Liedekens Van Bontekoe En Vijf Novellen Blaauw Bes Blauw Bes T
Chapter 4
"Eefje?" hernam de borst; "er woont geen Eefje hier; mijne kameraads heeten Sanne en Saar, en--"
"Eefje heeft toch hier gewoond," zei de vrouw, "of ik moest mij in het huis hebben vergist,--maar ik ben hier immers bij Mijnheer ----?" (en de knecht knikte: "jawel") "dan moet zij verhuisd zijn."
"En dat zou geen wonder wezen."--
Een paar kinderen sprongen aan het einde van den gang de deur eener kamer uit, en eene vrouwenstem mogt de meisjes naroepen: "_Mais attendez donc!_" zij deden of zij het niet hoorden; zij stonden al aan de deur de blaauwbessenvrouw aan te zien, die bij den borst vergeefs hare nasporingen voortzette.
"Jonge jufvrouw!" vroeg de knecht aan eene van de kleuters, die een jaar of tien wezen kon, "heeft hier een meisje gewoond dat Eefje heette?"
"Ik weet wel, hoeveel jufvrouwen ik gehad heb, maar van de meiden neem ik geene notitie," was het antwoord.
Ondanks al hare onrust, kon mijn moedertje zich niet weerhouden, de veelbelovende nuf van het hoofd tot de voeten op te nemen.
"Foei, Emilie!" zeî haar jonge zusje, "heugt je Eefje niet meer? ze was zoo'n vrolijke, vriendelijke meid."
Het blaauwbessenvrouwtje had het kind wel willen kussen.
"'t Is waar," viel Emilie in: "_je m'en souviens_, toen hadden wij die nare, norsche jufvrouw, Numero Acht."
"En waar woont Eefje nu?" vroeg de teleurgestelde oude.
"Mama zou het wel weten," hernam het jongste kind goêlijk, "maar die is buiten."
"_Mesdemoiselles!_" klonk het gebiedende achter uit den gang. Waarschijnlijk was het jufvrouw Numero Negen, die de kinderen, hoe schoorvoetende ook, verpligtte, met haar naar boven te gaan.
"Wil je in de keuken niet eens hooren, of eene van je kameraads het weet?" vroeg de blaauwbessenvrouw aan den knecht.
"Het zal vergeefsche moeite wezen, vrouwtje! we zijn hier allemaal maar trekvogels."
"Och! doe het," zei ze, "ik ben hare moeder, of je 't niet wist."
Het was een beroep op het harte, dat ijlings verhoord werd.
"Kom binnen, besje!" zei de knecht, "en ga zoo lang op de bank zitten,"--er stond een geel geschilderde in den gang,--het medegedeelde gesprek was met geopende deur half op de stoep gehouden. En mijn blaauwbessenvrouwtje zette zich een omzien neêr; maar of de oogenblikken, welke zij er verbeidende doorbragt, haar niet lang duurden, vreesselijk lang, dat beslisse iedere mijner lezeressen--die nog geene negen jufvrouwen bij haar tienjarig kind heeft gehad.
Eindelijk--daar sprong de knecht de trappen, die naar de keuken leidden, weêr op--"moedertje!" zei hij, "de keukenmeid meent te weten, dat je dochter naar de ----gracht is verhuisd--bij Mijnheer ----"
"Dank je, jongelief!--wil je een handvol blaauwbessen?"
Eene weigering ware onheusch geweest; ook kwam zij bij den borst niet op, al vielen er voor de trekvogels andere kruimels van de tafel. "Het ga je goed," zei het moedertje, toen de knecht de deur weder geopend had.
"Van 's gelijke, en zoen Eefje voor me," lachte de schalk.
