Part 9
"O ja!" antwoordde de waardin, "'t gaat er nu een paar avonden al zeer luidruchtig toe. Gisteravond kwam hier zoo'n ruwe kerel met een harigen pijekker aan en een ruwe muts op, zijn intrek nemen en hij had een jongmensch van een goede achttien jaar bij zich, die, naar zijn kleeding en zijn voorkomen te oordeelen, in 't geheel niet bij hem past. En die twee maken daar binnen nu de poppen aan 't dansen. Kent u dat jonge mensch bijgeval?"
"Ja! Is u de waardin hier?"
"Precies geraden! Hoe vraagt u dat zoo?"
"Dan begrijp ik waarlijk niet, hoe u er toe komen kunt om zulke brooddronken lieden in uw herberg te laten den baas spelen. Als ik in uw plaats ware, liet ik dat soort lui zonder omwegen buiten de deur zetten."
"Van den baas spelen is hier in 't minst geen spraak," antwoordde de kasteleines fier. "Die oude, dien je daar zoo leelijk hoort brommen, loopt nu op handen en voeten door de gelagkamer en speelt voor beer. En dat doet hij zóó natuurlijk, dat men om zijn potsen lachen moet, of men wil of niet. Het jonge mensch speelt voor berenleider. Hij houdt zijn ruigen kameraad vast aan een dik touw en laat hem dansen. Gisteravond ging de oude languit op den rug op den vloer liggen en liet één der gasten op zijn buik staan. En toen 't hem begon te vervelen, deed hij dezen door een gezwinde intrekking en uitzetting der buikspieren een buiteling maken, zoodat hij onder de biljarttafel terecht kwam en in den eersten opslag van toeten noch blazen wist. "Die is van de plank gewiepst!" riep hij zegevierend. Er kwam geen einde aan de toejuichingen der gasten, terwijl 't jonge mensch, dat met moeite van onder 't biljart kwam te voorschijn kruipen, door de anderen werd in 't ootje genomen.
Dit spelletje wordt nu ook weer vertoond en de gasten vermaken er zich kostelijk mee. Als het is afgeloopen, heft de beer zich weder log en plomp overeind en 't jonge mensch, dat hem gezelschap houdt, roept:
"Het eerste bedrijf is af. De kunst moet beloond worden! Als ieder een kleinigheid bijdraagt, zijn ze alle twee geholpen: de berenleider en de beer!"
En de bezoekers tasten in hun beurzen en de rojaalsten onthalen de beide potsenmakers nog bovendien op een borrel of een glas bier.
Dan begint het tweede bedrijf.
Het jonge mensch loopt op handen en voeten zoo verbazend vlug door de gelagkamer heen en weer, dat het verwonderlijk is om te zien. Wie gewoon op zijn voeten loopt, kan hem nog haast niet bijhouden. Dan buitelt hij verscheidene malen achtereen over zijn hoofd. Vervolgens gaat hij op 't hoofd staan, -- eerst op den vloer. En de hond dien ze bij zich hebben, -- een oud, leelijk mormel, ze noemen hem Fannie, -- nu, die hond dan wipt op kommando heel netjes tusschen de in de lucht geheven beenen van 't jonge mensch door. 'k Geloof haast, dat ze nu juist tot daar toe met hun voorstelling gevorderd zijn. Hoor maar, hoe ze 't uitschateren! Hoor ze eens in de handen klappen! Maar 't spel zal nog vrij wat komieker worden. 't Jonge mensch klimt vervolgens op een tafel en gaat ook daarop op zijn hoofd staan, zoodat zijn beenen hoog in de lucht staan. En ofschoon dit zooveel moeilijker te doen is, toch springt ook nu de hond er op kommando flink weg door heen. En als dit eenige malen geschied is, roept de oude, die voor beer gespeeld heeft:
"Het tweede bedrijf is afgeloopen. Gedenk de arme kunstenaars! Ieder moet wat verdienen: ook wij kunnen onmogelijk van den wind leven, ofschoon we 't al vaak genoeg geprobeerd hebben. Wees daarom voor dezen keer een beetje rojaal, mijn lieve menschen en bedenk wel, dat het zaliger is te geven, dan te ontvangen!"
