Lente

Part 4

Chapter 43,968 wordsPublic domain

Niets is minder waar. Lampe is inderdaad een van de vroolijkste en dartelste dieren, die er bestaan. „Dol als een haas in Maart” zegt de Engelschman, die hem zeer van nabij kent. O! wat kunnen die hazen in ’t voorjaar een pret maken. Ik heb er gezien, die heel in hun eentje rondrenden door de natte wei, alsof de heele wilde jacht hun op de hielen zat. Dat was een zwenken en draaien en buitelen zonder ophouden en bliksemsnel, en als het dier door drasse plekken rende, dan spatten de glinsterende droppels hoog in de lucht.

Een andermaal zag ik uit den spoortrein een drietal, dat de zotste capriolen maakte op een weiland tusschen Halfweg en Sloterdijk, maar het mooiste, wat ik van hazenlevenslust gezien heb, was een gevecht tusschen twee mannetjeshazen in den Achterhoek.

Zij streden heel alleen, in ’t midden van het woud, net als meer dan duizend jaar geleden Roland en Olivier kampten op hun eilandje in de Rhône. En ’t was meenens ook. Ze renden op elkaar aan, pakten elkaar met de voorpooten, hieven zich aan elkander op, totdat beide op de achterpooten stonden, en dansten toen een paar maal rond, terwijl ze elkaar met de voorpooten oorvegen gaven, dat de donzige haarvlokken in ’t rond vlogen.

Dan rolde er een om, raapte zich zelf op en rende weg, de ooren flapperend om het hoofd, nummer twee hem achterna en daar ze even hard konden loopen, duurde het langen tijd, eer ze weer handgemeen raakten. Gedurende den ren gebeurde het drie of viermaal, dat de een over den ander heen sprong.

En dan begon het duel weer met dof dreunende slagen, oogen fonkelend van haat en woede, de gespleten bovenlip trillend van verontwaardiging, de groote snorren wijd uitstaand en bloed mildelijk vloeiend langs de behaarde wangen.

Of het wreed is, om daar met genoegen en half stikkend van ’t lachen naar te liggen kijken? Neen hoor, ik zou wel durven wedden, dat die hazen zelf later met genoegen aan dit uurtje gedacht hebben en dat ze met hun lidteekens even ingenomen zijn als een flinke jongen met zijn ontvellingen, builen en blauwe plekken.

Al vroeg in April hebben de hazen jongen; twee of drie van die donkerbruine bibberende wezentjes in het korte gras kunt ge altijd op een wandeling door de binnenduintjes verwachten.

De velden aan den duinkant vertoonen dag aan dag nieuwe kleuren. Toen op ’t einde van den winter de elzen in de smalle singels, die de akkertjes omzoomen, in bloei kwamen, lag de grond nog verborgen onder dichte lagen van dekriet, in het najaar door bezorgde handen er over gespreid. Alleen op een enkele plek werd het weggeruimd, om aan de lieve blauwe leverbloempjes, de hepatica’s, gelegenheid te geven, hun sierlijk kelkje te ontplooien.

En het scheen, alsof met het wegnemen van dat eerste dek de betoovering geweken was. De kracht van den winter was gebroken. Dag aan dag werd nieuw dekriet weggeraapt. Ten laatste dekte slechts een ijle laag de groene spruiten en toen ook die verdween, kwamen zij voor den dag, de dikke proppen der hyacinten, de spits ineengerolde bladeren der tulpen, de platte groene reepen der narcissen, de puntige groeipieken van de crocusjes.

Wonderlijk was het om te zien, hoe in weinig dagen, hoe in enkele uren de bleeke spruiten, die in duisternis waren gegroeid, een gezonde groene kleur kregen onder den invloed van het zonlicht. En dra komen nu ook de bloemen voor den dag: eerst de vroege gele crocusjes in dichte bossen, dan vroege hyacinthen, Duc van Thol tulpen, gele narcissen, weer andere hyacinthen, tulpen, blauwe druifjes, scilla’s, vakken van rood en wit, blauw en rose, geel en van dat donkere blauw, dat op een afstand zwart lijkt.

Soms lijkt het, alsof de kweeker met opzet zijn soorten zoo geplant heeft, dat ze een passende omlijsting krijgen, hier lichtgroene wei om vurig rood tulpenveld, ginds donkerbruin bosch achter witte en gele crocusjes en narcissen, of een streep van gelend dor oeverriet langs een veld van blauwe hyacinthen.

