Leliane: een modern sprookje

Part 2

Chapter 24,141 wordsPublic domain

Zij woonde in een paleis van wit marmer en goud, in witte gewaden van reinheid ging ze, en op haar blonde haren blonk de gouden konings-diadeem. Als zij aanschreed bogen de hoofden van duizenden, en beefde de lucht van het gejubel der saamgestroomde scharen. Het moest wel zijn zooals in het woud, als de zon opging aan de kim, en langzaam nader steeg. Dan ruischten de boomen heinde en ver haar tegemoet, en al de vogels jubelden haar toe met hun gezang.

Honderdduizenden-en-duizenden moesten hare onderdanen wezen. En over die allen gebood zij, de prinses Leliane, die weldra koninginne zou zijn, over die allen was zij de souvereine heerscheres, bij de gratie Gods, die het mirakel had doen gebeuren van de onbevlekte menschengeboorte uit een witte waterlelie van het heilige bosch.

En dikwijls kwam over het hart van den jongen Paulus een stil, vaag verlangen om de prinses te zien. Zij moest mooier nog zijn dan de bloemen, dan de vlinders, dan de vogels, dan de sterren, dacht hij. Misschien zou je wel dood gaan van zaligheid en ontzetting als je haar inééns voor je zag, of van haar groote schoonheids-schittering blind worden, alsof je te diep in de zon keek.

Ééns was hij verdwaald geweest, toen hij te ver geloopen was, om een vreemd vogeltje te hooren, dat hij nog niet kende. Dat was heel angstig en tóch verrukkelijk geweest. In de schemering van een’ stillen avond had hij opeens een wonder, wonder gezang gehoord boven zijn hoofd, zoo vreemd, en zóó innig, dat de tranen er hem van in de oogen sprongen. Hij had in de boomen om zich al gekeken en gekeken, maar er was geen vogeltje te zien. Toen zweeg het zingen een poos, maar later begon het weer, nu véél verder. Hij was het nageloopen en keek al maar in de boomen, zonder iets te zien, totdat het telkens vérder weer begon. Zóó was hij, doodmoe, twee dagen het vreemde vogeltje gevolgd, totdat hij eindelijk aan een onbekende grens van het bosch kwam, waar hij nog nooit was geweest. Het was een donkere avond, met maar heel even wat maanlicht tusschen zwarte wolken. Vóór hem lag een wijde, open vlakte. Hij was toen in een hoogen boom geklommen om uit te zien waar hij was.

Toen had hij, vèr, héél ver aan den horizon een vreemd, bevend licht gezien, wonderteêr en aetherisch in den nacht. Bleek waren de donkere hemelen van dien glans.

En Paulus dacht dat het de weerschijn was van Leliane’s ziel, die daar lichtte aan den horizon, en was van ontzetting bijna uit den boom gevallen.

Later, toen hij, na dagen zwerven, eindelijk door goede houthakkers den weg gewezen, weer bij zijn grootvader terecht was gekomen, had Willebrordus hem verteld, dat het de weerschijn was van de duizenden lichten in een stad, die hij gezien had. Maar heimelijk had Paulus het toch niet willen gelooven, en altijd verbeeldde hij zich dat hij de ziel van de prinses gezien had in dat wondere licht, zoo vreemd bevende aan verren horizon.

HOOFDSTUK III.

Paulus had een klein kamertje, boven, onder de balken van het dak. Er stond niets in dan een houten bed, een tafel, een kleerenkast, een boekenrek en een paar stoelen, maar het was er toch erg gezellig, omdat het zoo licht en proper was. Er was maar een dun, hagelwit gordijntje voor het raam, zoodat ’s morgens het licht al heel vroeg binnenkwam en hem wakker maakte. Dan stond hij dadelijk op, en schoof het raam open. En al de goede, groote boomen ruischten hem dan vriendelijk goeden dag. De vogelen waren dan druk bezig aan hun morgenlied, en de bloemen zonden hun jonge, frissche geuren op. Het was hem altijd zoo licht en wonder wèl te moede ’s ochtends, en hij aanvaardde elken nieuwen dag als een kostbaar, heerlijk geschenk dat hij had gekregen. Als alles zoo vroolijk ruischte om hem heen, waar hij versterkt opstond van een gezonden slaap, en hij hoorde dat vogelen-gejubel overal, en die krachtige geur van jong hout en pas wakker geworden bloemen kwam naar hem op, dan was het hem, of hem dat alles persoonlijk werd gegeven, in eindelooze mildheid.

