Leliane: een modern sprookje

Part 14

Chapter 142,371 wordsPublic domain

Ja, hij had Hem gevoeld, dicht aan zijn ziel, in de stilte van het woud, als de boomen aandachtig hun roerlooze kruinen hieven óp tot den statigen sterrennacht, als de witte water-lelies kuischelijk ontplooiden hun heilige harten tot het licht, als het eerste morgenrood in teederlijk gebed de verre kimmen kleurde. Toen had hij geweten dat het een God van eindelooze schoonheid en goedertierenheid en wonnevolle vreugde was.

Maar als Hij het onbewogen aan kon zien, den ondergang van het teêre en zwakke, de grove besmetting van wat edel was en rein van wezen, dan kon hij dienzelfden God niet meer aanbidden, en kon het ook geen God van goedertierenheid zijn!

Wáár hij ook om zich heen zag, in de groote stad, overal tierde welig het onrecht, brutaal, onbeschaamd. Alles was leugen, schijn, waan, bedrog. De godsdienst, de kunst, voorál de literatuur, de liefde, de vrijheid, de vriendschap, álles was leugen. De geheele inrichting der maatschappij was leugen, en droeg schaamteloos het kleed van godsdienst en menschenliefde daarover heen. Van alles wat hij nu om zich heen gezien had in de groote Leliënstad was niets echt, behalve de ellende der verdrukten. En, het ergste van alles, met bruut geweld van wetten, waarachter bajonetten en kanonnen, werd dat alles gehandhaafd in naam van God, en in naam der Koninklijke Prinses. Een God dus van leugen en onrecht, en van leugen en onrecht de Prinses.

Zoo stond hij, tegen een pilaar van den Dom geleund, eenzaam te peinzen.

Tot hij werd opgeschrikt door een moede, lievig-zoet gemaakte stem:

„Zoo, lieveling... sta je daar zoo alléén?... kom, ga met me mee naar huis...”

Een miserabel, mager figuurtje, in een verschoten manteltje, een verflensten hoed op. Beverig rillend als een moêgezworven, natte hond. Een bleek, geelachtig gezichtje, met waterige oogen. Piekerig haar, nat van regen, verwaaid.

Een groot medelijden zwelde op naar zijne oogen. Zoo klein, zoo hulpeloos, zoo van alles verlaten, dat schepseltje daar voor hem! En wat ze hem aanbood, hoe erbarmelijk, hoe poovertjes, hoe niets meer waard dan afschuw en walging! Een verdwaald, afgejakkerd kind van de ellende, genadeloos, overgelaten aan ’t Lot, en geen goede Vader, die zich over dat zwervende, droeve kind ooit zou ontfermen.

Hij legde de hand op haar schouder, en zag haar liefdevol aan, door de tranen, die schemerden in zijn oogen.

„Arm kind!” zeide hij medelijdend, „arm, arm kind! Kon ik je maar helpen!”

Zijn stem stokte, en hij kon niet voortgaan, van aandoening. Maar zij begreep hem niet.

„Bah!... ben je dronken!” zei ze.

En ging door, haar kapotte schoenen kletsend door een plas, verder, het Plein op, loerend, spiedend of niet een ander kwam, die haar schande even zou willen huren voor wat geld.

Hij voelde, dat de warme tranen over zijn wangen rolden. Een besef van absolute machteloosheid kwam over hem. Het was alles veel te groot, te massaal, te star verhard in ’t kwade, om iets uit te kunnen richten met zijn zwakke krachten, uit enkelen drang van zijn eenzaam pijnend hart. O! Als hij macht had, macht! Als hij een prins was, of een koning!

Hij wist het wel, hoe weinig er nog maar over was van de macht der vorsten. Hoe zij maar luttel direct vermochten, gebonden als zij waren door de wetten en de constitutie, die leugen-wetten, schijnbaar voor het volk gemaakt, als waarborg tegen de willekeur van den koning, om de rechten van het volk te beschermen—maar in waarheid om te handhaven een andere, véél wreeder tirannie dan ooit bestaan had, het geweld der koude, egoïstische bezitters, die alléén konden bestaan van de ellende der overgroote meerderheid.

