Liedekens Van Bontekoe En Vijf Novellen Blaauw Bes Blauw Bes T

Chapter 12

Chapter 123,642 wordsPublic domain

En ik vergat mijn ros te bestraffen, om den gelukkige uitdrukking harer phantasie te bewonderen.

"Dáár woont de stilte!"

Aarde en hemel was er weder in harmonie, geen wolkje zwierf langs het zuiver blaauwe luchtruim; de breede stroom deed niets dan dat gewelf weerkaatsen; de kroonen van het monarchenpaar schenen dubbel statelijk door hunne roerlooze rust.

Ik zag Marie aan; hare vingeren speelden met een medaillon.

En mijn blik rustte op het verschiet, waar de hellende heesters zoo vele waaijers schijnen, om het blinkend duinzand uit het oor te keeren. Ik verbeeldde mij, dat de veldnimfen waren ingesluimerd; immers geene wuifde; alle blanke armen waren op de mollige heup of op het frissche gras afgegleden; de zoelte had haar bevangen: ik hoorde de stilte.

Daar ging de veêr van het medaillon; er was een lok blond haar in; Marie bloosde.

"Van Willem," zeide zij openhartig; "weet gij, of hij al kadet is?"

En zij bloosde sterker.

"Ha! eene eerste liefde," dacht ik.

"Spreek er toch _mademoiselle_ niet van!" ging zij verlegen voort.

O opvoeding!

Ik sloeg het verzoek af, noch stemde het verzoek toe; ik hoorde de dorpsklok slaan, en wij keerden terug. Het ware u kwellen, zoo ik u alle pauzes deed medemaken, die er tusschen mijne vraag, of Marie nog veel naar de natuur schetste? en haar antwoord: "_Mademoiselle_ is niet sterk in het teekenen," tusschen mijn ongeloovig: "En waarin munt zij dan uit?" en haar vertrouwend: "O, zij leert mij geographie, mythologie, historie en handwerken; zij heeft reeds vele educaties geacheveerd," verliepen.

Het luiden van den bengel riep ons in de eetzaal.

Marie zat naast _mademoiselle; c'est tout dire_.

En toch heb ik nog iets op het hart.

Ik ben gastronoom noch epicurist; maar ik had liever, dat ge mij voor één van beide hieldt, dan voor een koud-waterdrinker of pannekoekeneter. Wie ook naar buiten ga, om zich te behelpen,--wie ook op het land gaarne het weinige voor lief neme,--ik ben zoo bescheiden niet. Zoo de oude kloostertucht zich de versterving aller zinnen ter taak stelde, ik word liefst op het eigen oogenblik overtuigd van de prikkelbaarheid mijner vijf. Vele spiegels--lichtkleurige wanden,--een zuivere dampkring om mij heen,--een zonnig landschap in het verschiet, waar het geopend vensterraam en de half weggeschoven gordijn een koeltje binnenlaten,--overvloed van schotels voor mij, wier verscheidenheid mij de weelde te kiezen onbekrompen vergunt--geurige tintelende wijnen in kelken, het edele vocht waardig,--vooral lieve, vrolijke, mooije aangezigtjes naast en over mij,--en, wilt gij het geheel volmaken? de malsche, ruischende toonen eener muzijk, die zich niet oorkwetsend opdringt, die tevreden is, zoo gij slechts naar haar luistert, als de zoeter stem aan uwe zijde zwijgt;--ik zie er niets zondigs in, ik acht er mijnen gastheer te humaner om, naarmate hij voor dat alles opener zin toont. Doch zult ge mij niet toeroepen:

"Ah! n'allez pas chercher midi A quatorze heures!"

zoo ik u beken, dat ik nog iets meer verlang,--iets, dat niet op den huize Duin en Dal alleen ontbreekt,--iets, dat in ons vaderland zeldzamer is dan rijkdom, weelde, overvloed?--eene gastvrouw, die toon geeft,--die het gesprek levendig houdt,--die ons, door de gaven van haren geest, de gaven der fortuin vergeten doet.

Veroordeel mij niet, voordat ge mij gehoor hebt verleend.

