Liedekens Van Bontekoe En Vijf Novellen Blaauw Bes Blauw Bes T

Chapter 2

Chapter 23,223 wordsPublic domain

"In het voortreffelijk werk van den onsterfelijken Hugo de Groot getiteld: _Vergelijking der Gemeenebesten_, komt de volgende zeer opmerkelijke plaats voor: "Onlangs hebben wij ook aangevangen op het land te varen; want wij bezitten wagens, die door den wind gedreven worden, met zeilen voorzien zijn en viermaal zooveel spoed maken als een schip, daar zij met geen baren, die er tegen aan stroomen, te worstelen hebben, maar door vlaktens heensnellende, met een ongeloof'lijken spoed voortvliegen, en, hetgeen ik vergen mag dat men mij als een ooggetuige geloove, de winden, door welke zij in beweging geraken, schier ontvlugten. Ik heb het bijgewoond, toen men er binnen minder dan twee uren tijds veertien van onze mijlen meê heeft afgelegd, waarvan iedere den weg van één uur bevat." De aanteekeningen van Meerman op deze plaats, gepaard met hetgene men elders aantreft, berigten ons, dat Maurits dezen wagen naar een ontwerp van Stevin had doen vervaardigen, aan wien alzoo de eer der uitvinding toekomt. Zeer gelukkig viel de proef uit, welke de Stadhouder met denzelven nam, zoo men gist in den herfst van het jaar 1600. Op den wagen bevonden zich acht en twintig personen, waaronder Maurits zelf, de broeder van den Koning van Denemarken, Graaf Hendrik van Nassau, de Ambassadeur van Frankrijk, en, hetgene opmerking verdient, ook de Admirant van Arragon, Franciscus de Mendosa, die in den slag bij Nieuwpoort was gevangen. Ook de Groot, toen nog jong, woonde dezen togt bij. Men voer met eenen zuid-oostenwind van Scheveningen. De Stadhouder nam het roer in de hand en voerde het zeil. Toen dreef de wind den wagen met zulk eene snelheid voort, dat hij niet scheen te rollen, maar te vliegen, en in twee uren tijds te Petten aankwam. Geene paarden konden hem volgen; hij ontging bijna 's menschen oog. Eenmaal stuurde Maurits hem uit kortswijl in zee, waarover velen zich dapper ontzetteden; doch door eene geringe wending van het roer bragt hij hem in zijnen vorigen koers op het strand." T.a.p. blz. 21 en 22.

Men houde het mij ten goede, dat ik mij aan geene vergelijking wage met de fraaije verzen, waarin deze togt door de Groot en door Huygens is vereeuwigd. Lord Gray, in het 5e couplet, heb ik ontleend aan Van Meteren's beschrijving van den slag bij Nieuwpoort: "Milord ofte Baroen van Gray--ende meer andere soo Enghelsche, Fransche, als Hooghduytsche Heeren van adel, die sonder eenigh bevel Prince Mauritz verselschapten." Dat ik Elisabeth een minnaar meer heb gegeven, zal men mij niet euvel duiden. Welligt zal men het ergerlijk vinden, dat ik Z.K.H. den Hertog van Holstein en broeder des Konings van Denemarken, "_Fanden ta dig!_" of "dat de Duivel u hale!" laat roepen, en hem bovendien roode knevels heb gegeven; doch het laatste scheen mij nog al nationaal toe, en het eerste heeft Mr. de Busenval, Ambassadeur van Hendrik IV bij de Staten, waarschijnlijk niet verstaan. In een volksliedjen mogt de laatste niet anders dan Bulleval heeten. Het slot, "Luctor et Emergo," (ik worstel, maar ik drijf boven), de bekende spreuk der Zeeuwen, werd door het onderwerp van zelf ingegeven.

Prince Mouringh reed langs zee In zijn wond're koets met masten; Half het Haagsche hof was meê; Groote cijsen, rare kwasten, Nog te noên bij Scheveling Snelden ze al vóór twee langs Petten, Toen het holdebolder ging En de koensten zich ontzetten: Flap zei 't zeil en krak het roer; 's Princen koets te water voer.

