Liedekens Van Bontekoe En Vijf Novellen Blaauw Bes Blauw Bes T

Chapter 3

Chapter 33,696 wordsPublic domain

Een korte wijle zweeg 't getier Der uitgelaten rei van wilden, Die in een laaije zee van vier De spietsen, die hun vingers drilden, Nu dompelden ten gloênden doop, En fluks in vogelvluggen loop Die midden uit de vlammen tilden. Een oogwenk zweeg de ruwe hoop, Om over 't roode vlak der baren, Het praauwtje grimmig aan te staren; Maar de invloed van het schalke lied Verloochende ook bij hen zich niet! Zij deden 't sein des vredes wapp'ren, En de ouderdom herriep de dapp'ren, Die, om den erfwrok lang gehuisd, Vast in den breeden vloed zich waagden, En heup en borst van schuim ombruist, De waap'nen in de slinke vuist, Het roeijerpaar ten kampstrijd daagden.-- Ach! kind'ren van hetzelfde land, Maar die elkanders rust belaagden, Om onderscheid in offerrand'!

Was hun de blanke vreemd'ling heilig, Of achtten zij een man zoo koen Voor 't kwetsen van hun spietsen veilig? Wie lust had om de vraag te doen, Niet hij, die wenkte voort te spoên; En 't paar weerstreefde hem niet langer. De breede stroom, der zee genaakt, Scheen uit zijn kronkelboei geslaakt. Hoe blij, hoe luchtig zong de zanger:

IX

JAN COMPAGNIE.[2]

Stem: Speelnootjes heft eens vrolijk an. _Bruiloftsliedeken_.

De trommel van de Staten werft: Lang leev' de Prins, hoezee! Maar zoo men in het veld niet sterft, Wat brengt men er uit meê? Een stijven arm, een houten poot; De drommel hale die! Is 't geldjen op, en komt de nood, Ik ken Jan Compagnie.

Wat hielp dat brammetje in zijn tijd Al meisjens 't hoofd op hol! Wat had dat boeijen wijd en zijd Den kerfstok spoedig vol! "Weg!" riep zijn vaêr, en "wee!" zijn moêr. "Mijn rijk is uit, adie!" Hoe arm hij naar Oost-Inje voer, Hij werd Jan Compagnie.

't Was in en uit met d'Amboinees; Hij prees zijn specerij, Maar toffelde den Portugees, En had de handen vrij, Ter nood verliep nog jaar en dag, Daar kwam een vloot in 't Vlie, De rijkste, die ooit Holland zag; Haar zond Jan Compagnie.

De wilde snaak werd groot sinjeur; Hem huift het zwarte volk In wierookwalm en ambergeur; Hij lucht er uit een wolk! Met vonkelende sluijerkroon --Juweelen sieren die-- Weerspiegelt daar op gouden troon Mijnheer Jan Compagnie.

In 't palmbosch klinkt de schelle luit Der Bajaderen-schaar: Hij kiest van daag de schoonste er uit, En morgen weêr een aêr. "Wat baatte me al mijn overvloed, Het rijk, dat ik gebiê, Ontbrak mij hier 't zoetste zoet Omhels Jan Compagnie!"

Maar 's ochtends kijkt hij uit in zee: Oranje blanje bleu! Een schip doemt op; hij roeit ter reê, Als was hij 't rusten beu: "Weest welkom, maats! hoe lang je reis? 'k Ben blij dat ik je zie. Hoe vaart de Prins? Is 't nog geen pais? Wie zoekt Jan Compagnie?"

"Ik!" roept dan menig losse guit, Die, baasjen van de baan, Vroeg scheidde van zijn mooijen duit; Hij spreekt hem vroolijk aan: "Heb jij geraasd, mijn eêle vent! Wie deed het niet, ai, wie? 'k Was als de bonte hond bekend; 'k Wierd toch Jan Compagnie!"