Wij hebben huiselijke, wij stoffen op vrome, wij zijn mild bedeeld met deftige vrouwen; ik heb eerbied voor de eerste, de tweede en de derde, schoon ik wenschte, dat alle een weinig levendiger, beminnelijker, gezelliger waren. Er is geen onfeilbaarder gids tot onafhankelijkheid, dan eene spaarzame, overleggende, naauwtoeziende huismoeder; maar het leven wordt ondragelijk vervelend, wanneer men ons zijne geriefelijkheden beknibbelt; en zoo gierigheid de wortel van alle kwaad is, zij zie toe wat zij kweekt, die haar gezin slechts onthaalt op de schrale geneugten van uit te winnen. Eene ongeloovige vrouw is zelfs den ongeloovige een gruwel. Ik laak het niet,

Dat zich door alle weêr en winden. Eenvoudige welmeenendheid Soms driemaal 's daags ter kerk doe vinden;

de waarlijk vrome is blijmoedig van aard; een heldere geest, een rein hart looft den Heer in het dankbaar genot Zijner schoone wereld; slechts zij, die zich in eene wolk van eigen heiligheid hullen, doen afstand van het zoete voorregt vreugde te verspreiden, gebogenen op te rigten. O, de mantel der waardigheid plooit zich statelijk om de kloeke gestalten onzer aanzienlijke vrouwen; waar hij ruischt, deinst de ligtvaardigheid terug, grijpt der onbedachte jeugd eene huivering van eerbied aan: ik heb te veel zin voor decorum, om hare poses bij hoogtijden en rouwbeklag niet te bewonderen. Doch het gaat der deftigheid als alles, wat niet in de natuur, wat slechts het gevolg van overeenkomst is: in het gezellig leven, in den dagelijkschen omgang lokt zij ons een "_cui bono?_" af; wie beklaagt den echtgenoot eener altijd getabbaarde matrone niet? Waarlijk, mijn eisch heeft minder onredelijks dan gij vermoeddet; in iederen stand moesten de schoonen der bevalligheden ijveriger offeren.

En zoo ik het der burgerlijke huishoudelijke niet euvel duide, dat zij _vrieg_ in plaats van _vroeg_ zegt,--dat zij van _profester_ spreekt, --dat zij _eindelijk_ met _eigenlijk_ verwisselt,--zoo ik niet van haar eische, dat zij het vervelende "_En toen zei ik_," het langdradige "_Om kort te gaan_," het babbelzieke "_Onder ons_" afleere,--mits zij van vliering en zolder naar keuken en kelder dribbele, overal het onordelijke herstellende.

Denn ein geschäftiges Weib thut keine Schritte vergebens,

mits er welvaart en voorspoed in hare woning heersche,--ik durf onbekrompener levensbeschouwing, veelzijdiger beschaving, gezelliger zin wachten bij haar, die wekelijks onze redenaars hoort,--zij, wier smaak voor alles, wat goed, edel en schoon is, de lezing van het boek der boeken verfijnen moest. En indien ik ook deze om het vormelijke, dat onze leerredenen aankleeft, om den ernst, die op het voorhoofd onzer sprekers zetelt, om het stellige, dat hun oordeel kenschetst, iets stijfs, iets ingetogens, iets wrangs ten goede houde,--zoo ik haar niet verwijte, dat de lachjes vreemdelingen in hare woning zijn,--zoo ik het haar niet toerekene, dat haar gade de uren, die hem van zijn beroep overschieten, in het koffijhuis, aan de ombertafel, onder een glas en eene pijp zoek brengt,--droef bewijs, dat Voss zich juister had kunnen uitdrukken, dan in zijn hexameter:

Lieblich und schön seyn ist nichts; ein Gottesfürchtiges Ehweib Bringet Lob und Segen!--

ik eisch bij vrouwen van hoogeren stand al de geneugten van hart en geest, opdat de verveling niet tot _maitresses_ voere.

Hoe zoude ons leven, onze maatschappij, onze letterkunde er bij winnen, indien vrouwen er eenen meer dan lijdelijken invloed op uitoefenden!

En zij zelve!

Arme Marie! die, in uwe vrijheid, eene duinroos gelijk, uwe geuren ieder voorbijsuizend windje prijsgaaft, uwe knopjes voor iederen afzwervenden zonnestraal ontsloot, waarom moest men u in eene broeikast verplaatsen, uwe weelderigste loten afsnijden, uwen schilderachtigen groei weêrstreven, uwe aantrekkelijkheid in een nevel van onbeduidende, vervelende, zoogenaamde bescheidenheid hullen? Uit milde hand deelde de natuur u drie gaven toe; zij pleegt ze zelden in hare grootste gunstelingen dus te vereenigen. U schiep zij schoon; u schonk zij geest; u ontzegde zij geen hart. Ach, hoe ligt kan het eerste en het laatste geschenk u noodlottig worden, als uwe gouvernante er in slaagt, om u van het schild, waarmede de welwillendste aller feeën u in het tweede voorzag, te berooven! U had zij het groote geheim aller conversatie ingefluisterd: gij luisterdet en gij vroegt; gij hernaamt en gij verhaaldet; gij luisterdet en gij merktet op. Hadt gij dien krans voort mogen vlechten, bloem bij bloem ware door uwe fijne vingertoppen aangeraakt; onwillekeurig hadt gij de verwelkte van de frissche leeren onderscheiden, de heelende van de vergiftige.