Lijnrecht stoof ze in 't golfgebruis, En men staakte 't vleijend prijzen; Ieder wenschte zich te huis; Ieder vroeg: Zal ze ooit weer rijzen? Alle tongslag sloeg een vloek; Alle groote banjerts pepen, En van angst werd buis en broek Stuk gescheurd en kaal geknepen; Prince Mouringh zag zoo snip, Of hij vreesde voor zijn schip.

"_Narren!_" riep een Moffenheer, "_Wo Hans Michel soll ertrinken, Nicht in dieses salzes Meer. In ein Weinfasz wirdst du sinken!" "Das versprach_..." Daar nam een golf, Die aan hem zich wou verwarmen, Die hem sissende overdolf, Forsch den likkebroêr in de armen. Oef! zijn neus, zoo vierig-rood, Bleek te bros voor zulk een stoot.

De Admirant van Arragon Zat zijn handschoen los te rijten; 't Scheen dat zich de quant bezon, Of hij blaffen zou of bijten. Grimmig sprak hij tot den Prins: "Krenkt ge mij een enkel haartjen," En hij streek de sik zijns kins. "Zeker heeft die muis een staartjen!" Maar zijn bleekheid dacht er bij: "_Sante Madré!_" baat dat mij?"

"_Beautiful!_" begon Lord Gray, Toen de zon door 't water straalde: "_Lord!_" daar stoof zijn muts in zee, Die met blaauwe veêren praalde, "_Help, fetch back!_"--"'t Blijve onbeproefd, Riep de Prins; "laat gaan die pluimen, Daar hij twintig jaar op snoeft: Alle wijven hebben luimen; Maar Elisabeth was mal, Zoo zij kaatste met dien bal."

"Fanden ta dig!" klonk in 't want, En de Deen, met roode knevels, Zag hoe Frankrijks afgezant Laf zicht vasthield aan zijn stevels. "_Ah! ne me refusez pas. Prenez moi a la remorque_."-- "_Non, Monsieur, a vous le pas!_" Bulleval had uit met snorken, Als een lammetjen gedwee: "_Henri Quatre en saura gré_."

"_Luctor et Emergo!_" riep Prince Mouringh, en de wagen Eensklaps weêr ter kuste liep, Waar men Petten op zag dagen. "_Luctor et Emergo!_" klonk Uit den mond van al de gasten, Toen de Prins er 't welkom dronk, En ze in puik van mossels brasten. Mouringh zei tot d'Admirant: "_Et Emergo_ Volk als Land!"

* * * * *

En nu, wat dacht hij onder 't zingen? "Dat liedjen," zei hij, "haal de droes!" Hij zag de naakte woestelingen Het bruine lijf in bogten wringen, Alsof dier talen mengelmoes Hun 't hoofd deed draaijen als een roes; 't Werd schuddend gillen, schaat'rend weenen; Zij hingen over 't praauwtjen henen Dat schommelde uit den evenaar, En 't water stoof hun tot de scheenen; Nog duchtten zij geen lijfsgevaar: Een oogwenk en den stroom ten buit, Had zingen en had lagchen uit! Maar neen, zij zagen 't en zij tastten Ten scheppertjens,--al wolkend vloog Het vocht, waarin hun voeten plasten, Van ied're zij der boot omhoog; En weêr was ze in een omzien droog, Weêr moest hen zijn gezang vergasten. Wie zich aan Breêro's deuntjens stiet, Hij luist're naar wat volgde niet:

V

MACHTELD.

Stem: Wijkker Bietje, die bij 't beekje. _Vondel_.

Machteld had wel hooren luiden, Wat of vensterkens beduiden Die des avonds open staan; Maar een weinig frissche koelte Was zoo welkom na de zoelte, En het hare stond maar aan.

