Langs Slingerpaden

Part 4

Chapter 44,060 wordsPublic domain

Die vloed van water kwam plassend neer op een tafeltje, dat er voor 't raam stond en waarop een kostbaar servies van oud porselein was te pronk gezet. Dit spoelde weg en viel op den vloer aan scherven.

Daarop sprong de gedienstige man zelf met een bewonderenswaardige vlugheid over 't vensterkozijn heen naar binnen en snelde onder 't herhaald geroep van "Brand!" naar de bedstede, waarin Steven gerust lag te slapen. "De jongen heeft mijn kind uit het water gered: ik zal hem uit het vuur redden!" zei hij in zich zelf.

De Laat en zijn vrouw, alsmede de gasten, hadden zich in een hoek buiten den tocht neergezet. Zij verkeerden nog onder den indruk van wat er dien avond was voorgevallen en zagen dit nieuw tooneel van verwarring aan, sprakeloos van schrik.

Zij meenden in den nachtwacht een brutaal indringer te zien, misschien was 't wel dezelfde persoon, die den brand gesticht had en nu, na eerst het kostbaar servies vernield en den vloer in een plas verkeerd te hebben, met haar éénig kind wegsnelde.

't Was de moeder, die bij dien gewaanden kinderroof plotseling overeind vloog, den roover naijlde, hem bij den uitgang inhaalde, met ongewone heftigheid bij den schouder vastpakte en met een schorre stem riep:

"Je kunt hier alles in brand steken of stuk smijten of onder water zetten, maar van ons kind zul je afblijven! Laat los, zeg ik je, of 'k bega aan jou een ongeluk!"

Intusschen was ook haar man komen toeschieten. Hij greep den verbluften nachtwacht bij den anderen schouder en ontrukte hem 't slapende jongske, dat, door al dat getob en gewurm wakker geschrikt, het op een huilen zette en angstig om moeder riep.

Niemand was echter, door dezen samenloop van omstandigheden, meer verbluft, dan de nachtwacht zelf, die, door de boeren en boerinnen eensklaps als in een tooverkring besloten, zich niet keeren of wenden kon.

"Och, mijn lieve menschen!" riep hij in wanhoop uit, "zie je dan niet dat het heele huis hier in brand staat? Je moet hier toch, zou 'k zoo zeggen, haast stikken van den rook en de afschuwelijke brandlucht. En 'k was bang voor jou Steven, dat die stikken of verbranden zou, want voor eenigen tijd redde hij mijn dochtertje Tonia, toen die op de Bleek door 't ijs zakte, van een wissen dood. Hij heeft haar op den kant van de sloot weten te werken en weer thuis gebracht. En, zie je ..."

"Je houdt er een mooie manier op na om een brand te blusschen, die al gebluscht is!" zei De Laat. "Zie toch eens, hoe je hier den boel hebt opgeknapt! 't Is waarlijk meer dan erg! Doch daaraan is nu niets meer te veranderen. Je kunt gaan!"

"Ongevraagde diensten worden maar zelden op prijs gesteld!" mompelde de arme man verdrietig, toen hij weer op straat stond en de moede beenen opnieuw in beweging bracht, om de rondte door 't dorp te doen.

Den dag te voren had hij boer Teeuwsen helpen mestrijden. Nu moest hij een groot deel van den nacht al wandelend op straat doorbrengen, terwijl zijn medemenschen rustig sliepen.

Zijn lot was waarlijk niet te benijden.

Het gezelschap in De Laat's woning bleef nog eenige oogenblikken druk pratend bij elkander. Men vroeg zich af, of soms de nachtwacht de brandstichter had kunnen zijn en nu nogmaals beproefd had om verwarring te stichten en zóó een kans te hebben tot stelen.

"Die menschen hebben altijd voor eerlijk bekend gestaan," zei De Laat.

"Ze hebben misschien in moeilijke omstandigheden verkeerd," merkte vrouw Scholte aan. "Nood breekt wet!"

Intusschen was de rook uit het huis nu verwijderd. Deuren en vensters werden weer gesloten en de bezoekers namen met gemengde gevoelens afscheid.