En nu?

Weldra zult gij in onze wereld optreden, bekoorlijk door uwe schoonheid, moeders zien het hare dochters gaarne;--aanlokkende door uw gevoel, het hart ligt buiten het bereik eener gouvernante;--begeerenswaard om uwen rijkdom o, dat gij geen bruidschat hadt! Ik zie hen in het verschiet om u heenwemelen, de hommels--neen, de gieren onzer zedelijke maatschappij: den bedaagde, wiens hart lang verstorven is, maar die geen weêrstand kan bieden aan de verzoeking, om drie winters lang van zich te doen spreken, als van den gemaal der schoonste van iedere partij, ieder feest, ieder bal;--den eerzuchtige, die weet, dat in onze dagen slechts vermogen tot gezag voert, en, mits uw goud hem tot voetstuk strekke, u vergunnen wil zijnen naam te dragen; elk ander beschermer zoude hem onder duurder verpligtingen leggen dan gij;--den lichtmis, die zijn erfdeel, zijne jonkheid, zijne geestkracht heeft verspild, en u ten echt vraagt, opdat gij, schuldelooze, verkwijnen moogt als hij, die zijne dwaasheid boet.

En gij zult kiezen, zonder oordeel, uit ijdelheid, naar belangzieken raad, en later zal uw vernuft uit de asch opvlammen, zullen uwe driften ontwaken, en gij zult strijden of vallen: u toeft een levenslange kamp.

Weleer alleraardigste, nu beklagenswaardige Marie, hoe zou ik mij durven vleijen, dat gij gelukkig zult zijn?

1839.

* * * * *

DE EZELINNEN

(EENE SCHETS UIT MIJN VENSTER)

Een korenveld, eene weide, een bosch leveren zeker streelender verschiet op, dan eene straat of eene gracht in de stad; maar hoeveel afwisselender en veelzijdiger poëzy schuilt er in de menigte welke ik binnen de muren dagelijks mijn venster langs zie gaan, dan in het gelaat van hemel en aarde, buiten!

Het was in den nazomer van het verleden jaar, dat mijne opmerkzaamheid, uit het venster de straat op en afdolende, vóór het invallen der schemering, geboeid werd door een schouwspel, dat mij dikwijls somber stemde. En echter leverde de groep een vroolijk tooneel op, dat bij wijlen zelfs dartel werd,--het waren vijf, zes, zeven ezelinnen met haren drijver.

Vrees niet voor alweder eene beschrijving eener tering; onder de studie, welke de krankte eischt, zou ik mij welligt verbeelden haar ter prooi te zijn.--Integendeel, toen ik de graauwtjes vóór de deur van mijnen overbuurman zag stilhouden,--òverburen, die ik wat meer kende, dan men het gewoonlijk zijne nááste doet--toen kwam de gedachte: "Wie zou er krank zijn, _hij_ of _zij_?" naauwelijks bij mij op, of ik zeide in mij zelven:

"Geen van beide."

Oordeel, of gij een' dier jeugdige echtelingen zoo erg zoudt hebben geacht, dat zij reeds tot ezelinnemelk hunne toetvlugt moesten nemen; beslis, dit zeg ik, als gij de volgende bijzonderheden zult hebben gelezen.

