Part 3
In de wei hebben den heelen winter enkele madeliefjes staan te kleumen en op de natte plekken kon je wat planten zien met donkergroene, bruin aangeloopen bladeren met knoppen van dezelfde kleur, zoo groot als een erwt.
Als nu de lente komt, dan beginnen die planten zich te strekken en groener te worden, en hier en daar opent zich een enkele knop tot een mooie groote gele bloem. Dag aan dag openen er zich meer en eindelijk is het natte weiland een en al geel van de dotterbloemen.
De dotterbloem is voor de wei, wat het sneeuwklokje en de anemoontjes voor het bosch zijn: de eerste bloem, die zich in overweldigend groot aantal vertoont, zoodat iedereen er wel op letten moet. Heele troepen kinderen tijgen dan ook uit, om ze te plukken en bij bossen worden ze naar huis gebracht, meestal om te verwelken.
Dat behoeft anders niet. Bij een goede behandeling kan men dagen lang genoegen hebben van de afgeplukte dotterbloemen. Het komt er maar op aan, het onderste stuk van den stengel, dat bij het naar huis dragen ineengeschrompeld is, onder water er af te snijden. Dan komen er iederen dag knoppen uit en ge kunt iederen morgen de honigdroppels zien glinsteren tusschen de groote, platte, groene stampers.
Bezorgde menschen willen dit plukken tegengaan, uit vrees dat de dotterbloemen zullen worden uitgeroeid, maar hun angst is ongegrond. Er is geen enkele reden, waarom de kinderen deze mooie bloemen niet zouden mogen plukken, de plant schiet ieder jaar opnieuw op uit zijn wortels. Bovendien zouden de boeren er niet rouwig om zijn, als er wat minder dotterbloemen in het hooiland stonden.
Plukt maar bloemen, zooveel ge wilt, kinderen. Zorgt alleen, dat ge bij het plukken de planten zelf niet uit den grond, de takken niet van de boomen rukt. Knijpt de stengels af tusschen vinger en duimnagel of snijdt ze af met een scherp mesje. Neemt uw buit mee naar huis, om ze daar te verzorgen en vergeet vooral niet, al de heerlijke bijzonderheden van den bouw en ontwikkeling der bloemen na te gaan.
Iedere bloem heeft werk te verrichten en moet beschermd worden tegen schadelijke invloeden van wind en weder, en tegen de aanvallen van allerlei dieren. Zij moet vrienden lokken, vijanden weren.
De hoofdzaak is, dat stuifmeel uit de helmknoppen terecht komt op de stampers. Dat is gemakkelijk genoeg, wanneer meeldraden en stampers gunstig geplaatst zijn in dezelfde bloem en tegelijk rijp zijn. Maar in negen van de tien gevallen is het anders en dan moet de wind er aan te pas komen, om het stuifmeel over te brengen, of insecten belasten zich met die taak.
De laatste worden gelokt door geur en kleur, door overvloed van voedzaam stuifmeel en lekkeren honing. De eene bloem richt zich voornamelijk tot de vliegen een andere tot de vlinders een derde tot hommels en bijen of tot alle.
De bloemen, die den wind gebruiken voor ’t stuifmeeltransport, kunnen geur en kleur ontberen, maar moeten flink aan den wind zijn blootgesteld, opdat die het stuifmeel er uit kan schudden en het gemakkelijk op de stempels kan deponeeren. Hazelaar, els, esch, abeel, larix en iep zijn windbloeiers; crocus, aconiet, sneeuwklokje, scilla, tulp, speenkruid, hoefblad hebben de insecten in hun dienst.
Hiermee staat weer in verband het openen en sluiten der bloemen op verschillende tijden van den dag of bij verschillende weersgesteldheid, de stand der bloemen, hun grootte, kleur en talrijkheid: het heeft alles zijn beteekenis, die met eenig geduld en scherpzinnigheid kan worden gevonden. En vele van deze merkwaardigheden kunnen worden bestudeerd aan afgeplukte bloemen in een glas of kan met water.
Wie op deze manier bloemen plukt, mag het doen zooveel hij wil, al was het in mijn eigen tuin.
