Part 5
Zekere Pompen Herman, zooals men hem noemde, een neef van Klaas' vrouw, kwam dikwijls bij hen aan huis en maakte dan telkens weer aanmerkingen op hun gedrag. "Als de politie er achter komt, wachten jelui de vreeselijkste straffen," waarschuwde hij dan.
Ze werden bang, dat hij hen verraden zou en toen hij eens weer bij hun haard zat, zonder eenig kwaad vermoeden te hebben, sloegen zij hem dood. Zoo kon hij hen niet meer verklappen.
Op een keer traden twee slagers, de gebroeders De Leeuw, de onzalige woning binnen om hun pijp aan te steken en te zien, of ze er misschien ook een stuk vee zouden kunnen koopen.
Klaas merkte wel, dat ze een aardig sommetje geld bij zich hadden. "Ik moet geld hebben om den hooikoop op Langenhorst te betalen," riep hij met schorre stem en liep ijlings naar de deel.
De twee bezoekers vreesden, dat hij vandaar het een of ander moordtuig wilde gaan halen en vluchtten weg.
Zooals je weet, komen er nog telkens kooplieden, afkomstig uit het Oldenburgsche, naar Drente, Twente en de Graafschap, om er allerlei wollen goed: kousen, sokken, wanten enz. te verkoopen. Hun waar dragen zij in een mars op den rug; ze bieden die te koop aan de huizen en eveneens op jaarmarkten en kermissen.
Zulk een "Hozzenkramer" was ook zekere Willem Stint, die, wanneer hij de markten te Goor en te Delden bezocht, telkens bij Hutten Klaas zijn intrek nam. Dit deed hij ook, toen hij in 1775 van de Goorsche wintermarkt huiswaarts keerde. Hij had een aardige som geld bij zich. Het kamertje, waar hij logeerde, was naast de keuken. Toen hij zich ter rust wilde begeven, hoorde hij een onheilspellend gemompel tusschen Klaas en zijn vrouw. Hij kreeg daardoor argwaan en bleef gekleed en met zijn stevige stok in de vuist geklemd afwachten wat er gebeuren zou. En toen nu Klaas de deur opende om hem in den slaap het leven te benemen, werd hij door Stins overmand. Maar door 't gerucht en geschreeuw, dat hierdoor ontstond, werden de beide zoons gewekt en de oudste kwam zijn vader te hulp, terwijl de vrouw die twee aanhitste. Eenige oogenblikken later was nu de ongelukkige kramer een lijk.
De vader van dezen maakte er zich ongerust over, dat zijn zoon, die altijd gewoon was om met Kerstmis thuis te zijn, zelfs midden-Januari nog niet was teruggekeerd. Hij begaf zich derhalve op reis om hem te zoeken. Op een Zondagmiddag kwam hij in Delden, juist toen de kerk uitging. Tot zijn verbazing zag hij onder de kerkgangers een persoon, die een broek aan had juist gelijk aan die van zijn vermisten zoon.
Het was Hutten Klaas.
Hij deelde die ontdekking mede aan 't gerecht en dit gaf bevel om Klaas en de zijnen te arresteeren. De vrees voor deze onmenschen was echter zoo groot, dat niemand er zich toe leenen wilde om hen in hun eigen huis te vatten.
Daar Klaas een trouw kerkganger was, werd de volgende Zondag afgewacht. Toen posteerden zich zes stevige boschjagers aan de kerkdeur en namen Klaas en Jannes gevangen.