Ook scheen 't zuchtjen louter weelde, 't Zij het schalk haar bloezem streelde, 't Zij het suisde in 't blonde haar; Echter wuifde 't uit het loover IJlings meer dan geuren over, Zoet accoord van stem en snaar.

Als zij 't venster nu ging sluiten, Zou de minnezanger buiten, Haar in de onderkeurs bespiên; En dies zocht zij, schaamrood, schuchter, Met de vingers om den luchter, Achter 't saai gordijn te vliên.

Maar al had zij hooren praten, Dat hij dra wordt ingelaten Die 't ons op zijn luit bediedt, Niet te luist'ren naar zijn bede, Niet te naad'ren ook geen schrede, Dat gedoogde 't hartjen niet.

Op haar bloote, blanke voetjens, Sloop zij zachtjens, sloop zij zoetjens Dies naar 't raam: wat fraaijen val! Hoor, hij zong niet: Wil mij minnen! Hoor, hij bad niet: Laat mij binnen! Neen, hij prees haar schoonst van all'

Was het waarheid wat hij kweelde, Dat "de lieve lach, die speelde Om haar lipjens, "kus mij!" riep, "Maar dat de opslag van haar oogjens, Wacht hield bij die nektartoogjens?" Hoe zij naar den luchter liep!

Zie, al had zij hooren preêken, Dat de booze liefst zijn treken Uitspeelt achter 't spiegelglas, Waarom zou zij, nu slechts muren Haar bespiedden, niet eens gluren, Of zij de allermooiste was?

En zij keek eens en zij knikte, En zij keek weêr en zij blikte Op haar vlugge beentjes neêr; En zij danste een passedijsjen, Naar een zacht geneuried wijsjen, En zij knikte keer op keer.

Maar het was, terwijl zij zwierde, Of het luik op 't hengsel gierde, Of... doch langer geen geluid; Echter kraakte vast de wingerd, Om haar vensterken geslingerd.... Wie sprong binnen? 't Licht woei uit!

* * * * *

En echter hebt gij 't lied beluisterd? Een and're vraag, 'k was dies gewis, Vol lachs of vol van ergernis? Neen, niet gemeesmuild, niet gefluisterd, Getuig wat uw verbeelding is: _Of_ schalke als die van vroeger dagen, Wier wieken, gift van scherts en lust, Op 't feestmaal werden uitgeslagen, Haar smetteloosheid zich bewust,-- Die zonder blaam, die zonder vrees Het menschelijke menschlijk prees; _Of_... laat mij haar onreine noemen, Die onder dubb'len sluijer kleurt, Die eischt dat we ied're drift verbloemen, Wijl ze elken zegen heeft verbeurd: Wit graf waarbij de minne treurt!

Wat of zich Bontekoe verbeeldde? Dat Machtelds minnaar binnen kwam, Met zoete woordekens haar streelde, En, louter liefde, louter weelde, Een kus stal eer hij afscheid nam; En... waarlijk verder dacht hij niet; 't Bosschaadje hoorde een ander lied:

VI

PAPEGAAIJEN-DEUNTJEN.

Stem: Lorretjen.

Wat leide ik toch een leven, Het prinsjen van de buurt! Mijn stok is bruin gewreven, Mijn kooi is glad geschuurd, En ik kan klontjens krijgen, Voor 't praten en voor 't zwijgen. Ai! Lorretjen, Kaporretjen, Kapoe, kapoe, kapoe, Houd mij je bekjen toe!

En zou ik mij dan storen Aan 't smalen van dien knaap, Die steeds wat nieuws wil hooren, Die me uitscheldt voor een aap, En mij zoo graag zou dwingen, Een eigen lied te zingen? Neen, Lorretjen, Kaporretjen, Kapoe, kapoe, kapoe, Is daar te snugger toe!

Ik ken wel mijns gelijken, Die wand'len over straat, Die met een degen prijken, Die zitten in den raad; Zij kregen 't beste hapjen, Door krek te doen als Papjen. Een Lorretjen, Kaporretjen, Kapoe, kapoe, kapoe, Waar past die al niet toe?