Het wemelt in de dotterbloemen-wei van vogels. Groote wit met zwarte ooievaars stappen statig rond of kibbelen over een kikkertje. Kom je dichterbij, dan maken ze een paar kluchtige sprongen, klappen met de vleugels en vliegen op met breede wiekslagen. Zoo vliegen ze heen, de lange nek vooruit—de lange pooten achterwaarts gestrekt. Als ze hoog genoeg gekomen zijn, houden ze de vleugels stil en glijden dan door de lucht langzaam dalend mijlen ver naar hun nest op boomstomp, schoorsteen of wielpaal. Nog altijd zijn ze graag geziene gasten, ofschoon het bijgeloof omtrent hun zegenbrengenden invloed al meer en meer verzwakt en booze tongen zelfs een dreigend „schadelijk” fluisteren.
Nog andere groote, stille gestalten staan langs den slootkant. Uit de verte gezien zijn het grijze, platte silhouetten, als uit zink geknipt, maar dichterbij worden het mooie vogels met fraaie kleuren aan snavel, oogen en pooten en zacht getinte veeren, die tot het mooiste behooren, wat er in de vogelwereld te zien is. Het zijn blauwe reigers.
Schuw vliegen ze op en loom zeilen ze met holle vlerken over de gele bloemenwei. De lange nek wordt geheel ingetrokken, zoodat de kop tusschen de schouders komt te liggen en alleen de lange snavel vooruitsteekt. Den heelen winter hebben ze hongerend rondgezworven, ongeloofelijk mager, maar nu brengt de warme lente overvloed.
In de hooge boomen van een statig buiten of tusschen het riet van de stille plas bouwen zij hun groot takkennest, soms honderden bij elkander. Den heelen dag zijn in die buurt reigers aan de lucht, maar de eigenaar van de boomen heeft er het land aan en probeert ze weg te schieten. Want in een bosch waar reigers nestelen, is het niet uit te houden en de boomen gaan er door kwijnen.
Onophoudelijk brengen de oude vogels visch aan de jongen, die elkander in ’t nest verdringen om den eersten hap. Niet zelden gebeurt het, dat daarbij de visch over den rand van het nest naar beneden tuimelt en zoo komt dan de grond vol met allerlei afval en verrotting. Want de oude reiger denkt er niet om, om de gevallen visch weer van de grond op te rapen; hij geeft er den voorkeur aan, een nieuwe te gaan halen uit zijn vischwater.
Ieder heeft zijn geliefkoosd plekje, waarvan hij de visscherij-toestanden op zijn duimpje kent en dat hij op geregelde tijden van den dag en van den nacht bezoekt. Reigers houden er veel van, om in de schemering nog eens uit visschen te gaan, en als dan een drietal of zestal van die groote vogels hoog door de stille avondlucht zich naar hun jachtveld begeven, roepen zij elkander van tijd tot tijd een luid en grof „goede vangst” toe. Overigens zijn ze al niet veel spraakzamer dan de ooievaars.
De levendigste echter van alle vogels, die bij het plukken van dotterbloemen om ons heen vliegen, is de kieviet. Als wij hem niet zien, zal hij wel maken, dat wij hem hooren. Onophoudelijk klink zijn „kiewiet, kiewiet” om ons heen, hoe langer, hoe doller en driftiger, naarmate wij minder op hem letten.
Kijk nog niet op en blijf rustig doorloopen, dan zult ge nog wat anders beleven. Het schreeuwen wordt steeds heftiger, de vogel is heesch. Op eens rrrt, daar strijkt hij vlak langs uw ooren heen, zoodat ge er van schrikt en nu moet ge wel zien, hoe hij schots en scheef door de lucht schiet, buitelend en tuimelend en draaiend, zoodat nu eens de sneeuwwitte buikzijde u tegenblinkt, dan weer het zonlicht in honderd kleuren en tinten weerkaatst wordt door de glimmende rugzij.
Die vogel heeft misschien al eieren, want het eerste kievitsei valt samen met de eerste dotterbloem. Toch zijn nog lang niet alle kievieten aangekomen op hun eigenlijk broedterrein, want nog dag aan dag zwerven breede scharen over de velden, duidelijk te onderscheiden van de spreeuwenwolken. De kieviten vliegen in breede rijen van slechts enkele gelederen diep, de spreeuwen maken dichte troepen in den vorm van driehoeken of ruiten.
De spreeuwen en kieviten houden elkander trouw gezelschap. De sterkste en moedigste of de meest zorgelooze—dat weet ik niet zoo precies—van beide soorten blijven ’s winters hier, maar de andere gaan heen en komen in de eerste lentedagen weer.