Eefje verhuisd!--geen wonder dat de tred der oude vrouw trager was bij het afgaan der gracht, dan bij het opkomen; allerlei gedachten onderdrukten het verlangen, dat hare voeten straks bevleugelde. Eefje verhuisd!--het moest haar wel ondragelijk hard zijn gevallen in die aanzienlijke woning, want zij was altijd een gezeggelijk kind geweest; en had zij in hare buurt niet drie jaren lang op den Huize ---- tot genoegen harer meesters gediend?--Eefje verhuisd--zij kon het thans beter getroffen hebben; maar als het eens het begin van een zwerfziek wisselen was? Het blaauwbessenvrouwtje stond stil, stond op straat stil, en de voorbijganger, die haar uit den weg duwde, die haar ontwaken deed, wist niet wat er omging in haar gemoed. Eefje had in de laatste maanden niet geschreven; maar er waren haar en haren man toch van tijd tot tijd groeten, er waren hun later zelfs kleine geschenken, geschenken in geld, geworden, die slechts van Eefje komen konden. Haar man, haar blinde man, had bij dat geld, het is waar, bedenkelijk het hoofd geschud, had zelfs willen weigeren, het aan te nemen, als hij niet weten mogt, wie het zond; maar de winter was zeer lang, en hare verdiensten waren zoo gering geweest! O dikwijls had zij vader, wiens zuchten haar niet ontgaan waren, hoe hard haar spinnewiel snorren mogt, dikwijls had zij hem getroost, dat Eefje het zeker beter had dan zij in hunne armelijke hut!
Eefje verhuisd,--en dat zonder het hun te schrijven!
"Moedertje! moedertje!" hoorde zij roepen; maar het viel haar niet in, om te zien, of die kreet ook haar gelden mogt; eerst toen de stem er "blaauw bes, blaauw bes!" op volgen liet, zag zij waar zij was, en wie haar wenkte.
"Vrouw Hendriksz! vergeet jij je oude vrienden zoo?" vroeg een aardig wijfje, in haren winkel aan de deur staande, met een kind op den arm; het jongsken bukte zich vast naar de mand, om een bezie te grijpen.
"Hoeveel Antje?" was het antwoord; de neering ging een oogenblik boven de natuur.
"Drie maatjes, vrouw Hendriksz! dat weet je wel--bah Wim! je zult je vingertjes blaauw verwen;--wat zeg je van mijn' jongen, vrouw Hendriksz? mijn man is zoo gek met den guit!"--
Het viel der gelukkige moeder te vergeven, dat zij niet opmerkte, hoe weinig vrouw Hendriksz op haar gemak was; hoe hortend de laatste woorden van haar antwoord er uitkwamen.
"Je eerste was eene dochter, niet waar?"--In drie jaren een rijkelui-wensch!--Komt Eefje nog weleens bij je?--Zij is verhuisd, hoor ik."
"Zoo!" hernam Antje, "neen, ze is in lang niet hier geweest," en de moeder doldijnde met den knaap: "hoe gaat het met je man, vrouw Hendriksz?"
"Och, hij kan den lieven dag niet eens meer zien!--Ik geloof, dat je twee en een' halven cent weêrom krijgt; daar zijn ze--groet den baas van me, ik kom nog weleens weêr aan."
"Wim! jongen als eene wolk! kraai het blaauwbessenvrouwtje eens goeden dag."--
Maar vrouw Hendriksz wachtte het niet af; vrouw Hendriksz ging verder--nog minder opgeruimd, dewijl ze juist getuige was geweest van dat tooneeltje van geluk. Het aardig wijfje uit den winkel had tot Eefjes speelmakkertjes behoord; slechts een paar jaren vroeger naar de hoofdstad vertrokken, had zij er kort gediend, was er gaauw en goed getrouwd; waarom had Antje haar ook zien voorbijkomen, op het oogenblik, dat haar die muizenesten over Eefje door het hoofd maalden? En wat was Antje tevreden geweest, als had zij zich op haren trouwdag te goed gedaan!--Vrouw Hendriksz werd onbillijk, en gevoelde het naauwelijks, of had er berouw over; hoe de sloof zich den nijd schaamde! Het had niet aan het aardige wijfje uit den winkel, het had aan haar gescheeld, dat de oude mensch haar te sterk was geworden, en zij beloofde in zich zelve boete en beterschap, zonder te weten hoe spoedig zij op den toets zou worden gesteld, of dit haar ernst was geweest.
