Part 3
De avond was winde-loos over het woud. Stil stonden de statige stammen omhoog, en hieven hun breede bladerkruinen onbewegelijk op ten maanlicht-reinen hemel. Hier en daar flikkerde een ster door de bladeren heen, hoog en ernstig. En in het ademlooze zwijgen van alle wereld-dingen om hem heen voelde Paulus in wondere zaligheid zijne ziel één zijn met die eindelooze rust àlom, met het sluimerende Meisje, met het stille woud, met de heldere sterren daar Boven, en den eindeloozen Hemel van blauw, want als kinderen van éénen goeden Vader lagen zij allen samen gelijkelijk gekoesterd in dien éénen vrede van genade, die het Wezen is, dat al het zijnde liefderijk houdt omvat....
Daar bewoog de Prinses weêr, en een huivering ging over haar gelaat, alsof zij het koud had. Eerbiedig kwam hij nader. Zou hij haar wekken?....
Zou hij durven?.... Zou het misschien niet beter zijn, dat zij rustte en sliep?.... Hoe was zij hier gekomen?.... Ze zag moe en bleek, al scheen die wondere glans zoo prachtig onder haar transparante huid.... Zou ze hier, moe van ’t zwerven en dwalen, zijn neêrgevallen, omdat ze niet meer verder kon?.... Dan zou rust juist noodig zijn. Maar ze had het koud, ze had gehuiverd zooeven. Dát mocht niet, dat was gevaarlijk.
Hij deed den mantel af dien hij ’s avonds altijd droeg, en legde dien voorzichtig over haar heen, hem plooiend met eerbiedige vingeren, dat hij goed haar fijne schoudertjes bedekte. De gouden beukeblâren waren droog en zacht, en geen vocht was in de late zomer-lucht. Met den warmen mantel goed over haar gevouwen was het gezond slapen in het bosch met zulk stil, winde-loos weer.
Zij sliep nu rustig door, en geen zucht kwam meer over hare lippen, noch beroerde eene huivering de stille vrede van haar rustig-rein gelaat.
En Paulus stond roerloos bij haar, en waakte over de slapende Prinses, uren aan uren lang, en er was geen tijd meer voor hem, waar hij in stille contemplatie staarde in de teêre sfeer van goddelijken vrede, die beefde om haar heen. Hij voelde niet de moêheid in zijn beenen, en de koude van den nacht, hij wist haar niet, waar hij in zijn luchte zomerkleeren wakende stond. Het leek hem, of deze zaligheid altijd zoo geweest was, en ook altijd zoo moest duren, altijd die plechtige stilte van het woud, en de zegen van het blanke maanlicht over de wereld en de rustige schoonheid van de slapende maagd, vredig en vol genade in zijn ziel.
Zóó droomde Paulus, in groote zaligheid verzonken, waar hij roerloos waakte, uren en uren, die hij in vrome aandacht niet wist, totdat de roze Dageraad de bleeke nachtlucht kleurde, en de stilte van het woud uitbrak in luid vogelen-gerucht.
Toen het eerste vogeltje tjilpte, in een boom vlak boven zijn hoofd, dacht Paulus: „nu zal zij ontwaken,” en hij schrikte, bang dat het gebeuren zou. Een vaag voorgevoel waarschuwde hem: „nu zal het breken, nu zal het breken, nooit komt dit zalige zóó weerom.” Hij voelde niet de koû die hem omhuiverde, noch de stijfheid in zijn beenen, want in de hoogste spanning, die zijn ziel ooit had bereikt, rustte hij méde in de rust, waarin de Prinses lag verzonken. En hij dacht: „kon ik nu maar die vogeltjes stil laten zijn, kon ik nu maar de winden tegenhouden, die door de takken komen ruischen.”
In angstige spanning zag hij naar het liefelijke, slapende wezen. De oogleden waren nog altijd geloken, waarboven de fijne, teêre wenkbrauwen zachtkens omhoog golfden met het vage, gevoelige gebaar, dat hij wel eens gezien had van de verre bergen, als hij stond aan den zoom van het woud.