Door heel Holland worden door deze bloeiende bollenvelden de stedelingen naar buiten gelokt. Zoo hebben wij dan onze tulpen- en hyacinthen-dagen, evenals de Japanners hun chrysanthemumfeesten. Wel is waar gaat het feestelijke vaak verloren door de drukte en ’t gedrang, door de fiets, die niet meer voort wil, door den trein, die zelfs in zijn beestenwagens geen reizigers meer bergen kan, door gebrek aan drinken en proviand, maar dat zijn kleinigheden, die bij een betere inrichting kunnen verdwijnen.

Heerlijk is het, dat al die duizenden menschen zich moeite en ontbering getroosten, om bloemen te gaan zien en buiten te zijn. En van zelf wordt niet alleen aandacht geschonken aan de tulpen en hyacinthen, narcissen en crocussen, dat toch eigenlijk maar bonte vreemdelingen zijn, doch ook aan de boomen en bloemen van eigen bodem, die in deze dagen ook op hun schoonst zijn.

De boomgaarden kunnen gerust de vergelijking met de bollenvelden doorstaan. De pereboom zag den heelen winter zwart en knoestig met tallooze kleine dikke rimpelige bochtige takjes die ieder eindigden in een bruinen knop. Maar met de eerste lentedagen strekten zich de bruine knoppen, en langzamerhand werden ze heel lichtgroen bij wit af, zoodat het in den maneschijn leek, alsof de boom reeds in bloei stond. Nog enkele dagen van zonneschijn en regen, daar gingen ze werkelijk open en nu is de boom overdekt met duizenden mooie, groote, spierwitte bloemen, ieder met een hartje van donkerbruine helmknoppen op spierwitte meeldraden. Vijf lichtgroene stijlen zitten midden in en komen eigenlijk reeds vóór ’t opengaan van de bloem te voorschijn.

Dan volgen de kers, een mooier boom dan de peer, met breeden kroon en sierlijke rechte twijgen. De dikke knoppen zitten dicht opeen, behalve waar vraatzieke, balddadige vinken ze gehavend hebben. Wanneer ze opengaan, komen de groepjes van drie, vier langgesteelde min of meer hangende witte bloemen te voorschijn in zoo groot aantal, dat de donkere twijgen geheel onzichtbaar worden. Laat nu de zon er in schijnen, dan vervult honiggeur den omtrek en de heele boomgaard ronkt en gonst van de ontelbare bijen, hommels en vliegen, die onverpoosd af en aan vliegen, de vleugels flikkerend in den zonneschijn.

Heerlijk is het, op te zien naar dien rijkdom en overvloed, maar onwillekeurig komt naast de bewondering de bezorgdheid op, dat nachtvorsten of hagelslag den boom zullen deren en ons berooven van de zoete vrucht, die ons op zijn minst even lief is als de schoone bloesem. Hetzelfde gevoel bekruipt ons bij perzik en abrikoos, dat ook teere vreemdelingen zijn en wier bloesem zorgt voor kleur in den boomgaard, naast al het wit van peren, pruimen en kersen. Een perzikschutting op een zonnigen Aprilmorgen is voor vrienden van warmte wel het lekkerste wat er in het voorjaar te bedenken is; beschutting, warmte, bloemenpracht, geur en het vertier van de mooiste en kleurrijkste bijtjes van het voorjaar. Eindelijk komen ook de appels in bloei en weer is het moeilijk om te zeggen wat mooier is, de nog niet ontloken knop of de wijd geopende bloem. Die knoppen lijken luchtige ballonnetjes van dof papier met fijn rose beschilderd, zoo vroolijk en teer, dat het jammer is, als ze opengaan. Maar de bloem ligt zoo mooi uitgespreid en de gele helmknoppen stralen op hun witte meeldraden zoo heerlijk naar alle kanten, dat ook dit weer een lust voor de oogen is. En zelfs het uitbloeien is mooi, wanneer de honderden kleurige blaadjes door den voorjaarswind worden losgeschud en neerdwarrelen op het frisch groene gras en op de blauwe eereprijsjes.

Van den boomgaard naar het bosch is maar één stapje. Daar zijn we niet geweest sinds de larix in bloei kwam in de buiige Paaschweek. Nog is hier en daar iets van zijn bloesem te zien, maar weldra worden de roode kegeltjes vaalgroen en raken ze verborgen tusschen de dichte proppen van heldergroene naalden.

