
Dáár legt zij de hand op zijn krullebol.
"Ge zult woord houden, Wim?" vraagt zij.
"Het eene versje kan ik nu al, moederlief!" en waarlijk, daar rolt een dier gedichtjes van zijn lippen, welke van Alphen een' onsterfelijken roem waarborgen--die hem bij de zaligen streelen mag!--
"Braaf, Wim!" zegt de moeder, "morgen het andere," en zij brengt Chrisje naar hare wieg; doch eer zij ter tafel terugkeert, loopt het jongske haar half ontkleed te gemoet.
"Nu nog een zoentje voor vader,--komt hij haast weer?"
Het knaapje vermoedde weinig, hoe zeer het de wensch zijner bekommerde moeder ried--haar man was voor het kantoor zijner patroons reeds eenige weken op reis. Zie, zij zit weder in haren leuningstoel; de weinige toestel, voor het avondmaal der kinderen vereischt, is al weggeborgen. IJverig vat zij de naald op, en echter, het is of het werk niet vlotten wil. "Dat hij weêrom ware!" denkt zij. En ze haalt een klein beursje uit den zak, en zij telt de weinige guldens, welke er nog zijn, over; en zij werpt een' blik op de pendule: al digt bij half negen ure? Wis zou zij nog eenmaal in den almanak kijken, de hoeveelste van de maand het is, als ze niet reeds lang November had te gemoet gezien, als ze er niet zeker van was, dat het eergister al de eerste is geweest. "O, als hij t'huis ware!" dan zou ze reeds toen het vierendeeljarig salaris hebben ontvangen, en echter, hij had haar zoo stellig verzekerd, dat de heeren het zenden zouden.
De heeren!--
Honderde gedachten gingen haar door het hoofd; maar geene enkele, die krenkend was voor haren man--honderde gedachten, in haren toestand, zij zou eerlang weder moeder worden, dubbel pijnlijk. Wat was waarschijnlijker, dan dat het op het kantoor vergeten was het haar te brengen; maar, zou zij dan morgen, overmorgen, in de volgende week--zóó lang zouden hare guldens niet strekken!--er om gaan vragen?--Slechts met looden schoenen zou zij den trap opklimmen. Het wijf van een' daglooner eischt, bij ontstentenis van dezen, zonder omweg, de penningen, die haren man toekomen; maar zij, die juffrouw heet, die----En echter, de kinderen hadden kleine behoeften voor den winter, in welke zij nog vóór hare bevalling voorzien moest, maar niet voorzien kon, als zij geen geld had ... O, indien zij zich dat alles had voorgesteld! indien zij had begrepen, hoe zij toch altoos niets anders zou zijn, dan te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken, indien zij dat geweten had, eer zij trouwde--foei! Zij had haren Gerrit immers nog lief, als toen zij hem nam? En hare kinderen! Zie, al verzwaarde de ongeborene reeds nu hare zorgen, als zij aan het derde zoo veel genoegen zou mogen beleven als aan de beide eersten, dan had zij er dit, dan had zij er alles voor over. Maar--als het Gerrit gegaan ware, zoo als hij zich vleide dat het hem gaan zou, toen zij huwden, zoo hij een aandeel had gekregen, neen, dan zou er nu geene glinstering van angstzweet op die fijne, vermagerde slapen zijn geweest.
Negen ure!
O rijkdom van poëzij die er in het hart eener moeder schuilt! Wat zij haar zoontje ook zou laten worden, zeî zij in zich zelve, geen kantoorbediende! en toen dat afgepraat was, liep ze eene reeks van beroepen door, en hare verbeelding schoot wieken aan, als hij eens een man in _bonis_ wierd, als oom! Ja, die zou in staat zijn, als hij wilde, het jongske voort te helpen: was hij niet een oud vrijer, was Wim niet zijn petekind? Doch, als het hem dan eens goed ging in de wereld, heel goed, zou hij haar dan nog liefhebben als nu, haar, Chrisje, den ongeborene, zou hij dan ook smadelijk neerzien op zijnen vader, den kantoorbediende! God beware hem voor zulk een' rijkdom. Maar neen, Wim stond haar voor den geest. Wim, wiens oogjes--het waren sprekend die van haren Gerrit--de verdenking logenstraften; Wim, die zoo veel van zijn zusje, zooveel van haar hield. Eer zij het wist waren hare handen gevouwen,--zij bad voor haar gezin, zij bad tot voor het ongeboren kind toe.
