Part 10
Wat ligt het huis van De Laat daar nu akelig somber en stil in den mist. Alles daarbuiten, voor zoover 't bij het nachtelijk duister is waar te nemen, verkeert in een treurigen staat van verval. Blijkbaar ontbreekt hier een zorgende, wakende hand. Gras groeit er op verschillende plaatsen tusschen de steenen van 't straatje, dat naar de voordeur leidt en veel meer nog op de tuinpaden. Die tuin zelf, vroeger zoo keurig in orde, verkeert nu in een treurigen toestand. De vruchtboomen zijn er ongesnoeid; de perken onbezoomd en 't onkruid verdringt er steeds meer de bloemen. De wingerd langs den muur ten Zuiden is op verschillende plaatsen naar beneden gestort. Alles heeft er een haveloos en vervallen aanzien, niet het minst geldt dit van de woning.
Achter het huis om verschijnt plotseling een persoon, die sluipend voortgaat, alsof hij iets kwaads in den zin heeft. Het is Steven, die heimelijk door de achterdeur de woning verlaten heeft en zoo vlug mogelijk voortspoedt. Maar een dief, die op 't punt staat om ergens inbraak te plegen, kan niet vaker 't hoofd naar links en naar rechts wenden en over de schouders heen met spiedende oogen naar alle zijden uitzien. Ook zijn gang is zoo zacht en sluipend als een volleerde dief maar zou kunnen wenschen. Zijn kleeding is vrij slordig en haveloos. Bij de kerk sluipt hij langs den ouden muur, doch staat plotseling verrast stil. Hoort hij daar in den toren niet een zwaar, bonzend geluid? Zonder twijfel.
Angstig vraagt hij zich af, wat dit zijn kan?
Och ja! hoe kan hij ook zoo dwaas wezen om daarvoor te schrikken? 't Is immers de torenklok, wier slinger bonzend heen en weer gaat.
Vooruit dus weer!
Opnieuw rept hij zich voort.
Doch plotseling houdt hij weer stil en luistert opnieuw. Begint die klok daar boven in den toren alarm te luiden? Welneen: ze slaat vier uur.
De vierde slag galmt lang na en dan wordt het weer stil.
"Ik dacht dat er brand was en dat de klok geluid werd om de spuitgasten te wekken," mompelde hij.
"Waarom is er ook nooit brand bij nacht? 't Zou nog eens wat afwisseling geven en bovendien aan belanghebbenden een mooie kans bieden om een goeden slag te slaan. Maar wat drommel is dat daar nu weer?"
Aan de andere zijde der kerk en alzoo vlak bij geeft de nachtwacht vier stooten op zijn horen en roept dan zóó luid, dat de echo 't hem nabauwt: "Vier uren heeft de klok! De klok heeft vier!"
Steven sluipt angstig weg achter een hoek van 't groote holle gebouw en dringt zich zoo dicht mogelijk tegen den muur aan, om niet te worden opgemerkt. De nachtwacht komt met onregelmatige passen nader, want door den langen dienst heeft hij een stijf been gekregen. Daar hij zoo pas eerst zijn verlicht woonvertrek heeft verlaten, moet hij nu wegens de duisternis op den tast voortgaan en merkt Steven volstrekt niet. Deze vervolgt daarop al spoedig zijn nachtelijken tocht. Een zucht van verlichting ontsnapt hem, omdat hij onopgemerkt is gebleven.
"Zoo'n nachtwacht heeft toch voor de veiligheid der ingezetenen weinig te beteekenen," mompelt hij onder 't voortgaan, terwijl een glimlach zijn strakke trekken even ontspant. "Teunissen moest een hond hebben, zooals Fannie er een is. Die zou me hier stellig ontdekt hebben en niet alleen mij, maar ieder ander. Doch de man wordt veel te karig bezoldigd. 't Is bij hem 't heele jaar door armoe troef. Er nog bovendien een hond op na te houden, gaat dus niet. En zoo is 't derhalve ook hier weer de zuinigheid, die de wijsheid bedriegt.