Maar nu worden de sombere sparren vroolijk. Ze laten dunne, bruinachtige vloeipapiertjes wegfladderen naar alle kanten en wat eerst bruine knoppen waren, worden nu gele kogeltjes en roode torentjes, die overheerlijk uitkomen tusschen het donkere groen der naalden van de vorige jaren.

De roode torentjes zijn de bloesems, die later de sparappels zullen opleveren. Rechtop staan ze, aan het einde der takken, het meest en het grootst nabij den top van den boom. Ze zijn opgebouwd uit vleezige, paarsroode kussentjes en onder elk kussentje vindt ge de twee lichtgroene, bijna witte eitjes, die later zullen uitgroeien tot het gevleugeld sparrezaad.

Aan andere, ook wel aan dezelfde takken zitten heele risten van gele bolletjes, opeenhoopingen van meeldraden, waaruit ontzaglijke hoeveelheden stuifmeel te voorschijn komen. Wie in een spar klimt, om een tak met den mooien rooden bloesem te bemachtigen, wordt door dat stuifmeel bepoederd als een molenaar.

Op stille heldere dagen, wanneer de grond door de zon sterk verhit wordt, stijgt de warme lucht langs de sparren omhoog en dan neemt deze luchtstroom, die lang zoo zwak niet is, als gij wel denken zoudt, het gele stuifmeel mee en dan kan het door hoogere luchtlagen uren ver worden weggevoerd. Een stuifmeelkorrel van een spar is daar volkomen op ingericht, hij is voorzien van luchtblazen en drijft daarop gemakkelijk weg.

Ofschoon in ons land niet zooveel sparren groeien, dat hun stuifmeel zooals elders soms duimdiep den grond bedekken kan, zoodat men van een zwavelregen spreekt heb ik toch wel in sommige bosschen heele plekken aangetroffen vol geel stuifmeel, dat door het regenwater bijeen gespoeld was.

De grove den, die een paar dagen later in bloei komt dan de spar, levert wel de grootste hoeveelheid stuifmeel. Ieder kent de groote lichtgele proppen, die ieder jaar in ’t begin van Mei of soms reeds in de laatste week van April zich vertoonen aan de uiteinden van de dennetakken. Niet heelemaal aan ’t einde evenwel, want buiten de gele prop steekt nog een licht grijsgroen takje uit, dat dicht bezet is met naaldparen, nog ten halve verborgen in hun vliezige scheede.

Aan andere takken zitten niet anders dan deze grijze eindjes, zonder dikke meeldraadprop en weer aan andere eindigt het nieuwe twijgje in twee of drie, soms meer, aardige ronde roode bolletjes op een dik rechtopstaand steeltje. Wie die roode bolletjes goed bekijkt, merkt dat zij weer uit dikke schubjes zijn samengesteld en dat daartusschen evenals bij de spar paren van kleine heel lichtgroene eitjes liggen verborgen. Het zijn de vrouwelijke bloesems.

Wie ’t niet weet, zal jaar in jaar uit door ’t dennebosch gaan, zonder ooit die vrouwelijke bloesems op te merken, maar wie ze eenmaal kent en aardig vindt, ziet ze reeds van verre in de Meizon tintelen in het hoogste topje van de rosse dennen. Heerlijke boomen, die dennen! Onderaan zijn de dikke stammen dicht bedekt met groote, dikke, bruine schubben, waarover vaak een blauwachtig waas ligt, hoogerop worden stam en takken rossig warm roodbruin, soms bij oranje af en de dichte naaldenmassa’s van de kroon vertoonen alle tinten van groen, somber donker groen van oude drie- of vierjarige naalden, mooi wazig zeegroen van de jongere en overal de jolige lichte kaarsjes van de nieuwe lenteloten er tusschen. Schitterend rood van de vrouwelijke bloesem, helder geel van de meeldraadmassa’s maken den „ouden somberen pijn” tot een der vroolijkste uitingen van ’t voorjaar.

En als bij zachten oostenwind en helderen hemel de droge warme lucht door de kronen strijkt, dan knallen de dennenappels, die ’t vorig jaar rijpten, open en strooien de licht gewiekte zaden door de lucht. Tegelijk verrijzen wolken stuifmeel uit de meeldraadproppen en zoo lijkt het dan, alsof de boom een lustig knallend vuurwerk afsteekt ter eere van den lieven Mei.