Ook Aarne en Gerrit werden daarop in huis in verzekerde bewaring genomen. De gevangenen werden van elkaar gescheiden, om geen afspraken te kunnen houden. Zoo gelukte het, hen allen tot een volledige bekentenis te brengen. Ze werden naar Oldenzaal gevoerd en daar gekerkerd. In de Oudheidkamer aldaar bevindt zich nog de stoel, waarop Klaas werd vastgezet. 't Is een houten leuningstoel, -- een lomp meubel, -- met wijd uitstaande pooten om hem meer stevigheid te geven. Aan de leuningen en de pooten zijn ijzeren banden bevestigd, waarmee de moordenaar werd vastgezet. Klaas en Jannes werden geradbraakt en Aarne aan een paal geworgd. De jongste, Gerrit, werd met een schip den Oceaan opgestuurd, een middel dat eertijds veel werd aangewend bij jeugdige personen, van wie men voor de toekomst weinig goeds verwachtte."
"Nu, dat waren dan toch echte schurken!" zei de goedhartige waard huiverend. "Maar als je meent, dat de rooverstroep, die hier bij avond en ontijd gezien wordt, veel beter is, dan heb je het toch mis. Ik verzeker je, dat je 't niet in je hoofd zoudt krijgen om van avond de reis te vervolgen, als je hun boeventronies gezien hadt. Die kerels staan nergens voor en zouden ook niet voor een moord terugdeinzen.
En de politie staat tegenover die bandieten vrijwel machteloos. 't Moet al een groote plaats zijn, waar men meer dan één veldwachter heeft en die blijft natuurlijk, als hij eenigszins kan, bij avond en nacht in 't dorp waar hij thuis hoort, wat hem ook niet kwalijk te nemen is. Ik zou in zijn geval niet anders handelen: het hemd is nader dan de rok. Buiten de bewoonde plaatsen is 't niet veilig. Nog de vorige week is de slager Simons een goede tien minuten gaans van hier staande gehouden door een persoon, die hem op een brutalen toon vroeg, hoe laat het was. Maar Simons is een reus van een vent. Hij zwaaide den aanrander met zijn geducht slagersmes vlak voor 't gezicht heen en riep dreigend: "Zoo laat is 't!" en de boef uitte een kreet van ontzetting en vluchtte als een bloode haas het hout in."
"'t Zou al een stoere vent moeten zijn, die mij den baas werd!" sprak de zaadhandelaar bedaard en hij toonde zijn dikken stok met looden knop. "En als 't op een snijpartij mocht uitloopen," hervatte hij, "dan kan ik ook wel mijn man staan!"
Dit zeggende haalde hij uit een broekzak een vervaarlijk schedemes te voorschijn. "Je ziet, ik ben op een nachtelijke ontmoeting met dat rooversgespuis voorbereid en zal 't er maar op wagen. 'k Zou morgen gaarne bijtijds weer in huis terug zijn om er de zaken te regelen."
Hij betaalde de vertering en nam afscheid.
De waard sloot de deur achter hem dicht en blies het licht uit.
Zoo stond hij dan geheel alleen te midden van een oneindige, in nachtelijk donker gehulde ruimte.
't Was er angstwekkend stil. Geen vogel zong.
Alleen 't schor geblaf van een wachthond op een verwijderd boerenerf verbrak bij poozen 't algemeen zwijgen.
Zoo stil en snel mogelijk poogde hij voort te gaan, maar tot zijn spijt kwam 't hem voor, of zijn voetstappen op de steenen nu veel meer gerucht maakten dan anders.
Toch achtte hij 't veiliger het midden van de straat te houden, dan er nevens te gaan over den graszoom, waar hij door iemand, die in 't hout verborgen op hem loerde, onverhoeds kon worden overvallen.
Hij stapte een goede tien minuten vlug voort en lette onderwijl scherp op alles, wat er om hem heen bespeurd werd. Zoo bereikte hij 't punt, waar de weg tusschen dichte dennenbosschen voortloopt. Hier was 't erg donker, maar de oogen van De Laat waren daaraan gewoon geraakt. Een eenzamer plek was er echter moeilijk te bedenken. Niet alleen zijn voetstappen maar zelfs zijn kleeren maakten nu, naar hij zich verbeeldde, een verwonderlijk groot gerucht.