Toen, eindelijk, ging het gebeuren. Een zucht, een éven bewegen van een arm, een schuiven van den kleinen voet, ritselend door de blaren. Opeens gingen de oogleden zachtjes omhoog.
En het was Paulus, of gingen de poorten open van het Rijk des Lichts, en zijn ziel staarde in zaligheid eindeloos.
Eene wemeling van lichter dan hemelsblauw, met eene verrukking zóó innig, dat hij er van rilde tot in de diepste geheimenissen van zijn binnenste, die nú eerst sidderend van genot in hem bewust werden.
Dát was de kleur, de éénige, volheerlijkste kleur, die hij gisteren avond had vóórgevoeld in de weifelende tinten van de schemering, dat was het ééne, ontbrekende, waar hij onbewust zoo droef naar had verlangd. En de vreemde zaligheid, grooter dan alle ontroeringen, die hij ooit had gevoeld, trilde zóó innig in hem door dat het genot bijna pijn werd, en een kreet van smart-geluk schreeuwde uit zijn borst.
In een waas van tranen, als door een fijn diamanten nevel, zag hij het wondere, witte wezen zich oprichten, tot zij vóór hem stond, fier en trotsch, en toch teêrder dan een bloem, in zachte, edele lijnen die als een gebed van muziek zongen in zijn ziel. Deemoedig stond hij voor haar, wachtend tot het wonder van haar spreken begon. En zij sprak, melodieuzer dan de stem van zangerigsten vogel:
„Wie ben je?”
„Ik ben maar Paulus,” antwoordde hij, wetend dat ze hem niet kende, dat hij maar een heel nietig schepsel voor haar was.
„Ik ken je niet,” zeide ze, streng en misschien hard, maar voor hém nog altijd zoeter dan het kweelen van liefsten vogel. „Ik ben verdwaald.... gevallen ben ik van mijn paard, op de jacht.... Wáár is mijn witte ree?.... Wat doe je hier bij me?”....
Het eerste dacht ze om het wild, waar ze dagen en dagen woest naar had gejaagd, tot ze alleen, ver van haar gevolg, verdwaald was in het bosch.
Toén pas zag Paulus weer het doode dier, klagelijk en erbarmelijk, de bloedende hals pijnlijk uitgerekt, de pooten stijf gestrekt, met de oogen droeviglijk gebroken.
En met een schok barstte de opgekropte ontroering in hem los.
Snikkend viel hij bij de doode ree op de knieën, en schreide luid uit:
„Hier is de ree, het lieve, mooie, zachte dier... zie je niet het bloed, dat druipt op haar witte vacht.... zie je niet hoe wit ze is, en hoe mooi.... Mijn arm, arm hertje.... wie heeft haar doodgemaakt.... en hoe kon dit wreede, roode bloed bestaan naast je reine, blanke wezen?”
Het Meisje zag hem aan in verbazen, niet begrijpend de smart om een dood stuk wild, wat verschrikt door de heftigheid van dien vreemden, hartstochtelijken jongen.
„Weet je wel wie ik ben?” vroeg ze, en trachtte onbevreesd en fier voor hem te staan.
Hij zag haar aan.
En hij wist het. Hij had het dádelijk geweten toen hij haar gezien had, al was het toen nog niet bewust. Maar ééne kon zóó lelie-blank zijn, met het haar zoo gouden.
„Je bent prinses Leliane,” zeide hij zacht.
„Ik ben Hare Koninklijke Hoogheid de Kroonprinses Leliane,” verbeterde zij. „En je moogt geen „je” tegen mij zeggen, of ik je gelijke was, maar U. Men spreekt mij slechts aan met „Koninklijke Hoogheid” en wéldra zal het „Uwe Majesteit” zijn, als ik Koningin ben.”
En door de muziek van hare stem was hij de doode ree en het roode bloed vergeten. Hij zag nog slechts de verblindende pracht van hare lokken, het eindeloos teedere blauw van hare oogen, dat over zijn ziel wemelde, die van verrukking beefde.