Op die manier pratende gaat hij met zijn ruige muts rond en ontvangt centen, stuivertjes en zelfs enkele dubbeltjes.
Dan komt het derde bedrijf.
Het jonge mensch leent van een der gasten een fiets en maakt daarop allerlei kunsten. Hij rijdt er op rondom de biljarttafel, om gewone tafels en stoelen heen; om kort te gaan: ook in dit opzicht volbrengt hij verbazende toeren. Hij is een echte waaghals en 't zou me volstrekt niet verwonderen, zoo hij op die manier nog eens een ongeluk kreeg."
Wie beschrijft de gewaarwordingen van den armen vader, die eens zulke groote verwachtingen koesterde van zijn zoon en nog steeds was blijven hopen, dat hij eens de steun van zijn ouderdom wezen zou, nu hij van deze vrouw moest vernemen dat zijn Steven in gezelschap van Dronken Hannes haast net als een gewone bedelaar giften inzamelde bij 't meest alledaagsche herbergpubliek.
Sprakeloos van droefheid bleef hij daar als aan den grond geboeid staan.
De spraakzame kasteleines verwonderde zich over den indruk, dien haar verhaal op den vreemdeling gemaakt had. En daar deze bleef zwijgen, vervolgde zij:
"U meent misschien, dat we een goed werk zouden doen, als we voor dit soort menschen onze herberg gesloten hielden.
Toch is juist het tegendeel 't geval.
Zoolang de klanten enkel pleizier maken, is 't voor alle partijen beter, dat we ze laten begaan.
Door zooveel mogelijk den teugel te vieren, voorkomt men opstootjes. Het ongeluk van veel jongelieden, ja zelfs van bejaarde menschen is, dat ze geen gezellig, ja soms in 't geheel geen thuis hebben. En zoo we hen hier de deur wijzen, loopen ze gevaar van in gelegenheden te belanden, waar ze nog vrij wat erger middelen van tijdpasseering en verstrooiing zullen vinden en gevaar loopen om met hun beurs tevens hun gezondheid kwijt te raken."
"Hebt u zelf ook kinderen?" vroeg hierop De Laat met een toonlooze stem.
"Ja we hebben een jongen en een meisje!" antwoordde ze, terwijl een glans van geluk haar gelaat verhelderde.
"Zijn die op 't oogenblik ook daar in de gelagkamer?"
"Welneen! Ze hebben een afkeer van zulke ruwe tooneelen. Onze zoon is op een handelskantoor werkzaam. Hij past goed op, verdient al negen gulden in de week en zijn chef heeft hem beloofd, binnen kort zijn loon te zullen verhoogen. Ons meisje helpt mij in de huishouding en ofschoon ze nog pas veertien jaar is, kan ze al zoo handig met de naald omgaan als ik zelf het nooit geleerd heb."
"Hoe is 't mogelijk, dat uw kinderen onder zulke omstandigheden toch zoo braaf en oppassend gebleven zijn?" vroeg De Laat met blijkbare verbazing.
"Wel," antwoordde de vrouw, "mijn man en ik hebben ons uiterste best gedaan, om hun een gezellig thuis te verzekeren en ze steeds nuttige bezigheid te verschaffen, zoodat ze lust in 't werken kregen. Ook zorgden we, dat ze niet meer dan 't hoog noodige zakgeld hadden en dat hun kameraden eenvoudige, flinke, werkzame jongeluitjes waren. Verder zorgden we zooveel mogelijk voor goed voedsel, een doelmatige kleeding, goede boeken en tevens voor de noodige leermiddelen. Daarbij gaven we er nauwlettend acht op, dat de taak die ze te doen kregen, voor hun leeftijd en krachten was berekend en dat er op de inspanning steeds de noodige uitspanning en rust volgde. Maar boven alles zorgden wij er voor, dat er in ons gezin altijd een vriendelijke geest bleef heerschen, zoodat de kinderen een prettig thuis hadden en niet uren achtereen op straat bleven rondzwerven. Hebt u ook kinderen?" dus besloot de waardin op zachten toon te vragen.