Nog niet lang was hij zoo voortgegaan, toen hij eensklaps ter zijde van den weg eenig gerucht hoorde, dat hem uiterst verdacht voorkwam. Starend keek hij in die richting en zag nu uit het hout een persoon te voorschijn treden en regelrecht op hem aankomen. "Goeien avond!" zeide hij barsch.
"Ook goeien avond!" zei De Laat zoo mogelijk nog barscher en stapte voort.
Doch de ander trad hem op zijde en vroeg: "Waar gaat dat zoo laat in den avond nog naar toe, vriend?"
"Naar huis, man! -- Waarom vraag je dat zoo?"
"Ja, zie je, 'k moet je in dat geval waarschuwen! 't Is hier in de streek verschrikkelijk onveilig. En je hebt, als ik me niet vergis, een aardig sommetje geld bij je. Geef mij dat zoolang in bewaring: ik ken hier den weg en zal zorgen, dat het me niet afhandig gemaakt wordt!"
"Maak je maar niet ongerust: ik kan er zelf wel voor zorgen en 'k zal het doen ook, wees daar zeker van!"
"Dat kunt ge niet!" verzekerde de ander.
"Probeeren is 't naaste!" zei De Laat met een forsche stem. "Hier is mijn geld! We willen er om vechten!"
Hij wierp den zak, gevuld met rinkelende geldstukken, vóór zich op straat.
De ander bukte om dien te grijpen en er zich dan snel mee uit de voeten te maken, doch De Laat zwaaide nu zijn geduchten stok, zoodat die gonsde door de lucht en met een doffen slag op 't hoofd van den aanrander neerkwam. Deze zakte in de knieën en viel daarop kreunend met een smak op de straatsteenen.
De Laat greep weer zijn zak met geld en snelde terug, overtuigd dat zijn leven afhing van den spoed, dien hij maakte.
In ijlende vaart voorthollend, hoorde hij van verschillende kanten een doordringend gefluit, dat hem weinig goeds voorspelde. Gelukkig bereikte hij weer de uitspanning, die hij kort geleden verlaten had. Hij klopte er aan en riep dringend: "Doe in 's hemels naam vlug open!"
De waard was blijkbaar op dezen afloop bedacht geweest. Oogenblikkelijk opende hij de deur en sloot die terstond weer achter hem dicht.
"We steken geen licht aan; we blijven hier in 't duister bij elkaar zitten, in afwachting van wat er verder gebeuren zal," zeide hij.
Nog nauwelijks waren ze gezeten, of ze hoorden daar buiten een geloop en gedraaf als van een troep jonge veulens.
Er volgde een bonzend kloppen op de deur en toen riep er één met een grove stem op een kommandotoon:
"Kastelein, doe gauw open! We moeten er in!"
"Hei daar! -- Wie maakt daar in 't holle van den nacht zoo'n helsch leven?" riep de waard met een stem, alsof hij geducht boos was, omdat men hem uit zijn eersten slaap had doen opschrikken.
"Goed volk! Doe maar gauw open!" riep de stem van buiten terug.
"Jelui hadden maar vroeg moeten komen. Bij nacht laat ik niemand binnen: ik heb ook tijd om te slapen noodig."
"Kom, maak maar geen uitvluchten: je herbergt een koopman en dien moeten we noodzakelijk spreken!"
"Jelui hebben abuis. Een drie kwartier geleden is hier wel een koopman geweest, maar die is, na 't noodige gebruikt te hebben, weer verder gereisd. 'k Heb toen terstond het licht uitgebluscht en ben onder de dekens gekropen en ben ook niet van plan voor morgenvroeg weer op te staan. 't Is voor mij en mijn huisgenooten vandaag zwaar werken geweest!"
Er volgde een gemompel van dreigende stemmen, met nu en dan een ruwen vloek of een ijselijke verwensching er tusschen.
Maar welhaast dropen ze af, om in de buurt naar den vluchteling te zoeken.
VIII.
De kleine Steven bezoekt het kasteel Heiterloo en raakt leelijk in de klem.