Zoo viert iedere boom zijn lentefeest. De beuken beginnen ook al vroeg in ’t voorjaar, maar niemand let er op. Toch is het heerlijk, om te zien, hoe de dofbruine wintertint van twijgen en knoppen gaandeweg overgaat tot warmer toon. Er schijnt meer blauw en rood in ’t bruin te komen, vooral in de schors der jongere takken en daardoor kunnen dan de beukenkronen zoo warm en prettig afsteken tegen het strakke koude blauw van den Maartschen hemel.

Dat duurt zoo tot in April en dan komt er ook beweging in de lange spitse knoppen. Ze worden merkbaar grooter, zwellen en rekken zich uit, zoodat aan iedere knopschub een lichter randje komt.

De ingewijde kan nu reeds de knoppen, waaruit bloeiende twijgen te voorschijn zullen komen, onderscheiden van de gewone en de niet ingewijde moet maar geduldig wachten, totdat zij opengaan. Lang wordt zijn geduld niet op de proef gesteld, want de eerste de beste echte Aprilregen jaagt al het groen de knoppen uit. April doet, wat hij wil.

Het kan soms dagen achtereen droog en koud en schraal zijn, zoo koud, dat de pas ontloken voorjaarsbloemen zich niet openen, dat de bijen in hun korf blijven, zoo droog, dat de nieuwe blaadjes verwelkte randen krijgen en de uitgestrooide zaden werkingloos blijven liggen in de verstuivende aarde. En de mopperaars onder ons spreken schamper van de Hollandsche lente.

Maar nu krimpt de wind en vermindert in kracht. Zware, mooi donkere wolken bedekken de strak blauwe lucht en weldra ruischt een regentje omlaag, zoo zacht en malsch, warm en levenwekkend, als dat alleen in April en Mei gebeuren kan. Met een tooverslag wijkt de stugheid, die plant en dier bevangen hield. De grond zelve wordt levendig en zuigt zingend het frissche water in.

De bloemen blijven gesloten, maar je kunt het ze aanzien, dat ze, wanneer de bui over is en de zon weer schijnt, hun schade zullen inhalen van de verloopen dagen. De grasbladen, die in de droogte ineengekruld waren, ontplooien zich en dadelijk is de weide groen. De knoppen van boomen en heesters zwellen zichtbaar, en dat de meidoornhaag na den regen ineens geheel en al groen is, komt niet alleen doordat het stof van de groene knoppen is weggespoeld, maar ook doordat er nu dubbel of driemaal zooveel groen uit de knopschubben puilt dan voorheen.

Nu laten ook de knopschubben van den beuk los en uit de knoppen komt een harig slap takje, bezet met keurig gevouwen en geplooide blaadjes, ieder nog eerst tusschen twee rose steunblaadjes besloten. Maar spoedig laten die los en nu is eenige dagen lang de boschbodem bedekt met de fijne rose schubjes. De blaadjes ontplooien zich en maken van iederen beuketak een grooten heldergroenen waaier.

Aan sommige takken hangen vele fijne langgesteelde kwastjes, dat zijn de meeldraadbloemen en met eenig zoeken vindt ge ook de vrouwelijke bloemen, die later de lekkere beukenootjes zullen opleveren en nu ruige groene knopjes zijn met een paar dikke, gekronkelde stijlen en stempels.

Als de beuken eenmaal het voorbeeld gegeven hebben, dan volgen ook de eiken. Die houden hun dikke bruine knoppen al heel lang dicht, maar als de zoele dagen komen, dan komt ook in ongeloofelijk korten tijd hun groen te voorschijn, de welbekende bochtig ingesneden eikeblaren en daartusschen een overvloed van sierlijke slanke meeldraadkatjes in bosjes bij elkaar.

De vrouwelijke bloempjes, die eikels moeten worden, zijn kleine groene knopjes, die bij twee of drie op een steeltje aan den top van de jonge twijgen zitten, juist waar ook de nieuwe bladeren het dichtst bijeen staan. Maar ze vallen heel niet in ’t oog, de meeldraadkatjes echter zijn zoo lang, zoo talrijk, zoo licht van kleur, dat ze zelf den meest oppervlakkige niet ontgaan. Ze vormen een cascade van groen, een ragfijnen sluier om de knoestige stammen en bochtige takken van den „reus der wouden”, die zich tusschen twee haakjes heel dikwijls voordoet als een kleine vroolijke boschnymph, die ge ieder voorjaar in ’t kreupelhout kunt ontmoeten.