Met groot gerammel en geratel, schuddend en schokkend, reden ze in hun kleedwagens zonder veeren over de erg ongelijke straatkeien, zoodat de lieden in 't dorp van 't gerucht wakker schrikten.

Toen men het dorp uit was, ging 't weer over de landwegen in verschillende richtingen als in slakkengang verder.

Bij 't licht der volle maan teekenden de witte, bolstaande kleeden der voertuigen zich scherp af tegen 't grauw der omgeving, als waren 't vreemde, witte wezens uit een Droomenland of wel schepen met gespannen, blanke zeilen, stevenend over een in nacht gehulde zee naar een onbekende kust.

V.

Hoe de kleine Steven zijn speelmakker verloor.

"Morgen samen!"

Met dezen groet trad op zekeren morgen een bejaard persoon, klein, maar stevig gebouwd, het woonvertrek der familie De Laat binnen.

Zijn breed, stroef, gerimpeld gezicht, zijn kleine oogen en scherpe stem gaven hem een merk van ongevoeligheid, ja zelfs van wreedheid. Een roode das was als een wrong om zijn hals geknoopt en de mouwen van zijn buis en de pijpen van zijn broek, -- de laatste vooral op de knieën, -- glommen van vet.

"Morgen allemaal!"

Dus luidde de groet van een jongmensch van even achttien jaar, die hem op de hielen volgde en in houding en voorkomen een sprekende gelijkenis met den eerste vertoonde. Ook in hun kleeding was dezelfde overeenkomst op te merken.

Het waren de slager Pelleman en zijn zoon. Beide hadden om hun middel een breeden gordelriem en daaraan hingen in een lederen koker een paar geduchte messen. Naast dien koker hing een lang rond staal, om daarop de messen te scherpen.

Gedurende 't grootste deel van 't jaar hielden deze menschen zich uitsluitend met het landbouwbedrijf bezig. Maar in den slachttijd bezochten ze de boeren, om voor een kleine, geldelijke belooning het slachtvee onder den pekel te brengen.

Toen ze 't woonvertrek binnentraden, zat Steven op zijn kinderstoeltje in 't hoekje van den haard. Zijn moeder had hem opgedragen om de afgebrande houtblokken op het vuur telkens wat aan te schuiven en zoo het water, dat er in een grooten ketel boven hing, aan de kook te brengen.

Hoe schrikte de goede jongen toen deze twee menschen zoo plotseling voor hem stonden! Hij kende ze wel en had ze altijd met zekere vrees, ja met afschrik beschouwd, daar hij, de dierenvriend, het werk, waarvoor ze door de boeren geroepen werden, allerakeligst vond.

Daar stonden ze dan in 't anders zoo vreedzaam en gezellig woonvertrek en bij iedere beweging, die ze maakten, ratelden de messen in hun koker en nu begon Steven met ontzetting te begrijpen, waarom zijn ouders den grooten koperen ketel van buurman geleend en dien vol water boven 't vuur te kook hadden gehangen.

"Heb je alles klaar?" vroeg de slager.

"Ja, 't water kookt," antwoordde de moeder. "Maar ga even zitten en drink eerst een kop koffie. Je bent van morgen zeker al vroeg met het werk begonnen?"

"'t Slachten is haast gedaan. 't Weer wordt te warm," zeide hij met een schorre stem.

"We hebben zoo even bij boer Huisman nog een koe geslacht," zei nu de zoon, die zich verplicht achtte om ook een duit in 't zakje te gooien. "'t Is maar te hopen, dat het met het inzouten niet misloopt!"

De slager knikte toestemmend en wierp een goedkeurenden blik op zijn jongen, die zoo verstandig redeneeren kon.

"Daar hebben we ook al koffie gedronken en we zullen 't best doen niet maar terstond te beginnen," sprak hij.

Steven huiverde bij die woorden.

Roerloos zat hij daar, want met ontzetting begreep hij, dat zijn viervoetige vriend zou geslacht worden.

