Part 13
„Die deftige sinjeur daar naast hem, met dien kalen schedel en die lange, grijze bakkebaarden, is de Minister van Schoone Kunsten en Nijverheid, nog eenigszins familie van zijn vrouw.... en die magere, oude heer aan zijn andere hand is de hoofdredacteur van dat oude tijdschrift: het Morgenrood, waar Wederich vroeger zoo fel tegen uitvaarde, en waar hij nu zélf in schrijft.... De heeren zijn nu verzoend.... Kijk, dáárnaast zit nu Larivois, over wien wij het straks hadden, de schilder van de Armoede.... wat een kleine dikzak, hè, en hoe wélvoldaan slaat hij daar juist dat glas wijn naar binnen.... En daar zit waarachtig ook Wanach, de groote romancier, die er vroeger zoo leelijk van langs kreeg van Wederich.... dat is nu vergeven en vergeten natuurlijk.... en de dichter Wartenau, ook van „de Lotus”.... ik kan wel aan den gang blijven met al die schilders en dichters op te noemen.... daar zitten ze nu, de groote kunstenaars, zoo goedig hè, aan die mooie, lange tafel, en als je ’t niet wist zou je denken dat het allemaal geldmannen of groothandelaren in koloniale artikelen waren.... Zoo gaat het Leven, beste Paulus, en het temt de wildste gemoederen, als ze het maar den tijd geven, en ze niet in hun hartstocht sterven, zooals ze in hun verzen trouwens honderdmaal hebben beloofd, maar later gelukkig weer vergeten zijn....”
„Ik had Wederich liever dood gezien,” zeide Paulus, en Elias zag de tranen in zijn oogen staan. „Liever dood met ál zijn heerlijke verzen over, dan hier in deze bende van poenen met dat nietige blinkende ding over zijn groote hart.”
Hij wist wel, dat die ridderordes maar in naam door de prinses, doch in waarheid op voordracht van geïnfluenceerde ministers werden gegeven.
En hij dacht over de laatste verzen, die hij van Wederich had gelezen, verzen van hoogen trots na rijzenis boven véél leed, waarin hij zich vergeleek bij een eenzame, grijze rots, uitziende over de eindelooze zee, waartegen de woedende golven van het Lot tevergeefs brullend klotsten, áltijd onwankelbaar opgerezen.
„Zeg niet poenen,” spotte Elias weder, „dit stelt juist de élite van het land voor, de crême de la crême van de kunstenaars.... allemaal menschen, die er door hard werken—en ook nog wel iets anders—gekomen zijn, en die nu geld hebben en bezittingen, het verdienstelijkste wat er is.... wat ánderen door beursspeculaties of handel hebben gekregen, hebben zij veroverd met hun kunst.... daar moet je niet licht over denken.... Met de edelste gaven, die een mensch bedeeld zijn,—van Gods genade, noemen ze dat,—door de hoogste openbaringen van de schoonheid, zijn ze er nu toe gekomen om te hebben, wat ook het beste in het leven is voor een geld-man, een mooi huis met dingen van weelde er in, een goed verzorgde familie, roem, naam, en eer,—en niet te vergeten de ridderordes, die je hier en daar op die keurige zwarte rokken ziet schitteren... ... Ze zijn nu ook allemaal een beetje ouder geworden. Ja, ik weet wel wat je zeggen wilt.... ik zie het aan je gezicht.... je denkt om vroeger, toen ze onder een goedkoop glaasje bier in een derderangs cabaret zaten te schetteren over „de kunst om de kunst,” over vrij zijn, en onafhankelijk, en over wat die grandioze fransche bohémien noemde:
„ma riche pauvreté plus chère qu’un empire.”
„Allemaal heel mooi toen. En natuurlijk meenden ze dat toen ook, en waren ze toen volkomen te goeder trouw. Daar mag je nooit aan twijfelen. Maar toen kenden zij die twee groote dingen nog niet, die hun verdere leven zouden bepalen, ten eerste den verderfelijken invloed van het succes, de glorie, en ten tweede dat onweêrstaanbare, fatale, onmerkbaar je als een willoos ding langzaam voortstuwende van het leven, wat de Franschen „la force des choses” noemen. Als je een jaar of tien geleden aan Wederich had voorspeld, dat hij nú in dit luxueuze restaurant met een ridderkruis op zijn borst zich zou laten fêteeren door wie toén zijn literaire doodvijanden waren, zou hij zeker zijn glas bier op je hoofd in stukken hebben geslagen. Maar de glorie van ’t succes èn „la force des choses”—die hebben ’t hem gedaan.”