Nauwelijks zijn de groene eikeblaadjes ontplooid, of allerlei gedierte probeert den boom van zijn frisschen tooi te berooven. Bij duizenden komen de dikke meikevers uit den grond, vliegen met dof gegons in de eiken en vreten dag en nacht van het jonge groen. Millioenen kleine kevertjes helpen mee en als deze ontbreken, dan zijn er altijd nog de kleine rupsjes, die het blad ineenrollen en zich zoodoende schuilplaats en voedsel tegelijk verzekeren.

Aan de toppen der takken ontstaan groote gezwellen, die op aardappels lijken en waarin dozijnen kleine wespenlarfjes hun voedsel vinden en ook in ieder glanzig groen bolletje aan blad of bloesem huist zoo’n vraatzuchtige galwesp-larve. Waar de eik een wondje in zijn schors heeft, daar vloeit het zoete voedingssap mild uit en daar komen den heelen dag zwierige vlinders, groote rosse en gele wespen en groote kevers van snoepen. Het aantal dieren, die voedsel halen bij den eik is legio.

En het mooiste is, dat al dat gevreet en gezuig en geboor den boom in ’t minst niet schijnt te schaden. Zoo gauw de kevers en rupsen de bladeren wegvreten, groeien er ook weer nieuwe aan. Alleen wanneer bij uitzondering het aantal der belagers van duizenden toeneemt tot millioenen en billioenen, dan staat hier en daar een eikeboschje een paar weken bladerloos.

Nog eerder zou dat gebeuren, indien niet tegelijk met de vraatzuchtige insecten ook hun verdelgers in ’t land kwamen.

Tjiftjaf en fitis scharrelen den heelen dag door het geboomte, om de kleine rupsjes te bemachtigen, bijgestaan door allerlei mooie en aardige helpers, die in April uit het Zuiden hierheen komen.

Daar is in de eerste plaats het roodstaartje, dat prachtige vogeltje met de roode borst, zwarte keel, wit voorhoofd en blauwen schedel en nek. Die blauwe kap heeft hem ook den naam van blauwpaapje bezorgd, maar die trekt toch niet zoozeer de aandacht als het roode staartje, dat ieder keer, als de vogel opvliegt, als een klein vlammetje achter hem aan komt en nog een poosje op en neer blijft trillen, als het dier zich op een hek of twijgje heeft neergezet.

Het wijfje is grauwachtig bruin van kleur, met mooie vlekjes en streepjes, maar het vertoont toch ook de roode staart en ook hebben beiden, mannetje en wijfje, de groote, schitterende oogen, die een kenmerk zijn voor alle leden van de nachtegalenfamilie, waartoe de roodstaart evenals de roodborst de eer heeft te behooren.

Die prachtige roodstaart zingt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. In de vogelwereld beteekent dat van een uur voor zonsopgang tot het einde van de avondschemering. Alleen zijn zij het er niet over eens, wanneer de avondschemering eigenlijk eindigt. Daar het roodstaartje gaarne in holen nestelt of in dichte klimplanten, kunt ge meestal wel zijn huishoudinkje vlak bij het uwe hebben en het is een groot genot, na te gaan, hoe die dieren hun nest bouwen, hun jongen groot brengen en daarbij nog altijd gelegenheid vinden, om zich te amuseeren door aardige vliegkunsten en lustig gezang. Dat ze daarbij uit pure dartelheid den zang nabootsen van schildvink en winterkoning en daardoor vooral den laatste tot koddige boosheid prikkelen, zal natuurlijk niemand hun kwalijk nemen, veeleer het hun aanrekenen als een verdienste. Waar zou het heen moeten, als je nooit eens iemand plagen mocht?

Een andere plaaggeest is de spotvogel, die komt weer iets later dan het roodstaartje en behoort niet tot de nachtegalengroep, maar tot de verwantschap van tjiftjaf en fitis. Hij vertoont dezelfde kleuren: groengrijs en geelgrijs, maar hij is wat grooter van stuk en dadelijk aan zijn zang te herkennen.

De tjiftjaf zingt bij herhaling zijn twee- of drietal vaste toontjes, de fitis kweelt zijn half blijde, half weemoedige melodie, de spotvogel galmt den heelen dag een opgewonden lied met snelle loopjes, telkens herhaald en hooge, scherpe, haast snerpende tonen, die door geen enkelen anderen vogel zoo worden voortgebracht. En daartusschen door vlecht hij al de geluiden, die hij in zijn leven gehoord heeft van nachtegalenzang tot scharensliepgekras.