Wie ooit, bij gebrek van eene opgave der nommers, dese of gene gracht der hoofdstad heeft langs gedwaald, om de woning eens vriends te zoeken, die zijn' naam niet aan de deur had gezet, hij weet, hoe dikwijls hij in verzoeking kwam, op goed geluk maar eens aan te schellen; hij houdt het vrouw Hendriksz ten goede, dat zij het tot drie malen toe te vergeefs deed; hij stelt zich voor, hoe haar twee keeren van deze op haar: "neem niet kwalijk!" een graauw werd achterna gezonden; de vierde maal was zij eindelijk waar zij wezen moest.
"Eefje heeft hier gewoond," zei de heer des huizes, die toevallig zelf aan de deur verscheen, heuschelijk; "maar zij was niet wel geworden, zij zou naar huis gaan, geloof ik."
"Ach God!"
En de man schelde aan zijne eigene deur, want vrouw Hendriksz dreigde de Jobstijding te besterven; zij werd bleek als een lijk.
"Een glas water!" riep hij der dienstbode toe, die verbaasd opzag, dat mijnheer een blaauwbessenvrouwtje binnenbragt.
Het glas water werd der oude toegereikt. "Ik dacht er niet aan dat gij hare moeder kondt zijn," sprak de meêwarige man.
"Mijn kind! mijn kind!" snikte de grijze, en toen zij klappertandende het glas water had leêggedronken, volgde vraag op vraag, maar bleef ieder antwoord onbevredigend;--Eefje was wat wispelturig van humeur geweest; Eefje was vertrokken, wegens ongesteldheid; dit was alles, wat haar te laste werd gelegd; alles, wat men van haar wist. Het was ongeveer drie maanden geleden!
Vergeleken met Parijs, met Londen zelfs, is Amsterdam, in de oogen van den wereldburger, wel geene kleine stad; maar trots den vijfdubbelen ring van grachten, om hare oude burgtwallen geslagen, toch geen doolhof, waarin het hem onmogelijk zou zijn, den eersten den besten, dien hij zocht, op het spoor te komen, hoe deze zich ook schuil houden mogt. En echter, voor mijn arm blaauwbessenvrouwtje was de ruimte, welke zich bij deze woorden voor haar ontsloot, was het velerlei verschiet, dat zij beurtelings verpligt zoude zijn in te slaan, schier verbijsterend. Waar was Eefje? hoe zoude zij haar kind weêrvinden? Slechts één gebouw teekende zich op ieder tooneel, dat voor hare oogen dwarlde, scherp tegen de lucht af; het was de huizing, waarin de armoede vergeten wegsterft; het was de St. Pieterspoort, het was het _Gasthuis_. Onwillekeurig had vrouw Hendriksz de handen, die in haren schoot lagen, gevouwen, en zonder dat hare lippen prevelden, zagen de omstanders het haar aan, dat zij God om sterkte bad; er was niemand onder hen die ze der moeder niet toewenschte.
"Hebt gij hier geene kennissen, geene vrienden?" vroeg de heer des huizes, bewogen.
"Onder de mindere menschen wèl; maar die zullen mij weinig kunnen helpen, als--Ooh, Mijnheer! al ben ik hare moeder, zeg het mij maar ronduit,--Eefje heeft zich hier immers goed gedragen?"
"Wat wispelturig, zooals ik u zeide ..."
"Maar--toch--eer--lijk?"
"Ja, vrouwtje! ja!"
"Goddank, Mijnheer!" er sprongen tranen uit de oogen der grijze vrouw,--"en" voer zij voort; doch het woord wilde de keel niet uit;--"daar valt mij een huis in; Mevrouw van ----," en zij noemde een bekenden naam--die Mevrouw zal zeker wel weten, waar zij is; als Eefje niet naar huis komen kon, heeft zij zeker bij haar hulp gezocht--die Mevrouw is bij ons vandaan, moet u weten."