„Uw Koninklijke Hoogheid,” prevelde hij eerbiedig, en zonk op eene knie voor haar. „Uwe Majesteit, ik wil Uw dienaar zijn, tot in den dood.”
Verrast keek zij neer op den knielenden jongeling aan hare voeten. Welk een ridderlijkheid in dien eenvoudigen jongen uit het volk, hier in dit bosch! Met welk edel gebaar was hij voor haar neêrgezonken, en hoe vol gratie neeg hij het hoofd voor haar, of hij een edelman was van het Hof! En nú pas zag ze dat hij een mooie jongen was, sterk en krachtig, en toch vol teedere bevalligheid. Nu was zij ook niet bang meer, dat hij haar kwaad zou kunnen doen.
„Ja, ik ben uw gebiedster,” zeide zij trotsch. „En nu moet je mij den weg wijzen uit dit bosch, dan zal ik je rijkelijk beloonen.”
Zij wilde verder spreken, maar gaf opeens een gil. Toen zij een stap vooruit had willen doen, voelde zij, hoe haar voet was gezwollen, die gewond was bij den val van haar paard. En zij viel van pijn weer neder op de purpergouden blâren.
Paulus knielde verschrikt bij haar neer.
„Mijn Prinses,” vroeg hij angstig, „mijn Koningin, ben je gewond?”
Hij kon het „U” niet zeggen in zijne emotie, nooit gewoon geweest dat woord te spreken.
Aan den angst en den eerbied in zijn stem hoorde zij wel, dat het geen opzet was, als hij de vormen tegenover haar vergat.
„O! Mijn voet doet pijn,” klaagde zij, „nu kan ik niet weg.... wat zal men aan het Hof wel denken.... waar ben ik hier?.... is hier nergens hulp?.... kan je me niet ergens brengen, waar ik rusten kan?.... hoe lang heb ik hier al gelegen?.... ik weet het niet meer, mijn hoofd is zoo duizelig, en ik herinner mij niet....”
Zooals zij daar neerlag, hulpbehoevend en zwak, durfde hij meer te zeggen dan toen zij zooeven voor hem stond, fier opgericht.
En hij vertelde haar, hoe hij haar gevonden had, den vorigen avond, slapend onder de purperen beuken, op het zachte bed van de blaren. Hoe hij haar niet had durven wekken, en hoe hij het gewaagd had zijn mantel over haar te plooien, omdat hij haar had zien huiveren van koû. En hij zeide haar, dat Willebrordus, zijn grootvader, woonde in het bosch, en dat zijn huis niet zoo heel ver was, een uur loopen maar, den kortsten weg.
„Mag ik je daar brengen?” vroeg hij nederig. „Ik ben sterk en ik kan je steunen. Ik kan je ook misschien wel dragen, als je niet meer kunt. Of wil ik Willebrordus halen, en met hem terugkomen, met een draagbaar?”
Zij trachtte op te staan, en steunde op zijn arm. Een trek van pijn kwam op haar gezichtje, maar zij bedwong zich en klemde de fijne lipjes vastberaden op elkaar.
Toen probeerde zij te loopen, maar het ging heel moeilijk.
„Zóó zal het niet gaan,” zeide zij.... „ik zal mijn arm om je hals slaan... dan heb ik méér steun...”
En zij sloeg haar zachten arm om zijn hals, vertrouwelijk, en steun zoekend bij zijn jonge, sterke lichaam.
Een vreemd, ongekend gevoel doortrilde hem, en het bloed steeg naar zijn hoofd, dat gloeide, als duizelig. Het was hem, of hij dit niet lang zou kunnen dragen, en hij sterven zou van zaligheid.
Maar hij moest sterk zijn... sterk, omdat zij op hem steunde, omdat zij genezen moest worden van haar pijn, in zijn veilig huis. Hij vermande zich, en vocht tegen het wild geduizel van geluk, dat door zijn innigste wezen ging.