Wanneer hij pas is aangekomen, kunt ge hem makkelijk zien, want dan zijn de boomen nog niet dicht in blad. Soms zit hij in den hoogsten top, dan weer een meter of zoo lager, maar altijd ferm en brutaal rechtop, met zijn kop in den wind en als hij in zangdrift den bek wijd openspert, kunt ge de oranje tong en het oranje verhemelte zien.

Er komen wel Engelschen van over de zee, om dezen zanger te zien en te hooren. Het is wel merkwaardig, dat deze vogel, die ieder jaar de reis heen en terug naar Centraal Afrika doet en in Frankrijk, België en Holland in overvloed nestelt, er niet aan denkt, om eventjes het Kanaal of het Nauw van Calais over te steken, om zich te vestigen in het gastvrije Albion, waar ze in ’t eerst wel altijd zijn nestjes zouden uithalen, maar hem overigens met open armen ontvangen.

Het nestje van den spotvogel is dan ook een van de mooiste dingen ter wereld: zoo mooi komvormig afgewerkt, zoo fijn bekleed van buiten met korstmos en spinrag, van binnen met vezels en pluisjes en dons. En daar liggen dan vier, vijf of zes eitjes in van het liefelijkst rozerood, gespikkeld met bruinroode stippen, heerlijk om naar te kijken, maar je moet ze eigenlijk niet aanraken.

Een bloeiende sering, jasmijn of vlier met een nest van een spotvogel er in is wel het mooist denkbare sieraad van tuin of park. In esschen en kastanjes of hulsten willen zij ook wel komen, maar ik geloof toch, dat zoo’n gewone vlier hun nog het liefst is.

Soms zit uren achtereen nabij of in den top van lage boomen of hooge heesters een andere vogel te orgelen en te vedelen, die als musicus den spotvogel wel overtreft, maar door zijn grauwe kleur en verborgen levenswijze weinig wordt opgemerkt.

’t Is de tuinfluiter, bruingrijs van boven, lichter aan de onderzij en met blauwachtige pootjes. Hij maakt een mooi ijl nestje in de lage struiken en zingt een mooi lied dat door volheid van toon dikwijls herinnert aan den merelzang. Maar hij zingt veel langduriger en vlugger dan de merel en verdient gerust evenzeer geprezen te worden als de veel bewonderde goudsnavel.

Nog mooier zingt in parken en tuinen de zwartkop-grasmusch, die we maar liever het zwartkopje zullen noemen, want zoo’n rare onhandelbare naam is nog altijd voor een goed zanger een leelijke sta-in-den-weg. Zwartkopje komt soms al vroeg, maar het is pas in ’t laatst van April, dat zijn heerlijk lied en aardige vliegtoeren de aandacht beginnen te trekken.

Het satijnig zwarte kopje, de spierwitte keel, de mooie bruingrijze tint van den rug maken dit vogeltje tot een zeer bijzondere verschijning. Zijn nest ligt meestal in lage heesters, maar hij houdt er van, in de hooge boomen heen en weer te vliegen in mooie bochtige lijnen van tak op tak. Ons volk kent hem weinig; bij de Franschen, Duitschers en Engelschen schijnt hij zich meer in de gunst van het publiek te verheugen.

Des te meer hebben wij met de zwaluwen op. De ooievaar, de zwaluwen en de koekoek, dat zijn bij ons de echte vogels van de lente. En de zwaluw bij uitnemendheid is wel de boerenzwaluw, de mooie staalblauwe vogel met het roodbruine voorhoofd, de roodbruine keel en de enorm lange buitenste staartveeren.

Als die weer eenmaal in en uitvliegt in stal en schuur en door het openstaande zolderluik, dan is de lente in ’t land. Dat is meestal in de eerste week van April, soms komen ze reeds in Maart en een enkele maal, vertoonen de zwaluwen zich reeds vóór de tjiftjaf, maar dan vinden wij toch, dat ze in de war zijn. De Paaschvacantie, dat is de goede tijd.

Aan de zekerheid, waarmee ze de gebouwen binnen vliegen, kunt ge merken, dat het weer de zelfde vogels van het vorig jaar zijn. Hoe spoedig hebben zij het oude nest weergevonden en na een paar dagen rondvliegen en zingen beginnen ze opnieuw te bouwen. Als blinkende messen schieten ze door de lucht met onbegrijpelijke snelheid. Bij tientallen verdringen zij zich om de vette modderranden van plassen en het is een merkwaardig gezicht, deze vogels, die we ons haast niet anders dan vliegend kunnen voorstellen, daar te zien rondploeteren in den modder, zoekend naar geschikte specie voor den opbouw van hun nest.