En, wonder! na een jaar vier, vijf, Hijscht elk er 't zeil in top, En reedt een schip en neemt een wijf, Staat voor een ton niet op; 'k Staar dies mijn pot niet zuinig aan, Schoon ik den boôm al zie, En laat der Staten trommel slaan: Lang leef Jan Compagnie!--

* * * * *

Wat droeg naar 't suiz'lend bamboesloover Het koeltjen, aangesneld uit zee, Die ruwe klanken vrolijk over! Wat scheen het wilde paar gedwee, Toen 't praauwtjen voortstoof naar de reê! Zij staarden onder het luchtig ijlen, Beheerscht door d' indruk van het lied, Nu oost- dan westwaart in 't verschiet, Of 't licht, dat aan de kim bleef wijlen, Hun nog geen zeekasteel verried; Want beide waren ze onder 't schaat'ren Der leste wijs van Bontekoe, Bij 't luid "Jan Compagnie" te moê, Als riep hij uit den schoot der waat'ren Den geest op van het verre West, Die, d' oorlogsbliksem in de handen, Verscheen aan de Indiaansche stranden, En fluks zijn troon er had gevest, Alreê vermaard in de Oosterlanden, Voor leeuwenkuil en arendsnest.

't Was ijdel duchten, ijdel staren. Geen wolk van rook, geen flits van vier Schoot over 't zilv'ren vlak der baren; Geen schip, op tal van masten fier, Viel langs de gansche reê te ontwaren; Wat vaartuig bragt den blanke hier? De wilden vroegen 't, schoon hij rees En 't zeilenpaar der boot hun wees. Half duikende onder kokosboomen, Ontsnapte ze in de baai 't gezigt. Daar gaf hij 't sein--en werd vernomen; Daar riep hij luid--zij gleed aan 't licht: Helaas! hij zag haar naauw'lijks komen, Of hield den blik ter zee gerigt, Als greep een feller smart hem aan Dan 't man'lijk harte kon weêrstaan. O vijftienjarig ijdel streven! O hoop, zoo lang vergeefs gevoed! Hoe vrolijk had hij van den steven Den Ooster-Oceaan begroet, Den kijker in de hand geheven, En lucht gezien en land vermoed, Tot schril de kreet weêrgalmde in 't want: "Brand, Schipper! brand, in 't ruim is brand!" Weêr dwarrelde alles hem voor de oogen, Nu hij dat vrees'lijk uur gedacht, De bleeke schrik,--de bange klagt,-- De flaauwe hoop,--het ijdel pogen,-- De vlam, die schoot van steê tot steê, Het noodgeschrei: "de boot in zee!" En toen, het toppunt der ellenden, Geen tucht meer--hoe?--geen zelfbedwang, Voor sluike vlugt, het wild gedrang Van wie geen mensch'lijkheid meer kenden, 't Gekerm,--'t gebed,--een dof gerucht... En schip en manschap in de lucht!

Toch werd uit die herinneringen Van heil en hoop, van vlam en vier, De mijmeraar door t' luid getier Gewekt, genoopt, voor 't laatst te zingen, Wat beeld kon zulk een rouw verdringen?

Noot 2: De O. I. Compagnie werd, zooals men weet, den 20sten April 1602 opgerigt. Zie over haren spoedig toenemenden bloei: "_La Richesse de la Hollande à Londres aux Dépens de la Compagnie_," pag. 33 etc.

X

DIEUWERTJEN.

Stem: Klaare, wat heeft er uw hartjen verlept. Hooft.

Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch? Eer ik je vragen ging, stapte ik mijn plaats, Mijn woning, mijn schuren, mijn stal nog eens om, Vast peinzend: tot alles is zij wellekom.

Wit van den hagel, maar warm trots de kou', Haalde ik de klink op; je zat bij de schouw; Ik ligtte mijn mantel; jij wierpt op het vier Een mutserd, en 'k dacht: zij ziet gaarne mij hier.

Echter was 't later als jeukte mijn scheen, Schoof ik je digter, je schooft verder heen, En toen 'k, bij de kast, om het jawoord je vroeg, Was 't vremd, dat de fluit niet aan diggelen sloeg.

't Vreezen en beven--het had schier geen end'; 't Huis van je moeder was jij zoo gewend. Al droeg ik ten leste in mijn armen je er uit, Ons dorpjen zag nimmer een droeviger bruid.

Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch? Onder dat wiegekleed giert onze Claes. Ai, kus hem, en zeg, zoo het nog stond te doen, Of jij nu wel aarzelen zoudt zoo als toen!