"Ach ja!" klonk het bedroefd antwoord. "'k Heb een zoon."
"Och zoo!" zei de goede vrouw meewarig. "'t Komt me voor, dat die zoon u juist niet veel reden tot vreugde geeft."
"Neen, precies het tegendeel. Hij is den breeden weg opgegaan, zooals men zegt," antwoordde de ongelukkige vader met een zucht.
"Arme man!" zei de vrouw op deelnemenden toon. "Ik ben waarlijk met uw lot begaan. En leeft zijn moeder nog?"
"Ze leeft nog, ja! Maar ze is eenigszins zwak van gestel en 't verdriet, dat ze van haar zoon gehad heeft, maakte haar onvatbaar voor vreugde en geluk. In den laatsten tijd is ze meestal bedlegerig."
"Hoe oud is uw zoon?" vroeg de vrouw weder met een zachte, medelijdende stem.
De vermoeide vader, verteerd door kommer en hartzeer, bleef zwijgen. Zijn lippen bewogen zich krampachtig; het was hem echter niet mogelijk, om een woord uit te brengen. Tranen verduisterden zijn oogen.
Door het diepst medelijden bewogen, vatte de waardin hem bij de hand.
"Je bent doodmoe en moet wat uitrusten, aleer ge uw reis vervolgt," zei ze. "Kom mee!"
Hij volgde haar werktuigelijk. Ze traden een klein, net vertrek, dat grensde aan de gelagkamer, binnen. En eenige oogenblikken later stond er voor onzen eenzamen reiziger al een warm kop thee en een flinke boterham op tafel.
Hij dronk de thee in eens uit. "Hé, daar frischt een mensch weer heelemaal van op!" zei hij. "Mag ik nog een kop thee, als 't u blieft?"
Dit zeggende haalde hij zijn beurs te voorschijn, om te toonen dat hij niet arm was en 't geen hij gebruikte wenschte te betalen.
Doch de vrouw maakte met de hand een afwerend gebaar.
"Neen, laat dat blijven!" sprak ze, "wat de klanten bestellen moeten ze natuurlijk betalen, maar u is van avond mijn gast. Het komt me zoo voor, dat ge zijt uitgegaan om uw zoon te zoeken; anders zoudt ge wel bij uw zieke vrouw zijn thuis gebleven. In gedachten stel ik me in uw plaats, mijn goede man! Geen onzer weet, wat hem nog boven 't hoofd hangt. Onze zoon heeft een schat van mooie boeken. Sommige staan vol verzen en één van deze boeken is van Tollens. Verleden Zondag las ik deze regels, die me sinds altijd door 't hoofd spelen:
"'k Heb zoovele struikelaren, Vrienden, op mijn weg ontmoet, Die den ééns geglipten voet Langer niet meer meester waren, Wien zoo licht een tweede pas En zoo zwaar het keeren was."
Het medelijden, dat deze eenvoudige vrouw hem betoonde, deed haar geheel het vertrouwen van vader De Laat verwerven.
Hij vertelde haar nu, wie de berenleider en kunstenmaker was en verzocht haar tevens hem te willen zeggen, hoe hij naar haar meening in deze omstandigheden diende te handelen.