Ze komen in groot aantal, in ontelbare troepen tegelijk. De meeste andere trekvogels komen als het ware ongemerkt, vandaag zie je er een en morgen eentje, dan mis je ze een paar dagen en eerst na een week zijn ze overal te vinden. Met de spreeuwen is dat anders. Op een mooien morgen zitten ze opeens op alle daknokken, in alle boomtoppen te fluiten en te jubelen. Geen tevredener en gezelliger vogel dan de spreeuw.
Toch heeft die gezelligheid haar grenzen, want als ze zoo bij honderden in ’t weiland loopen te zoeken naar slakjes en te boren naar wormen en er een een weinig te dicht bij een ander komt, dan geeft dat wel aanleiding, tot een onvriendelijke vermaning, waaruit zelfs een vinnig duel kan ontstaan. Maar dreigt er een vermeend of werkelijk gevaar, dan is de heele troep toch weer dadelijk eens van zin en in prachtige regelmaat gaan ze gemeenschappelijk aan den haal.
Tegen den avond vereenigen zich de kleine detachementen tot groote troepen van duizenden en duizenden en die hebben er dan een bijzonder pleizier in, om met elkander reusachtige manoeuvres te houden, voordat ze slapen gaan in ’t kreupelbosch of tusschen het riet. Heele wolken van spreeuwen drijven door de lucht, van de eene boomgroep naar de andere en telkens als er „rust” gecommandeerd is begint er een gezwatel en gebabbel, dat een mijl ver te hooren is.
Het duurt nog wel eenige weken voordat de spreeuwen gaan broeden en gedurende al dien tijd houden zij ’s avonds na volbrachten arbeid hun vroolijken ommegang.
Maar op den dag is het druk werken, doch daarvoor worden ze dan ook geprezen door veehouder en akkerman, alleen de kerseboombezitters prijzen ze niet onvoorwaardelijk.
Hoog in de lucht zingen de leeuweriken, een half dozijn tegelijk. Telkens daalt er een neer of stijgt er een op en wie goed kijkt langs het korte voorjaarsgras tusschen de gele bloemen, kan nog menig kuifkopje zien rondwandelen, pikkend naar voedsel, zorgend voor het nest of vechtend met de buren.
Op den zwarten slootbagger langs den waterkant pronken de kwikstaartjes, gele en witte. Die zijn ook pas aangekomen en als op gure voorjaarsdagen de vliegen en andere insecten zich schuil houden, dan zoeken de slimme vogeltjes de nabijheid van de schapen en lammeren, want daar is altijd nog wel wat te vinden.
Vlug trippelen ze door het gras, pikkend rechts en links, en wanneer een mug of vlieg zich vliegend tracht te redden, dan springt de kwieke kwikstaart hem na met fladderende vleugels en uitgespreide staart en dat kan dan soms een heele achtervolging worden, juist zooals later in het jaar de vliegenvangertjes doen.
Aan alles komt een eind, ook aan de dotterbloemen. Na een dag of tien is hun grootste praal voorbij en nu wordt in overeenstemming met de zachter wordende dagen het harde schreeuwende geel vervangen door een liefelijker tint. Het gras wordt helderder groen en daarboven zweeft een fijne lila sluier. Het zijn de pinksterbloemen, die zich in ijle trossen verheffen op zacht getinte groengrijze of bruinige stengels, bezet met fijnverdeeld loof.
Alweer een heerlijke bloem om te bewonderen, te plukken, te teekenen, eenvoudig van maaksel, maar heerlijk van vorm en kleur, vol leven en beweging en bovendien het vriendje van het allerbekoorlijkste voorjaarsvlindertje.
De pinksterbloem leeft met de zon. In vollen zonneschijn ontplooien zich de mooie knopjes, maar als de open bloemen door een malsch April-buitje verrast worden dan buigen zich de bloemsteeltjes en de droppels vallen op de buitenzij van de kelkblaadjes zonder honig of stuifmeel te deren.
Nu vliegt op zonnige lentedagen vooral in weilanden aan den duinkant over de lila pinksterbloemen een vlindertje, dat veel heeft van een klein witje, maar het is veel mooier, doordat de onderzijde van de achtervleugels allerfijnst geschakeerd is met wit en groen. Dit is het wijfje van de oranjetipvlinder of peterselie-beestje. Het zoekt de pinksterbloemen op, om er zijn eitjes te leggen en daar komen groen-met-witte rupsjes van, die na een week of vier volwassen zijn en zich verpoppen.