* * * * *

O liefde, die in Hollands streken Alom altaren zaagt ontsteken, Eer kiesch den voorrang won van kuisch En gouden ketens fulpen banden Vervingen in de Zeven Landen, O liefde! in 't woelig krijgsgedruisch Bij onze heldenvad'ren t'huis! Wie schetst uw wonder alvermogen Op 't onverdorvene geslacht, Dat klagt noch knieval wou gedoogen; Dat, louter licht en lust in de oogen, Het schoon zijn hulde al juichend bragt, En toch zijn eerbied voor de vrouw Verkondde in echtelijke trouw! Wat harte dat gij niet regeerdet, Wat harte dat gij niet herschiept, Gij, die den vroeden schalkheid leerdet, De lachjens tot den stugste riept, Beheerscheresse van de jeugd, Haar hoogste heil, haar hoogste deugd!

Hoe 't aardig beeld van huw'lijksweelde, Dat aanlokte uit het slechte lied, Het droef gemoed des zwervers streelde,-- Hem deerde, toen hij 't lagchend kweelde, Zijn gister en zijn morgen niet! Zoo min zijn worst'ling met de golven, Waarin hij, na den gruwb'ren slag, Een lange wijle was bedolven, Waaruit hij, toen hij 't licht herzag, Niets hoorde dan het bang geklag Van hen, die, 't vlammend graf ontstegen, In 't rustelooze nederzegen; Als 't stil verzuchten om den dood, Toen laaije dorst en wreede nood Het scheepsvolk, onder 't angstig varen, Ten voedsel dat hen overschoot, De jongens vratig aan deed staren, 't Gebrek dien gruwel schier gebood, Wierp langer uit het droef verleden Zijn schaduw dreigende over 't heden, En zijn verschiet? 't Was of de kust Van Java opdoemde uit de baren; En bleek door twee en dertig jaren Het vuur der jeugd nog niet gebluscht: Zijn baard verried reeds graauwe haren; Hij had ten verd'ren togt geen lust;[3] De kiel, waarmeê hij t'huis zou varen, Lag op de reede al uitgerust.

Eens minnaars hoop heeft aad'laars wieken; Hoe schoot hij ze aan! hoe snelde hij Van uit het oord van 't uchtendkrieken Naar 't avondrijk de Kaap voorbij! Daar deed de wind in 't loof der palmen Den groet der koop'ren keel weêrgalmen; 's Lands vlagge wapperde op Guinee! Daar tintelden de witte kruinen Van Hollands wachtgelijke duinen! Hoe seinde hij de Hoornsche reê! En nu de huiv'ring, die 't ontmoeten Der overwelbeminde kust --Waarin misschien de dierste al rust!-- Voorafgaat,--neen! het wuivend groeten Van Guurtjens kleine, blanke hand, Wier pink weêrschittert van zijn pand! Zie, had de knaap voor jong'lingsdroomen, Voor goud of roem uw zegen veil, O bruilofsvreugde! o huw'lijksheil! De man is wijzer weêrgekomen, Een bloeijend kroost, een brave vrouw,-- Ai, niets en gaat voor de echte trouw!

"Ha, schipper!"

Holland was verdwenen! Sumatra's kust, het wilde paar, Hij werd die ijlings weêr gewaar; Hij stuurde 't praauwtjen landwaarts henen Ter plek, waarop zijn trouwe schaar Hem toefde er met de boot verschenen: Hij was ontkomen aan 't gevaar!

Wie eischt van mij de groep te schetsen Van 't scheepsvolk, dat hem blijde ontving? Slechts Rembrandts hand zou 't waardig etsen; Hij 't lichtpunt van den donk'ren kring, Die luist'rende aan zijn lippen hing! 't Geheim des meesters ging verloren, En daarom zij u 't woord genoeg: Dat ieder zich nieuwsgierig droeg, Om 't lang verhaal ten eind te hooren, En elk toch, door verbazingskreet, Hem afbrak en herhalen deed.

"Wat lot onz' makkers is beschoren, Helaas! wij zullen 't morgen zien! En nu, ik kan niet meer, goê liên! Slaapt wel! mijn keel is heesch van 't zingen." Dat stiet hij, met een schor geluid, In 't eind den moeden gorgel uit. "Tot morgen!" zeide zij en gingen Naar hunne loovertenten toe. Een omtrek nog van Bontekoe: Hij boog zich voor den Heere neder Vóór dat de slaap zijne oogen look, --Een vol gemoed is dubbel teeder-- En Guurtjens beeld verscheen hem weder, En voor zijn Guurtjen bad hij ook!

1840.