* * * * *

'k Weet niet of u de les zal smaken; De wilden lachten luide er om, Terwijl 't refrein op eens een drom Van papegaaijen deed ontwaken: Daar klonk 't kapoe; daar galmde 't weêr; De vogels wisten van geen schuwte; De zoelte riep het tot de luwte, Het strand den stroom toe keer op keer; En Bontekoe dacht onder 't schaat'ren Des wilden wouds, der wilde waat'ren: "Zing voort, ik ken geen liedje meer."

En toch, toen 't woest geschreeuw bedaarde, Dat zelfs zijn roeijers dra verdroot, En 't paar weêr rust'loos op hem staarde, En half hem smeekte en half gebood, Was hij niet slechts gereed te kweelen, Maar werd zijn toon zoo vol, zoo vrij, Of 't lief tooneel van vrijerij, Dat blanke Maas of gulden IJ Op 't marmer van zijn vloed zag spelen, Een warmte hem mogt mededeelen, Als reed hij schaats, als vrijde hij:

VII

WIJS KLAERTJEN OP 'T IJS.

Stem: Mijn zoetje! Ik moetje (_met variatie_.) Starter.

Wijs Klaertjen Zou 't paartjen, Liefst zamen alleen, Verzellen Of kwellen, 't Was moeder schier één, Mits 't zusjen Elk kusjen Haar klappen mogt t'huis: Op 't ijs met zijn beiden hield de oude niet pluis.

Min bloode Dan noode Ging 't vrijsterken meê; Te waken, Te laken, Voedt vriendschap noch vreê, En Govert, Betooverd Door Elze zijn lief, De borst gaf den drommel van haar: "houd den dief!"

Hoe prachte, Hoe lachte Die olijke guit, Bij 't winden En 't binden 't Wijs zusterken uit! Zij gromde, Zij bromde Om 't schalke gezeur, Bij 't kitt'len der voetjens voor dooven mans deur.

"Mag praten Niet baten," Was moederliefs woord, "Men jage Den trage Door voorbeelden voort!" Dies rende In 't ende Ons meisken het paar Vooruit, naar de baan, in de woelige schaar.

Eerst reed zij; Toen gleed zij; Straks peinsde ze een poos: "Die terger! Ik erger Mij niet aan 't gekoos. Omhelze Hij Elze, Mits verre van stad!"-- Toen keek ze eens, of zus op het stoeltjen nog zat.

Waratje, Mijn schatje, 't Bleek dwaas overleg. Zij blikte,-- Zij schrikte,-- Het paartje was weg! Wat riep zij! Wat liep zij! Half spijt en half vrees, En luisterde niet, schoon de jonkheid haar prees.

Toch staarde, Toch waarde Getrouw haar op zij De rapste, De knapste Der dartele rij, Noch jonker, Noch pronker, Maar geestige guit Haar aan,--om haar heen,--en borst eindelijk uit:

"Mooi Grietjen! Dat hiet-je, Of wel, liefste Leen, Of Antjen, Mijn Santjen! Maar dat is al een. Schalk zoetjen Nu moet je Met mij op de baan; Wij kunnen nooit jonger een flikkertjen slaan."

Met greep hij, Met kneep hij Haar worst'lende hand, En zeide En beidde: "Spreek op,--naar wat kant?"-- "Ik heet niet...-- Ik weet niet...-- Ik zoek Elze-zus."-- "Leg op dan, mooi meisjen! wij vinden haar flus."

Zij gluurde eens, Zij tuurde eens Wie hij wel geleek; Toen bloosde, Toen poosde, Toen werd zij schier bleek; En 't gapen Der knapen, Die 't aanzagen, moê, Stak Klaertjen haar vingers Flip bevende toe.

O Joosjen, Mijn Troosjen, Wat reden zij snel! Wat beende, Wat leende Zij weelderig wel! De molen, Verscholen In 't graauw van de lucht, Verrees--was zij op--was--voorbij in hun vlugt.

't Ging schriller, 't Werd stiller Op 't ijs om hen heen. "Dra komen Die boomen, Dan zijn wij alleen!" Sprak 't kwantjen Die 't handjen Nu vaster nog kneep. Wel wilde zij 't ligten, toch bleef zij op sleep.

"Daar achter Geen wachter, Die nijdig bespiedt; Voor kunstjens Uw gunstjens, Dat weigert ge niet!" Met ijlden, Met wijlden Ze op de eenzame plek, En Flip knoopte teeder zijn doek om haar nek.

"Rust, meisjen! Van 't reisjen; Ik merk, je bent moê." Hij rende, Hij wendde, Zij lachte hem toe; "'k Heb fraaijer Geen draaijer Gezien op de baan, Dan jij, die tot zesmaal beentje over kunt slaan."

Flip keerde; Zij weerde Den stoutert wel af, Maar pruilde Noch druilde, Wat pas het ook gaf. "Hoe heetje?"-- "Dat weetje."-- "'k Geloof haast van ja," Zoo sprak hij en trok met zijn schaatspunt een K.

Eilacie! Tentatie Dient ijlings ontsneld; Op dralen Rijmt falen; Dra struikelt die helt! Vast sling'ren Zijn ving'ren Om 't lijfjen zich heen, Hij kust, zij kust weder. Ach! waren ze alleen!

Maar gluipen, Maar sluipen Die vroolijke twee, Maar rijden, Maar glijden Zij niet naar de steê? Zij komen Vernomen Door hem noch door haar; 't Zijn Govert en Elze; hoe schatert het paar!

"Wel, zwager!" De plager Verrast hen alzoo. "Wel, zoetjen! Ik groetje, Ik stoor je maar noô. De vrijheid Is blijheid, Is t'huis op het ijs. Elk kiest zich een liefjen; zoo wil het 's lands wijs."

Luid schreijend, Hen beîend, Houdt Klaertjen 't gezigt, Bij 't blozen Om 't kozen Op 't ijsvlak gerigt, En zuchtend En duchtend Reikt ze Elze de hand, "De linke," roept Flip, "want de regte is mijn pand!"

"Neen, vrees niet, Neen, wees niet Eenkennig, lief kind! Al knort zij, Toch wordt gij Opregt'lijk bemind. Ik zocht je, Ik mogt je Al lang gaarne zien, En 'k vraag je vóór Lichtmis nog van je oude liên."

"Ai, Klaertjen! 't Is 't aertjen Van onz' aller moê;" Spreekt zusjen Na 't kusjen 't Wijs vrijsterken toe. "'k Betrapje, 'k Verklapje Dies toch niet te huis. Op 't ijs met zijn drieën, dat schat ik een kruis!"

Al telt gij geeuwend de blaên, Verkwist om slechts een schaats te slaan, Voor hem school in de eenvoude woorden Een tooverspel, dat riep naar 't Noorden! Vergeefs was de avondwind belaên Met myrrhe en mastik, langs de boorden Des vloeds al walmende opgegaan, Uit duizend kelken van gebloemt', Die 't Oost hare offerschalen noemt. Hij walgde van zijn weeklijk wuiven; Hem dorstte naar den geest der kracht, Die de aard herschept in eenen nacht, De graauwe wolken weg doet stuiven, De starren oproept tot zijn wacht, En, als hem de uchtend tegenlacht, Het veld, dat rijm en sneeuw omhuiven, Heel 't landschap tint'len ziet van pracht, Een vonk'lende juweelenschacht. Maar niet alleen het forsche streelen Der 't bloed bevleugelende lucht Was de oorzaak van zijn diepen zucht: Hij droomde van een klein gehucht; Hij zag der landjeugd schalke spelen In de arresleê, bij 't schaatsgenucht; En 't liefste meisjen uit de schaar, Dacht zij aan hem als hij aan haar?