Eigenlijk had ik Fannie moeten meenemen. 'k Zou dan veiliger geweest zijn. Hoe jammer, dat vader me verleden jaar naar huis haalde! Met hem zou ik geld verdiend hebben van belang. 't Lijdt geen twijfel, of ik zou heel beroemd zijn geworden. Hier is volstrekt niets te beginnen. 't Is er de dood in den pot!"
Dus denkende ging hij zacht, doch zoo snel mogelijk voort.
Maar 't nachtelijk donker heeft iets geheimzinnigs; iets dat huiveren doet. Het oog wordt dan niet afgeleid door kleuren; het oor niet door tonen. Men voelt zich zoo alleen in dien zwijgenden nacht, welke ons als in een reusachtig graf besloten houdt. Doch in dat graf zuchten of loeien de winden; het nachtelijk roofgedierte loert en snuffelt er om ons heen en onze ontstelde verbeelding omringt ons overal met vreeswekkende schimmen.
Vooral een nacht in 't midden van October bij mistig weder, gelijk nu, als er nog geen strenge nachtvorsten geweest zijn en de boomen derhalve nog grootendeels hun bladertooi behouden hebben, -- zulk een nacht kan erg donker wezen. En nu was het buitengewoon donker.
Eerst had Steven nog aan weerszijden de bouwlanden van den zoogenaamden Esch, die, van hun oogst ontbloot, een uitgestrekte vlakte vormden.
Doch welhaast naderde hij het bosch, dat zich als een zwarte, ontzaglijk hooge massa steil uit de vlakte verhief. De ingang leek een hooge, donkere poort, die scheen te voeren naar een zwarten, ijzingwekkenden afgrond.
Daar gekomen vervolgde hij op den tast huiverend zijn weg, terwijl hij den knuppel, dien hij in de rechtervuist geklemd hield, bestendig voor zich uit zwaaide, om te vermijden dat hij met iemand of iets in botsing kwam.
Na op die wijze een kwartier gaans te hebben afgelegd, bereikte hij een breeden landweg, met aan weerszijden een dennenbosch.
Weinig minuten later hield aan de rechterzijde 't bosch op en maakte plaats voor een weide, die hier en daar bezet was met boschjes van berkenhakhout. Hier baande hij zich voorzichtig een weg door de droge sloot.
In den hoek der weide, half achter de kreupelbosschen verscholen, stond een lang, laag gebouwtje. 't Was het hok, waarin de eigenaar van de weide zijn kippen hield. Steven bleef nu een oogenblik pal staan en bootste 't gekraai van een haan zeer natuurlijk na.
Terstond daarop vernam hij een zacht geritsel in de struiken. Een donkere gedaante kwam sluipend nader. Een schorre stem voegde hem knorrig toe:
"Zóó! Ben je daar dan toch eindelijk! Nog een paar uur en 't zal weer volle dag zijn. 'k Heb hier al langer dan een uur op je gewacht!"
Het was zijn oude reismakker Dronken Hannes, die aldus sprak.
"'k Heb me verslapen!" antwoordde Steven met gedempte stem.
"Verslapen!" 't Is wat moois!" bromde de ander met een vloek. "Als er wat te verdienen valt, blijf je in bed liggen! Je hebt toch een klok in huis!"
"Mijn oude heeft vergeten, die op te winden en zoo is ze blijven staan. Je kunt je niet voorstellen, hoe vergeetachtig en suf hij na den dood van moeder geworden is."
"Hij vergeet ten minste om op te stappen!" bromde Hannes weer en zijn met bloed beloopen oogen keken kwaadaardig in den mist, alsof hij daar een vijand zag naderen. "Als hij dood was, zou je jou eigen meester wezen en we zouden weer de wijde wereld kunnen ingaan en samen ons geluk beproeven. We waren toen al zoo goed op dreef."