Het sloeg half tien ure!
Helaas, de vraag: "wie weet waarom het geld uitblijft?" kwam weder bij haar op. Gerrits laatste brief moest uit de plooijen van haar huiskleed te voorschijn gehaald worden. Rijkdom bewaart ter nood minnebrieven, --armoede draagt dien van den echtgenoot op het hart. Wat had zij hem dikwijls gelezen, en telkens met dezelfde belangstelling! Liefde is de ware lezeres. Dáár stond het immers, dat zijne patroons reden hadden over zijne reize tevreden te zijn, dáár stond het: "Wijfjelief, het valt mij hoe langer hoe zuurder van huis te zijn," dat was geluk! Al hadden zij geen geld--de vrouw zegevierde op de huishoudster.
Maar de moeder zag weder naar de klok.
Bij tienen!
Daar werd gescheld.
Het was een jongman van het kantoor, en hij bragt geld; maar met welk eene boodschap! Zij blijke uit den volgenden brief, dien Gerrit's vrouw hem nog denzelfden avond schreef, met tranen in de oogen:
Lieve man!
"Schrik niet, dewijl ge dezen van mij krijgt en wel buiten het kantoor om. De kinderen zijn wèl, en ik, Goddank! ook, alles gaat zooverre goed. Maar straks is Wolf hier geweest, met een' kwade tijding. In plaats van _fl_250, lieten de heeren weten, zoudt gij in het vervolg maar _fl_200 krijgen; de zaken gingen zoo slecht. En Wolf zeî: dat er gemakkelijk eerste bedienden voor _fl_800 waren te krijgen. Ook liet hij zich ontvallen, dat de heeren al eens gedacht hadden over een' volontair. Als het niet anders kan, dan zullen wij de tering naar de nering moeten zetten; maar het is hard met twee kinderen, en het derde voor de deur. Ik zeg het niet om het je te verwijten, Gerrit! Lief en leed heb ik beloofd met je te deelen, en ik zou het nog doen! Minder wonen, dat zal niet gaan, het is nu al zoo eng; maar een geringer baker, ik zal er morgen naar hooren. Ook kan ik het zijden kleedje, dat ge mij na mijne eerste kraam hebt gegeven, wel weer vermaken,--jongens, wat waren we toen rijkelijk! Maar, Wim zal toch naar school moeten,--het is een slag, en dat zoo onverwacht! Als gij iets anders vinden kondt, al was het buiten de stad,--ik zou er wel niet graag uit willen,--wat zouden onze kennissen zeggen?--maar rondkomen is de eerste pligt. En het overige laat ik aan God over. Ik had geen rust, Gerrit, vóor ik het je had geschreven,--het is mij nu of er een pak van mijn hart is. Want ik weet, manlief, dat gij zelfs in nood en dood, alles voor mij en de kinderen doen zult. En daarmeê, goeden nacht! Nog eens, Wim en Chrisje zijn wèl, en ik zal mij opbeuren, tot je weer komt, wees daar gerust op. Het zal immers niet lang meer duren?
"Uwe liefhebbende vrouw Aagje.--"
P.S. "Wie weet hoe rijk we nog eens worden--want nicht Saartje heeft ons zeker goed bedacht. Maar foei, ik doe doodslag in mijn hart,--o, dat leelijke geld!"
Het lijdt geen' twijfel dat het den heeren--vrijstond, het salaris van hunnen bediende te verminderen; maar dit zijner vrouw, zijner zwangere vrouw te doen aankondigen, op het oogenblik, dat zij van zijne afwezigheid bewust waren, is eene wreedheid, welke ik zelf niet gelooven zou, indien ik haar verdicht had, indien het geen feit was!--Het lijdt geen' twijfel, dat het niet enkel inhumaniteit, maar ook onverstand in de heeren--verried; want waartoe zou ik het zedelijk gevoel mijner lezers op de pijnbank brengen, door hun te verhelen, dat Gerrit op den brief van Aagje ijlings te huis kwam, en een betere betrekking vond bij lieden, die zijn' ijver en zijne kennis wisten te schatten? O hoe wenschte ik er bij te mogen voegen, dat het ook geen twijfel lijdt, dat allen, die op deze of dergelijke wijze den zwaren strijd tusschen verdiensten en behoeften zagen beginnen, gered werden zoo als hij!