Met groote oogen, of hij ’t nog maar niet kon gelooven, zat Paulus uit zijn hoekje het festijn aan te staren. En in zijn binnenste stond het met een valsch, schel contrast tegenover elkaar: de namelooze ellende, die hij dien middag gezien had van de verdrukten, de uitgeworpenen der maatschappij, en die rijke van zilver en kristal schitterende feestdisch van hen, die zich de edelsten van den menschelijken geest noemden, de kunstenaars van Gods genade, uit wie Hij zich in schoonheid openbaarde.
„Zie je die schotels, die daar komen?” hoorde hij opeens Elias zeggen. „Dat is de specialiteit van dit restaurant, moet je weten. Het zijn pasteitjes van nachtegaalstongen. Verbazend fijn, en peperduur, dat begrijp je. Alleen de tong van zoo’n beestje wordt daarvoor gebruikt... En denk nu eens om dat sonnet van Wederich: „De nachtegaal”, waardoor hij ineens beroemd werd... Het is zeker geen kiesche keuze geweest, dat nu die pasteitjes op het menu staan....”
En, vreemd, zooals hij zeer hevig zooeven de sensatie had gehad van den geur van jong eikenloof, hoorde Paulus nu opeens het wondere gezang over zijn ziel gaan van den nachtegaal, zingend in plechtigen maanlichtnacht. De tranen stonden hem in de oogen, en hij voelde een stekende pijn in zijn hart. Heel duidelijk zag hij ineens in zijn herinnering de recht-opgaande stammen van stille nacht-boomen, de zware kronen van bladeren roerloos uitgespreid, het maanlicht zilverend neer in zachte zegening. En een groot verlangen riep hem terug naar de rustige eenzaamheid van zijn jeugd.
Elias zag, hoe onrustig hij werd, en hoe hij straks zou uitschreien als de ontroering hem overweldigde.
„Niet zwak zijn, Paulus,” zeide hij bemoedigend. „Je móógt niet zwak zijn in dit leven.... De zwakken vallen op den grond, dat wéét je nu toch, en de sterken trappen over hen heen... je moet nu eenmaal òf getrapt worden òf zelf trappen, al weet je niet dat je ’t doet.... die menschen van vanmiddag, dat waren de getrapten, omdat ze zwak zijn, al zijn de getrapten duizendmaal sterker in aantal.... maar die menschen daar aan die tafel, dat zijn de sterken... die trappen zèlf, door hun leven ten koste van anderen... Wederich is ook een sterke, en al die kunstenaars.... En nu weet ik wel, dat jij niet zelf wilt trappen, maar toch zeker óók niet door hen getrapt worden... denk er aan, als je zwak bent trappen zij over je heen...”
„Dat nooit,” zeide Paulus, en klemde de lippen op elkaar.
Zwijgend zat hij nu het verdere verloop van het diner aan te zien.
Hij hoorde het luider en luider wordend geschreeuw van de stemmen, hun hard, hatelijk gelach, hij zag hun grove, breede gebaren. Naarmate het uur later werd, en de wijn meer had gevloeid, werden de hoofden rooder, en verloren de verhitte gezichten het correcte van eerst.
Totdat de champagne knalde, en de toosten begonnen. Een voor een stonden hier en daar heeren op, de schuimende coupé omhoog, tot Wederich gericht, en hij onderscheidde achtereenvolgens den Minister van Schoone Kunsten, den schilder Larivois, den ouden redacteur van het Morgenrood, den jongen Wartenau, die het woord voerden.
Door het luidruchtig geratel van de stemmen kon Paulus de toosten uit zijn verre hoekje niet verstaan, maar toch hoorde hij de groote, met emphase uitgeschreeuwde woorden hier en daar.
„De kunst van Leliënland.... een sieraad van de Leliënlandsche literatuur.... het eereteeken van Hare Koninklijke Hoogheid zijn edele dichterborst versieren.... door eigen jarenlangen, onverdroten arbeid.... de glorie van onze kunst, over de gansche wereld verspreid.... een toonbeeld voor de jongere kunstenaars van ons land.... vroeger misschien, in de dolle onbesuisdheid van de eerste jeugd.... doldriftig als een jong steppenpaard.... maar thans, tot rijpheid gekomen, inziende den ernst van het leven.... tot hij gewrocht had die schoone, onvergelijkelijke schepping „de Genius des Vaderlands”.... dat epos van oude helden en koningen......”