Noot 3: Het is bekend dat Bontekoe eerst na lang omzwerven in 1625 in het Vaderland terugkeerde; de stemming, waarin ik hem aan het einde mijner vertelling doe verkeeren, schijnt mij gemotiveerd uit eene plaats in zijn Journaal, bl. 43: "Ik van voornemen synde om mij met de eerste gelegenheid na Holland te transporteren, bevindende dat het spreekwoord waer, en uit de ervarentheid bekragtigd is, ieder vogel is gaern daar hij uitgebroeid is: want wat schoone Landen, Kusten of Rijken dat men beseild en besiet, wat konditiën, profijten en vermakelykheden dat men geniet, 't souden ons maer pyn wesen, so die hope ons niet onderhiel, van dat selfde eens na te vertellen in ons Vaderland, want om die hope heeten onse Reisen, Reisen, anders souden tusschen de ballingschap, en sulk hopeloos reisen, niet veel verschil zijn"--De gissing eener liefde en die van een huwelijk, achtte ik waarschijnlijker, daar het zelfs der welwillende nasporingen van mijnen oudheidkundigen vriend, den heer Mr. W.J.C. van Hasselt, niet is mogen gelukken iets van zijn verder wedervaren te vinden.

* * * * *

VERHALEN

Blaauw bes, Blaauw bes!--'t Is maar een pennelikker!--Marie--Ezelinnen --Hanna

* * * * *

BLAAUW BES, BLAAUW BES!

(EEN STUDIEBEELD UIT ONS VOLKSLEVEN)