En zóó liepen zij voort, langzaam, langzaam, een kwartier. Met moeite herkende hij den weg, zóó schemerde alles voor zijn oogen. Het was hem of hij droomde een zaligen droom, of hij met de Prinses Leliane door heilige paradijzen dwaalde, en of deze wonne altijd zóó zou duren, tot hij er van zaligheid door sterven zou. Haar zachte lijf ademde dicht tegen hem aan, haar gouden lokken, schitterend van licht, beroerden zijn wang.
Totdat zij opeens weer een gil gaf van pijn, en zij zich zacht liet neerglijden op den grond.
„Ik kán niet meer... ik kán niet meer...” zuchtte zij... „laat me hier liggen, en ga hulp zoeken... ai! mijn voet!...”
Wanhopig keek Paulus in het rond. En hij zag, dat ze bij den lelie-vijver waren gekomen.
„Blijf hier rustig liggen, Uwe Koninklijke Hoogheid,” zeide hij, moeite doende om den vreemden titel te zeggen. „Hier bij dezen vijver is schaduw, en het is er koel, als straks de zon gaat stijgen. Ik zal hard loopen, en terugkomen met mijn’ grootvader Willebrordus.—”
Dankbaar zag ze hem aan. Toen keek ze in ’t rond, om goed te weten waar ze was.—
Het zonlicht begon al helderder en helderder te zeven door het fijne gebladerte. En vóór haar, aan hare voeten, lag roerloos kalm de klare vijver, waar op het reine water de witte waterlelies dreven.—Rustig, in groote eerwaardigheid, hieven zij de blanke hoofden omhoog tot het licht.
„O! De mooie lelies!” zeide zij, verrukt. „Zóó mooi heb ik ze nog nooit gezien!”
„Die lelies, zijn het niet je zusteren!” riep hij ineens in geestdrift, door de extaze de vormen weer vergetend. „Heb je niet in je de ziel van het lelie-wit, dat opdronk het goud van de zon! Hoe dikwijls heb ik hier gelegen, en naar die blanke lelies gezien... Toen dacht ik: dit is nu het allermooiste, dat op de wereld kan bestaan... zóó rein, zóó rustig, en zóó wit... dikwijls heb ik er van geschreid, om ze zoo heel stil te zien liggen, die bladen zoo zacht uit-geplooid om toch het gouden licht kuisch te ontvangen.... Maar nu ik jou gezien heb, weet ik dat je mooier bent dan deze mooiste lelies ... en de glans van de blankste bloemen is nu verbleekt, nu ik in je wondere gezicht heb gezien ... want het is mooier dan de lelies, dan de sterren, dan álles wat ik weet....”
Verwonderd keek ze hem aan. Zóó, met dàt accent had nog nooit een hoveling tot haar gesproken. Dit was als uit de oude sproken en de romans, die zij had gelezen. En dit was zuivere ernst, dát zag zij aan zijn schitterende oogen, aan den deemoed, waarin hij vóór haar stond, het hoofd gebogen voor zich uit sprekend, met nederig gebaar, alsof hij zijn ziel aan haar voeten wilde leggen.
Dat stille bosch ... die kalme, rustige vijver ... die witte bloemen, roerloos drijvend op het water ... die sterke, eenvoudige jongen met de heldere bruine oogen, en het glanzende zwarte haar in lokken vrij langs zijn hals ... die woorden van aanbidding, met een nooit gehoorden klank van waarheid.... Het was haar of zij droomde, en zij wist niet wat te zeggen. Sprakeloos zag zij hem aan, niet begrijpend en toch vaag voorgevoelend, dat hier iets bizonders voor haar gebeurde.
Toen boog hij diep, met eene nobele neiging van zijn slank lichaam zooals zij aan het Hof nooit had gezien.
En hij snelde voort, op vlugge voeten, om hulp te halen voor zijne gewonde Prinses.
Willebrordus zat kalm te lezen in een leunstoel voor de deur, toen Paulus ademloos aan kwam snellen.