Nu 't speenvarkentje er niet meer was om hem den tijd te korten en Bles het grootste gedeelte van den dag in de weide liep te grazen, vond Steven het in 't groote huis erg eenzaam en stil. Moeder had het meestal te druk met allerlei huiswerk om zich veel met hem bezig te houden en als ze daarmee gereed was, ging ze voor 't spinnewiel zitten en spon soms nog tot laat in den avond. 't Gesnor van 't wiel en 't eentonig getik der oude huisklok waren juist geen aangename muziek.
De knaap liep dan ook, als er geen school was, meestal het huis uit en speelde met zijn makkers op straat, of zag toe bij den arbeid der handwerkslieden. Soms dwaalde hij verder af naar de boerenhoeven in de streek en bewonderde er de paarden, koeien, schapen, varkens en kippen.
Tegen etenstijd zorgde hij echter weer thuis te zijn, want hij had een grage maag.
Maar 's avonds kwam hij wel eens na zonsondergang weer terug. Het zwervende leven, dat zijn vader leidde, scheen ook hij recht aangenaam te vinden.
Kleidorp is betrekkelijk laag gelegen. Ofschoon de Berkel met haar zijtak de Bolksbeek op vrij grooten afstand er van voortstroomt, toch heeft het water van deze laatste eertijds gespoeld tot aan den zoom der geringe verheffing, waarop het plaatsje gelegen is en er aan die zijde een laag klei gevormd, die de voormalige moerasgronden in uitmuntende weiden herschiep.
Op een schoonen voorjaarsnamiddag ging Steven door 't eenzaam, maar mooi, houtrijk landschap. De witte bloemschermen der lijsterbessenboschjes tusschen 't frisch-groen kreupelhout verspreidden hun sterken, zoeten geur en op verschillende plaatsen waren de kanten van den weg getooid met bloeiende bremstruiken. Leeuweriken zweefden kwinkeleerend boven zijn hoofd, zóó hoog, als wilden ze opstijgen naar de zon, die als een groote, stralende bol aan 't blauwe ruim stond te flonkeren. Ze verdwenen ten slotte geheel uit het gezicht, maar ook dan nog was hun liefelijk gezang te hooren.
Hier en daar zong nog een nachtegaal in 't frischgroen gebladerte. De lijsters beproefden hem zijn slag na te doen, doch 't was een vruchteloos pogen.
Het mooie weer en de schoone natuur lokten Steven al verder van huis, in de richting van 't kasteel Heiterloo, dat hem een slot geleek uit een verrukkelijk tooversprookje.
Nergens werd er een tochtje bespeurd. Toch waren de bladeren der populieren langs de breede slooten, die heel mooi in 't zonlicht blonken, voortdurend in een schommelende beweging en ze ritselden onophoudelijk.
De knaap vond het hier een vreemde wereld. In de weiden liepen groote troepen ganzen te grazen. Ze kwamen brutaal, met geheven vleugels, op hem af, alsof ze hem zóó wilden aanvliegen. Hun schril geroep was tot op grooten afstand te hooren.
De boeren in lage streken hielden eertijds groote troepen ganzen om 't voordeel, dat ze gaven. De groote slagpennen werden vrij algemeen als schrijfpennen gebruikt; stalen pennen waren nog zeldzaam. De fijne veeren werden ieder jaar uit de huid van deze vogels geplukt; ze dienden voor dons in kussens en bedden en waren zeer kostbaar.
Groote troepen ganzen werden er naar de naburige markten gedreven en er voor goed geld verkocht om geslacht te worden.
Steven keek op naar 't hoog, oud-vaderlijk kasteel op eenigen afstand, te midden van eeuwenoude, statige eiken, die er trotsche lanen vormden.
De vergulde windvaan op de spits fonkelde in de zon, als ware hij van 't fijnste goud.
Hoe klein was de afstand, die hem nu scheidde van dit tooveroord. Sinds lang reeds had deze plaats hem aangetrokken en rijke stof geleverd voor zijn kinderlijke droomen.