Tegen dien tijd raken de pinksterbloemen alweer uitgebloeid en nu krijgt de wei weer andere kleuren en nieuwe bewoners. Weer krijgt het geel de overhand, ditmaal door de dikke proppen van de paardebloemen, bemind door insecten, konijntjes en kinderen. Het zijn geen bloemen, om te plukken en in sierlijke vaasjes te zetten; maar wat leveren de bloemstelen een heerlijk speelgoed, hetzij we ze splijten, om ze in ’t water te laten omkrullen, hetzij wij groote kettingen maken van breede losse schakels. En als de bloem is uitgebloeid, dan geeft het kaarsje met de gepluisde vruchtjes nieuwe vreugd.
De bladeren liggen in een roset op den grond, nu eens groot en forsch, dan weer klein en smal, met diepe insnijdingen al naar de meerdere of mindere vruchtbaarheid of vochtigheid van den bodem of allerlei bijzonderheden van de standplaats. Een paardebloem, die eenzaam groeit op een steenachtig plekje langs den wegrand ziet er heel anders uit dan een, die in de vette klei groeit temidden van het weelderige gras en de geurige klaver.
Alle insecten van de Meimaand komen op de paardebloem om voedsel: honigbijen, wilde bijen, hommels, wespen, vliegen, vlinders en kevers. En zonder dat ze ’t weten, nemen de hommels en bijen van die bloem een kleinen vijand mee, een vlug en mager geelachtig zespootig diertje, dat zich aan hun haren vastklemt en zich zoo laat brengen naar den bijenkorf of het minder kunstige hommelnest.
Daar aangekomen, vervelt het zespootig monstertje en dan wordt het een bleeke worm, die gretig teert op de voorraden, door de vlijtige brommers bijeengebracht. Na verloop van tijd is die volwassen, verpopt zich en ’t volgend voorjaar komt uit de pop een dikke glimmende kever, met dekschilden, die den rug maar half bedekken. ’t Is de oliekever, die in de Meimaand rondloopt door het gras, om bij de paardebloemen zijn eitjes te leggen. Als je hem beetpakt, dan perst hij uit zijn geledingen vettige gele bloeddroppels, die onaangenaam rieken en den oningewijde schrik aanjagen. De spreeuwen laten hem met rust.
Na de paardebloemen wordt de wei al bonter en bonter. Het gras schiet op en tusschen de groene blaadjes komen de eigenlijke bloemen van het gras te voorschijn, kleine bloempjes tot pakjes vereenigd en die vormen dan weer al naar de soort van gras, rolronde aren of fijnverdeelde pluimen, de een al gracieuser dan de andere: welriekende reukgrassen, de hooge vossestaarten, het fijne beemdgras, het zachte rose getinte zorggras, en de zachte dravik. Dit zijn de echte voorjaarsgrassen.
Tusschen het groen komen groote plekken van het heerlijkste diepe blauw, daar bloeien de mooie eereprijsjes. Vergankelijke bloempjes, want de donkerblauwe kroontjes met de witte meeldraden eraan vallen kort na het plukken in één stuk af. Tegen regen beschutten zij zich net als de pinksterbloem, door de buitenzij naar boven te keeren en als de zon maar eventjes schijnt, dan zijn ze dadelijk klaar, om weer de bonte zweefvliegen tot zich te lokken. Ze zijn gemakkelijk over te planten en mogen in geen enkelen wilden tuin ontbreken.
Tegelijk met de blauwe eereprijsjes komt op droge plekken van de wei de triomf van de madeliefjes, die er werkelijk in slagen, om heele velden wit te kleuren. Wit, want het gouden hartje van buisbloempjes gaat op een afstand in den breeden kring der witte straalbloempjes verloren. Vele hebben roode randjes, een enkele heeft zelfs al zijn wit door rood vervangen. Maar de hoofdindruk van zoo’n veld is toch wit.
Op andere, vochtiger plaatsen voert het rood den boventoon. De koekoeksbloem met de fijnverdeelde kroonslippen legt een blos over heele velden en daar op die plekken groeien ook die prachtige zonderlingen uit onze plantenwereld, de moeras-orchideeën, de paarse harlekijns-orchis en de roode gevlekte orchis. Beide komen ook wit voor.