"Hij wordt erg oud en suf," mompelde Steven. "'t Wordt in huis hoe langer hoe onpleizieriger. Tonia brengt ons nu al sinds eenigen tijd 's middags een maal warm eten; voor 't overige moeten we ons met wat melk en brood behelpen. 't Is een nare boel. Tonia ruimt ook eenmaal per dag het huis wat op, terwijl mijn oude zwijgend in den hoek zit toe te zien. Zoolang zij bij ons thuis is, schijnt hij weer heelemaal op te leven. Onder 't werken vertelt ze hem van allerlei zaken, om hem zoo wat afleiding te bezorgen en moed in te spreken. Wil je wel gelooven, dat ik zelf haar bij 't beredderen van de huishouding behulpzaam ben en dat ik, als ze altijd bij ons in huis was, alle kans had om een werkzaam mensch te worden."
"Als ik in jou plaats was, gaf ik er den brui van om me zóó te behelpen," bromde de ander gemelijk. "Waarom ga je niet naar de herberg en laat er je voor rekening van jouw vader het noodige opdisschen?"
"Zonder geld gaat dat niet," zuchtte Steven.
"Misschien houdt hij zich maar arm, om je op die wijze met niemendal te kunnen afschepen. Maar we hebben later wel tijd om daarover te praten: nu moeten we hoe eer hoe beter aan 't werk."
Hij had zijn gezegden met eenige verwenschingen en vloeken kracht pogen bij te zetten en vervolgde nu, ook fluisterend:
"Ga jij eens zien, of er aan _dien_ kant ook wild in de strikken zit, dan zal ik _dezen_ kant voor mijn rekening nemen. Ziehier al twee hazen. 't Zijn een paar bovenstebeste: ze wegen ieder wel acht pond!"
"Te drommel, ja!" zei Steven aangenaam verrast. "Die twee maken ons den morgen al goed."
"Het blijft met dat al een onaangenaam en gevaarlijk werk!" bromde zijn kameraad, die er nu bijzonder zenuwachtig en gejaagd uitzag, terwijl hij schuw om zich heen keek. "Ze loeren al lang op ons. Maar wie me te dicht nadert, schiet ik neer en zeg dan met Van Speyk: "Berg je jongen!"
"Je zult toch om zoo'n kleinigheid als een veertien dagen "brommen" geen moord willen doen?" vroeg Steven verschrikt.
"Veertien dagen!" fluisterde Hannes. "Dat kun je begrijpen! Neen, als ze mij eenmaal te pakken krijgen, zullen ze me, vrees ik, heel wat langer opbergen. Die heeren van 't gerecht zijn haatdragende lui en aldoor geneigd om oude koeien uit de sloot te halen. -- Maar mijn hemel, wie is dat daar?" viel hij zich zelf halfluid en angstig in de rede.
"Ik zie niets! Jij wel?" zei Steven, blijkbaar ook alles behalve op zijn gemak.
"Daar tusschen die twee eiken!" antwoordde Hannes. Zijn wijd geopende oogen staarden angstig voor zich uit. Hij deinsde een paar passen terug. Zijn spraak was onduidelijk, als die van een dronken persoon.
"'t Is jou moeder, die daar aankomt," dus ging hij verschrikt voort, als in zich zelf sprekend. "Een wit kleed reikt haar van 't hoofd tot de voeten. Ze komt naar ons toe, zie maar! En ze doet 't zoo stil, alsof haar voeten volstrekt niet aan den grond raakten, maar of ze op den mist kwam aandrijven. Wat staan haar oogen wijd open en wat kijkt ze mij al door strak aan! Precies zóó staarde ze mij vroeger ook aan, als ik bij jelui thuis kwam. Wat zou ze willen?"
Hij stond als aan de plaats geboeid en beefde zóó, dat hem de tanden op elkander klapperden.