Hij? hm!--Wie, als ik, de drie kruisen achter den rug heeft, smaakt de twijfelachtige vreugde, allengs de kennissen zijner jeugd gevestigd te zien. Twijfelachtige vreugde, voorwaar! Want bij die herschepping verkeeren velen, helaas, van vrienden, dat men hen waande, in kennissen, als ik ze noemde. Een andere familiekring--hoe vervreemdt die!--Een vertrek naar elders--hoe kwijnt weldra de briefwissel, welke na verloop van het eerste jaar geheel ophoudt!--En toch behooren deze nog tot de minst smartelijke wijzen, waarop men de begoochelingen zijner jonkheid ziet vervliegen. Sommige banden worden niet langzaam door den tijd los gestrikt, gebrek aan sympathie in de beschouwing van het werkelijk leven breekt die wel eens plotseling en voor altijd af, schoon men elkander blijft zien, schoon men de kennis aanhoudt. Welk eene andere toekomst achtte ik mijn' overbuurman, achtte ik Pieter beschoren, toen ik, verscheidene jaren geleden, met hem de duinen opwandelde, en wij, op den top van dezen of genen blinkert, het dubbele lied hoorden, dat nog wedergalm vindt in mijn hart,--welk eene andere toekomst, dan zich voor hem verwezenlijkte? Toen luisterden wij, opgewonden jongeluî als we waren, beurtelings naar het landschap aan onze slinke, dat ons _ijver_ toesuisde, en naar de zee aan onze regte, die _glorie_ zong--toen spraken wij van het verleden, van degelijkheid,--toen beloofden wij, --ja, wat niet al!

Vóór drie, drie en een half jaar misschien, kwam Pieter mijne woning binnen, stoof zou het woord zijn geweest, als hij mij geruimen tijd vroeger iets dergelijks had mogen mededeelen, als hij mij op _dat_ oogenblik wilde aankondigen. Lot en leven hadden hem, voor een half _lustrum_, het is waar, op eene zware proef gesteld. Hij had hopeloos, hij had vergeefs bemind. Maar de jongeling, die, na eene teleurstelling van dien aard, niet strenger vasthoudt aan al wat hij vroeger hoog en heilig achtte, heeft hij waarachtig lief gehad?

"Ik wou je toch eens komen vertellen, dat ik geëngageerd ben," zei hij, dood bedaard.

En wij waren elkaâr reeds zoo vreemd geworden, dat ik verpligt was te vragen:

"En met--?"

"De dochter van ----" en eenige kwaliteiten volgden.

Ik was niet genoeg vriend meer,--vergun mij te zeggen: ik heb te strenge begrippen van vriendschap, om in te houden, wat inij uit het hart op de tong kwam:

"Dat is anders dan met Elise--"

"Och--wat--ja!" hernam hij, eene phraséologie, waartoe hij reeds dikwijls zijne toevlugt had genomen, als ik hem sedert zijn blaauwtje, zijn wankelen, zijn hinken op twee gedachten verweet. Hij was nog niet zóó ver gekomen, om te beweren: "dat men transigeren moet, om in het practische leven nuttig te zijn;" enz., enz. Hij begreep, dat hij toch iets ter gunste van zijn meisje zeggen moest, en liet er zich verstandiger over uit, dan hij gedaan zou hebben,--ware hij verliefd geweest.

En voor Pieter, die, een half jaar na zijn engagement getrouwd, mijn overbuurman was geworden; voor hem zou de drijver daar het balsturigst paar ezelinnen uit den hoop, ongezeggelijk en zaämgekoppeld als het was, aan die ijzeren leuning vastbinden? Hij zou krank zijn, hij, wien de aanstaande schoonpapa eene geschikte partij had gevonden, al dreef hij een beetje oppositie, "oppositie was immers tegenwoordig de weg om er te komen?" Pieter, wiens grieven tegen onzen tijd de valkenblik van den oude teregt niet zoo zwaar had geacht, dat een lucratieve betrekking die niet zou kunnen genezen; Pieter de tering? bah!

Was _zij_ dan welligt lijdende? wie het geloofde, niet ik. Het toeval, --waarom het verheeld?--het toeval, dat door mijne nieuwsgierigheid niet zoo heel toevallig was, had mij spoedig zijne Louise leeren kennen. Alles wat zijne vroegere en latere geliefde gemeens hadden, was de uitgang van den naam _en_ ise. Twee meer verscheiden meisjes zijn naauwelijks denkbaar. Of het onderscheid louter dáárin had bestaan, dat de eerste eene brunette, de laatste eene blondine was! Maar Elise, levenslust, plaagzieke dartelheid,--liefde--innige, vurige liefde; maar Louise, onberispelijke vormen bij volslagen vrijheid van hart, om niet te zeggen afwezigheid van gevoel! Ik zag haar bij het stilstaan der graauwtjes vóór mij, zoo als ik haar had gezien den dag, waarop hun huwelijk werd voltrokken,--den dag, sedert welken ik weinig meer van haar hield. Pieter had mij verzocht zijn getuige te willen zijn,--zóó iets weigert men niet.