Menigeen ziet er van op, dat in onze gewone Hollandsche wei, die nog al nuchter heet te zijn, planten groeien, wier naam voorstellingen wekt van rijkdom en weelde, van tropischen overvloed, van keerkringshitte en Indische oerwouden. Toch is het zoo en deze bloemen zijn in geen enkel opzicht minder merkwaardig dan hun familiegenoten uit de verre gewesten.
Ook bij hen bestaat die merkwaardige afwijking van de gewone samenstelling der bloem, dat er geen krans van meeldraden is, maar slechts éen, die met den stijl is samengegroeid. Er komt geen korrelig stuifmeel uit, maar ’t zit in dikke kluitjes, die allerkunstigst op kop of snuit van de bezoekende insecten worden vastgeplakt en zoo hun bestemming in een andere bloem bereiken.
Maar madelieven en eereprijsjes, fijne graspluimen, roode koekoeksbloem en bonte orchideeën worden ten slotte weer overwonnen door de gele boterbloem en de roode zuring en als dat geel en rood de velden tint, dan is de lente haast verloopen en de zeis van den maaier bedreigt het jonge vogelbroed, dat tusschen bloemen en gras verscholen ligt.
Daar zijn na de kieviten nog prachtige vogels bijgekomen, waaronder een tweetal uiterst merkwaardige: de grutto en de kemphaan.
De grutto is wel de koning van de weidevogels. Zie hem staan op een paaltje aan den slootkant, schitterend in al zijn kleuren: een kleurige vogel, nog tot zijn recht komend bij al de bonte schittering van waterkant en weiland in de Mei. Hoe mooi is zijn lichaam geproportioneerd: hals en snavel en pooten juist zoo lang als ze moeten zijn voor een vogel van zijn grootte, die zijn nest heeft tusschen het gras en zijn voedsel zoekt aan den waterkant.
Nu vliegt hij op en het wit van zijn vleugels schittert in den zonneschijn „Gruùt-to, gruùt-to” roept hij luid en aanhoudend en in zijn zorg voor zijn nest ontziet hij zich niet, om vlak langs ons heen te vliegen, zoodat we in ’t voorbijgaan het bruine oog zien schitteren en den langen eenigszins opgewipten snavel zien trillen.
Hij behoeft zich anders niet zoo ongerust te maken. De vier dofgroene bruingevlekte eieren liggen o, zoo goed verborgen tusschen het hooge gras, veel beter nog dan die van de kieviet. Toch weten de kraaien ze nog wel te vinden en ’t is een erbarmelijk gezicht, de arme grutto’s klagend rondvliegend, terwijl de zwarte roover zijn verdelgingswerk verricht.
Op de bloemrijkste plaatsen in de wei, dikwijls midden tusschen de orchideeën hebben de kemphaantjes hun tournooiveld.
Voor den waren vogelliefhebber is een kemphaantjes-tournooi op zijn minst even belangrijk, spannend en schilderachtig als het kleurrijk kampspel uit Ivanhoe of de Roos van Dekama, dat ge zoo dikwijls met groote oogen en open mond hebt zitten te herlezen.
Mijn kemphaan-ridders hebben pakjes aan, even bont als die adellijke heeren uit de middeleeuwen. Op mijn tournooiveld ontbreekt de zwarte ridder niet, evenmin als zijn tegenstander, geheel in zuiver wit. Andere weer zijn in oranje gestoken of dragen een donkerbruin pak met rood-bruinen kraag. En weer andere hebben het weelderige riddercostuum verwisseld met een bonte harlekijnsplunje en schitteren in alle kleuren van de regenboog.
Uit de enorme kragen komen fijne, smalle gezichtjes te voorschijn, met grijze veertjes bezet en op sommige plaatsen beplekt met roode puistjes en knobbeltjes.
Al heel vroeg in den morgen is het druk op het veld. Van alle kanten komen de ridders aanvliegen in razende vaart en dadelijk zetten ze zich in postuur, om de aanvallen der reeds aanwezigen te pareeren. En dan begint de kamp, die soms een uur achtereen voortduurt en nu eens een deftige ceremonie, dan weer een dolle boerenkermis gelijkt. Van eigenlijk vechten is maar zelden sprake, het is meer een krijgsdans of krijgsspel dan een bloedige worsteling. Alles geschiedt in de diepste stilte, slechts bij uitzondering laat de kemphaan een onduidelijk heesch geluid hooren.