Maar hoeveel kracht zou er toch nog van een koning of eene koningin kunnen uitgaan alléén door hun invloed en hun moreelen steun, als zij innerlijk waren bewogen door echte liefde voor het volk, omdat werkelijk het lijden der ellendigen eens in al zijn ontzetting geschrijnd had door hun ziel!

Rusteloos liep hij door, altijd maar door, gemarteld door droeve gedachten, niet wetende waar hij ging, tot hij eindelijk van uitputting, door enkel dierlijke moeheid, stil stond.

Waar was hij?.... Hij keek om zich heen.

Dit was eene straat die hij niet kende, en die zacht naar boven begon te stijgen. Waar zou zij heen leiden? Hij keek omhoog.

De regen had opgehouden. Witte wolken dreven af van een groote, heldere ruimte lucht, diep blauw. En in een zachte zegening van blank maanlicht zag hij opeens vèr omhoog het witte paleis van prinses Leliane, zoo fijn en teer als blank porselein, in een eigen sfeer van heiligen glans. Honderden lichtjes van electrische lampen schenen als sterren op om het pralende paleis, dat daar lag in de verre hoogte als een lichtende droom uit een sprookje.

Daar woonde de prinses Leliane, veilig en hoog boven het verschrikkelijke leed van het volk in ellende, dat de koningen hadden beloofd te verzorgen als een goede vader zijn kinderen.

Zij woonde maar altijd heerlijk en warm in haar witte pracht, omglansd van licht en weelde, wijl beneden bitter onrecht en duistere leugen het volk sloegen met ellenden, onnoembaar wreed en vuil....

Toen voelde hij ineens die verschrikkelijke waarheid in hem bewust worden, dat daar niet de prinses kon wonen, die zijne ziel aanbad.

Wat zijne ziel gevonden had, op dien wonderen avond in het bosch, toen zij in de vredig slapende maagd het hoogste schoon aanschouwd had, dat nóg inniger was dan de stille tinteling der sterren, dat nog heiliger was dan de wijding der witte lelies tot het licht, en dat de hoogste openbaring was, door den goeden Vader aller dingen in al Zijn liefdevolle uitingen hem gedaan, dat kon niet het koude, onbewogene, onverschillige zijn voor het jammerlijk leed Zijner arme, verdoolde kinderen....

Maar wie was het dan, die hij gevolgd had uit de lieve eenzaamheid van zijn stille bosch? Voor wie had hij dan zijn goede, trouwe vrienden, de boomen en de bloemen en de vogels, verlaten, om in de harde aangezichten der donkere menschen te zien, die een schaduw wierpen in zijn ziel?....

Wat wás het dan, dat hem had voortgedreven uit zijn rustig evenwicht, weg van alles, dat hij liefhad, weg van zijn wijzen, zachten grootvader, om onder levenlooze, koude dingen te komen, onverwant?

En wat was dan het groot verlangen geweest, dat altijd in hem gedroomd had, onbewust, als het niet prinses Leliane was, die het stillen kon met het groote, zachte licht, dat afstraalde van haar koninklijke schoonheid?....

Toen hij thuis doodmoê op bed lag, snikte hij hartstochtelijk uit in de kussens. Het was alles voor niets geweest, en voor niets had hij zijn liefste dingen verlaten om de prinses te volgen naar de groote stad! Want de Leliane, die daar woonde in het verre paleis van koud marmer, was niet dezelfde Leliane meer, voor wie zijne ziel het hoogste had geofferd. Nu was er dus niets meer voor hem, niets, en, als het arme verdwaalde jongetje, dat zijn vader had verloren, was hij alleen tusschen de doode huizen-dingen, met de harde menschen-gezichten hoonend om zich heen.