Bilderdijk wenschte, in een zijner veelvuldige verzuchtingen om den dood, in het stille graf te liggen, ten einde voor den Haagschen straatkreet doof te zijn. Ik ben te zeer van muzijkalen zin misdeeld, om te durven beslissen, of de schreeuwers der hoofdstad het van die, welke onze hofstad doorkrijschen, in welluidendheid winnen; maar ik mag de Amsterdamsche keelklanken wel, en verbaas er mij over, hoe het gehoor van onzen eersten dichter zijner verbeelding zoo zeer de wieken knotten kon. Verrees er dan, als zijn trommelvlies de pijnlijke aandoening had doorgestaan, verrees er dan, ten gevolge van dat met weêrzin opgevangen woord, niet een geheel ander tooneel voor zijnen geest, dan zijn studeercel aanbood? bragt het hem niet naar buiten, niet over in beemd of bosch? Ik wil mij eerst op eenen der minst behagelijke kreten beroepen, om later van diegene te gewagen, welke streelender gedachten opwekken; Bilderdijk zelf, verbeelde ik mij, zou dien zin voor climax hebben gewaardeerd. Daar klinkt het: "_Elft as zalm!_" bij voorbeeld, waaruit de Jordaner in het middelwoord de l weglaat, om u die in de beide andere zooveel te zwaarder toe te wegen. Het rijst raauw genoeg op de lucht,--het is eene onwaarheid bovendien, want de eene soort van visch evenaart de andere nooit,--en echter heb ik er nimmer het voorhoofd om gefronsd, laat staan er om dood willen zijn; een geheel ander verlangen wordt er bij mij levendig door. Wie heeft niet hooren vertellen, dat die visch meest des nachts gevangen wordt, en wie, die het zoomin als ik ooit zag, onthoudt zich, bij de plotseling opgewekte gedachte, van den wensch, zulk een vangst bij te wonen? Het schuitje, --de visschers,--het want, spaarzaam, grillig, afwisselend verlicht; --om u heen de roerloosheid van den nacht, maar aan boord al de behendigheid van de winzucht;--en, tegenstelling die boven en beneden niet onaardig toetst, als gij neêrblikt, de rosse schijn eener lantaarn, als gij opziet, eene enkele, tien, twintig, duizend, millioenen sterren, die de duisternis des hemels zwichten doen;--wat dunkt u, zendt gij den voorbijganger, aan wien gij die afwisseling van ideeën hebt dank te weten, nog eene verwensching na? Waartoe echter zou ik het voorbeeld verder uitspinnen, als viel er op uwe fantasie weinig te vertrouwen, als hadde ik er niet voor het grijpen, waarbij schilderiger stoffaadje past? Welaan--maar eerst een paar uitzonderingen, ten einde ik in geene onbedingde lofspraak der straatkreten vervalle. Er zijn ergerlijke onder die uitroepingen--en och! dat Bilderdijk deze van de Haagsche had uitgemonsterd!--er zijn er bij de Amsterdamsche, die u de haren te berge doen rijzen, niet enkel om den klank, maar ook, maar vooral om der verbeelding wille: "_Beerzen binnen de garneelen!_" krijscht u niet enkel door merg en been, en "_rapen as kinderhoofies!_" doet u niet louter om den temerig gerekten uitgang pijnlijk aan; beide overdrijvingen wekken zoo velerlei weêrzin op, dat ik dien onmogelijk in éénen volzin uiten kan. Ichtyoloog of niet, u stuit dat dooreenhaspelen van zout- en zoetwatervisch; het verbijstert schier iedere voorstelling van het verblijf van den eenen en den anderen gevinde. Rapen zijn een der oudste geregten ter wereld, en doen u ons bestuur onwillekeurig mannen toewenschen, als de Romeinsche Republiek er in de dagen van haren eenvoud en harer grootheid voortbragt, maar hoe vurig ge, bij vrijer uitstellingen, meer onafhankelijkheid van geest wenscht, die voor minder behoeften veil is, denk er eens aan, als die ongelukkige vergelijking u van het kannibalen-maal gruwen doet! Het is wel, zoo gij, onder een van beide jammeren, den lust overhoudt, om op te merken, dat de proeven, die ons volk bijwijlen van Oostersche beeldspraak neemt, doorgaans afgrijsselijk uitvallen. Gij ziet, ik ben billijk, al geldt het ook mijne gunstelingen; want waarom zou ik schromen, thans dien naam te geven aan de velerlei verrassingen, die in roep of kreet tot mij komen, van den bitteren eersteling onzer velden, van het radijsje af, tot de laatste, scherpe vrucht onzer hoven, de rammenas, toe? Er ligt een zomer tusschenbeide, de keel des volks zou het u vertellen, zoo gij hem niet zelf gezien, niet zelf genoten hadt! Naauwelijks mag het een meisjesstem heeten, dat snerpende geluid, 't welk in 't vroege voorjaar des ochtends aan het venster door de leden vaart en uit deernis, hoop ik, "een bosje roode of witte" koopen doet, ware het ook maar om het kind te vergelden, dat het u de komst der lente geboodschapt heeft. Mild, daarentegen, schier melodisch, zou ik willen schrijven, klinkt de roep des mans, die, bij invallenden avond, den herfstwind de a's van zijne _rammenas_ verre dragen doet,--als de zonneschijn langer geduurd had, ze zouden tot zang zijn verzacht! En zal ik ze nu optellen, de tallooze verkwikkingen, welke de arme langs uwe deuren vent, zonder er zich zelfs over te verbazen, dat gij die in overvloed genieten moogt, terwijl hij ze zoo schaars smaakt, terwijl zoo vele van deze hem zijn ontzegd: de welriekende aardbezie, de verfrisschende kers, de druiven, waarop de dauw nog ligt, de china's-appelen, die het Zuiden ons zendt, de--maar waar zou ik eindigen, als ik ook slechts een honderdste der tooneelen voor uwen geest wilde roepen, waarop de gevleugelde verbeelding ons verplaatst, bij het hooren van eenen der vele klanken op welke de breede schaal van toonen boogt, die van behoefte tot weelde reikt? Mijne inleiding zal haar doel hebben bereikt, als zij de ergernis voorkomt die de titel van mijn opstel geven mogt--maar een straatkreet!