Het duizelde om Paulus’ hoofd. Telkens het hoera-gebrul, het „Lang zal hij leven”, het gekletterklink van de glazen, het knallen der champagne-kurken, samengejoeld in één oorverdoovend lawaai.
Nú zag hij Wederich opstaan, zijn lange, magere gestalte hooger oprijzende dan alle anderen, het bleeke, tragisch-leelijke hoofd ongemakkelijk, droef potsierlijk, stijf-óp door den veel te nauwen boord. Hij zag ook, hoe de dichter verlegen rondkeek, hoe hij stotterde onsamenhangende woorden, en toen, door aandoening overmand, huilend in zijn stoel terugzonk. Zijn vrienden snelden toe, spraken opwekkende woorden, namen hem onder den arm, en dansten met hem de tafel rond.
De lakeien brachten jassen, hoeden en stokken, en in groepjes gingen de gasten de deur uit, luidruchtig zingend van „Lang zal hij leven!”
„Nu begrijp je zeker wel hoe dat eindigt!” zeide Elias kortaf.
Ja, nú wist hij het, Paulus, door het leven van de laatste maanden geheel op de hoogte. Het meerendeel van die mannen fuifden nu den nacht door, gingen naar de vrouwen. De vrouwen, de prostituées, die nu goed genoeg waren om deze mannen verder te amuseeren, die immers geld hadden, en er voor betaalden, royaler naarmate ze royaal door haar werden behandeld. In dié en dié restaurants en cafés waren die vrouwen behoorlijk te vinden, in allerlei soorten, in allerlei prijzen, zooals in dié en dié winkels de koopwaar gerangschikt lag uitgestald.
HOOFDSTUK XV.
Het was bijna één uur toen Paulus, na nog wat in een stil café met hem gepraat te hebben, dien avond van zijn vriend afscheid nam.—Bang voor zijn eigen gedachten, als hij nu eenzaam in bed ging liggen, liep hij nog wat door de natte, glibberige straten, met den kouden mistregen driezelend langs zijn hoofd.
De Koninginnestraat was nu weer de ongure, griezelige nacht-allée, met de hooge lantaren-pitten gelig-valsch brandend, en de groote winkel-paleizen zwart en dicht, met ijzeren rol-gordijnen straf gesloten. Al de weelde was nu weg, veilig achter slot en grendel, nu de rijke bezitters toch niet meer in de straat kwamen, en de ellende nu voorbijtrok. En er was iets in dat onmeedoogend, brutaal gesloten zijn, dat veilig weggeborgene van al de luxe, die hij achter die machtige sluitingen wist, dat hem opeens woedend irriteerde.
Er waren nu maar weinig menschen op de been, met het gure weêr. Maar tóch liepen hier en daar nog kerels, het hoofd diep in de kragen van hunne overjassen gestoken, den hoed stijf ingedrukt voor den wind, haastig heen en weer om nog wat vrouwen te zoeken.
Wat misère-prostituées van den derden rang,—die het éénigszins konden doen bleven nu thuis,—slecht gekleed, bibberend onder hun would-be chicque confectiemantels, de schoenen kletsend in de plassen, de haren verwaaid en nat van regen, slenterden hier en daar nog langs de winkels, of stonden te schuilen onder een marquise, de heeren aanroepend die voorbijgingen. Er was iets ontzettend tragisch in die donkere, sjofele figuren, daar rondwarend in regen en wind, in de genadelooze nachtstraat, met al die ijzer-gesloten deuren en vensters, waarachter millioenen aan weelde lagen opgehoopt.
En weêr voelde Paulus het klagen in zijn ziel, dat maar niet woû ophouden, en met niets van denken en redeneeren was te sussen:
„Het zijn háár zusteren... háár zusteren... de zusteren van Leliane...”
In de laatste tijden was het als een obsessie geworden. Het liet hem niet meer los, wáár hij ook was, niet in hel verlichte vreugde-zalen, niet in de eenzame uren ’s nachts in bed. Wat in Leliane van heilige essence was, dat moest ook in álle vrouwen zijn, hare zusteren.