Er was echter veel, dat haar verontschuldigde, bij de plegtigheid niet over aangedaan te zijn geweest.--Het ware onbillijk van mij, zoo ik het verzweeg.

Vóór alles, zij was moederloos: de weeze had de zoetste betrekking weinig of niet gekend. Op een paar vermaarde pensionnats was zij door haar koel temperament beveiligd voor--het woord _besmetting_ is wat hard; en toch geve God, dat wij nooit een zachter leeren gebruiken voor die ontreiniging der gedachten, welke het gevolg is van overprikkelde, onmaagdelijke nieuwsgierigheid. Arm kind, dat zij voor die strenge kuischheid van zin, welke haar van de geheimen harer gespelen afkeerig maakte, niet in een ander opzigt, niet door de verzuimde ontwikkeling van haar hart had geboet! Wien konde zij lief hebben, wien leerde zij beminnen? Een' vader, dien zij zelden zag; die haar, toen zij de school had verlaten, verzocht bij zijne gastmalen als vrouw des huizes te ontvangen, en die haar uithuwelijkte--om zelf weêr te trouwen?

En de ceremonie!

Het was eene dubbele, zoo als er bij alle fatsoenlijke huwelijks- voltrekkingen te onzent plaats grijpen, sedert de invoering van den burgerlijken stand,--die eene voortreffelijke inrigting zoude zijn, als wij haar niet zoo _mir nichts, dir nichts_ met huid en haar hadden geslikt; als wij haar gewijzigd hadden naar onze zeden. Een huwelijk is in Holland nog niet louter _un contrat civil_, de hemel zij er voor geloofd! "Dan sukkele de kerk den staat achterna!" schijnt het stelsel; maar hoe die verdeeling den indruk verzwakt: God, in Christus onze Vader, volgende op dat heidensche opperwezen, 't welk eigenlijk niemands God is!

Het formulier naar de wet had echter op Louise, op ons eenigen indruk kunnen maken, ware het voorgelezen, zoo als onze moedertaal hoogtijden spreekt, kernig, met nadruk, uit het gemoed. Maar al had een afstammeling van Oud-Hollandschen huize de voordragt op zich genomen, het was geen Hollandsch wat wij hoorden. Spreek mij niet van Gallicismen; de Gallomanie deed de toppen der vingers tintelen van ergernis; het was of zij ons trok bij de haren.

En de griffier raffelde de acte over--als wenschte hij dat niemand meer trouwen mogt,--om hem de moeite te besparen.

De inzegening had in de Wale-kerk plaats;--daar bruidegom noch bruid nazaten van _réfugiés_ waren, vergoedden geene familieherinneringen het onhartelijke der vreemde taal. Noem dit niet bekrompen, bid ik u. De mindere innigheid van het Fransch komt doorslaande uit, als gij de huwelijksformulieren der hervormde gemeenten in beide talen vergelijkt.

Zie, ik vergaf het Louise, dat er ook dáár geene tranen in hare oogen kwamen. Maar dat zij, na den afloop van het feest, zóó hartstogteloos, zóó kalm, in het reisrijtuig stapte, als ware zij nogmaals naar het _pensionnat_ gereden, hadt gij het haar ten goede gehouden? Ik wil uwe beslissing niet vooruitloopen; maar ik vermoed, dat gij het er met mij voor hadt gehouden, dat niet ten haren behoeve het graauwtje haren uijer aan de vingers des drijvers prijs gaf; het graauwtje, welks veulen intusschen zijn' ruigharigen kop achteloos op haren schouder neêrvlijdde.

En toch bleef ik met ongeveinsde belangstelling voortstaren; en toch wenschte ik het glas melk, dat de dienstbode weldra naar binnen bragt, al de heilzame, al de genezende kracht toe, welke het bleeke vocht der ezelinnen ooit op een' kranke uitoefende. Want, nog altijd uit het venster ziende, greep mij eene vrees aan, welke mij huiveren deed.

Ik had Pieter en Louise, sedert zij mijne buren waren geworden, tweemaal bezocht. Hoe anders had ik hen de eerste dan de laatste maal aangetroffen!