"Blaauw bes, Blaauw bes!"--klonk het langs de ----gracht onzer hoofdstad, en het geluid, dat eene oude vrouw verried, mogt den jongen heer van het eene venster niet van zijn duodecimootje op doen zien, en de beziën, welke het wijfje door dien kreet ventte, der jonge jufvrouw van het andere raam geenen blik waard zijn, een Rembrandt had hare gansche mand leêg gekocht, als zij een uur voor hem had willen zitten. Een sergierok, die de beenen verder blootgaf, dan hunne vormen wenschelijk maakten, maar wiens kortheid haar in het voortstappen zeer te stade kwam;--een sergiejak, dat de verbruinde, en van ouderdom vast verstrammende armen onder geene mouwen in zijne hoede nam; beide kleedingstukken vielen iederen ledeman om te werpen, en zouden onder de hand des meesters stellig fraaijer hebben geplooid, dan zij om het lijf van mijn moedertje deden; maar het zou ook niet om deze zijn geweest, dat een schilder zich tegenover haar achter den ezel had gezet. Hagelwit mogt het eenvoudige mutsje zijn, dat de grijze haren bedekte en de tronie omsloot; hoog van kleur, "in den noode" de doek, die, over het jak gespeld, de uitstekende schouders en ingevallene borst kwalijk verborg; ook deze eigenaardige dragt van een geldersch huismanswijf, zou, zonder haren persoon, binnen het bereik des kunstenaars zijn geweest, hoezeer die kleeding, het zij in het voorbijgaan opgemerkt, tot het karakteristieke van haren straatkreet behoort. Al het aantrekkelijke, dat zij voor Rembrandt zou hebben gehad, school in haar gelaat; waarom is met hem de kunst verloren gegaan, voor de beeldtenis eener oude vrouw den blik des eerbieds, het knikje des welgevallens te verwerven? Als hij mijn blaauwbessenwijfje op het doek had gebragt, hij zou de rimpels niet hebben verheeld, die haar breed voorhoofd doorploegden; hij zou de jukbeenderen niet hebben weggedast, die hare wangen zoo hoekig maakten; hij zou om mond en kin zelfs den zweem van grijzen baard hebben geschilderd, dien hij in de natuur aanschouwde. Maar zoo gij haar bij den eersten oogopslag hadt aangezien, dat zij zestig, vijf en zestig lange jaren misschien had geleefd en geleden, het ware u ook helder geworden, dat zij had liefgehad en geloofd; het wintersch landschap ware opgeluisterd door van omhoog invallend zonnelicht! En ge hadt het graauwe dons om kin en lippen voorbijgezien, in uwe bewondering van de beraden-, van de bedachtzaamheid, door dien mond geteekend: woorden der wijsheid zouden u van die lippen niet hebben verbaasd, gij hadt er geene andere van verwacht. En het schier stramme dier wangen, en het scherpe der beenderen, die er onder uitstaken, zou opgehouden hebben, u weêrzin in te boezemen, want er had een lachje over gezweefd, waarbij het u te moede ware geworden als had zij onder allerlei leed den zin voor schuldelooze vreugde bewaard. En terwijl iedere rimpel voor u in een teeken ware verkeerd der rampen, die haar troffen, hadt gij u gebogen voor het geloof, dat u uit hare bruine oogen toestraalde, hadt gij u verkwikt aan eene gemoedsrust, die het verlies van jeugd, schoonheid en wereldsche uitzigten overleefde; van eene ziel die genade had gevonden bij God!

_Une femme qui n'a plus d'âge_ is iets vreeselijk-leelijks, als Beaumarchais haar ons schetst;--zou het geheim van het innemende, der oude vrouwen van Rembrandt eigen (het genie des meesters voor het overige in al zijnen omvang geëerbiedigd), ook aan het onderscheiden volkskarakter, ook aan dier mannen verschillend begrip over de bestemming van den mens, zijn toe te schrijven?

"Blaauw bes, blaauw bes!" klonk het, maar zonder den nadruk, dien het vrouwtje den woorden in eene straat zou hebben bijgezet, maar meer uit gewoonte, naar het scheen, dan uit hoop de aandacht van koopers te zullen trekken--in die buurt scholen de liefhebbers harer onaanzienlijke, harer de lippen blaauw verwende beziën niet. En echter was het blijkbaar, dat haar des ondanks het voortstappen over de harde straatsteenen niet verdroot; dat mismoedigheid over het vergeefsche van haren roep verre van haar was. Vier of vijf jongens stoven haar voor, of sprongen haar na, om bij beurten haar af te wachten of in te halen, en onder het huppelen om haar heen eenige bessen uit de mand te grijpen, die door geen deksel werd beschut; in eene andere stemming zou de baldadige plagerij, zou het soms van alle kanten eensklaps opgaand: "blaauw bes, blaauw bes!" haar hebben geërgerd; thans scheen zij even goedwillig de oorvijgen te geven, als de Janraps zich die voor hunne vruchtelooze pogingen lieten welgevallen. Intusschen was zij een halve gracht voortgegaan, en zie, daar stond ze voor het huis, waar zij wezen moest. Vlug, als een meisje van drie zesjes schier, vlug wipte ze de stoep op, en de schel ging over, tot twee malen toe.

Een knecht, in geel linnen jas, deed open.

"Is Eefje thuis?" vroeg de blaauwbessen vrouw.