En zij stond op van den stoel, waarin de heer des huizes haar had neêrgezet, en met de wellevendheid der natuur verzocht zij hem, haar den last ten goede te houden, dien zij hem had aangedaan: "maar u heeft misschien zelf kinders?"
Daarin zijn armen en rijken ten minste gelijk!
De heer des huizes knikte toestemmend,--"en daarom hoop ik, moedertje! dat Mevrouw van ---- je goed berigt zal hebben te geven van je dochter; --maar je vergeet je mandje--"
"Och, Mijnheer! Eefje is ons eenig kind!--"
Vrouw Hendriksz was weder op straat; weder op weg; de vraag, die haar op de lippen lag, maar die zij weêrhield, de vraag, welke op het onderzoek naar de eerlijkheid harer dochter had moeten volgen, kwam andermaal bij haar op; zij verweet zichzelve, dat ze ook die niet had gedaan! Welk een licht werpt het op den toestand onzer armen, dat eene verstandige, dat eene vrome moeder onder hen, als zich bij de krankte van haar kind eenige maanden stilzwijgens en eenige kleine geschenken voegen, deze dadelijk aan diefstal of aan ontucht denkt! Doch ik beproeve maar eene schets naar de natuur te leveren, en het u overlatende er de opmerkingen bij te maken, waartoe de stof aanleiding geeft, breng ik u liever de tuinkamer, waarin Mevrouw Van ---- gezeten was, binnen.
Vrouw Hendriksz was aangediend, en vrouw Hendriksz was toegelaten; al had de meesteresse der huizinge dien achtermiddag eenen kring van gasten om haar gezien, zij zou zich, op de dringende bede van het moedertje, een oogenblik bij haar gezelschap hebben verontschuldigd; het heugde haar, dat zij Freule--was geweest. Gelukkig gehuwd, genoot zij in de hoofdstad al de weelde, die de rijkdom haars echtgenoots te harer beschikking stellen kon, wenschte zij naauwelijks meer weder op het land te leven, thans des winters aan een uitgebreid gezellig verkeer, thans des zomers aan telkens verscheidene uitstapjes gewend; en echter kon het eensklaps gewaar worden van een Geldersch huismanswijf, kon het onverwacht vernomen geroep van: "blaauw bes, blaauw bes!" het der schoone vrouw voor de oogen doen schemeren, of er in die kleeding, in dien kreet, eene tooverkracht school. Weder was zij,--want weder waande zij te wezen, zou eene te flaauwe uitdrukking zijn,--weder was zij dan op het landgoed in de buurt van Elburg, waarop zij als kind had gespeeld, waarop zij als aankomend meisje had gedarteld, waarop zij als "de freule" was gezegend geworden, waarop zij de lente van haar leven besloten had met hare hand en haar hart te geven aan den man harer keuze. Inderdaad, indien eenige herinneringen aan den geboortegrond zoet mogen heeten, dan zijn het dezulke! en vrouw Hendriksz, opdat wij tot haar terug keeren, vrouw Hendriksz behoorde tot de lievelingsbeeldjes uit het landschap harer jeugd: wat had de freule op haren hit dikwijls voor de woning des daglooners stilgehouden! wat had zij het vrouwtje in weêrspoed of in winter vaak getroost en geholpen met al die gemeenzaamheid, waarin de P----t's geen bezwaar zien, wetende, dat niemand vergeten zal, dat hun naam tot de oudste in onze historie behoort!
De beangste moeder had haar harte uitgestort; helaas! voor de eerste maal scheen het Mevrouw Van ---- aan middelen ter hulpe, aan heelenden balsem te falen! Eefje was ook daar in vele maanden niet geweest; en geen der dienstboden, die beurtelings werden binnengeroepen, herinnerde zich, het meisje te hebben ontmoet of gezien, geen hunner heugde het, dat zij bij afwezigheid hunner meesteresse, vergeefs was gekomen. Stom van smarte, maar niet minder verslagen, al kwam er geen klagte over hare lippen, leunde het blaauwbessenvrouwtje over den rug van den stoel, dien haar Mevrouw Van ---- dadelijk had doen zetten. Als ware zij niet in staat het lijden, waarvoor zij in den eersten oogenblik geen troost wist te geven, langer aan te zien, staarde de laatste den tuin in, wiens deurramen, ik vergat het te zeggen, openstonden;--zag zij onwillekeurig den jongen tuinier de rozenstruiken opbinden die wat weelderig van loover waren geworden, door de gloeijende Augustuszon.