Hebt gij er geene onder uwe kennissen, die wegkwijnen in den bloei des mannelijken levens,--bij wie het uiterlijke verarmelijking verraadt, bij wie het verstandelijke den kreeftengang schijnt te gaan,--eene vereeniging van moedeloosheid des harten met verstomping des hoofds? kantoorbedienden, welke beginnen in te zien, dat het hun leven lang sukkelen zal blijven? Het schort niet aan den aard hunner bezigheden, al zijn deze waarachtig geen prettige. De eene zou er zich over heen zetten, dat hij het gansche jaar niets anders te doen heeft, dan een' onaangenamen briefwissel te voeren:--een correspondent wordt onwillekeurig een casuïst, of hij bezwijkt onder de chicanes der Duitschers. De andere zou het zich getroosten dat hij van primo Januarij tot ultimo December, van den ochtend tot den avond, geen ander werk heeft, dan te ontvangen en te betalen,--bij een' kashouder ontwikkelt zich zucht voor numismatiek; immers, hoe houdt men het anders uit, geld te tellen, dat ons niet behoort? Maar liefhebberij in het stellen van vinnige brieven; maar liefhebberij in het nazien van allerlei speciën,--hoe verflauwen zij wanneer men het hoofd vol heeft van de ellenden van een berooid gezin! Om ernstig te spreken, hoe zwaar wordt de taak en hoe hard valt de pligt voor de zijnen te zorgen, als het vooruitzigt op eene verbetering van ons lot met de droomen der jeugd verdwenen is, als zelfs de flaauwste hoop ons niet meer prikkelt, schraagt, troost! Het is of de geneugten van den echt, de weelden van het vaderschap in banden en boeijen verkeeren. Wanneer men niet dus gekluisterd ware! "Wanneer ik nog alleen in de wereld stond!"
Eer ik u den toestand veraanschouwelijke, moet ik eene dubbele bedenking weêrleggen, die stellig bij u opkomt, al heb ik u straks met een woord verzekerd, dat het allermoeijelijkst is te onzent met een klein fonds zaken te beginnen, en ondoenlijk zonder. "Waarom," hoor ik vragen, nu wij genaderd zijn tot den leeftijd, waarin dit beroep, waarin dat te huis om strijd stuiten, "waarom klerk geworden op een koopmans-kantoor, en niet op dat van een makelaar? die kan zonder fonds vooruitkomen!" --en--: "Als kennis in handel nog iets waard is: waarom dan geen _associé_ gezocht, die geld heeft? wanneer de eene hand de andere wascht, dan worden beide schoon."
Dat zij juist ware!