"Van avond kunt ge onmogelijk weer thuis komen," zei ze na eenig beraad. "Bovendien zou 't ook niet verstandig wezen om nu uw zoon onder de oogen te komen en hem in 't bijzijn van al die anderen te bevelen om met u mee te gaan. Terwijl hij zich reeds aangewend heeft om in alles zijn eigen hoofd te volgen, zou 't zeer de vraag zijn of hij u, terwijl de anderen hem om 't zeerst toejuichen, zou gehoorzamen. 't Best zal wezen, dat u van nacht hier blijft. De twee vrienden hebben den vorigen nacht in onze schuur in 't hooi geslapen en dit zullen ze ongetwijfeld van nacht weer wenschen te doen. Ik zal zorgen, dat ze een goed avondmaal krijgen en ieder een paar dekens om in te slapen. Als dan de schuur zorgvuldig gesloten wordt, zijn we zeker dat ze ons niet ontsnappen. Morgen vroeg ga ik uw zoon alleen te spreken vragen en breng hem dan bij u. Terwijl gij hem tracht te overreden om u naar huis te volgen, praat ik met zijn kameraad en dreig hem met de politie, omdat hij een minderjarige buiten voorkennis van zijn ouders en zelfs tegen hun wil heeft meegenomen. Van hem zul je dan in den eersten tijd geen last meer hebben en zonder hem kan uw zoon vooreerst ook weinig uitvoeren. Dronken Hannes is vroeger wel meer hier geweest en als ik dan maar even van de politie repte, kroop hij dadelijk in zijn schulp. En ik vermoed, dat hij daarvoor wel zijn goede redenen zal hebben."
Zóó werd dan ook besloten.
XV.
Moeder en zoon.
"Kind, kind, wat doe je jou vader en mij een verdriet aan, door zóó maar weg te loopen!" zei moeder De Laat den volgenden avond diep treurig tot haar zoon, die stil voor haar bed zat en niet zonder aandoening het bleek en vermagerd gelaat der goede vrouw beschouwde.
"Maar vader en moeder doen _mij_ nog een grooter verdriet aan," sprak hij met zacht verwijt, "door me te noodzaken om weer thuis te komen, juist als ik goed op weg ben om het tot iets meer dan een leeglooper te brengen. Wat toch moet ik in huis uitvoeren? Er is hier volstrekt niets voor me te doen, dan mij zelf en anderen in den weg zijn."
"Och, och! dat ik nog moest beleven dat het zoover kwam!" zuchtte de goede vrouw. "Arme, arme jongen! In gedachten zie 'k je later, als je vader en ik reeds gestorven zijn, bij duisteren avond nog eens terugkomen en om 't oude huis zwerven en aan ons en aan den goeden ouden tijd terug denken, toen we hier samen nog zoo blij en gelukkig bij elkander waren. Vreemde menschen zul je dan op onze oude plaatsen zien zitten en voor jou, mijn kind, zullen ze dan geen enkel plaatsje hebben open gelaten.
Je zult in je ouderlijk huis niet meer thuis zijn en misschien daarin zelfs niet meer geduld worden.
Van nacht, in den droom, zag ik je hier om 't huis rondzwerven, koud, doodmoe en hongerig, met gescheurde kleeren en doorgesleten schoenen, terwijl 't binnen zoo warm, zoo licht en gezellig was en de bewoners om de welvoorziene tafel zaten. 't Was avond en door de reten van de vensterluiken gluurde je naar binnen. Je steunde 't vermoeide hoofd tegen 't vensterkozijn; ik hoorde je zacht schreien en 't ging me door de ziel. Een kleine hond daar binnen merkte je op; hij begon te keffen en toen maakte jij je snel uit de voeten. En toen de deur openging en 't licht zoo recht vriendelijk naar buiten straalde, was je al achter 't kreupelhout op den dijk verdwenen.