"Eefje, Eefje!" kreet de moeder. Want de natuur brak de banden der onderwerping, waartoe zij getracht had haar gemoed te stemmen, en de smart, die uit den toon der woorden sprak, drong der aanzienlijke vrouw door merg en been.
En toch gaf zij er niet fluks antwoord op; toch bleef zij den tuin instaren: de jongman bij de rozenstruiken had opgezien bij den kreet van vrouw Hendriksz, opgezien met meer aandoening, dan louter het noemen van eenen naam scheen te kunnen wekken.
"Ik zal naar het gasthuis gaan, en hooren of zij gestorven is," voer de jammerende moeder voort.
"Wacht, vrouw Hendriksz, wacht!" fluisterde de vrouw des huizes, zonder naar de verslagene om te zien: de jongman die het tweede woord even goed had verstaan als het eerste, was van zins geweest binnen te komen, en had zijns ondanks, naar het scheen, twee stappen naar de tuinkamer gedaan. Immers toen had hij zich bedacht; thans scheen hij weêr louter oog en hand voor de rozenstruiken. Mevrouw Van ---- aarzelde een omzien, eer zij het ijlings genomen besluit gevolg gaf; een omzien vreesde zij, zich de deelneming, zich de ontroering des jongmans daarbuiten maar te hebben verbeeld; doch neen, beide waren te blijkbaar geweest, en wat was er bij gewaagd de proef te nemen, of hij eenige inlichtingen geven kon?
"Wouter!" riep de meesteresse des huizes.
Een sprong bragt hem op het arduinen bordesje; maar even hartstogtelijk als die beweging was geweest, even schoorvoetende kwam hij de weinige trappen, die naar de tuinkamer voerden, op.
Mevrouw Van ---- zag hem zwijgend, maar uitvorschende aan.
"Och, Mevrouw! ik heb haar zoo lief gehad, dat ik luisteren moest, of ik wilde of niet."
"Eefje!" riep de meesteresse des huizes, over het slagen harer opmerking verbaasd.
"Eefje!" herhaalde vrouw Hendriksz, als in eenen droom, en werd eensklaps den derde gewaar, die in het vertrek stond, en sprong op den jongman toe, en viel hem om den hals. "Leeft zij?" vroeg de moeder, "leeft mijn kind?" en staarde Wouter met hare bruine oogen in het gezigt, of zij in zijne ziel lezen wilde.
"Zij leeft, maar--"
"Zij is verleid!" jammerde vrouw Hendriksz, en stiet den jongman van zich, als ware hij de schuldige geweest.
"Dat heb ik niet aan je verdiend, moedertje! maar je radeloosheid weet niet, wat ze doet. Ik had Eefje zoo lief, eerlijk lief; je zoudt zoo droef niet gekreten hebben, als zij "ja" had gezegd, toen ik haar vroeg. Mijn oog was hier op haar gevallen, Mevrouw! toen ik verleden' herfst kwam tuinen; zij maakte een praatje met me; ze wist van boomen en bloemen; zij wist ook, dat ze mooi was, maar het stond haar toen wèl. Eer zij hare hielen uit den hof had geligt, moest ze mij zeggen, waar ze woonde, en wanneer ze uitging. "Waratje, daar heb je Wouter!" zei ze den volgenden Zondag, toen zij de stoep afstoof, en--maar wat heeft Mevrouw eraan--"
"Ga voort, Wouter! ga voort!" en het was geen ijdele nieuwsgierigheid, die der meesteresse des huizes het oor deed leenen aan de vrijerij; Eefjes toestand kon haar slechts door dat verhaal duidelijk worden. Vrouw Hendriksz zag voor zich heen, of zij er niet bij tegenwoordig was.