Ja, er moest een goede Vader zijn, die voor al het schoone om hem heen liefderijk zorgde, en wiens Geest die groote, groote wereld van schoone wonderen doordrong. En dan kwam een groot gevoel van dankbaarheid in hem op voor al die goede gaven, en wenschte hij vurig, dat hij dien goeden Vader toch éénmaal zien mocht van aangezicht tot aangezicht, en hem knielend danken voor het lichte geluk van te leven.

Boven zijn bed hing een schilderij van de heilige Leliane. Uit de roerloos-uitgespreide, blanke bladen van een groote, wondere waterlelie rees de koninklijke Maagd, de oogen biddend omhoog geheven, de handen gevouwen, in de kuische plooien van een wuivend, wit gewaad gehuld. Om haar heen zweefden kleine, kinderlijke engelen, met de wieken hoog-óp gestoken, recht stijgende naar een groot, roze hemellicht omhoog.

Naar die uit een blanke bloem geboren maagd kon Paulus lang, lang blijven staren. Zachter en van véél teerder kleur was haar aangezicht dan de mooiste bloem, die hij kende, witter dan de lelie, zachter roze dan de reinste roos. Het geleek nog het meest op heel vage, witte wolkjes, die hij wel eens ver aan de hemelen had zien drijven, verlicht door de laatste glanzen van de ondergaande zon. Zóó broos en zóó ijl, dat één luchte winde-adem ze dra zou breken. En het vreemde er van was, dat hij wel zag, hoe dit kuische aetherische lichaam van vleesch moest wezen als het zijne, en het aanschijn hebben moest van een mensch, maar toch zoo héél anders, als een lichaam, dat door goddelijken geest ontvluchtigd is aan de materie. Zóó als bloemen wel eens konden zijn, in late schemering, als ze met bleeke, vervagende kleuren nog éven opschijnen, of zoo als heel fijne, teêre takjes nog éven, nauw zichtbaar, gevoelig staan te doen tegen late lucht. Dan is er inééns in de stille schemering als eene vergeestelijking, een allerteederste apothéoze, weifelend en voorzichtig, als de ziel der dingen éven kuischelijk ópdroomt in de vage, veilige sfeer van den vallenden avond.

Ja, wèl was de morgen schoon, als het goede licht zich wijd uitbreidde boven de wereld, maar in de schemering van den avond voelde Paulus zich altijd het beste, als die groote, teedere zachtheid over alle dingen ging, die ze nóg schooner en inniger maakte dan overdag. Hij durfde dan zoo veilig denken aan de Maagd Leliane, die uit de witte waterlelie was geboren, en aan de prinses, daar, vèr over de bosschen en de vlakten en de bergen, die uit háár heilige zonne- en bloemen-essence was ontsproten. Als dan het donker met zachte schaduwen begon te dalen over het woud, zat hij peinzend aan het open venster van zijn kamertje.

Hoe het dan ineens stil werd! Hoe die statige stammen der boomen nu duidelijk en zacht uitstonden in de atmosfeer! Hoe al die duizenden teere takjes en blaadjes uitkwamen tegen de lucht, roerloos bleven uitgespreid, van rust en genade overtogen. Het gezang der vogelen was verstomd. Somtijds zuchtte er nog ergens een zwak stemmetje, en ritselde er iets boven in een boom. Dan was alles weer stil, en suisde het ernstige zwijgen plechtig-monotoon door het donkere, slapende bosch.

Door het gebladerte, hier en daar, zag Paulus langzaam de zilveren sterren opdagen. Rustig flikkerden zij daar met hun lichtjes in het diepe blauw, zoo ver, zoo veilig, en zoo ver. O! Hoog in die eindelooze, blauwe hemelen daar boven! Daar moest het nog volheerlijker, nóg wonderbaarlijker schoon zijn dan op de wereld hier beneden.

En als dan de maan opkwam, en haar bleeke nachtgezicht, stralende van goddelijke rust en genade boven de aarde ophief, dat de zilveren, aetherische vrede-stralen zacht-biddend neerzegenden over het bosch, en alles in den slaap ópklaarde tot een apothéoze van heilig-verheerlijkt zijn, dan voelde Paulus opeens een groot verlangen opwellen naar zijne oogen, wijd breidde hij de armen uit, om die eindelooze Liefde te omvatten, die wemelde in de hemelen en over de aarde, en hij weende zacht, zacht van zaligheid en heerlijk onbewusten weemoed in den nacht.