Ik wilde je troosten, maar ik greep in de ijle lucht. Toen werd ik wakker en riep je luid bij je, naam en Tonia van den nachtwacht kwam uit het bed hiernaast stappen, zette zich neêr waar jij nu op 't oogenblik zit en toen ik haar vroeg: "Waar is Steven? en waar is mijn man? Zijn die nog al niet thuis gekomen?" zag ze mij medelijdend aan. "Stel je gerust en beproef wat te slapen, buurvrouw!" zei ze. "Morgen zullen ze wel al terug zijn." De goede ziel schudde 't bed wat op en legde de kussens terecht en toen ik me verder stil hield, ging ook zij weer slapen.
En nu ben je terug gekomen," zeide ze zacht en teeder. "En alles is vergeven en vergeten. Ik ben blij, dat ik je dit nog zelf zeggen kan. Want ik heb er een voorgevoel van, dat ik niet lang meer bij u en uw vader zal kunnen blijven. Je moeder zegent je, mijn arme goede jongen en ze is verzekerd, dat alles zich nog eens ten beste zal schikken."
Ze strekte de vermagerde hand naar hem uit.
Hij vatte die, zichtbaar bewogen en hield ze in de zijne gesloten. Er welden tranen in zijn oogen.
Die magere hand en arm; dat smal, vermagerd gelaat; die diepliggende oogen, welke hem, ondanks al wat er gebeurd was, nog vol liefde tegenschitterden zooals andere oogen, ook de vriendelijkste, dit nooit deden, -- ze zeiden hem duidelijker dan woorden dit kunnen doen, dat weldra die hand en die arm, door doodskou verstijfd, die oogen al ras voor immer zouden gesloten zijn; dat de tijd aanstaande was, waarin haar vriendelijke stem hem nooit meer zou kunnen spreken van vergeven en vergeten en haar ooren niet meer zouden kunnen vernemen zijn verzekering van diep berouw en zijn bede om vergeving.
Hij boog zich snikkend over de goede vrouw heen en omarmde en kuste haar, als in vroeger, gelukkiger tijden.
Op dit oogenblik kwam er een groote, ruige hond op de bedsponde springen, zoodat de zieke er van ontstelde.
Het beest lekte de handen en 't gezicht van den zoon en trachtte hem blijkbaar op die wijze te troosten en op te beuren.
"Hoe komt die hond zoo op eens hier?" vroeg de moeder verwonderd.
Steven klopte 't vriendelijk dier goedkeurend op zijn ruigen kop en streelde hem met de vlakke hand over nek en rug.
"Een veertien dagen geleden wilden de jongens het arme beest verdrinken, moeder!" zei hij. "Ze hadden een touw met een zwaren steen er onderaan om den hals gestrikt. Maar 't verschrikte beest huiverde en jankte en zag me zóó smeekend aan, dat ik medelijden met hem kreeg en zei: "Geef mij dien hond maar!"
Sinds is hij altijd bij me gebleven.
En, o! je moest eens gezien hebben, moeder! welke sterke toeren hij deed, toen we in die stadsherberg, waar vader me vond, onze voorstellingen gaven. De zaal daverde van de toejuichingen!"
"Goed, goed mijn jongen!" zei de moeder met een afwerend handgebaar, "zwijgen we verder daarover! Je vader zou 't erg verdrietig vinden, als hij je daarvan hoorde vertellen, bedenk dit wel! En laat voortaan ook voor hem alles vergeven en vergeten zijn! Hij is een goed man en wel waard om liefde te ontvangen van wie hem 't liefst zijn op de wereld."
De stem der moeder stierf weg in een zacht gefluister.
Zij sloot de vermoeide oogen.
Een diepe stilte heerschte nu in 't vertrek. Slechts het getik der oude huisklok werd gehoord.
Steven voelde een huivering door de leden gaan; 't was hem, of hij zoo plotseling uit het volle, rijke leven in een zonderlinge droomwereld was verplaatst.