"Je bent krankzinnig of stomdronken!" zei Steven met een schorre stem, terwijl hij zich met afschuw eenige passen van hem verwijderde. "Je weet even goed als ik, dat moeder al een vol jaar dood en begraven is. Waarom wacht je niet met drinken, tot het werk gedaan is?"
"Ik zweer je, dat ik van morgen nog geen druppel geproefd heb!" verzekerde de vagebond met een vloek.
"Wat jij daar ginds ziet, zie ik ook wel," hervatte Steven. "'t Is de nevel, die overal de open plekken vult."
Met de vuile mouw van zijn ruigen pijekker veegde de ander zich nu over voorhoofd en oogen, staarde weer voor zich uit en zei toen huiverend: "Ja ik geloof dat je gelijk hebt. 't Zal verbeelding van me geweest zijn! Kom, we zullen samen de strikken gaan nazien!"
"Om alle twee tegelijk gesnapt te worden!" sprak hierop Steven, die zich in gezelschap van zulk een gevaarlijken kameraad en op zulk een eenzame plaats alles behalve op zijn gemak voelde.
"Stel je gerust!" antwoordde Hannes. "Ik zal 't werk wel doen. Wie de strikken niet aanraakt, is ook niet strafbaar."
Stil verdwenen ze nu alle twee in 't hooge kreupelhout.
Een geruimen tijd later kwamen ze op de plek, vanwaar zij uitgegaan waren, terug.
Ofschoon het nu al vrij licht werd, was de mist nog niet geheel opgetrokken.
Ze hadden nog één haas, twee konijnen en één fazant buitgemaakt, die zich hadden vastgewerkt in de strikken.
"Nu Is 't ook mooi genoeg voor één dag!" zei Steven fluisterend. "En jij hebt rust noodig: je ziet er vreeselijk naar uit en beeft alsof je de koorts hadt."
"We zijn nu toch hier en 't zou erg dom zijn, zoo we niet nog even dit boschje gingen afjagen!" was het antwoord, op schorren toon gegeven. "Zou Fannie in 't vervolg het wild niet voor ons kunnen opjagen? 't Is zoo'n schrander beest!"
"'t Is te beproeven," mompelde Steven en hij verwonderde zich, dat hem dit niet reeds vroeger in de gedachte gekomen was. Met Fannie bij zich had hij ook van zijn kameraad, die er hoe langer hoe gevaarlijker begon uit te zien, niets te duchten. Hij keek den vagebond aan met oogen, waarin vrees en afschuw te lezen stonden en zorgde er voor, onder 't bereik van zijn ruwe, morsige handen vandaan te blijven.
Wat hing hem de ruige, rossige haarbos slordig om voorhoofd en wangen! Wat stonden zijn met bloed beloopen oogen strak en akelig en hoe angstig staarden ze in de richting van de twee eiken, waar de mist nog als een blauwachtig-wit gordijn was blijven hangen! Zelfs toen hij zich bukte om onder 't kreupelhout heen het oude geweer, dat hij daar den vorigen avond had verborgen en waarvan 't slot met een ijzerdraad was vastgemaakt, bij den loop te voorschijn te halen, bleef hij toch onafgewend op die plek staren, als vreesde hij, vandaar uit onverhoeds overvallen te worden.
"Als 't geweer geladen is, zou ik er een beetje voorzichtiger mee omgaan!" waarschuwde Steven.
Maar pas had hij dit gezegd, toen hij uit den mond van 't geweer een rookwolkje zag stijgen, terwijl hij onmiddellijk daarop den knal van 't schot hoorde.
In 't volgend oogenblik zag hij zijn kameraad met de armen een zwaai in de lucht maken en hem toen met een zwaren plof achterover vallen.
Roerloos bleef hij liggen.
't Volle schot was hem in de borst gedrongen en had hem oogenblikkelijk gedood.
Steven bleef een wijle, door schrik als verlamd, staan staren op het lijk van zijn makker, die nu zijn makker niet meer was en 't ook nooit meer wezen zou.