Somtijds schreef hij ook wel eens verzen. Heel korte, eenvoudige verzen maar, van acht of twaalf regels, enkel maar zijn onvermooide gevoel, en niets meer dan dat, op het rythmusje, waarop zijn hart klopte. Hij dichtte er in van het vreemde, onbewuste verlangen, dat hem somtijds vervulde, van het inééns diep bedroefd zijn, en weenen moeten, en niet weten om wàt, over het ineens vólzalig zijn van geluk, en het luid willen uitschreeuwen van vreugde, en evenmin weten waarom.

Hij durfde die verzen niet eens aan zijn grootvader te laten lezen, wien hij toch alles van zijn leven toevertrouwde. Er was iets, dat hem er van weerhield. Het was of hij ze nog moest bewaren voor iemand, die er nog niet was, maar misschien ééns, ééns komen zou, en wien hij het dan van zelf zou geven.

Paulus had een kleine, maar uitverkoren verzameling van gedichten in zijn boekenkastje. En hoewel hij van het groote leven der menschen nog eigenlijk niets had meêgeleefd voelde hij toch intuïtief de meeste dingen uit de verzen, waarvan de emotie hem nog nooit had beroerd. En dikwijls zat hij stil te weenen om verdriet of geluk, dat enkel zijn ziel maar intuïtief vóórgevoelde. Het liefste van allen had hij de dichters van den Lotus-krans, eene jonge generatie van kunstenaars uit Leliënstad, die de sinds eeuwen in verval geraakte dichtkunst uit een slaap van rhetorica en conventie hadden gewekt, en, tegen hoon en vervolging in, de groote revolutie in de literatuur hadden tot stand gebracht. Als hij van hun gloeiende, geestdriftige verzen las, voelde hij dikwijls een verlangen om hen éénmaal te zien, en te danken voor al het geluk, dat zij hem hadden gegeven. Hij stelde zich hen voor als uitverkoren, gezegende menschen, wien het bij het eerste gezicht was aan te zien, dat zij van God begenadigd waren met het reinste en edelste wat Hij aan stervelingen had bedeeld. O! hen éénmaal te zien, zijn geliefde dichters, hun te kunnen vertellen van de stille tranen, die hij hun had gewijd in de plechtige stonden bij den vijver, waar de witte waterlelies woonden!

Willebrordus had hem véél geleerd van de menschen en de maatschappij, maar alles alleen in theorie, en van het practische leven had hij natuurlijk niets gezien, omdat hij was gebleven in de eenzaamheid van het woud. Zijn grootvader had hem enkel verteld, dat alles in het werkelijke leven niet dát was, waar het den schijn van aannam en den naam, maar ook de logen en het onrecht hiervan had hij enkel in theorie gevoeld, en nog niet brandend voelen gloeien in zijn ziel. Alleen vóórgevoelde hij de wereld en het leven van de menschen als iets vaag-vijandigs aan het liefste en beste in zijn ziel, waarvoor Willebrordus en hij zich ver verborgen hielden, diep in de veiligheid van het bosch. Met eene fijne intuïtie voelde hij in de uitdrukking van Willebrordus’ gezicht, in de breede, grievende rimpels van zijn voorhoofd, in de ernstige trekken om neus en mond, in het pijnlijk strakke kijken van zijn oogen, dat hem oneindig groot leed was aangedaan, leed van de menschen en de wereld, waarin hij ééns had geleefd, en hij begreep wel, dat Willebrordus nu zoo eenzaam met hem woonde in het stille bosch, om hem te bewaren voor het kwaad, dat zij hem zeker zouden doen, als hij óók onder hen moest leven. En hij was zóó tevreden en vertrouwd met de woud-eenzaamheid en zijn rustige, eenvoudige leven, dat hij er nooit over dacht, wat met hem gebeuren zou, als grootvader eens stierf, of als hij eens op de een of andere wijze, geheel onvoorbereid in het groote leven der menschen zou komen te staan. Zijn bestaan was onbezorgd en blijde als dat der vogelen en bloemen, die niet kunnen denken om den dag van morgen, maar zich koesteren in het zonlicht van den dag van heden, en onbevreesd de hoofdjes neigen als de avond komt. Hij nam het leven aan, zooals het nú was, onbewust en zonder denken, omdat het vreugde was en zegen, hem door iets heel goeds en heiligs gegeven, dat hij niet kende, maar waar hij zich toch het dankbare, welverzorgde kind van wist. Hij noemde het zijn’ Vader, en wist dat het ook de Vader was van de sterren, en de bloemen, en de boomen en de dieren, en van alles wat bestond door Zijne goedertierenheid.