De zoo bekende ruimte, waarin hij nu leefde en ademde, door zooveel zelfopofferende liefde van zijn goede ouders gewijd, had iets heel vreemds en geheimzinnigs voor hem. Hij voelde de vervlogen tijden met hun herinneringen als geesten hem omzweven. En zijn arme, goede moeder, die daar nu zoo mat en bleek lag te sluimeren, scheen ook reeds uit het leven te zijn gescheiden en tot het stille geestenrijk te behooren.
De stralen der avondzon, die juist van achter een donkere wolk heen naar binnen vielen, verleenden 't gelaat der zieke een hooge bekoorlijkheid, als wilden ze de scheidende Moeder, die ondanks haar gebreken toch groot was in liefde, tooien met de kroon der onsterfelijkheid.
Het was de laatste maal, dat moeder en zoon zoo rustig, zoo vertrouwelijk samen waren.
Eenige weken later was de bleeke, lijdende vrouw reeds voor goed te rusten gelegd op de algemeene begraafplaats in den hoek onder den treurbeuk en op 't paaltje aan 't hoofdeinde van haar graf waren de voorletters van haar naam geschilderd.
Ze hadden haar in stillen ernst begraven. Op den wagen van boer Reinders was de zwarte kist weggereden. Een viertal vrouwen uit de familie zaten in rouwkleeren en met zwarte doeken om 't hoofd voor en achter de kist op den geïmproviseerden lijkwagen en de mannen liepen met zwarte kleeren en hooge hoeden op, er tegen en er achter. En 't dichtst achter den wagen schreden stil De Laat en Steven voort; de vader als één die de hoop en den steun van zijn leven verloren heeft en nu geduldig wacht op den tijd, dat alle zorg en kommer, alle droefheid en rouw zullen verdwenen zijn; de zoon, aangedaan, snikkend van hartstochtelijke droefheid.
De torenklok werd geluid en heur sombere galmen klonken wijd heen over de streek.
De begraafplaats was in weinig minuten bereikt. Er werden bij 't graf eenige hartelijke woorden gesproken van de Liefde, die eeuwig is en hoe wie haar bezitten de onsterfelijkheid deelachtig zijn. En toen werd de kist in de groeve neergelaten en met aarde bedekt; de klok hield op te luiden; de menschen keerden terug en de plechtigheid was afgeloopen.
Daar ze een stille, huiselijke vrouw was geweest, werd er slechts kort over haar gesproken.
Maar in huis meende men ze nog altijd te vernemen. Al was ook haar stoel bij de tafel ledig, ze zou spoedig terugkomen. Als De Laat 's avonds in de schemering in 't woonvertrek rondzag, meende hij haar in 't naaste vertrek te hooren. Hij meende zelfs te hooren hoe zij ademde en kuchte en eerst langzamerhand scheen 't hem recht duidelijk te worden, dat ze werkelijk uit het huis verdwenen was en daarin nooit meer zou terugkeeren. De herfstwind blies en de dorre bladers stoven.
Ook de treurbeuk liet zijn loover vallen, bruin en geel en overdekte haar graf, zoo eenzaam en stil, met een warme, kleurige sprei.
Later kwam de sneeuw het heele landschap in een lijkwade hullen. De wind joeg ze als golvende lakens voor zich heen en wischte de sporen uit van den eenzamen man, die telkens een bezoek kwam brengen aan 't graf onder den treurbeuk.
En de sneeuw bleef aldoor neerdwarrelen uit een donkere lucht. De boomtakken kraakten en bezweken onder dien schitterenden last, die in sierlijke golvingen, als verbazend groote donzen kussens van den donkeren mantel der dennenbosschen naar omlaag hing.
Maar de wolken dreven weg. De lucht was helder blauw. De zon scheen op de sneeuw en herschiep het landschap als in een schitterende tooverwereld.
Overal heerschte een diepe rust, een door niets gestoorde stilte.
Nu was 't eerst in waarheid Zondag.
XVI.
Het einde van een verwoest leven.