De ganzen staken de koppen met gerekte halzen naar hem uit en 't scheen den knaap toe, dat ze die halzen zoo lang konden maken als ze zelf wilden; de vleugels bewogen ze aldoor op en neer en ze keken hem zoo brutaal aan, alsof ze vragen wilden: "Wat kom je hier doen?"
Steven geleek intusschen in moed op zijn vader. Rustig bleef hij leunen over 't getuinde hek, dat den toegang afsloot en naar de hem nog onbekende dieren zien. Deze begonnen dan ook, toen ze den hun vreemden knaap nauwkeurig beschouwd en niets bijzonders aan hem opgemerkt hadden, weer ijverig te grazen en dat was ook 't verstandigste, dat ze doen konden.
In een naburige sloot klonk nu 't gejoel en gelach van eenige opgeschoten jongens, -- schoolmakkers van Steven.
"Wat zouden die daar uitvoeren?" dacht hij.
"Dat moet ik toch eens zien!"
Hij poogde 't getuinde hek, dat den toegang tot de weide afsloot, te openen, doch 't was te zwaar. Gelukkig zaten op één plaats de stokken, waaruit het gevlochten was, zoover van elkaar, dat hij er doorheen kon kruipen. Dit deed hij ook en zoo kwam hij bij zijn schoolmakkers, -- kinderen van behoeftige daglooners, -- die met bloote beenen in de sloot rondspringen en 't water troebel maakten.
"Kom je ook bloedzuigers vangen?" vroegen ze.
"Wat zijn dat voor beesten?" vroeg Steven.
"Hu!" riep nu één der knapen, "daar voel ik er één!"
Hij tilde 't been uit het water op, pakte 't diertje, dat er zich aan vastgezogen had, beet en deed het in een flesch met water, die op den kant lag.
"'k Heb er ook één!" riep nu een andere knaap, die wat verder de sloot troebel maakte. En toen ook hij het been uit het water trok, zat er eveneens een bloedzuiger aan vast gezogen. "Och," zei hij toen teleurgesteld, "die deugt niet!" Toen wierp hij hem weer in 't water.
"Waarom is die niet goed?" vroeg Steven verwonderd.
"Dat weet ik ook niet," zei de ander, "maar de dokter wil alleen bloedzuigers koopen, die drie roode strepen over den rug hebben; voor deze geeft hij een dubbeltje per stuk."
"Wat doet de dokter met die diertjes?" vroeg Steven weer.
"Menschen, die teveel of onzuiver bloed hebben, wordt wel eens wat bloed afgetapt," antwoordde de jongen heel wijs. "Daarvoor moet men hun een ader openen. Maar onze dokter vindt het gemakkelijker en beter om bloedzuigers te zetten. Die zuigen 't bloed op en als men ze weg neemt, is 't werkje afgeloopen."
Steven nam de flesch met water, waarin de gevangen beestjes rondkropen. Hij bekeek ze een poosje en zei: "Rare dieren! Ze lijken vrij veel op jonge kikvorschen maar hebben niet zoo'n dikken kop. 'k Zou niet graag hebben, dat de dokter er één op mijn armen of beenen zette, om daaruit bloed te zuigen."
"Pijn doet het niet: je voelt er maar weinig van," verzekerde een der knapen en ging daarop weer, evenals zijn makkers, ploeteren in 't troebele water, zoodat het hoog opspatte.
Toen hij weer op de plaats kwam, waar Steven op den kant stond toe te zien, hield hij nog even op om te vragen: "Zeg, heb je verleden Zondag mijn nieuwe pet wel gezien?"
"Die met dien kwast er boven aan?" vroeg Steven.
"Juist."
"Jawel! 't Is een heele mooie!"