Makelaarsklerken--de tegenwerping verpligt ons, eenige jaren terug te gaan--makelaarsklerken zijn doorgaans vrijwilligers, zonen, neven, vrienden, en dus jongeluî, die vermogen genoeg hebben, om uit eigen beurs niet alleen de leerjaren goed te maken, maar ook de teleurstellingen te bestrijden, aan het beginnen van elk beroep verknocht. Of wanneer "de vijanden van het liegen," zoo als Nieuwland de makelaars aardig noemde, "dewijl het in geen duizend jaren gebeurt, dat zij iemand willens en wetens bij den neus nemen," wanneer zij salariëren, dan kiezen zij jongeluî, arm genoeg om afhankelijk te blijven. De eersten nemen zij slechts, wanneer zij ter uitbreiding hunner zaken, om het klimmen hunner jaren, of uit welken hoofde dan ook, een' hulp verlangen, of naar een opvolger omzien;--de laatsten moeten jonge menschen zijn, die hun nooit in de wielen kunnen rijden; die tot altoosdurende slavernij zijn gedoemd. Ik wil niet beweren, dat de kring der aspiranten, ten gevolge dier inlichting, voor uwen blik bekrimpt; maar ge zult mij toestemmen, dat het getal dergenen, die kans hebben, zich zonder vermogen in deze loopbaan eene eervolle onafhankelijkheid te verwerven, klein, bitter klein wordt. Bovendien,--er is in de onderstelling, van welke wij uitgingen, "dat een makelaar geen fonds behoeft," iets zoo overonnoozels, dat de broeders van den gilde ons zouden uitlagchen, als wij haar één oogenblik voor goede munt aannamen. Wie niet durft, wie niet wil, wie niet kan inkoopen "voor zijn' meester," dat is, eer hij een kooper heeft,--wie niet "lipt," luidt de technieke term--wat heeft de sukkel te doen? Hij verliest zijn eerstehandshuizen, die heden aan hunne buitenlandsche vrienden berigt willen zenden, dat de partij afgedaan is;--hij moge wroeten en slooven, van den ochtend tot den avond, hij krijgt geene patroons;--want wat kan hij der tweede hand, den commissionair aanbieden, dat ieder zijner mededingers niet evenzeer en met hetzelfde regt veilt? De verbastering der zeden ging in Rome soms zóó verre, dat de wijsste wetten krachteloos werden, dewijl men door hare toepassing allen schuldig zou hebben verklaard; ik vrees, dat, met luttele (doch eervolle) uitzonderingen, de algemeenheid des kwaads de makelaars onzer dagen zal moeten vrijpleiten van transigeren met hunnen eed. Het zij verre van mij, het daarom te willen vergoêlijken; integendeel, het sticht, als alles wat den standaard der zedelijkheid verlaagt, onberekenbaar veel jammers, en brengt, zoowel voor den handel in het algemeen, als voor kooplieden en makelaars in het bijzonder, dikwijls, ik zou schier durven zeggen altijd, zijne straf met zich. De voorbeelden zouden ligt zijn bij te brengen.
De tweede bedenking heeft meer schijns, en wie zal ontkennen, dat enkelen hare juistheid door den gelukkigen uitslag hunner pogingen hebben gestaafd; maar heeft een mijner lezers de verantwoordelijkheid gewogen, welke de jonkman op zich neemt, die de kans trotseert verliezen te ondergaan, welke voor hem in persoonlijke schulden aan zijn' deelgenoot verkeeren? Het is last genoeg om van terug te deinzen, eer men zich dien op de schouders laadt, zelfs om den wil van een huwelijk. Ik heb straks van de poëzij van den handel gewaagd, en zeker, het is streelend, door eigen vlijt, door eigen kracht, een' onbekenden naam bij zijne medeburgers in aanzien te brengen,--door zijne kennis van zaken en menschen, het vertrouwen van stad- en landgenooten te verwerven en te verdienen,--aan zijne allengs uitgebreider betrekking een te huis te hebben dank te weten, dat voor de zorgen, welke van zaken onafscheidelijk zijn, schadeloos stelt!--Een te huis lief en waard, dewijl die woning, ten gevolge van overleg en werkzaamheid, van eene gehuurde in eene eigene is verkeerd,--een te huis liever en waarder nog, dewijl de telkens in grooter mate genoten geriefelijkheden des levens de blosjes lang op de wangen der gade doen wijlen, en er dikwijls in den lach der vreugde een' zweem van jeugdige aanvalligheid op terugroepen--een te huis, liefst en waardst bovenal, om het gekeuvel der kleinen, voor welke zich, hoe rap zij ook opgroeijen, nog sneller uitzigten openen, daar tien, vijftien, twintig jaren stipte eerlijkheid, in allengs toegenomen zaken, honderdvoude belooning met zich brengen. Immers, de tijd is zoowel een woekeraar ten goede als ten kwade! Aan de achting van het algemeen, aan het vertrouwen, dat de naam des handelaars van beurs tot beurs wint, paart zich het bewustzijn van een welbesteed leven; het besef, in zijnen kring geluk te hebben verspreid, in zijnen stand bij te hebben gedragen tot den vooruitgang van zijn Volk, van zijne Eeuw misschien! Want, wie onzer acht het mogelijk, dat men het zóó verre zou brengen, zonder degelijkheid van hart en hoofd, zonder zin voor wetenschap of kunst, zonder liefde voor alles wat goed en groot is? Of wat is natuurlijker, dan dat de man, ten gevolge van de inspanning der helft zijns levens, met een groot vermogen gezegend, naar eene burgerlijke waardigheid staat--geen ridderlint, bid ik u!--maar eene plaats in den Raad der stad, tot wier welvaart hij bijdroeg--die hij lief heeft gekregen, als de getuige van zijnen voorspoed--die hem aan het harte ligt als de bakermat van zijn kroost?