Luttel weken na hunne tehuiskomst van hun speelreisje was ik het paar gaan zien. De indruk, dien het bezoek bij mij achterliet, was verwant aan dien, welken de schilderijen van een' negentiende-eeuwschen ter Burg zouden maken. Het behangsel der kamer, waarin ze mij ontvingen, wedijverde in helderheid van kleur met de rosetten van het plafond;--het lichtbruine mahonyhout der huisraden schitterde mij tegen,--de fijngeslepen kerken kaatsten den fonkelenden morgenwijn in het kristallen blad weder;--Louise droeg een zijden kleed. Maar de glans der vreugde, die mij uit hare oogen had moeten toeblinken; maar de blijdschap, welke Pieter had moeten gevoelen, dús gevestigd, zóó gelukkig te zijn; maar de geestigheid, die kruiderij des gespreks; maar de lach, dat zout der zamenleving, ik zag er te hunnen huize even vergeefs naar om, ik hoorde er die even weinig, ik smaakte ze er zoo min, als gij het op de stukken van onzen eersten satijnschilder doet. De overeenkomst ging verder; Louise was niet minder statelijk dan zijne slanke jonkvrouwen; maar gij hadt dat deftige evenzeer bewonderd, zoo gij slechts haren rug, en niet haar gelaat, hadt gezien. Pieter staarde in den wijnkelk, met denzelfden ernst, dien zijne gemusqueerde allonge-paruiken onderscheidt, en van welken ge toch, hoe lang gij naar de meening gist achter zulke oogen verscholen, niet meer begrijpt, niet wijzer wordt, dan dat zij den wijn bekijken.

"De mensch en sal by broodt alleen niet leven," zegt de Schrift. Hoe mij die woorden invielen bij de leêgte van al de pracht, voor welker verzoeking Pieter was bezweken!

Er waren maanden verloopen, zes, acht maanden welligt: daar verraste mij eene heugelijke tijding, daar volgde eene uitnoodiging,--ik trad andermaal de woning van het paar in. Hoe was alles verkeerd! Louise zat in eene weelderige _chaise longue_; een Dou onzer dagen zou zich vermeid hebben in de schildering der niet al te breede kant, welke haar bleek kopje en hare bleeker handen, welke haar mutsje en haar kleed omgolfde; hij zou regt hebben gedaan aan de stille weelde, waarin hare oogen dreven, zwommen, zoo gij wilt. Voor het eerst was zij bezield; behoef ik te zeggen, dat zij voor het eerst schoon was? En ook Pieter leverde eene figuur op, het penseel van den schilder der _Kraamkamer_ waardig. Er was niets uitgelatens in zijne verrukking; de zon der vreugde had meer gedooid dan gezengd--ook de groote Gerard hield van eene waardigheid, die de grenzen van het stijve naderde. Onder het roeren van den kandeelstok werd de eerstgeborene binnengebragt; het mogt mij niet van het hart er voor uit te komen, hoe dikwijls ik den dollen wensch voedde, dat kinderen zóó ontwikkeld geboren werden, of zij drie jaren oud waren. Hoe gelukkig was Louise met haren zoon--hoe hechtte zijne hulpeloosheid haar aan het wicht! Wijze natuur! Ik zag beide trots en schroom in de zijdelingsche ontblooting haars boezems, toen zij het kind de borst gaf; hare oogen gingen heen en weder tusschen Pieter en de kleine--en haar gade knikte haar toe--zij hadden nog kans op geluk.

Ik weet niet, of het u als mij in het scheppingsverhaal van Mozes heeft getroffen; maar ik las nooit zonder aandoening, hoe de oudervreugde de uitdrijving uit het paradijs verzoette. Ik dacht er dat uur aan!

Helaas, was het voor hun kind, dat de graauwtjes aan de overzijde stil stonden?

Den volgenden morgen was ik er zeker van;--het jongsken scheen, sedert zijne spening, geloof ik, in eene kwijning te vervallen, tegen welke de arts het gebruik van ezelinnemelk had aanbevolen.

Maar, zoo mijn blik den volgenden avond, en dagen daarna en weken lang op ongeveer hetzelfde uur getrouw het venster uitzwierf, om den drijver met zijn zes- of zevental langs te zien komen, getrouwer nog ligtte Louise in hare zijkamer het gordijntje op, de graauwtjes nu eens ongeduldig te gemoet starende, dan weder door hunne niet zoo vroeg gehoopte komst verrast. Hoe wettigde, helaas, de voortdurende onzekerheid over den toestand haars kinds dien angst en die hoop!

En zie hier de gedachten, door de komst dier ezelinnen opgewekt; de mijmering, waartoe zij uitlokten: