Liedekens Van Bontekoe En Vijf Novellen Blaauw Bes Blauw Bes T
Chapter 14
Zie, ik mag haar in dien toestand niet voorbij zien, al ben ik u de verklaring schuldig, wat hem bewoog van een' nacht onder dien schitterenden hemel op te halen; waarom zij juist toen dat tooneel gedacht.--Hoe beminnelijk zag zij er uit, Hanna met lot en leven verzoend, Hanna de vrouw, Hanna de moeder, Hanna, die nu niet langer geloofde, dat de hare heur wichtje, haar zelve van zich had gestooten! Het te vondeling leggen was een gruwel der baker geweest, die de moeder zeker had diets gemaakt, dat haar kind dood geboren was. En nu Bart, die schreide, zoo als een man schreijen mag, van weelde, van verrukking, van zaligheid, bij het zien van zijn evenbeeld, van zijn kind, dat niet bang scheen voor zijne ruwe handen, dat niet wegkroop voor zijn' harigen kus, die hem de armpjes toestak!
Hanna's gemoed, zeide ik, was vol van den keerkringsnacht. Of had Bart haar dien, in zijne kunstelooze, maar waarachtige poëzij des harten, niet beschreven, zoo als lucht en zee er uitzagen, toen hij met een' braven ouden matroos aan den steven stond te praten? Deze had afgezien naar de stille zee, en opgezien naar den stillen hemel, "die zoo wèl bij elkander pasten," zei Bart, in zijnen eenvoud, "licht beneden, licht boven, licht rondom ons."
"Stuurman," had Jaap, de oude matroos, gezegd, "is het geen afschaduwing des hemels? Ik zou niet vreemd opzien, als mijn Guurtje mij in de eeuwigheid in zulk een licht te gemoet kwam."--
Guurtje was 's mans mooije dochter, aan de tering gestorven.
En Bart--woeste, wilde natuur als hij was, had den oude willen afschepen met een: "Wat schort je, paai?" maar zijne stem was in zijne keel blijven steken. Dien ganschen dag, had hij Hanna verzekerd, was hij reeds angstig te moede geweest, al wist hij niet waarom; immers het schip liep als een pijl uit een' boog, en aan zijn werk haperde geen zier. Maar bij die woorden van den oude was hem het hart week in het lijf geworden; hij had Hanna voor zich meenen te zien, stervende ...
En het eene woord van den ouden matroos had het andere uitgelokt; maar laat ons Bart zelven laten spreken.
"En ik vertelde hem hoe goed wij het hadden--hoe lief ik jou heb; dat behoefde ik hem niet te zeggen, hij had het wel gehoord, toen ik zoo angstig uitriep: "Jaap, als haar uurtje eens geslagen is!"--want ik maakte er voor hem geen geheim van, dat je mij, vóór ik heenging, zei, dat je geloofde ... Weet je nog, Hanna, dat de tranen jou in de oogen kwamen, toen ik bij jou haperen een' voet van den grond sprong, en hoe je mij zeî, dat ik altijd zou mogen denken, dat ik je gelukkig had gemaakt, als ik je eens niet weêr zag? Toen wou ik er niet van hooren, dat je sterven zoudt; toen beloofde ik jou, dat ik je hoornen en schelpen meê zou brengen voor den kleinen Bart,--den kleinen Bart! daar is hij waarachtig!--o wat een jongen! hij grijnt niet, als zijn vader hem zoent! Hier, Hanna! ik moet jou ook eens kussen: het was "man!" toen ik weg ging, nu is het: "vaêrtje!"--Maar in den nacht, waarvan ik sprak, toen was die man een kind; zie, de datum heugt mij nog, het was de vierentwintigste September--"
"Toen ben ik bevallen, Bart!"
"Dach ik het niet al," zei oude Jaap, "dat het bijgeloof was?" "Stuurman," zei hij, "ik ben geen fijmelaar; maar was ik jou, ik ging naar mijne kooi, en ik deed een gebed, dat zal je lucht geven." En, Hanna--gelooven moet jij het, want je weet, ik geef me niet beter dan ik ben--al kon ik in de kerk den Dominé meestal in het bidden niet volgen, ook al jookten mij geene wilde haren onder den neus, wijl die mannen zulk een' schat van mooije woorden hebben, in dat gebed liepen mijne gedachten mijnen woorden vooruit. "Onze Lieve Heer zal er wel wijs uit worden," zei ik, toen ik snikkende "Amen!" sprak, "en er voor haar wel bij zorgen," want ik had Machteld-moei in mijn gebed vergeten, de sloof, die mij bidden heeft geleerd--ik vergat haar om jou."
Stel u eens voor, hoe Hanna Bart bij die woorden aanzag!
"En de Heer heeft mijn gebed verhoord; dat doet Hij altijd, als wij maar vurig bidden," voegde de gelukkige echtgenoot en vader er bij; doch hier ook braken Hanna's herinneringen op dien Sint-Nicolaas-avond af. De woorden van ouden Jaap, welke Bart er, in den overmoed zijns geluks, zoo achteloos op had laten volgen: "Tenzij het beter voor ons is, dat Hij ons de bede weigere,--zoo als Hij mij het sterfbed van mijn Guurtje deed, die ik niet weêr zal zien, vóór in de eeuwigheid--" die woorden gingen te loor in een' zucht.
En waarom?
Helaas! door den mist heen zag zij in het dok hier en daar licht op de schepen,--maar zijn schip, waar was het? Had zij dan niet vurig gebeden?
Foei, dier verbijsterende gedachten mogt zij niet toegeven. Hare kindertjes,--hun was sedert ook een dochtertje geboren,--hare kindertjes verbeidden haar te huis; de bloeden moesten toch eene kleinigheid hebben, al was haar hart meer voor rouw dan voor pret gestemd. Voort dan, voort! Daar was zij aan het winkeltje, waarin die weeûw Sint Nicolaasgoed verkocht. Bij wie anders zou zij het halen dan bij die vrouw, welke zoo sober rondkwam, die weeûw ...
Het schip was al twee maanden over den tijd uitgebleven!
En van Sint-Nicolaas-avond tot den avond vóór Kerstijd zijn negentien dagen, negentien nachten, wier lengte _zij_ kent, die wacht.
Lees voort, Hanna, lees voort! Wat zoudt gij beter doen?
Een Oost-Indievaarder op de kust is een belangrijk nieuws; want aan honderd derzulken hangt het lot van duizenden en tienduizenden, hangt schier het lot van ons volk. Als hij Texel is binnengeloodsd, dan stort hij zijn' hoorn des overvloeds in den schoot van het dankbare Vaderland leêg. Welligt brengt hij de laatste vurig verbeide tijdingen uit het gewest, waarin schier elk tegenwoordig betrekkingen of bloedverwanten heeft, en zijne lading onderhoudt onze gemeenschap met alle deelen der wereld. Wees geprezen, eiland der eilanden, dat rijken beschaamt! Of verdringt niet de Java-koffij alle andere?--de tallooze soorten der West-lndiën in Europa,--de Mocka bij Tartaar en Turk?--Of kruiden, van het eene schiereiland tot het andere, kruiden, beide Spanje en Zweden, hunne geregten niet met onzen nageloogst? Of is er _negus_ voor den Yankee zonder den geur onzer Molukken?--Laat Duitschland stoffen op zijne bietekroten, èn Oost-Zee èn Zwarte Zee begroeten om strijd koffen en brikken met de gelouterde suiker van Java belaân. Willen wij voortvaren op dien toon? Het tin onzer bezittingen ziedt in al de smeltkroezen van het vaste land, en de Java-indigo leent zoowel het gewaad der blanke dochteren van het Noorden als dat der bruine schoonen van het Zuiden zijne frissche kleur. Doch voltooi zelf de aangelegde schets: voorzeker, een Oost-Indievaarder, die te huis komt, is een verheugend, een verheffend schouwspel, door den voorspoed des lands, de welvaart des volks er aan verknocht!