Hij zag die door ontzetting ijselijk gewrongen trekken; die wijd geopende, angstige oogen, zoo akelig strak naar boven gericht; hij zag den eveneens als tot een noodkreet opengesperden mond en waande te droomen.
Geen antwoord! Geen enkel teeken van leven!
Hij riep hem dringend bij zijn naam.
De door den storm gevelde dennenboom daar aan den rand der sloot, die hen zoo vaak voor zitbank gediend had, kon nu evenveel hulp en vriendschap verleenen als Dronken Hannes. Radeloos keek Steven rond door de stille ruimte. De morgenwind vaagde juist, als met een onzichtbare hand, tusschen de twee eeuwenoude boomen den laatsten sluier van nevelen weg.
De lucht was nu geheel opgeklaard.
De groene, gele en roode bladeren van eiken, accasia's en beuken glansden in 't licht van de rijzende zon.
De gansche streek baadde in een vriendelijk licht.
Miljoenen dauwdroppels schitterden op het gras, het heidekruid, het kreupelhout en 't met fijne webben overspannen dennenbosch.
Het stille, plechtige landschap straalde en schitterde in onbeschrijfelijke pracht. In grootschen eenvoud welfde zich daarboven het diep-blauwe uitspansel.
En te midden van al dat schoon lag daar die doode, met akelig verwrongen trekken, de starende oogen met een afdrukking van ontzetting strak omhoog gericht.
"Ze zullen denken dat ik hem heb doodgeschoten!" mompelde Steven.
Een killen schrik beving hem.
Zonder recht te weten, wat hem onder deze bedenkelijke omstandigheden te doen stond, ja zelfs zonder te weten wat hij deed sloeg hij op de vlucht.
{Illustratie: Steven bleef een wijle ... staan staren op het lijk van zijn makker ... (Pag. 141).}
Hij vlood, over slooten springend en door hagen dringend, als een bloode haas of een gejaagde ree.
Zoo bereikte hij al hollend den ingang van 't dorp, waar een groep spelende kinderen verschrikt door zijn akelig uitzicht, voor hem uit den weg stoven.
XVII.
Op stroopen uit.
't Is in 't begin van Februari en in den na-nacht.
In gedachten bevinden we ons in de buurt van den huize Heiterloo en wel op den landweg, vóór den donkeren ingang van 't bosch, dat het kasteel aan drie zijden over een groote uitgestrektheid omgeeft.
Voor ons uit zien we iets wemelen en nu we naderbij komen, blijkt het de gedaante te zijn van een man. Ook hooren we, gedempt, zijn voetstappen in 't dorre loof.
Wat zou die persoon hier zoo vroeg al willen uitvoeren?
Haast schijnt hij volstrekt niet te hebben, want hij nadert slechts langzaam.
Een dikken stok heeft hij onder den arm.
Op 't oogenblik, dat hij den donkeren ingang van 't bosch wil binnentreden, slaat juist de klok in den toren van 't kasteel drie uur.
Hoe lang, hoe vreemd, -- we zouden haast zeggen hoe spookachtig galmt de laatste slag na in den zwijgenden nacht!
Een uil is er blijkbaar door wakker geschrikt: hij laat een paar maal zijn droefgeestig geroep hooren. Dan wordt het weer overal stil.
Zelfs de stappen van den nachtwandelaar zijn slechts even te hooren. Zóó voorzichtig sluipt hij verder, dat enkel een zacht ritselen van 't dorre loof nu en dan zijn tegenwoordigheid verraadt.
't Is overal zoo stil, dat we onze ademhaling kunnen hooren. En toch: als we goed luisteren, hooren we bovendien nu hier, dan daar een geritsel, alsof we door levende wezens omringd zijn, die kringen om ons heen te beschrijven, zooals eertijds de tooverpoeder die beschreef om den bekenden dokter Faust. Hier, in 't hooge mastbosch, is 't nog stiller en donkerder dan ergens elders.