Ongemerkt, juist zoo of zijn eigen leven op 't spel stond, sloop hij door de tusschendeur weg naar 't achterhuis en boog zich over den rand van 't varkenshok heen, om een laatsten groet te wisselen met zijn speelmakker, zijn vriend.

Deze, die rustig had liggen slapen, werd op eens klaar wakker, toen hij de hem zoo welbekende voetstappen hoorde. Hij hief den kop omhoog uit zijn strooleger, stak nieuwsgierig de lange ooren overeind en liet, bij wijze van morgengroet, een vriendelijk geknor hooren. 't Scheen of hij vragen wou: "Hoe kom je zoo vroeg al?"

Op dit oogenblik werd de tusschendeur opnieuw geopend. De slager en zijn zoon, voorafgegaan door den huisvader, traden op het varkenshok toe.

't Was er vrij donker op de deel, want de buitendeuren waren nog gesloten en zoo viel het den knaap niet moeilijk, om ongemerkt door een zijdeurtje naar buiten te komen.

Alsof de dood hem op de hielen zat, vluchtte hij weg en verschool zich in 't kleine schuurtje, zóó dat hij door een reet in den wand kon zien wat er op de plaats voor 't achterhuis gebeurde.

En toen zag hij iets vreeselijks geschieden, iets wat hij zich jaren naderhand nog met droefheid herinnerde en dat allicht op zijn gedrag in later tijd niet zonder invloed is geweest.

Hij, de dierenvriend, was aan zijn speenvarkentje zeer gehecht. Het goede dier was dan ook altijd zoo blij geweest met zijn gezelschap, dat het, zoodra 't hem maar van ver zag aankomen, van pure blijdschap een paar allerkoddigste luchtsprongen maakte.

Nog gisteren hadden ze op de deel allerpleizierigst samen gestoeid en geworsteld en had hij, Steven, 't nog telkens uitgegierd van pret, als zijn pogen om tweemaal achtereen baas te blijven, door 't verstandig beest, blijkens zijn knorren, heel kwalijk werd genomen. Het had nooit anders dan eerlijk spel willen dulden.

Ook nu was het, zonder eenig onheil te duchten, uit zijn hok komen loopen en met vriendelijk geknor naar buiten gehuppeld. Hij had zich zonder verzet een touw om de achterpooten laten vastmaken. Men stelle zich eens voor, wat er in den knaap moest omgaan, toen hij zag hoe zijn eigen vader, tot wien hij altijd met eerbied en ontzag had opgezien, het arme dier door middel van dat touw neertrok, zoodat het spartelend op den grond kwam te liggen. Het sloeg met de pooten, gilde van angst en pijn en worstelde om te ontkomen, maar te vergeefs. Weldra lag het daar stil en dood, terwijl zijn bloed den grond kleurde.

Steven had meermalen bij de buren een varken zien slachten en dit altijd recht akelig gevonden, maar nu zijn eigen varkentje op dezelfde wijze gekeeld werd, vond hij 't verschrikkelijk.

Droevig schreiend liep hij naar de oude buurvrouw, zijn vriendin en vertelde haar snikkend, wat er gebeurd was en hoe zijn vader zelf aan dat bloedig werk geholpen had.

Deze kon hem echter geen anderen troost geven, dan dat de varkens nu eenmaal vetgemest worden, om ze dan te kunnen slachten en opeten.

Wanneer menschen op zekeren leeftijd een droevig verlies betreuren, troost hen de gedachte aan 't vele goede, dat ze nog mochten behouden en de hoop op een beteren tijd. Hun wereld is zoo groot en zoo ruim en bij ondervinding weten ze, dat het leven van ieder zijn lusten en lasten, zijn vreugde en kommer heeft.

De wereld van een kind daarentegen is klein. Het heeft nog zoo weinig, waaraan 't hechten kan en 't hecht zich daarom ook aan dat weinige met groote innigheid. Hoop op de toekomst is het nog vreemd.