„Grootvader!... zij is er!...” riep hij, in extaze... „zij is gekomen, de prinses Leliane!... en zij is mooier dan de bloemen, dan de sterren.... dan álles.... maar och! zij is gewond aan haar voet.... zij kan niet loopen.... gauw, grootvader.... wij moeten haar helpen....”
Met moeite kreeg Willebrordus hem zóó tot bedaren dat hij een geregeld verhaal kon doen van wat gebeurd was.
Toen lachte hij, droevigjes, en zeide verwijtend:
„Mooier dan de bloemen?.... Dan de sterren, Paulus?.... Foei!.... maar ik kén het, ik kén het, wat je beroert.... en ik weet dat er niets aan te doen is.... nu zal je me ook verlaten, Paulus, dat kàn niet anders....”
Verschrikt keek Paulus hem aan.
En nu eerst kwam er een vaag begrip in hem tot bewustzijn van wat eigenlijk gebeuren ging in hun beider leven. Maar hij wilde, hij kón het niet gelooven.
„Jou verlaten grootvader!... jou verlaten!... en mijn bosch, mijn lief, goed bosch verlaten!... nooit!... nooit!...”
Maar beslist en zonder beven zeide het grootvaders stem, die altijd waarheid had gesproken:
„Nu zal je gaan, waar zij gaat, mijn jongen.... arm kereltje, je moét wel, zooals het vlindertje móet naar de vlam... zóó zal je ziel beven om den schoonen schijn van dat Meisje.... Maar nu is het geen tijd om te praten.... nu gauw een baar gereed gemaakt om haar te zoeken....”
En een kwartier later waren Willebrordus en Paulus op weg, zoo snel zij loopen konden, naar den vijver van de witte water-lelies.
Nooit zou Paulus kunnen vergeten, hoe Willebrordus de prinses aanzag, toen zij bij haar waren gekomen. Hoe die wijze, rustige oogen van den grijzen oude naar de frêle schoonheid van het Meisje zagen, kalm en onbewogen! Zij werd een beetje angstig onder dien diepen, in haar dóór-zienden blik, en probeerde weer in trots daaraan te ontkomen.
„Ik ben de prinses Leliane,” zeide zij fier. „Ik zal eenmaal de koningin zijn van Leliënland. Met Koninklijke Hoogheid word ik aangesproken.”
Maar Willebrordus antwoordde kalm. „Er is niemand koninklijk en hoog dan God, mijn kind, en Hij is de éénige Majesteit.... je bent een kind, en meer niet, en een kind dat gewond is, en hulp van medemenschen behoeft.... en ik zal je helpen, als medemensch, maar niet als onderdaan....”
Toen, zacht, zooals men een kind doet, tilde de grijsaard haar op, en legde haar op de baar, met eene teedere zachtheid, die van heel uit de hoogte kwam zijner groote liefde voor alles wat leefde.
„Mijn ree!” riep zij nog, „mijn witte ree! Ik heb haar eerlijk zelf gejaagd, en niemand kon haar vangen dan ik. Zij moet mede.... Ik wil haar huid mede-hebben, om den opperjagermeester te toonen!....”
Maar Willebrordus antwoordde, gestreng:
„Dit arme beestje, dat je zoo wreed vermoord hebt zal ik hier komen begraven. Wat had dit zachtaardige dier misdaan, dat het geslacht moest worden? Je moest je schamen, zulk een gruwelijken moord te doen!”
En hij streelde liefderijk het kille, stijve lijk van de ree, alsof hij met nog wat liefde de verschrikking van het onrecht wilde verzachten.
Zij wilde nog wat tegenspreken van trots, maar er was iets in zijn edel, wijs gezicht, dat haar van onwederstaanbaren eerbied vervulde. En zij voelde heel goed, dat zij zijn hulp absoluut behoefde, en klagelijk zou blijven liggen, als zij hem weerstond.