We volgen in gedachten dien eenzamen man op zijn schreden. Maar 't is een onaangename wandeling voor ons, die nog zoo pas door 't vriendelijkst licht en de gezellige drukte van ons bekende menschen omringd waren. 't Is of plotseling alles, wat ons lief was en vreugde gaf, voor immer verdwenen is en we in 't vervolg door een altijd durenden nacht zullen omringd zijn. En telkens hooren we nu hier en dan weder daar dat suizen, zoo vreemd, in de donkere dennen hoog boven ons, als 't gezucht van sombere reuzen; dat geritsel in 't dorre loof om ons heen, als van een sluipend en gluipend ondier, dat ons naar 't leven staat. We hebben juist een gevoel of de nacht leeft; of we van alle zijden door glinsterende oogen aangestaard worden; of we als omspannen zijn door een onzichtbaar weefsel.
Een huivering gaat ons door de leden.
Een soortgelijk angstig gevoel moet in den morgen der geschiedenis den eersten, half wilden Germaan beheerscht hebben, die hier in de onmetelijke wouden en wildernissen verdoold geraakt, den eersten nacht sleet in de forsche kroon van een eeuwenoude eik en in zijn ontstelde verbeelding overal uit die woeste, wilde wereld dood en verderf meende te zien en te hooren naderen.
Gelukkig voor den eenzamen nachtwandelaar, die nu als een spookgedaante in de duisternis voor ons uit treedt, zijn hier in den loop der eeuwen de beren, wolven, wilde zwijnen, ja zelfs op weinig uitzondering na de sluipende, giftige adders verdwenen, welke dien eersten mensch overal dreigend omringden.
Een luid, snorrend gerucht doet op eens den eenzamen man verrast stilstaan.
Daar komt eenige oogenblikken later een ruigharig schepsel uit het hout op den weg springen, loopt op den man, die blijkbaar zijn meester is, toe, blijft kwispelstaartend voor hem staan en laat een zacht, schor gebrom hooren.
"Koest, Fannie!" luidt het fluisterend bevel. En Steven De Laat, -- want deze is 't, -- volgt nu sluipend den trouwen hond, die zoo pas een troep fazanten opjoeg.
Twee dezer dieren hebben zich, misschien door voor den hond te vluchten, vastgewerkt in de strikken, die zijn meester daar geplaatst heeft en worden nu door dezen voor goeden prijs verklaard.
In plaats van, -- evenals andere menschen, -- door ijverig werken in zijn onderhoud te voorzien, beproeft hij weer, evenals toen Dronken Hannes nog leefde, met wild stroopen wat te verdienen. Want het moet gezegd worden: er zit "durf" in dit jonge mensch. Bovendien is hij vlug en schrander en Fannie, hoe oud ook, is dit eveneens.
Geen nacht gaat er in den laatsten tijd voorbij, waarop niet eenige boschwachters of jachtopzieners op hem loeren. Maar Fannie komt deze lieden door zijn reuk telkens op 't spoor. En zoodra merkt hij niet, dat er iemand in de buurt waar zijn meesters strikken staan, op den loer ligt, of hij waarschuwt dezen oogenblikkelijk. Steven Iaat dan daar ter plaatse 't wild in de strikken onaangeroerd en 't wild, dat hij reeds buit maakte, verbergt hij snel op een plaats, waar hij 't gemakkelijk kan terugvinden.
Het geld, dat hij voor 't gestroopte wild krijgt, moet hem tot zakgeld dienen. Hij verteert het gewoonlijk in één der talrijke gelegenheden, welke daarvoor in de naburige grootere plaatsen worden aangetroffen. Want een afstand van eenige uren gaans telt hij niet.