De oude vrouw had het te druk, om veel op zijn verdriet te letten. Ze zat bij de wieg van haar kleinkind, -- het jongste, dat naar haar genoemd was. De kleine schreide heel luid, alsof het ziek was en erge pijn leed. Met bevende stem zong zij een wiegedeuntje en deed ondertusschen de wieg vervaarlijk heen en weer schommelen. Dat was zoo de ouderwetsche manier om kinderen te sussen.

Zoo vond de arme jongen dan ook hier geen troost.

Een poosje bleef hij snikkend kijken naar zijn oude vriendin, die echter al haar opmerkzaamheid aan haar kleinkind bleef wijden. Toen sloop hij weer de deur uit en ging den kleinen moestuin door en over 't pad, dat achter de huizen en tuinen heen naar de einden van de dorpsstraat voerde en waarmee de hoofdpaden der verschillende tuinen in verbinding stonden.

Achter 't smalle tuintje van den nachtwacht gekomen, hoorde hij er de lieve, welluidende stem van zijn vriendinnetje Tonia klinken, die de kippen bijeen riep om ze met het overschot van den morgenmaaltijd te voederen.

Hij ging het tuinpad op, om haar deelgenote van zijn droefheid te maken. Gedeelde smart is maar halve smart. Zoodra ze hem zag aankomen, zette ze 't voederbakje neer en kwam blij op hem toe. Maar toen ze zijn verdriet bemerkte, kreeg ook haar gezicht terstond een ernstige plooi. Deelnemend vatte ze hem bij de hand en vroeg wat hem scheelde. Schreiend vertelde hij 't haar. Ze troostte hem op haar kinderlijke manier en droogde met haar zakdoek zijn mild vloeiende tranen. Ze liet hem de kippen met den haan zien, liet ze uit haar hand eten en praatte tegen hen en ze gaven haar taterend antwoord. De koddige vragen van 't meisje en 't strakke gezicht en de groote oogen waarmee de kippen toeluisterden, maakten, dat Steven onwillekeurig moest lachen.

"Je moet mijn vrouw worden, Tonia," zei hij, zijn verdriet vergetend.

De haan, die den knaap met wantrouwende oogen bekeek, stak nu den kop omhoog, schudde zoo nadrukkelijk van "_Neen_!", dat zijn vuurroede kam als een wimpel wapperde en kraaide toen zoo luid, alsof hij de heele buurt wou toeroepen: "Er kan niets van komen, hoor! We willen Tonia niet missen!"

Toen hij op die wijze zijn gemoed lucht gegeven had, zette hij bedaard weer zijn maaltijd voort.

Een kind vergeet licht zijn zorgen en verdriet. Dat schelle gekraai op dit oogenblik deed Tonia in den lach schieten en Steven lachte eveneens.

Het aardig kind was als een moedertje voor den knaap. Ze praatte heel wijs over wat ze mettertijd doen zouden, als ze beiden groot zouden geworden zijn en op die wijze opende zich voor Steven een schoon verschiet, zoodat hij er heelemaal van opfleurde. Ten slotte verzekerde ze hem, dat ze zijn vrouw wilde worden en zoo kreeg hij weer lust in 't leven.

VI.

Een ongewenschte ontmoeting.

Het Voorjaar is gekomen! Daar buiten gaat het zonnetje op! Daar vouwen alle boomen De blaadjes uit hun knop! Daar woelt het jonge leven En vlecht er zijn loofhutten ent En 't juicht in veld en dreven: "Ontwaak! ontwaak! 't is Lent'!"

J. J. L. TEN KATE.

't Was een mooie morgen in 't begin van Mei.

De lucht was heerlijk blauw.

Aan den horizont zweefde een blauwachtigen nevel, terwijl millioenen schitterende dauwdroppels als paarlen langs de randen der bladeren van boomen en grassen als gerist zaten.

De vogels zongen.

Het water der beek, echt landelijk in 't loover verscholen, ruischte kabbelend tusschen met bloemen getooide oevers voorbij.

De vruchtboomen op de boerenerven aan weerszijden van den landweg stonden in vollen bloei. Bosch-anemonen bloeiden onder 't hout; slooten en plassen waren bedekt met wateranemonen.

De popels, berken en beukeboomen prijkten met lichtgroene loovers.