Maar Paulus, voor de eerste maal in zijn leven niet oprecht meer tegen zijn ouden Meester en grootvader, door zijn op het uiterste gespannen aanbidding tot haar gedreven, boog zich voorzichtig tot haar neder, waar hij het hoofdeinde droeg van de baar, en fluisterde haar eerbiedig toe:
„Uwe Koninklijke Hoogheid.... Uwe Majesteit.... Mijn hooge gebiedster.”
Zij dankte hem met een goedkeurenden, vriendelijke blik.
En zoo droegen Willebrordus en Paulus de prinses Leliane door het woud, waar hun rustig, rein leven in had gewoond. In hun simpele huis onder de oude, wijze boomen, in Paulus’ eigen kamer, op zijn hard, eenvoudig bed legden zij het liefelijk meisjeslichaam te rusten, dat broos en teêr was als de reine lelie, en schooner van aanschijn dan de pure sterren aan den trans.
HOOFDSTUK V.
Willebrordus had prinses Leliane’s verstuikten voet onderzocht, en met gedroogde, geneeskrachtige kruiden uit het bosch had hij de gewonde plekken zacht gewreven. De opzwelling was niet zoo gevaarlijk geweest als hij op ’t eerste gezicht gevreesd had, maar tóch moest de prinses twee geheele dagen rust houden, en te bed blijven, vóór zij weer zou kunnen loopen.
Twee heerlijke dagen van ongekende zaligheid voor Paulus. Hij mocht in zijn eigen, vertrouwd kamertje bij haar bed—zijn eigen bed—zitten, en haar zijn platen en gravures laten zien, om haar afleiding te geven, en haar voorlezen uit zijn boeken. Hij vertelde haar van het bosch, en van de boomen, en de bloemen, en de vogels, met welke hij dagelijks omging. Ook zong hij wel eens een liedje voor haar met zijn jonge stem.
Zij moest aldoor maar heel stil, bewegingloos neder liggen, om den voet volkomen rust te geven, en in die onbewegelijkheid lag ze, rein en blank, als een subtiele openbaring van droom, in een allerhoogst moment van extaze zóó opgeschenen.
En terwijl Paulus woorden na woorden sprak om haar te vermeien, en nu en dan zijn handen bewogen met reverent gebaar, was het in zijn ziel roerloos van aanbidding, als in de heilige stilte van een woud, dat met van aandacht biddende kruinen onbewegelijk ten hemel staat.
Den tweeden avond, in late schemering, toen hij weer een oud, oud liedje voor haar zong, dat grootvader hem geleerd had, was ze ongemerkt, moê van het stil-liggen, in slaap gevallen, de handen op het witte laken gevouwen.
En daar lag zij weder voor hem, de prinses Leliane, zooals zij hem voor ’t eerst was verschenen, sluimerende onder de stille boomen.
Hij durfde van eerbied nauwelijks te ademen.
En vervuld van een wonder-vroom schromen zag zijn ziel het zalig aan.
En wéér voelde hij het als een goddelijke openbaring, in een helder, klaar licht van binnen: dít is het hoogste, het állerhoogste, en hooger dan dit wonnevol genot kan géén ontroering stijgen.
Rustig, rein en rustig, werd het in zijn ziel, als in een woud, waar alle vogelen zwijgen, en geen ritselend takje stoort. Zóó als heel dat wijde woud den hemel roerloos áánziet, zag zijn ziel naar die eindelooze rust van maagd.
Blank, van goddelijke genade overtogen, lag haar hoofdje in de peluw, met de oogen zacht geloken onder dien vromen vrede. Goud golfden haar lokken het witte kussen langs. Als roze bloemen lagen haar handjes op het witte laken gevouwen.
En éven, éven bewoog haar borst, ademde zachtjes, op en neer, op een rustig rythme, dat zijn ziel met een wondere muziek vervulde.
Buiten, door het geopende venster, zag Paulus de groote, zware boomen in het schemerende licht te droomen staan, en een onbestemde, vreemde teederheid verzachtte hun donkere vormen, als een vage liefde, die over het woud was nedergedaald.