Het bosch van den huize Heiterloo biedt een uitmuntende gelegenheid aan voor wildstroopers. In de omgeving van 't kasteel doorkruisen 't breede wandelpaden, terwijl verderop landwegen en paden voor voetgangers naar 't dorp of de naburige landerijen en weiden voeren. Deze laatste vindt men niet alleen in de naaste omgeving van 't bosch, maar op sommige plaatsen voeren ze er midden door.
Nu stond het graan te groenen op de akkers. 't Had nog niets van de nachtvorsten te lijden gehad, want het was een zachte winter geweest met veel sneeuw. Het wild uit heel de streek ging er aan te gast. De hazen namen hun weg over zeer goed zichtbare paadjes, die in verloop van tijd door hun stappen waren ontstaan.
Op die paden nu had Steven zijn strikken geplaatst. Als heer Lepel zich dan terdege repte om den akker te bereiken, raakte hij in zoo'n strik bekneld en iedere poging om zich los te rukken was oorzaak dat die vaster om zijn keel sloot, zoodat hij door verstikking den dood vond.
Steven was gewoon om den hond tegen den wind in te doen loopen, opdat deze de jachtopzieners, die op hem loerden, vroeg genoeg onder den reuk zou krijgen om hem nog tijdig te kunnen waarschuwen.
Doch in een bosch als dit, waarin paden en paadjes op de meest grillige wijze in alle richtingen doorheen slingerden, ging daar niettemin een zware wijs op.
Onze strooper was slechts weinige oogenblikken op 't voetspoor van den hond in het duister van 't hout verdwenen, of hij kwam weer op 't pad terug met de twee fazanten onder zijn jas verborgen. Vervolgens sloop hij weer een geruimen tijd voort over een publiek pad, uitsluitend voor voetgangers bestemd en kerkpad geheeten.
Dergelijke paden loopen meestal zoo recht mogelijk uit ver schillende richtingen op één plaats aan. In vroeger tijd dienden ze, -- en ze doen dit nog, -- om langs den kortsten weg de kerk te bereiken; vandaar de naam: _kerkpaden_. Ze doorsnijden heidevelden, weiden en bouwlanden, loopen over de boerenerven soms tusschen 't huis en de schuur door en storen zich aan geen gemaakte begrenzingen. De boer ploegt ieder jaar gemakshalve die paden om, welke vaak zijn akker diagonaalswijze in tweeën splitsen en hij zaait er zijn koren op uit. Maar reeds den volgenden dag hebben de schoolgaande kinderen of lieden, die de naburige plaats willen bezoeken, waaronder vooral kerkgangers, de aarde weer plat getrapt en 't pad opnieuw gebaand.
Slechts weinig wegen en paden herinneren zóó sterk aan 't grijs verleden, toen er kapellen en kerken werden gebouwd en bij die kerken scholen.
Daar vonden groot en klein een vereenigingspunt en ze rustten er uit van de moeiten en zorgen des levens en er omheen, onder de groene zoden, sliepen de betreurde vrienden en verwanten hun laatsten slaap. Vijanden verbroederden zich met elkander binnen deze stille muren, waar eeuw aan eeuw geleerd werd dat de Liefde de meester is.
Het streven naar orde, reinheid en een betere toekomst; de drang des harten om lief te hebben en goed te doen, werd zoo gemeenschappelijk goed.
Menigeen is in den loop der eeuwen over zoo'n kerkpad voortgegaan met vluggen, vroolijken tred, in zijn beste pak, met een bloem of veer op den hoed, als ging hij ten feest; menig ander schreed er over voort in rouwkleederen, langzaam, zielsbedroefd of ongeneeslijk ziek.
Als ze hun geschiedenissen konden vertellen, die eeuwenoude paden en gebouwen, zou het overwaard zijn er naar te luisteren.
Maar die zijn weggewaaid met den wind. Slechts de zon, de maan en de sterren kunnen ze weten, want die hebben alle geslachten voorgelicht op de levensreis, zoo te nacht als bij dag. Doch keeren we terug tot de geschiedenis van Steven de Laat.