"Het leed niet lang, of ik dacht, dat zij me wel zien mogt. "Eefje! hoe bevalt het je hier?" vroeg ik haar, toen we een keer of wat zamen uit waren geweest, om eens hoogte te nemen hoe na bij land. "Opperbest!" zei ze. "Gelderland moet toch mooijer wezen," begon ik weêr, "Veel stiller ook," was haar woord. "Anders zou het mij wel loenen op het land te wonen," polste ik alverder, "om Haarlem en bij den Haag" (ik ben nooit in Gelderland geweest, Mevrouw!) "daar beleeft men plezier aan de bloemisterij en aan de broeikassen; onze stadstuinen zijn maar kerkhofjes," (het is de waarheid, Mevrouw!); "wat zeg je ervan, Eefje! als ik eens bij een groot heerschap mijn eigen huisje had, zou je er met mij in willen wonen?"--"Malligheid, Wouter!" mogt ze zoo zeggen, maar ik gaf haar een zoen, die klonk als een klok ... doch ik vergat tot wie ik spreke--"
Er school te veel poëzij in die schets, dan dat het hart eener vrouw haar niet meê zou hebben gevoeld, "En evenwel," zei Mevrouw Van ----, "en evenwel is zij verleid."--
"Omdat ze mooi was, meende ze zoowel mevrouw te kunnen worden, als menige andere--och die opschik!--schoon ik soms tot mij zelve zegge, dat zij nooit naar hem zou hebben geluisterd, als zij mij had liefgehad, zooals ik haar. En dan weêr spijt het mij, spijt het mij, of ik er gek van worden zal, dat ik mijne vuisten voor me hield, toen ik zag, dat hij zijn' arm om hare middel had geslagen! Afranselen is alles, wat wij kunnen, wat wij mogen, als zoo'n wulp zich aan onze zuster of ons meisje vergrijpt! Waarom ik het niet deed? ik zal het u zeggen, in de schemering was ik hun op zij eer zij het wisten. "Eefje! heeft hij je aangerand?" vroeg ik, en hief mijne hand al op, "Neen, Wouter! neen," zei ze. "Wat meen je, maat?" vroeg de wulp. "Ik weet wat ik zag, kwajongen!" gromde ik. Hij ging zijns weegs--dat ik hem liet gaan!--Doch ik dacht meer aan Eefje, die naast me staan bleef, maar geen woord sprak. "Eefje!" zei ik ten leste, "wat wou--?" "Hij vroeg me naar eene jonge jufvrouw, die bij ons logeert." "Lieg niet, Eefje!" bad ik haar; "mooije kleeren kan ik je niet geven, maar een goed man zou je aan Wouter gehad hebben, en dat is meer dan die lichtmis me kan nazeggen." --"Lichtmis! een jonge heer, die bij ons aan huis komt!" was al haar antwoord, als achtte zij het niet waard, mijne verdenking verder te weêrleggen,--ik geloofde, dat ik had misgezien."--
En Wouter hield een oogenblik op; de vrouw des huizes was aangedaan; zij dacht niet aan het belagchelijke, dat men in bedrogen minnaars pleegt te zien; zij dacht er slechts aan, welke een harte Eefje gekrenkt had, ten prijs van haar eigen verderf.
"O, dat die oogen liegen konden!" besloot de jongman.
Een smartelijke gil, der oude vrouw ontsnapt, getuigde, dat zij het gesprek maar al te wel had verstaan.
"Moedertje! ik zeg je, dat Eefje leeft!"
"Maar verleid!--och! dat ook dit nog over het hoofd van haren blinden vader komen moest!"
En zij zeeg op den stoel neêr.
"Ik heb haar gebeden, ik heb haar gewaarschuwd, tot het leste toe; "vervolg mij niet meer," zei ze, "want ik haat je wijsheid."--
"Toch blijft ze mijn kind," snikte de oude; "als je weet waar ze woont, zoo doe een goed werk, en breng mij tot haar!"