„O! Willebrordus! Willebrordus!” riep hij... „Neem mij toch weer bij u!... Nu is álles verloren... ik wil terugkomen in ons stille rustige huis in ’t bosch... ik kan niet meer, ik kán niet meer... goede grootvader, wacht mij!... ik kom!... ik kom!...”

Maar in het eerste, teedere licht van den morgen schemerde voor hem op een heerlijk visioen van zalige troosting.

Hij was ontwaakt uit een zwaren, diepen slaap, en voelde, dat hij nu niet meer droomde, zooals anders, al hield hij de oogen nog dicht. Hij wist ook zeker, dat zijn lichaam nog in het warme bed lag, en de zwaarte van de dekens drukte hem reëel.

Maar toch voelde hij zich tegelijkertijd heel ver weggedragen, en ineens lag hij onder de ernstige groene boomen van het bosch, aan den oever van den stillen vijver, waar de water-lelies bloeiden. Het was alles heel duidelijk, de oude, ruige boomstammen, die hij zoo goed kende, met het zachte, glinsterende mos, en de roerlooze schaduwen in het donkere water. En met een mystieken, heiligen glans van blankheid dreven daar onbewegelijk de witte water-lelies, de bladen kuischelijk uitgespreid, in gansche oprechtheid de gouden harten blootgelegd voor het licht.

Het was natuurlijk en vertrouwd als vroeger. Er was niets verloren. En zonder vreezen, in onbewogen rust zag hij het reine wonder aan, dat zijne ziel dadelijk herkende.

Was er dan niets gebeurd, wat hem veranderd had, en was het mooie nog altijd onbesmet?

Zie, naast hem zat Leliane, zooals zij ook dien morgen bij hem gezeten had, toen zij neer was gezonken bij den vijver. Hare blanke handen rustten op het mos, teêr als bloemen, hare rustige oogen zagen naar de lelies, peinzend. Plechtig suisde de stilte door het bosch, en geen blad bewoog. Alles in het rond was van goddelijken vrede overtogen, en stond zoo, aandachtig, in hoogste volkomenheid van wezen. Nú was het hoogste en beste bereikt, zoo was alles goed en tevreden.... Alleen maar dit, en zoo nu altijd blijven, dit roerlooze, tot aller-innigste kalmte gekomen, tot in eeuwigheid....

Een groote vrede daalde ook over zijn ziel, waar al zijn angst en droefheid uit waren gevloden. Hij voelde zich nu rustig en rein als het bosch, met al zijn rechte, stille stammen, waar geen blad bewoog, en de schaduwen van breede kruinen roerloos over den blanken vijver-spiegel lagen.

En dit alles was zóó innig en ontwijfelbaar reëel, dat het hem niet was, of hij droomde, maar of hij nú eerst uit een droom tot hoogste werkelijkheid was ontwaakt, en dit ook het eenig mogelijke en stellig zekere was, waartoe hij ooit had kunnen komen.

Al dat andere, wat hij nu pas beleefd had, het heengaan uit het bosch, het reizen naar de stad, het doelloos dolen door de sombere huizen-straten, hoe ongeloofelijk leek het nu ineens, hoe ongerijmd, en hoe had de schijn hiervan toch voor de hand gelegen!

En dan die vreemde koorts-droom, die vreeselijke hartstocht-storm met die onverwante vrouw, dat wezen zoo gansch buiten hem, dat hij nooit gekend had, hoe had hij er ooit onder lijden kunnen, in angst en pijnen! Zij was toch nooit een lieve vriendin geweest van zijne ziel, en nooit had haar stem de rust van het stille bosch verstoord....

Want de éénige werkelijkheid, die altijd onvergankelijk in zijn ziel was blijven leven, was dit reine, rustige woud, waren de blanke lelies, altijd onbesmet, in groote eerwaardigheid hun gouden kern ontplooiend, en het witte beeld van de prinses, zooals zij rustig slapende lag, in onschuld gehuld.

En het éénige genot, dat ooit zijn innigste wezen zalig had gemaakt, was enkel het rustige aanzien van Leliane, in vrome contemplatie, verlangeloos zooals de gouden lelie-harten durfden opzien naar het licht.