Wèl had hij tusschenbeide eens gedacht, waarom dan niet de geheele wereld vertrouwd was als het woud, waarom niet alle menschen in vrede konden leven als Willebrordus en Mareta en hij, waarom er dan die verre landen en die steden waren, waaruit zijn grootvader was gevlucht, en hoe het kwam, dat die Vader de wereld niet had bewaard in dezelfde verdraagzaamheid en dezelfde oprechtheid van het woud. Maar uit die gedachten was hij nooit tot een rijpe klaarheid kunnen komen, en hij was ze gaan schuwen, en drong ze terug, achter in zijn binnenste, als hij ze op voelde komen. Door het altijd om zich heen zien van mooie boomen en bloemen, in vrede bloeiende naast elkaar, door het altijd midden in de groote, oprechte waarheid leven van de natuur, was in zijn ziel bijna voortdurend een rustige, weldadige harmonie, die geen donkere gedachten lang konden verstoren.

Zijn eenvoudige voedsel bestond uit brood en vruchten, boonen en groenten, zijn drinken uit melk en water. Nooit was één bete vleesch of een alkohol houdende drank over zijne lippen gekomen. Hij kon zich niet begrijpen, hoe de menschen in de steden levende beesten konden slachten en zich voeden konden met de lijken van zoo zachtaardige dieren als koeien en schapen, kippen en duiven. In zijn naieve voorstelling was dit even wreed en bloeddorstig als het menscheneten van de wilden. Hij had twee koeien in een klein grasveld dicht bij de hut, die hij zelf mocht verzorgen. Hoe gewillig en vertrouwelijk gingen die met hem om, en hoe goedig konden die hem aanzien met hun groote oogen. Hoe droomerig konden die soms den kop geheven houden, als ze roerloos stil stonden in de stilte van een vallenden avond! Dan voelde hij, dat er in die stomme, hulpelooze dieren, die niet konden spreken, onbewust iets was, dat met iets van hém was verwant. Hoe kón het ooit bestaan, dat de menschen zoo’n goedig dier den hals afsneden, en zich voedden met het vleesch en het bloed van zijn lijk? Liepen zij dan een ganschen dag rond met in hun lijven verterend stukken lijk van beesten die om hunnentwille in gruwel en jammer waren geslacht?

HOOFDSTUK IV.

Den geheelen middag had hij geroeid op de rivier.

Nu was de schemering over het bosch gedaald, en hij wilde teruggaan, naar huis. Juist wilde hij het bootje vastleggen aan den oever, en er uit stappen, toen hij opeens hevig schrikte.

Want hoor! daar klonk opeens weer het gezang van het vreemde vogeltje, dat hij al ééns gehoord had, lang geleden, en dat hem zoo wonder had beroerd. Hoe hij het was gevolgd, het vreemde lied, tot hij ganschelijk was verdwaald, en vèr aan den horizon het groote licht had zien schemeren van Leliane’s ziel!

Het wondde hem diep in zijn hart. Wat wàs het dan toch, dat het zoo pijn deed, en tòch zoo heerlijk was en volzalig, dat hij van angst en vreugde de adem voelde stokken in zijn keel, en bang zijn hart klopte, dat het zeer deed in zijn borst?

Hoor! hoor! hoe het vreemde vogeltje daar klaagde in het donker wordend woud! Moest hij nu weer meêgaan, willoos, doelloos meêgaan, overal waar het vogeltje maar wou, moê, moê meeloopen tot vèr, vèr het bosch uit, waar het wondere Licht was, dat hem zoo had doen schrikken met zijn bleeken gloed? Neen, nú zou hij sterk en dapper zijn. Hij zou in de boot blijven tot het vogeltje ophield met zingen, en dan stil naar huis gaan. Vastbesloten, maar toch angstig, bleef hij zitten.

De avond begon nu dieper te vallen over het bosch. In het Westen, waar de rivier heenstroomde, begon een teeder droomenspel van kleuren. Zacht roze, en bleek goud, en wazig blauw, en allerlei weifelende, langzaam vervloeiende tinten schemerden op, van innigheid zalig in elkaar vergaand bij ’t eerste samenbeven. En onder het geheimzinnig kweelen van ’t vogeltje bleef Paulus angstig in die verre kleuren staren. Hoe vreemd werd het nu ineens voor hem!