En naarmate hij de misère van de prostitutie beter begon te kennen, werd het leed, waarmede zij hem sloeg, universeeler. Het werden nu niet enkel meer aparte, uitgestooten wezens, die genadeloos te gronde gingen, het was iets van Leliane zelve, dat hij zag verkwijnen, avond aan avond, in de wreede stad van weelde en weedom. Hij had het nu gezien, van nabij: in al de afgebeulde, besmette, beleedigde meisjes- en vrouwenlijven, die hij nu gezien had, was toch altijd iets van het oorspronkelijke mooie en reine behouden gebleven. Hier een altijd rein-gebleven blankheid van huid, dáár een nobele golving van arm of been, nú een wonderteêre drooming van lijnen langs borst of buik, dan het lieve, kinderlijke lachen van in slaap weêr kuischgeworden lippen, áltijd was nog iets van het maagdelijke mooi bewaard, dat onaantastbaar was gebleven, en dat het klagelijk óndergaan van al het andere des te droever maakte. En nú was het hem in de laatste tijden geworden, of het eigenlijk ook Leliane zelve was, die hij in al die misère zag verkwijnen, en het deed hem aan met al feller en feller wordende pijn. Al het lieve en mooie, dat overal te sterven ging, het was eigenlijk van Leliane zelve, evengoed als van al die ongelukkige schepselen, en juist waar het, hier en daar, plotseling in de misère opscheen, met een lachje, met een gebaartje, met een lijn of golving, was het opeens of hij Leliane daarin herkende, en schrikte hij, iets van háár te zien waar hij het nooit had verwacht. En het werd ten laatste zoo, dat hij werkelijk angstig werd voor háár, dat hij zich verwonderde, met een blijden zucht van verlichting, als hij de prinses weer ergens voorbij zag rijden, nog even ongeschonden rein als immer, en hij zich afvroeg in diepe verbazing hoe het toch mogelijk geweest was, dat al het leelijke en droeve wat hij van zooveel vrouwen, hare zusteren, gezien had, zoo ganschelijk buiten haar om was gegaan. En eene geheime intuïtie bleef hem zeggen, al zekerder en zékerder, dat het in innigste essence toch hetzelfde moest zijn, Leliane, en de stille water-lelies in den vijver, en het mysterie van de reliquieën in de Cathedraal, en wat verkwijnde in die droeve, duistere vrouwen en meisjes, die daar nu klagelijk om hem heen doolden, in de wreede straat van weelde en gruwzaam onrecht.
Peinzend liep hij door, met al die gedachten over onrecht en ellende warrelend door zijn hoofd, tot hij opeens op het groote Domplein stond.
Dáar stonden de kolossale gebouwen, het Paleis van Justitie en het Parlement. Het Paleis van Justitie, waar gesproken moest worden het Recht! Het Recht!—De Justitie, die de rijke bezitters beschermde, die het schrikkelijk onrecht hielp handhaven, en die de ongelukkigen en misdeelden, of andere slachtoffers der gedegenereerde Maatschappij met wreede straffen strafte, omdat zij daden begingen, die zij, door hun ellendige omstandigheden daartoe gedreven, wel móesten doen! De Justitie, wèl blind inderdaad, die niet zag, hoe God de schoone wereld aan allen gelijkelijk had gegeven, die niet zag welk een hemeltergend onrecht het was, dat eene kleine minderheid van—zij het voor ’t meerendeel onbewuste—geweldenaars en farizeeërs rijkelijk en over-weelderig leefde van de ellende van duizenden! De Justitie, die zich vermat de drager van het Recht te willen wezen, waar zij in waarheid de verdedigster was van het onrecht, dat Gods heilig recht met voeten trad!
En daar stond het Parlement, het luxueuze weelde-gebouw, waar de vijfhonderd mannen, zoogenaamd uit vrijen wil door het volk gekozen, over het wèl en wee van het volk moesten beraadslagen en de wetten formuleeren, die de algemeene welvaart van het land moesten bevorderen.
Nú wist hij het, hoe die vrije keuze een leege logen was, en hoe de meerderheid van het volk, de getrapten en ellendigen, die ook de armen waren van geest, waar Jezus van had gesproken, van alle deelneming was uitgesloten aan het kiezen van hen, die over hun treurig lot moesten beschikken. O! Elias had hem er van verteld, van de vuile intrigues en de duivelsche logens, waarmede die kamerleden in het Parlement werden gekozen, van den fellen partijhaat en het grove eigenbelang, die altijd vóór het belang van het volk gingen, het gekuip, het gelieg, het geknoei en de omkooperij, waardoor het verheven idee van eene vertegenwoordiging van het volk was verkracht, en tot een valsche leus van schijn en bedrog was gemaakt!