Opeens schrikte hij pijnlijk op van het tikken van zijn klokje.
„Tik tik!” zei het, „tik tik, tik tik tik....”
En inééns dacht hij angstig:
„Dit gaat voorbij, dit gaat voorbij....”
O! Het vast te houden, dit heerlijk oogenblik, het innig-onverbrekelijk vast te houden in zijn leven, dat het nooit, nooit meer weg kon, en altijd zóó bleef, zóó zalig en zóó stil!...
Het was géén droom. Het was hooge werkelijkheid, heerlijker dan heerlijkste droom ooit zijn kon. Dáár lag ze, vóór zijn aandachtige oogen, de prinses Leliane, van wie zijn ziel gedroomd had, jaren lang, en hij had het niet geweten. Die veilige, rustige vrede, die wijding van genade, die reine, roerlooze rust, schooner en van goddelijker wezen dan ál wat ooit zijn oogen en zijn ziel hadden aanschouwd! Kón dit ooit vlieden in den tijd, kon dit ooit wijken in ’t niet voor het eentonig klok-getik, dat in zijn ooren pijnde?
Toen legde zich opeens een groote zekerheid in zijn ziel, zooals het licht dat neerdaalt over nacht:
„Dit wondere schoon kan nooit verloren gaan, en áltijd zal het onvernietigbaar in mijn wezen blijven, al wisselen van buiten ook vele verschijningen, die niet van goddelijken oorsprong zijn als deze.”
Hij knielde neder, in diepen ootmoed, en bleef zóó liggen, hij wist niet hoe lang. Want het was hem in die stille contemplatie, of de tijd niet meer bestond, of zijn kamertje, en het bosch, en alles weg was, en hij was heengedroomd in de eeuwigheid, waar dit blanke visioen van reine schoonheid voor zijn ziel zou blijven stralen, in ondoofbare pracht...
Zóó leefde Paulus de twee dagen door, met zijn ziel tot op het uiterste gespannen in aanbidding en stille zaligheid. Hij was zóó ganschelijk in zijn geluk verzonken, dat hij er in ’t geheel niet aan dacht, hoe deze wonne nog maar kort kon duren, en de prinses weer heen zou gaan, voor goed.
Ze had hem er ook niet over gesproken. Ze had maar weinig tegen hem gezegd, en zich maar laten afleiden door zijn stem, moê en vervelend als ze moest liggen in haar onbewegelijke houding. Ook wist ze eigenlijk niet wat ze hem wel zou zeggen. Het was alles zoo wonderlijk voor haar, dat stille, sobere kamertje, en die vreemde menschen, zonder hofhouding om haar heen.
Toch was er voor haar een stille charme in zijn stem, en zij raadde uit intuïtie zijne jonge, sterke, eerbiedige aanbidding, als iets heel bizonders en aparts, kostbaarder dan alle hulde, die haar ooit gebracht was.
Ze vond hem mooi en dacht dat hij een goed figuur zou maken aan het hof. Ééns zelfs dacht ze „hoe jammer dat hij geen koninklijke prins is.”
Maar Paulus dacht in ’t geheel niet, verloren in zijn extaze, tot Willebrordus het hem den derden avond zeide:
„Morgen ochtend vroeg zal ik de prinses brengen tot aan den zoom van het woud, waar je in de verte de blauwe bergen ziet. Daar vind ik wel houthakkers of bergbewoners, die haar verder den weg kunnen wijzen. En nú moet je beslissen, mijn jongen, of je met haar mede wilt gaan, of hier blijven bij mij.”
Paulus schrikte op.
Het leek te onmogelijk dat zij nu weg zou gaan, nu ze eindelijk was gekomen. En hij keek zijn grootvader aan, als niet begrijpend.
Willebrordus voelde wel, wat er in zijn jonge ziel gebeurde. Het lag vèr achter hem, deze emotie, maar hij wist nog zéér goed de hevigheid en het wreede er van.