Er is veel uitlokkends in,--maar de penning heeft toch ook zijne keerzijde.
Een jaar twee, drie, waren Becker en Haeften geassociëerd geweest,--de eerste bragt de kennis, de laatste bragt het geld aan, en, zoo er compagnons zijn, die broederlijke vrienden mogen heeten, deze waren het. Overmoed en overzorg, de gewone vloek van vennootschappen, uit zoo ongelijke bestanddeelen zaamgesteld, bleven hun vreemd. Als gij hun karakter hadt gadegeslagen, dan zoudt gij hebben opgemerkt, dat Becker de vreesachtigste, Haeften de onbezorgste was, in het geven van crediet. Beide gehuwd, moet ik mij zelven geweld aandoen, in geene schets van hun gezellig verkeer uit te weiden. Het was een schoone droom van geluk. Want, verre van den waan, dat de goede verstandhouding tusschen compagnons het langst duurt als zij elkander nergens elders zien dan op het kantoor,--er heerschte tusschen hen noch die ongelijkheid van stand, noch die ongelijkheid van jaren, welke het opzettelijk vreemd blijven van de gezinnen van associé's, van beider vrouwen vooral, soms raadzaam maken--waren zij, zoo als ik zeide, van vennooten vrienden geworden; geen huisselijk lief of leed van den een', dat den ander niet ter harte ging. Het was eene dier zeldzame betrekkingen, waarin het bevorderen van ons eigen belang veredeld wordt, dewijl wij er tevens tot het geluk van vrienden door bijdragen.--De avonden na het afsluiten eener voordeelige balance, beurtelings in den schoot van het een of ander gezin doorgebragt, verkeerden in huiselijke feesten, op welke de vrouw van Becker zich niet had geërgerd aan de meerdere pracht in de woning van Haeften, en die van de laatste er zich in verlustigde, dat alles bij den eersten van welvaart getuigde, schoon zij er, en te regt, niet tot weelde oversloeg.
Het was in het derde jaar hunner associatie, en de looper reikte op een' Vrijdagmorgen den patroons de brieven over. Haeften opende er eenen, die hun eene aanzienlijke order opdroeg. Becker liep een' anderen door, het schrift danste hem voor het gezigt. O, als de bankbreukige wist, welk leed hij aanrigt; als hij het bedacht, eer hij, den achteruitgang zijner zaken onder telkens uitgebreider ondernemingen bemantelende, vermetel de rust van een tien- of twintigtal huisgezinnen meer op het spel zet,--hij zou van alle gevoel vervreemd moeten zijn, eer hij _quitte ou double_ waagde, eer hij zichzelven diets maakte, dat het hem _onder nul_ nog vrij stond te beproeven, of de fortuin voor hem keeren wilde! Het was de aankondiging van het faillissement van een' hunner grootste debiteuren. Een huis, dat langer dan eene halve eeuw bestond--een huis, dat, tot op den dag dat het zijne betalingen schorste, algemeen vertrouwen genoot --een huis, dat, reeds sedert jaren, zijn crediet in den vreemde allerhandigst exploiteerde. Wie begrijpt niet, waarom Becker, de aankondiging inziende, verbleekte? Wie vermoedt niet te gelijk, dat in het volgende oogenblik _groot houden_, des ondanks, zijne leuze was? De klerken zaten om hem heen, en er waren onder deze, die zijne ontsteltenis al hadden opgemerkt.
"Het had erger kunnen zijn," zei Haeften, toen hij op zijne beurt de jobsmare had doorgeloopen.