"Nu, die kocht ik voor 't geld, dat ik met het vangen van bloedzuigers verdiend heb. Als er van 't najaar veel eikels zijn, ga ik die zoeken onder de boomen bij 't kasteel en verkoop ze aan de boeren. Zoo verdien ik alweer wat. "Alle beetjes helpen!" zegt vader."
't Verwonderde Steven, dat kinderen van behoeftige menschen zooveel moeite moesten doen om eenige stuivers te verdienen. Hij vroeg daarom: "En hoeveel verdient je vader wel, als hij de boeren een dag helpt arbeiden?"
"'s Winters een paar dubbeltjes en 's zomers dertig cent. En aardappels en boonen verbouwen we zelf genoeg op onzen akker," antwoordde de knaap en ging weer ijverig voort met zijn werk.
"Hoe weinig verdienen die menschen toch met hard werken!" dacht Steven en hij liet de dubbeltjes en de centen, die hij zoo maar los in zijn broekzak bewaarde, door de hand glijden. Hij versnoepte in één dag wel eens evenveel, als zoo'n daglooner in denzelfden tijd verdiende. Was zijn toestand zooveel gunstiger dan die van velen zijner makkers?
Dit vond hij niet onwaarschijnlijk.
't Was drukkend warm. Geen tochtje bracht verkoeling aan. Niettemin bleven de ganzen, al voortwaggelend, ijverig 't gras afbijten.
De koeien in de naburige weiden hadden echter de schaduw der populieren en wilgen en van 't elzen kreupelhout langs de slootkanten opgezocht en lagen er rustig te herkauwen.
Hoe mooi groen waren nu die rijk met bloemen getooide weiden, waarover de bonte vlinders rondvlogen. En ze strekten zich te ééner zijde zoover uit, als kwam er nooit een eind aan. Naar 't Noorden reikten ze tot bij 't bosch van 't kasteel Heiterloo.
Verleidelijk blonken de leien van 't hooge dak en den slanken toren hem tegen. En de fonkelende windvaan op de spits scheen hem verlokkend toe te wenken.
Steven was er nu zoo dicht in de buurt gekomen, dat hij den lust geen weerstand kon bieden om er heen te gaan en 't eens van nabij te bezien. Haastig stapte hij voort over 't zoogenaamde kerkpad, dat door de weiden voerde en, daar 't over den moerasgrond liep, op sommige plaatsen onder zijn voeten borrelde en ruischte.
Hoe verbazend warm was het op 't onbeschaduwde pad. Het zweet liep hem met stralen van 't gezicht. Maar welhaast bereikte hij 't smal bruggetje over de beek, dat hem de gelegenheid bood om den overkant te bereiken en eenige minuten later stond hij onder 't lommer der statige laan, die om den grooten bloemen-, groenten- en vruchtentuin en om 't kasteel zelf voerde.
Hoe netjes waren de randen der paden met een scherpe spade afgestoken! De paden zelf waren keurig geharkt en nog geen enkele voetstap stond er in de fijne, regelmatige strepen afgeteekend. Doch hazen en konijnen hadden er hier en daar hun sporen achtergelaten.
't Was hier ongewoon rustig en heerlijk koel. Lijsters en nachtegalen zongen als om strijd en ook de andere vogels taterden en snaterden lieflijk en luid.
Hoeveel netter was 't hier dan in 't dorp met de mestvaalten en vuile riolen aan weerszijden van de straat en de bouwvallige huizen daar achter, voor 't meerendeel grauw en verweerd!
Hij hoorde in den tuin vroolijke kinderstemmen. Maar deze was door een breede, diepe gracht omringd en er achter verhief zich een hooge houten schutting, zoodat de knaap niet zien kon, hoe 't er daar binnen uitzag en wat er voorviel.