Is het strijdspel ten einde, dan verspreiden de kemphaantjes zich over het heele weideveld en als het hennetje al eieren heeft, betrekt de man dikwijls de wacht bij het nest, niet vlak er bij, maar een meter of vijftien er vandaan. Trotsch en fier staat hij daar, op een hoogte of op een aardkluit, de lange kraagveeren wapperend in den wind, het hoofd omhoog en onophoudelijk in beweging, om rond te zien, of er soms gevaar dreigt en of er ook een andere kemphaan voorbij komt vliegen in de richting van het kampveld. Is het laatste het geval, dan laat hij oogenblikkelijk vrouw en kroost in den steek, om met zijn makker de genoegens van het strijdperk te smaken.
Behalve door deze zwijgende vechtersbazen wordt de weide nog versierd en levendig gemaakt door de tureluurs, vogels ongeveer even groot als de kemphaantjes, maar met schitterend rooden snavel en pooten en zoo druk dat je er tureluursch van zoudt worden. Je kunt geen voet in het weiland zetten of „tuut, tuut, tuut” klinkt het en schokkend vliegt zoo’n roodpoot om je heen.
Hij wordt al angstiger en drukker, het „tuut tuut” wordt al sneller en sneller herhaald en gaat ten slotte over in een zeer melodieus gejodel. En het duurt niet lang of andere tureluurs verheffen zich ook van den slootkant, een angstige grutto vliegt er tusschen door met luid geroep en kieviet bij kieviet duikelt heesch schreeuwend door de lucht. Overal leven en beweging, sierlijke vlucht, luid gejoel, schittering van bont gevederte in de helle voorjaarszon tegen de blauwe lucht en om u heen de bonte pracht van duizenden bloemen. Dit is de lente in de Hollandsche bloemenwei.
Ook het bouwland is tot leven gewekt. Ja, voor nog de weide groende, schitterde reeds aan den zoom van het donkere bosch het winterkoren in smaragden glans. Dapper hebben de grasachtige plantjes de wisseling van vorst en dooi doorstaan en nu de voorjaarszon den grond doorwarmt en lauwe westenwinden over de vlakte waaien, groent blad bij blad en eer ge het verwacht schiet in de Meimaand de rogge in zijn aren.
Het braakveld, waar de onkruiden den heelen winter vrij spel hebben gehad en dat op sommige plaatsen als met opzet bezaaid schijnt met kruiskruid, vogelmuur, herderstaschje en paarse doovenetel, wordt in voren gelegd door den blinkenden ploeg.
Het heeft in den nacht wat gerijpt, het fijne wit tint nog den grond, dien de ploeg niet geraakt heeft, maar waar de diepe voren zijn gesneden, ziet het veld bruin, bij rosachtig af en een fijne nevel zweeft boven de versch omgewoelde aarde. Ook de ploegpaarden dampen en achter den ploeg beweegt een wolk van zwarte kraaien en witte meeuwen, die hier een gemeenschappelijk arbeidsveld vinden. En witte spikkels, verspreid over den akker, verschijnend en telkens weer verdwijnend, bewijzen, dat daar ook de kieviten bezig zijn, om hun aandeel te nemen van de insecten en larven, die het blinkende kouter aan ’t licht heeft gebracht.
Ginds trekken eggen en zaaimachines door ’t land. Over eenige dagen wijzen mooie, regelmatige rijen van fijn groen den weg aan, dien ze nu afleggen. Donkergroen staat een veld karwij, dat nog lang niet in bloei komt en als de leeuweriken hun eerste jongen verzorgen, dan prijkt het koolzaadveld als een onafzienbaar gouden kleed in den vruchtbaren polder. Op de tallooze gele bloempjes zoeken bijen, hommels, vlinders en vliegen hun voedsel, en de koolwitjes leggen hun eieren op de bladeren.
Nu zijn het ook goede dagen voor de haasjes. Als een gewoon mensch aan een haas denkt, dan paart zich aan de herinnering aan het smakelijke boutje altijd een gevoel van medelijden met het arme vervolgde dier, dat nooit „in het rijpe koren” of in „een groen, groen knolle-knolleland” kan zitten of het wordt opgeschrikt door een „jagershoren” of „hondgebas” en het eindje is altijd de dood. Algemeen vindt men den haas een ongelukkig, vreesachtig, melancholiek dier.