Hij herinnerde zich opeens zijn vrees van ééns, in het kamertje waar Leliane sliep, toen hij het getik-tak hoorde van de klok, en hij bang was, dat dit heilige oogenblik voorbij zou gaan, en weg wezen, voor goed. Maar nu voelde hij, dat het niet weg was geweest, dat het ook nooit weg zou kúnnen gaan, want dat dit heilige was gebeurd aan zijne ziel in de sfeer van het tijdelooze, die niet van de aarde is. En zooals onsterfelijk was zijn ziel, zoo moest ook dit allerhoogste zielsgenot onsterfelijk zijn, van eeuwigen duur, en onvernietigbaar door de vage dingen van het dra voorbij-vliedende leven....

Wat hij gedroomd had, hoog in de toppen van de boomen, turende naar de verre sterren, wat hij geweend had aan zijn open venster, waar de nacht-boomen buiten ruischten stil gebed, wat hij voor heiligs gevoeld had als de witte lelies hun bladen ontplooiden, er kon niets van verloren zijn gegaan, omdat niets van God ooit verloren gaat....

Ook niet Leliane...

Leliane!...

Kon dit de prinses zijn, die in haar witte paleis was gebleven, ongedeerd en ongenaakbaar, waar haar volk in onrecht en leugen verkwijnde, veilig in kostbare weelde tronend, alsof er geen honger en armoede bestonden?...

Neen, dat kón niet, dat kón Leliane niet wezen, het moest eene andere zijn...

Want deze Leliane, enkel genade, enkel goddelijke vrede, die reiner was dan de witte water-lelies, en van zachter kleuren dan de hemel, en schooner dan der sterren glans, dat kon niet de koude prinses zijn van een volk in ellende, ongeroerd in haar hoog paleis... En toch zág hij dat beeld, dat zoo op haar geleek, het kalme maagde-kind, dáár, peinzend bij den stillen vijver, in een zóó goddelijken glans, dat zijn gansche ziel er van bad...

Was er dan een andere sfeer dan de vage werkelijkheid der aarde, waarin alle dingen, hier maar in droevigen, onvolmaakten staat, een verheerlijkt, heilig, hooger bestaan leven? En werd hij door zijn jonge droomen dan somtijds tot die hooge sfeer verheven, waarin de ware Leliane leefde, die misschien wel de eigenlijke, onsterfelijke ziel was van die andere in de droeve werkelijkheid, die op haar geleek?...

Want alleen déze had hij lief, die hij nu naast zich zag zitten, roerloos de handen als teere bloemen in het mos, het lange, gouden haar als een aureool van licht om haar heen...

O! Wat lagen die stille water-lelies rustigjes, rustigjes op den kalmen vijver-spiegel, en hielden hun gouden harten oprechtelijk open tot het licht! Overal om hem heen keken bloemen, zacht als kinderen, uit het gras, en hoor! de vogelen zongen, zijn lieve vriendjes, hun lied van blijheid om het leven! De goede, trouwe boomen stonden als oude vrienden in het rond. Alles, alles was als vroeger, maar nóg mooier, nóg heerlijker...

En in die opperste extaze van een transcendent visioen voelde Paulus, hoe de goede Vader aller dingen nog altijd bij hem was, en woonde als een trouwe hoeder in zijn ziel, die door géén vaag gevaar van menschen-dingen ooit besmet kon worden, onvernietigbaar en veilig in eigen, heilige sfeer....

Brussel—Scheveningen. 1901–1902.

Op dit werk zal een vervolg verschijnen getiteld: „Leliënstad.”

*** De spreuk voorkomende op blz. 103 en verder is opzettelijk letterlijk vertaald, omdat zij in dezen versvorm prijkt op den grooten Dom te Berlijn.—Vergelijk Matthaeus XVIII: 20: „Ziet, ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld.”

AANTEEKENING

[1] In den zomer van 1901 was dit o. a. de mode ’s avonds in het restaurant Maxim te Parijs.