Hoe zwaar van waan en goddeloosheid stonden daar die enorme gebouwen óp van de aarde, groot-massief, onwankelbaar opgerezen tempels van leugen.
Maar het allerergste nog, daar vóór hem, aan het uiteinde van het plein, blokte op de immense massa van den Dom, al hooger en hooger stijgend op zijn zware marmeren pilaren, vierkant en resoluut, met zijn vier oprondende koepels aan de zijden, en in ’t midden den grootsten koepel van allen, een ontzaglijk luchtgevaarte, blauw glanzend opbollend tegen donkeren hemel. Een ontzettende, zwarte reuzen-schaduw maakte het in de lucht, hoog boven de hoogste daken der omringende huizingen.
Het breede plein, glinsterend van natten modder en kille plassen, lag onguur te glimmen, en de wind, door geen muren gestuit, huilde er klagend overheen.
En ook hier, erbarmelijk en tragisch, waarden nog enkele veege gestalten van vrouwen in ’t rond. Onder de groote lantaren, op een rotonde in ’t midden, stonden er een paar onbewegelijk te wachten, de afgetrapte, natte rokken opgehouden, met sjofele parapluies boven het hoofd. Somber en doodsch deden die zwarte gestalten in ’t midden van ’t uitgestrekte, wind en regen doorwaaide plein. Groot en koud stond de donkere Dom, het huis van God, voor Paulus’ oogen, een dood en levenloos ding.
En nu zag hij, naderbij komend, hoe onder de hooge, dichte voor-poort van de kerk nog een paar misère-wezens schuilden, bibberend van de vochtige koû, loerend met gretige oogen, of nu eindelijk wat heeren het Plein af zouden komen, die een vrouw zochten. Miserabel en klein, treurige, nietige schepseltjes, stonden zij klagelijk onder den hoogen, ontzaglijken Dom van God. En,—bittere ironie,—in vlammen-schrift zag Paulus, vlak boven zijn hoofd, de machtige spreuk, die ’s avonds electrisch werd verlicht, en hoog uitschitterde in het donker:
Ziet ik ben bij U alle dagen tot aan Der wereld einde.
Toen voelde hij eene groote verlatenheid, en wanhoop aan alles, waaraan hij tot nu toe nog had vastgehouden, begon op te wellen in zijn binnenste.
Was dan deze geheele, groote stad, de koninklijke residentie van prinses Leliane, één afschuwelijke, hemeltergende leugen? Hadden zij dan misschien niet gelijk, de dolle anarchisten, die nergens meer licht van hoop zagen in een verrotte wereld als deze, en eerst alles wilden vernielen, eer aan een betere kon worden begonnen?
Hij wist het, als hij nu nog een klein uur verder liep, kwam hij aan de groote ellende-wijken, de vunze sloppen en holen, waar duizenden in afzichtelijke vervuiling en ontaarding een mensch-onwaardig bestaan doorleden. En hoe koud en bewogen hadden daar die groote weelde-paleizen gestaan in de Koninginnestraat, waar millioenen van overtollige luxe werden bewaard! Hoe veilig waren nu de bezitters in hun prachtige woningen, waar hier die arme uitgeworpenen, vrouwen, zusteren van Leliane, ellendig ronddoolden door den regen, hun jammerlijk lichaam aanbiedend voor wat geld! In de groote Boulevards en de Leliënstraat—wreede ironie van een naam!—waren de groote nacht-restaurants nu vol van feestende, zwijnende rijken met hun maîtressen, en de dure champagne vloeide er bij stroomen. Vuile wellust en de gemeenste, dierlijke hartstochten vierden daar uit, door de macht van het geld; waar duizend arbeiders in ’t zweet huns aanschijns voor werkten, werd daar in enkele nachten baldadig verbrast. En in de groote, grimmige kazernes waren áltijd de met moordtuig gewapende soldaten gereed—de soldaten van prinses Leliane, dienende in háren naam—om het onrecht te verdedigen, waar de verdrukten ooit mochten opstaan, vragend hún deel van wat allen gelijkelijk toekwam.