Vrouw Hendriksz wilde opstaan; maar zij beefde als een blad, maar zij viel andermaal in den stoel neêr. Mevrouw Van ---- schelde om spiritus. "Wat zal het baten?" zeide de moeder, toen zij het glas aan hare bevende lippen bragt, "de kroon is ons toch van het hoofd gevallen, onze eere is weg!--Eefje! mijn kind!--waarom moest je dit over ons brengen?"
Een oogenblik stilzwijgens.
"Waarom?" herhaalde de oude vrouw, "waarom? o Heere! houd mij dat woord ten goede; wat verdienen wij niet voor onze zonden?"
En het schuldbesef stelde het blaauwbessenvrouwtje in staat om te bidden, ook onder die bittere beproeving.
"Jongman! het deert me, dat ik je verdacht;--wijs me nu den weg; Eefje moet morgen meê!--God geve, dat hare ziel niet verloren ga als haar ligchaam!"
Er waren den volgenden avond wandelaars in menigte, die op de hoogte van den Schreijerstoren, te Amsterdam, een oogenblik stilstonden, om den schoonen zomeravond ten volle te genieten, door beurtelings regts en links, om en op te zien. Het goud der ondergaande zon flikkerde nog op de spitsen van het mast-bosch in het Westerdok, terwijl de volle maan over dat van het Ooster-vast haar vloeijend zilver stroomen deed. Doch wie er zich ook verlustigde in het prachtig wolkenschouwspel, dat de plek te ieder ure schier gelegenheid geeft te zien, maar zelden zoo verscheiden, zoo rijk aan allerlei toonen en tinten, aanbiedt, als in dat, 't welk de schemering voorafgaat, één jongman uit den drom had er blijkbaar geene oogen voor. Zijn blik scheen aan een zeil te hangen, dat op Pampus in het verschiet verdween,--het was Wouter, die den Elburger nastaarde, met vrouw Hendriksz en Eefje aan boord.
Mevrouw Van ---- was hij de ontmoeting van moeder en kind, was bij de verzoening tegenwoordig geweest, wie vraagt mij, of zij verder, ter verzachting van beider ellende, iets onbeproefd liet?
Wouter--wij keeren nog eens tot hem terug--Wouter had der gevallene in hare schande het wederzien gespaard; de eenige belooning, met welke hij er zich voor vlijen mogt, ontging hem niet. Een jaar later bragt de zomer weder zijne vruchten meê;--Amsterdam gij weet het, is nog niet, zoo als Bilderdijk misschien zou hebben gewenscht, een ander Bremen geworden, dat geene stoornis van de doodsche stilte zijner straten duldt;--de kreet, aan het hoofd van dit stukje geplaatst, heeft Wouter onlangs verrast. Hij sprong op toen hij dien hoorde; hij zag een bekend gezigt, waaraan de rouw, dien de grijze droeg, niet misstond; het blaauwbessenvrouwtje had eene boodschap voor hem:
"Eefje heeft, eer ze stierf, om je vergiffenis gebeden!"
1845.
* * * * *
'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!
Steets was hy op 't kantoor en met de neus in 't boeck; Sijn mutsjen op sijn hooft, sijn mouwen an voor 't wrijven; Want hy was besich staegh met dit of dat te schrijven; Dan sloot hy syn ballans, dan sagh hij nae de kas, Ja wel, hy had soo veel te doen dattet wonder was! Wat het hy in sijn hooft winckeltjes, en kassen, En hockels en laedjes, dosynen van Lyassen, Vol Assignatie, vol Oblygatie, vol boomery, Vol Wissel-brieven, vol Retour, en vol Factory, Vol konnossementen, en vol Konvoy-biljetten, En Kamers vol Journaels, Schuldt-boeken, Alphabetten, En Riemen kladt papiers, van loopende uyt-gift, En Tafels vol chijffers, en schalien vol schrift!