Helaas, dat ik u de keerzijde van den penning moet laten zien; een schip van Java verbeid, doch dat uitblijft,--langer dan andere, te gelijk afgezeilde,--weken, maanden langer dan eenige later vertrokkene en toch reeds aangekomene bodems,--welke geheel verschillende gewaarwordingen wekt het op,--welk leed berokkent het! Het onthoudt,--zie eens, hoe aller belangen zaamgeschakeld zijn in ons burgerlijk landje!--het onthoudt zoo vele handen der smalle gemeente dagen lang werk, aan zoo vele monden dagen lang brood! Het schijnt eene streep te zullen maken door de rekening van de werf, waarop net zou zijn gekalefaterd,--het dreigt eene winstderving te worden voor makelaars en kooplieden, die de carga reeds opsomden, ieder voor zich een zóóveelste. Het jaagt de vreeze voor een aanzienlijk verlies in het hart der verzekeraars, onder welke er zijn wier evenaar wankel genoeg staat zonder dit gewigt in de kwade schaal,--en het is een doorn in het vleesch der directeuren van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, wier raming er door gestoord, wier schikking er door belemmerd wordt. We zijn er nog niet! Het ontrust tot de ministers van koloniën en van financiën, tot de hoogste ambtenaren der kroon toe; want wie hunner mag onverschillig zijn voor iets dat op de kaai, in het dok, aan de beurs, schrik en angst verspreidt? Den koning der Nederlanden, zou ik schier durven zeggen, gaat het lot van zulk een' bodem ter harte! Want de wortels der eeuwenheugende eiken, waaruit hij is opgebouwd, schaduwden, door hun omgrijpen en uitschieten, in de wouden en op het gebergte, slechts flaauwelijk de duizende slagaderen des maatschappelijken levens af, waarmeê het in aanraking kwam, waarin het greep, toen het op het Y vlagge en wimpels zwierde, --luister onzer handelsvloot, als het was!--die het zal kwetsen en stremmen, wanneer het nooit uit den schoot der wateren weêr opdaagt, --beladen als het werd met de weelde van het Oost!
En sla nu dat blad vol onheilspellende cijfers eens digt, en waag een' blik op het lot van hen, die, droomende van vaderland, vrienden, vrouw welligt, op dien bodem, onder stormen-zwangeren hemel, in stik donkeren nacht, misschien eensklaps den dood voor oogen zien,--of uren, dagen lang, beurtelings door hoop en vrees gefolterd, op eenen oceaan ronddrijven, slechts verlicht, ten einde ze zijne onmetelijkheid zouden erkennen, en het wanhopig makende ijdele gevoelen der hersenschim van redding, waarmede een enkele hunner zich nog vleit. O, de rust in den schoot der wateren is verkieslijk boven de verlenging van zulken angst!--en "de barmhartigheden des Heeren gaan over alle Zijne werken!" op het vuur en in den vloed, voor altijd en eeuwigheid,--dat staat tot onze vertroosting geschreven. Vertroosting? Ach, hunne betrekkingen, --ach, mijne Hanna!
Hooger lof heb ik voor onzen volksaard, voor de ontwikkeling der weeze, voor hare vroomheid niet, dan de betrekkelijke kalmte, waarin ik u haar schilderen mogt. Hoe verheven schijnt ze mij! Een beeld uit den vreemde zou de diepte des gevoels aanduiden, door den waanzin, waarin het onderging,--en echter, hoe hoog Hanna boven die hartstogtelijkheid sta, het ware der waarheid geweld aandoen, zoo ik het menschelijke verzweeg. Opgerezen uit haren stoel, heeft zij den Bijbel digtgeslagen, en ging zij naar het wiegje in gindschen hoek, en ligtte het kleed behoedzaam ter zijde,--haar dochtertje sliep gerust. "God zal deernis hebben met hare onschuld!" zeide zij.
En nu, daar leunt zij tegen de kribbe van haren eerstgeborene, van haren Bart,--wat aarzelt gij?--Eer zij het hoofd op haar slapeloos kussen neêr kan vleijen, moet zij hem toch even zien, hem, zijn vaders evenbeeld. Verduisterd door tranen, als ze zijn, laat zij hare oogen lang op hem rusten. Wraak het, zoo gij durft, dat de wensch haar op de lippen komt:
"Och, dat hij klopte!"
Hoe zij luistert!
Vergeefs!
"Ik zal morgen opgaan,--of God mijn geduld, mijn geloof versterken wil!"
Doe het, Hanna! Martelaresse als ge waart in uwe geboorte, martelaresse als gij dreigt te worden in den echt, doe het! En welke hoofden er zich buigen mogen,--aanzienlijken en armen, gevierden en geringen--allen, die u kennen, zullen bidden, dat op het uwe het eerst het licht dale, dat van boven is. Want wien onzer zal het zoo zwaar vallen, zich zelven te verloochenen, als gij het u zult doen in het berustende:
"Uw wille geschiede!"
1843.
* * * * *
INHOUD
LIEDEKENS VAN BONTEKOE
I 't Passeren der Linie II Roeltjen uit de Bontekoe III Louw en de Waarzegster IV De Zeilwagen van Prince Mouringh V Machteld VI Papegaaijen-deuntjen VII Wijs Klaertjen op 't ijs VIII Inkeer IX Jan Compagnie X Dieuwertjen
VERHALEN:
Blaauw Bes, Blaauw Bes! 't Is maar een Pennelikker! Marie De Ezelinnen Hanna
* * * * *