Want het was juist, of die kleuren hem nu evenzoo pijn deden als het klagelijk zingen boven zijn hoofd. Opeens was het hem, of hij er iets in miste, of er iets was, dat al die teêre tinten voor hem verborgen, en dat toch het heerlijkste van alles zou zijn. O! Dat oude, oude, en toch nooit gekende gevoel, dat zoo dikwijls in hem opgezwollen was als hij eenzaam zat te droomen bij de waterlelies, als hij hoog in den top van een boom naar de sterren opzag, of als hij het aanzag aan zijn open venster, hoe de stille boomen hun biddende kruinen roerloos omhoog hielden tot den hemel! Dan kwam die wondere weemoed, die droefenis was en zaligheid, en de tranen welden naar zijn oogen, en hij wist niet waarom!

Maar nú was het sterker dan het ooit geweest was. Nú wist hij opeens dat hij verlangde naar iets, dat nog schooner en volheerlijker was dan alle mooie en goede dingen in het bosch. Maar wat?.... maar wat?.... Hij staarde in de kleuren daar ginds, ver, die altijd maar vervaagden en in elkaar verdroomden, het goud, het rood, het roze, het geel, het blauw. O! Dat teêre, teêre blauw daar! Zóó fijn en transparant was het nooit geweest, niet in den mooisten lentehemel zóó als het nú was, daar aan dien verren horizon. En toch, en toch.... Tóch kon het nóg teederder, nóg zachter zijn dan nú, tóch was het nog niet genoeg om te stillen dat vreemde verlangen naar iets nóg heerlijkers, dat in zijn hart aanzwol, en waar het vogeltje van zong. Het vogeltje! Waar was het?.... Zat het boven zijn hoofd in de boomen?.... of zong het in zijn eigen hart?.... En had het ook in zijn eigen hart gezongen en hem rusteloos voortgedreven dien éénen avond, toen hij het vreemde licht had gezien, daar vèr waar de menschen woonden in de Leliënstad?.... Hoe vreemd, hoe vreemd het toch zong! Wat wilde het hem dan toch zeggen?.... En dan die kleuren, die kleuren, die óók zoo wonder zongen in de verte, die kleuren, die iets zeggen wilden, en die riepen, die riepen.... Dat blauw, dat bíjna goed was, dat bíjna troostte zijn verlangen van weemoed, als het maar anders was, maar hoe?.... maar hoe?....

En het verlangen in hem zwol en zwol, en het werd sterker dan zijn sterke wil om rustig te blijven, en niet met het gezang mede te gaan.

En het vogeltje riep en riep, vaag-droevig en toch zalig, en hij wist niet of het in zijn ziel was, en het haar vooruit dreef, of dat zijn ziel vanzelf voortmoest, achter het vogeltje aan.

En hij voelde zich gaan, zacht, maar onweerstaanbaar voortgestuwd door iets dat sterker was dan alles, wat hem ooit had bewogen. Maar zijn hart klopte angstig, alsof het vóórgevoelde en al wist.

De boomen stonden toch als altijd voorheen, de oude, goede kameraden, en al werd het al donkerder en donkerder, wèl kende hij den weg als veilig en vertrouwd. Maar toch was er iets vreemds en beklemmends in die welbekende dingen, als dreigde ergens een vaag gevaar, dat breken zou het lief-intieme van verstandhouding tusschen het rustige, reine woud en zijn jonge ziel.

Willoos dwaalde Paulus verder, als in een droom, waarin hij nu en dan het vreemde vogeltje hoorde zingen, nu van hier, dan van daar, nú buiten hem, ver, dàn heel dicht bij hem, in zijn eigen binnenste.

Hij liep, en liep en liep....

En nu was hij bij de open plek gekomen onder de purperen beuken.

Plotseling hield het vogeltje op met zingen, en van schrik bleef Paulus onbeweeglijk staan.

Want daar, in ’t midden van de donker-gouden blaren lag iets wits, iets innig wits, met een eigen, zachten glans opschijnend in het donker. En ergens in dat wit een wreede, roode vlek, hel op het matte donkergoud van de oude blâren.—Het was te donker om goed te onderscheiden, en Paulus zag nog maar alleen het roerlooze wit, als een groote sneeuwvlek onbewegelijk over het goud, en pijnlijk de roode plek daar in.

Hij durfde nog altijd niet naderbij te komen, en staarde en staarde, met duizelig hoofd, voelend het angstige bonzen van zijn hart.