Een poos stond hij schier ademloos te luisteren. Zijn hart klopte hoorbaar. Hoe vrijmoedig hij anders ook was, toch vreesde hij hier, zoo ver van huis en in een vreemde streek, zich op verboden terrein te bevinden. Dit was echter niet het geval. Als de menschen, die er in de streek woonden, naar het drie kwartier gaans verwijderde dorp moesten, passeerden ze deze laan en kozen verder denzelfden weg, dien Steven gegaan was om hier te komen. Dicht in de buurt, ter linkerzijde, lag een boerderij, tevens uitspanning en tolhuis. Er was namelijk door den eigenaar van 't kasteel een harde weg aangelegd, waarover men den grooten rijksweg kon bereiken. Wanneer de boeren van dezen kunstweg gebruik wilden maken, moesten ze voor paard en wagen een halven stuiver tolgeld betalen. Die halve stuiver had toentertijd ongeveer de waarde, die thans een dubbeltje heeft. Kochten de lui echter een borrel van vijf centen, dan werd hun het tolgeld geschonken.
Steven mocht ook al huiverig zijn om hier lang te vertoeven, toch was bij hem de nieuwsgierigheid sterker dan de vrees.
Hij keek omhoog langs de dikke boomstammen.
"Als ik in zoo'n boom zat," dacht hij, "dan zou ik alles kunnen zien."
Hij beproefde de boomen te omvademen, maar kon dit niet. Toen ging hij een weinig dieper de laan in en zag nu een dikken, knoestigen stam, waarlangs hij zonder veel moeite opklom. Eenige oogenblikken later zat hij schrijlings op één der dikke, benedenste takken en had nu een vrij uitzicht op den tuin en ook op 't kasteel.
Dat was eerst een prachtige tuin; een echt Wonderland! Aan zijn opgetogen blikken vertoonden zich groote perken met mooie, kleurige bloemen. Op andere perken stonden sierstruiken, die nog haast mooier waren.
Doch 't heerlijkst van al vond hij de perken met bessenstruiken, die vol rijpe trossen zaten, en de breede randen met aardbeiplanten, vol groote, rijpe vruchten, langs de wandelpaden en de boomen vol rijpe kersen. Vlak bij 't kasteel waren groote broeikassen, waaruit hem ook al rijpe vruchten tegenblonken.
Die tuin was een waar Luilekkerland.
En hoe hoog waren die met klimplanten begroeide muren van 't kasteel, loodrecht oprijzend uit de gracht. Druivenboompjes omslingerden met hun frisch groen de vensters en den ronden boog der deur.
De ramen waren met de warmte opengeschoven en voor een dezer zat een dame te lezen uit een fraai gebonden boek, verguld op de snede. Ze was geheel in 't wit gekleed. Vroolijke kinderen, eveneens in witte kleederen, speelden op 't groote, frischgroene grasperk. Ze schenen den knaap wezens toe uit een andere, betere wereld, die met de boerenkinderen uit zijn omgeving, -- zijn schoolmakkers, -- maar zeer weinig gemeen hadden en deze in schoonheid onbeschrijfelijk ver te boven gingen.
Hoe wenschte hij, deel te mogen nemen aan hun spelen en steeds met hen te mogen verkeeren. Maar hij begreep tot zijn groote droefheid, dat hij veel beter voegde bij de boerenkinderen, dan bij hen, om zijn kleeding, zijn spraak, zijn manieren en levenswijs.
Terwijl hij daar zoo zat te peinzen, hoorde hij eensklaps een geluid, alsof er heel in de verte een kanonschot gelost werd. En toen hij naar dien kant uitkeek, zag hij de dalende zon achter een donkere wolk schuil gaan.
Een killen schrik ging hem door de leden.
Hij begreep nu eerst recht het verlatene van zijn toestand. De avond viel, er kwam een dreigend onweer opzetten en hij was alleen en zoo ver van huis.
Er kwam al beweging in de hooge boomtoppen; kikvorschen begonnen in de slooten te kwaken en met het schuilgaan der zon kwam er een schemering over het kort te voren nog zoo licht en zonnig landschap. Overigens heerschte overal nog een diepe stilte, slechts nu en dan afgebroken door 't dof gerommel van 't naderend onweer uit de verte.