Dáár fluisterden zijn reisgezellen, En trager werd de vaart der praauw; Wat nieuwe ellend moest hij zich spellen? Hen scheen een folt'rende angst te kwellen; Maar wat--wat bragt hen dus in 't nauw? Al heerschte aan 't strand maar stilte en schaâuw, Toch neigden zij ten golven de ooren, Toch weêrlichtte op 't verschiet hun blik,-- Een wijle drijvens--dubb'le schrik! Ook hij zag nu het woudvier gloren; Ook hem deed zich de krijgszang hooren, Wier flaauwe klanken 't paar al ving Toen 't nog zoo pijlsnel zeewaart ging; En hij verstond uit hun gebaren, Hij las het in hun schroom en spijt, Dat achter 't rood gordijn dier blaêren Tien, vijftig, honderd krijgers waren, Met hen en met hun stam in strijd!

Het strand werd levend wijd en zijd!

Op eens verkeerden hun gezigten, Terwijl de kris des voorsten rees, En de and're greep naar boog en schichten, En proef nam van de kracht der pees: Ze ontveinsden mannelijk de vrees, Zoodra der vlammen feller lichten Hen d'oversterken vijand wees; Zij wilden niet dan strijdend zwichten! En leenden naauw den blanke 't oor, Die, toen de praauw het strand genaakte, 't Geen 't wilde volk ten vuurdans koor, Een lied zong--dat een heek'laar maakte:

VIII

INKEER.

Stem: Q. De paai gaf 't voor geen roerdomp op, X. Het quantjen zong gelijk een lijster. _Beurtzang_.

De Oom

De wereld, die in 't booze ligt, Verdwijnt als rook uit mijn gezigt; 'k Heb dies alle ijdelheid verzaakt, En straks mijn testament gemaakt.

De Neef

Het lekk're gulden Rhijnsche wijntjen Smaakt mij wel eens zoo zoet bij Trijntjen. Wat kijk ik graag, bij lange togen, Mijn boeltjen door de fluit in de oogen!

De Oom

Wat zou mijn neef met schijven doen? At hij zijn korentje niet groen? Al wat ik spaarde wierd verkwist; Ik wil geen snollen bij mijn kist!

De neef

Zoo oompjen-Grommert zijn dukaten Mij dezen avond na mogt laten, 'k Zou morgen 't meisjen prachtig dossen, En kocht een boeijer en twee vossen.

De Oom

Dies maakte ik alles aan de kerk, En krijg een lofdicht op mijn zerk. En echter, 't is mijn naaste bloed; Hij heet toch, als mijn vader, Knoet.

De Neef

Wat zou ik als een banjer pragchen! Hoe liefelijk zou Trijntjen lagchen, En, arme deern, mij dra verliezen! 't Had dan uit juffers maar te kiezen.

De Oom

"Het geld," zoo sprak de vrome man, "Behoort den regten erven, Jan! En wie dies zalig sterven wil...." Wel, waarom niet een codicil?

De Neef

Bijlo! wanneer mij dat wou lukken, Zei ik; "adie mijn guitentsukken!" En zou, wie had het kunnen droomen? Door schoonvaêr nog op 't kussen komen.

De Oom

Hoe stel ik best 't legaat op schrift? 't Legaat? dat ware een halve gift: Hij heeft wat noodig naar ik raam; Hij is de leste van mijn naam!

De Neef

Het is wel waar wat looze Gijs zeit: "De tabbaard, jongen! geeft de wijsheid," Maar 't eischt, voorwaar! al lange mouwen, Om er mijn aapjen in te houên.

De Oom

Maar 't lofdicht, dat ik had verwacht, Wijl ik de kerk zoo ruim bedacht! 'k Weet niet hoe 'k uit dien maalstroom kom; Roep den Notaris toch weêrom!

De Neef

't Is zonder heksen toch te leeren; Ik ken wel erger, die regeeren. Staat niet in 't Burgermeesters boekjen: "Wijs bij de luî, mal om een hoekjen?"

* * * * *