't Is midden-October en omstreeks vier uur in den morgen, of, juister gezegd, in den nacht.
Overal is 't nog duister, kil en stil.
Alle voorwerpen op eenigen afstand zijn gehuld in een grijzen nevel.
De dorpsklok steekt zoo donker af tegen de lucht en de omtrekken van dit reuzengevaarte zijn voor 't oog zóó onbestemd, dat een vluchtige beschouwing ons doet huiveren. Wie nu hier omdwaalt tusschen die lage huizen, waarvan sommige er zoo grauw en verweerd uitzien, alsof ze steeds dieper in den modder en 't slijk van den bodem wegzonken, voelt zich vrij zeker in een onbehagelijke stemming. Die in nevel gehulde, verstrooid liggende huizen schijnen grafheuvels of zonderlinge monumenten uit vervlogen tijden.
Het leven, 't Iicht, de warmte en de bezieling van den dag ontbreken nu.
Zoo we 't niet uit ervaring wisten, zou niemand zich kunnen voorstellen hoe hier den dag en avond te voren alles nog vol leven en beweging was; hoe er door iedere ruit vroolijke of wel door droefheid benevelde oogen naar buiten staarden; hoe op iederen haard het vuur helder en vroolijk opvlamde en uit iederen schoorsteen de rook vriendelijk naar boven steeg; hoe over de dorpsstraat wagens en karren aldoor voortratelden; hoe er paarden brieschten, koeien bulkten, hoenders kakelden en groote en kleine menschen rusteloos bezig waren.
Nog tot laat in den avond loeide de blaasbalg van den smid zoo luidruchtig mogelijk in den vuurgloed. De jongen, die hem trok, floot een lustig deuntje en de smid en zijn knecht hamerden op een bonk gloeiend ijzer, dat de vonken om hen rond spatten en voor ieder, die hier den gloed als een paaschvuur zag gloren, de kilheid van den avondnevel als wegtooverde. En uit iedere woning zag men door reten en spleten 't licht vriendelijk naar buiten stralen.
De kuiper Verhagen en zijn zoon Frederik, van denzelfden leeftijd als Steven De Laat, -- die twee dan klopten en hamerden op de vaten, dat het een heel eind buiten 't dorp te hooren was. 't Scheen als waren ze overtuigd dat het hun laatste werkdag was en ze zich om die reden zooveel mogelijk moesten reppen, om eerst nog alle inwoners voor een langen tijd van net en stevig vaatwerk te voorzien. Ze werden bij hun werk voorgelicht door een groote tuitlamp, die een vlam gaf zóó groot en zóó rood als ware ze een flambouw en een vurigen weerschijn over de straat wierp.
Hoe schaafden en hamerden die timmerman Joosten, zijn knecht en zijn zoon in hun werkplaats, waaruit al mede 't licht vriendelijk naar buiten straalde!
Arend, de linnenwever, daar schuin tegenover, deed nog tot laat in den avond het weefgetouw kletteren dat het een aard had.
Niet minder lustig hamerde de schoenmaker Pothof op de zool van den schoen, waaraan hij juist de laatste hand legde. En ondertusschen zong zijn jonge vrouw met een zachte, welluidende stem een wiegedeuntje. Ze deed heel zacht, zonder schokken, de wieg schommelen, om zoo haar tweede kind, een allerliefst meisje, te doen inslapen.
In den vooravond speelden de dorpskinderen tusschen de huizen en in de donkere hoeken van 't kerkgebouw verstoppertje en telkens weer gierden ze 't uit van pret.
Welk een verschil tusschen dat druk, licht en levendig dorp, -- verscholen tusschen 't kleurig najaarsloover, -- van den vorigen dag en avond en datzelfde dorp nu, in den nanacht, terwijl
"alles zwijgt en sluimert en rust, Alles, behalve de menschen, Droef wakende onder den prikkel des noods, Der smart of der ijdele wenschen."