Tot, als een zegen van Boven, opeens een fijne bundel lichte manestralen neêrzilverde door de takken der boomen, en daar lag, in die zachte apothéoze van hemelsch licht, slapende, de Prinses.—

Rustig lag ze, een kalm kind in een wit gewaad van fijn, zacht laken, nauw omsluitend haar ranke, tengere figuur. Haar bleeke gezichtje was van de stille reinheid der blanke waterlelies, en van even rustige kalmte genadevol overtogen. Maar onder het transparant bleeke van haar huid beefde een wondere glans, alsof het reine licht van hare ziel daar lag te gloeien. Zoo als de fijne nerven in teedere bloemen, droomden broze aderen hier en daar over het zachte blank van haar hals.—En als een groote golf goud van de zon, met een glorie van glans opschitterend in het weeke maanlicht, waren haar lokken uitgestroomd om haar heen, over de donkerder gouden blâren.

Naast haar, klagelijk en droef, lag een doode, witte ree, de fijne pootjes stijf uitgestrekt, de gewonde hals pijnlijk gerekt, met een felle pijl-wonde, waaruit een roode stroom bloed was gegolfd, en waar langzaam donkerroode bloed-druppelen uit drupten.

Een felle pijn doorschrijnde hem een oogenblik... Hoe kon dit zijn? Dit uiterst teedere en genadevolle van het Meisje, niets dan liefde en barmhartigheid.... en daarnaast koud en stijf, de argelooze onschuld van een ree, met een wreede pijlwonde in de keel. Hoe kon dit naast elkaar bestaan, dat de liefde hier de onschuld niet beveiligd had, door de sterkte van haar wezen?

Maar hij zag weer van de doode reê naar het levende Meisje, en in het aanzien van haar schoonen schijn was het wreede naast haar weêr vergeten.

Zacht bewoog de borst van de Prinses op de rustige deining van haar ademhalen, en Paulus voelde dat teedere, kalme bewegen als een wonder rythme in zijn ziel, dat haar vervulde met een zaligheid, inniger dan muziek.

Nu was het dan gekomen..., nú was het dan eindelijk, eindelijk gekomen, waar hij zoo naar verlangd had, waar hij op gewacht had al die jaren lang, en nooit had hij het geweten.... altijd was zij dus in zijn ziel geweest, en altijd had hij haar met zich omgedragen, zijn geheele leven lang, tot het nu, op dezen eindelijken avond, eerst in hem bewust werd, en hij het aan mocht zien, van aangezicht tot aangezicht, en het voelen van ziel tot ziel....

Want hij voélde het nu, in wélbewust herkennen: dat roerloos rustige, dat genadevol kalme, dat reine rythme van haar zacht adem-bewegen, die stille lijnen van haar sluimerend lichaam, die teêre sfeer van goud- en leliënglans, die om haar beefde, dáárin openbaarde zich kuischelijk de ziel van de slapende Prinses, het allerinnigste van haar wezen, zooals hij de ziel van het woud had gevoeld in den droom van een maanlicht-stille nacht.

Een wondere zaligheid daalde over hem neer, alsof opeens de eindelooze Hemel met al zijn eeuwigheid van blauw en diamanten sterren over hem neder was gedroomd, en hij duizelde in die oneindigheid van pracht. Hij voelde zijn lijf niet meer, hij voelde zich niet meer staan, maar het was of hij nu die eindelooze Hemel zelf werd, en grooter en grooter werd het om hem, wijder en wijder, vèr en vèr, en alles wemelde weg in zaligheden en helle horizonnen van licht....

Tot het ophield door een geluid, en hij op eens weer terug was. Even bewoog de Prinses en zeide iets, zwak, in haar slaap. Hij schrikte op, angstig, als een die wakker schrikt.

Ai! Ging het nu breken?... Stil dan, stil... Dat niets die genadevolle stilte nu verbrak.... Want hij voelde het, helder in zijn ziel, zonder het bewust te weten: dit was het allerbeste... het stille aanzien, roerloos, van der Liefste ziel, als de reine slaap het leven in haar zacht gedoofd heeft, en haar heilig licht beeft in de sfeer van rust, die droomende is om haar heen....

Weêr was zij stil, en rustig deinde het ademhalen van haar borst. Hare blanke, kleine handen, gevouwen in haar schoot, bewogen niet, en roerloos lagen hare lange, gouden lokken in het donkerder goud van de blâren, licht als stralen van de zon.