„Háár zusteren.... háár zusteren,” dacht hij, toen weer een paar vrouwen hem voorbijgingen, wenkend, en roepend obscene woorden, „haar zusteren.... en zij slaapt nu gansch onbewogen in een koninklijke zaal, in koninklijke gewaden gehuld, en over hare oogleden is nu die heilige, gewijde rust als op dien éénen avond, toen zij sliep onder het reine maanlicht, neêrzilverend door de stille boomen....”
„Wáár is dan God.... waar is dan God?....” riep hij uit, en schrikte van zijn stem, daar zoo ineens uitbrekend in de stilte van het plein.
De donkere stad, akelig glimmend van regen, met de blikkerende plassen en doorwaaid van huilenden wind, was daar siniester en dreigend om hem heen, van God verlaten.
Hoe eenzaam, wreed en koud stonden daar al die steenen huizengevaarten, elk apart, wantrouwend allemaal gesloten, ieder wangunstig bergend eigen, gierig bezit! Daarbinnen hadden ze zich opgesloten, de menschen, allen bij kleine klompjes apart, in hun veilige, lekkere bedjes gelegen, met hun kleine lustjes onbespied, muren en deuren stevig om hen heen, en wat buiten hen gebeurde, het deerde hen niet. ’s Ochtends kwamen ze er weer uit, als beesten uit hun hol, en ze spraken en gebaarden in ’t actieve leven, sjouwend soms en knoeiend om wat méér bezit. Spraken en redeneerden ook over vrijheid, over recht, over God, over sociale toestanden, en verbetering, en economische maatregelen, schreven ook wat, over kunst, en literatuur, en de hoogste, goddelijke dingen. En kropen eindelijk weer weg, in hun eigen hokjes, veilig vasthoudend elk eigen bezit, weer er bij nemend wat ze gegraaid hadden naar zich toe, en lagen lekker en lui onder de wol gekoesterd, achter de stevig gegrendelde muren en deuren, de troepjes weer allemaal apart die bij elkaar waren gehokt in ’t leven, en wat buiten gebeurde van kommer en ellende, het stoorde geen enkele ademhaling van hun rust. Al die wèlbezorgde, goed achter deuren en grendels van eigen bezit levende menschen, dat waren de vette, vlijtige burgers, loyale onderdanen, de nuttige leden der Maatschappij. Zij gehoorzaamden de wetten en de zeden, waren trouw aan vorstenhuis en vaderland, en ’s Zondags galmden de hooge gewelven van den Dom van hun gezang.
En om hun rustig, ordelijk, fatsoenlijk leven te onderhouden, zwoegden duizenden aan duizenden in het zweet huns aanschijns en moesten die vrééselijke wijken van ellende en gruwel bestaan, waar menschen als beesten leefden in ongedierte en vuil, en werden vrouwen en kinderen afgebeuld in mijnen en fabrieken, zonder genade, zonder erbarmen. Maar van den goddeloozen, van onheilig geld gebouwden Dom durfde het met vlammende letters te lichten:
Ziet ik ben bij U alle dagen tot aan Der wereld einde
Die ontzaglijke, machtige woorden, in vlammend schrift uitstralend boven de van God verlaten stad! En daaronder die poovere, afgebeulde wezentjes, hulpeloos, erbarmelijk rillende in regen en wind, wachtend op oneer en schande, om den broode!
Waar was dan God, dat hij zijn kinderen alleen liet in bittersten nood, en niet strekte hij liefderijk een hand uit om op te beuren die in diepste ellende waren gebogen in het stof?....
Het lasterlijke praatje van zonde en straf, dat welgekleede, dik-doorvoede geestelijken durfden verkonden van den kansel, hij wist hoe ’n lage leugen het was. Een groot deel dier ongelukkige schepsels was er door diepe misère, buiten haar schuld, toe gekomen, dikwijls door ellendelingen misleid, wien zij zich eerst in vertrouwen, uit natuurlijke liefde hadden gegeven, en allen zonder uitzondering waren zij noodzakelijke slachtoffers van de verdorven inrichting der maatschappij.
En wat hem wondde met felle pijn, tot in de fijnste weefselen van zijn ziel, dat was hun uiterste verlatenheid, hun genadeloos aan ellende en verderf overgegeven zijn, onherroepelijk. Dit was onrecht, hard, wreed onrecht, en hij voelde, hoe hij den God wilde vervloeken, die dit onrecht deed voortbestaan, onbewogen.