Een frissche koelte blies uit het Zuiden.

In zijn blauwen kiel gedost, met zijn gevulden groenen reiszak op den rug en steunend op zijn dikken eikenhouten stok met looden knop, stapte De Laat bedaard voort als iemand, die zich nooit overhaast en niettemin steeds op tijd komt, waar hij wezen moet.

Even buiten 't dorp voerde 't pad hem over een hoogen kamp land, die voor 't grootste deel was bezet met groene rogge. Hier poosde hij even en wierp een terugblik op het dorpje met zijn lage huizen, die als wegschuilden achter bloeiende vruchtboomen en naar de kerk met haar slanken toren. De vergulde haan op de spits fonkelde in de zon.

Uit de meeste schoorsteenen, ook uit dien van zijn eigen woning, steeg de rook zoo recht gezellig omhoog en vervloeide in 't zonnig blauw der lucht. Daar zaten zijn lieve vrouw en zijn zoontje nu hun morgenmaal te gebruiken.

't Kostte hem blijkbaar moeite om zijn weg te vervolgen, die hem gedurig verder van zijn geliefden verwijderen zou.

Maar welhaast spoedde hij weer voort.

Na eenige minuten te zijn doorgestapt lag de groote heide voor hem. Meeuwen vlogen heen en weer tusschen de beek en een naburigen plas, groot en diep, aan den kant met biezen begroeid en die daarom "de Biezenkolk" heet.

Al voortgaande over den met wagensporen doorgroefden en verder met heidekruit bezetten weg, scheerden op eenigen afstand de kieviten angstig roepend in wijde kringen rond.

Onze eenzame wandelaar, gewoon om het natuurleven op te merken, verwonderde zich over de drukte van die vogels en over hun angstig geroep, waarvan hij de reden niet begreep. Toen hij echter een dicht boschje van jonge dennen nevens den weg bereikt had, werd hem eensklaps het geval duidelijk. Tegen den rand van de droge sloot toch zat de hem zoo welbekende beruchte strooper Teunis Vlak. Zijn zwarte haardos hing in slordige wissen om zijn hoofd en zijn stoppelbaard, die in de laatste week niet geschoren was, maakte zijn bol gezicht vooral niet aantrekkelijker. Zijn glurende oogen keken spiedend rond. Hij had zijn rustplaats zóó genomen, dat hij den weg aan weerszijden tot op een grooten afstand kon overzien.

Toen de zaadhandelaar tegenover hem voorbijging, vertrok zijn gelaat zich tot een leelijken grijns en wenschte hij hem met schorre stem een goeden morgen.

Naast hem lag zijn ruwe pelsmuts, half gevuld met kievitseiers, die hij gevonden had en in 't dorp voor een goeden prijs kon verkoopen. De Laat groette beleefd terug en vergrootte zijn regelmatige passen, om zoo gauw mogelijk uit de nabijheid van den strooper weg te komen. Het zien van dezen alleen reeds had hem zijn voorjaarsstemming doen verliezen. "Wat is hij toch een ongelukkig mensch!" dacht De Laat onder 't voortgaan. "Niemand houdt van hem; de menschen schuwen hem. Zijn hut is haast onbewoonbaar en hij huist er geheel alleen. Geen wonder, dat hij de nachten vaak doorbrengt in een schuur, een hooi- of zaadberg of iets van dien aard, waar hij tegen wind en weer beschut is. 't Is een beklagenswaardig mensch. En in dien toestand is hij geraakt, doordien zijn moeder, toen hij nog een kind was, van armoede en verdriet is gestorven. Zijn vader was een ergerlijk dronkaard, die hem meestal aan zijn lot overliet, ja hem in zijn vlagen van woede, als hij beschonken thuis kwam, wel eens bont en blauw sloeg. Met bedelen en stelen moest hij gewoonlijk zijn kostje opscharrelen. Schoolgaan deed hij niet, werken leerde hij evenmin. En nadat zijn vader op een avond in den Molenkolk verdronk, is de zoon, op zijn voorbeeld, aan 't zwerven en stroopen geraakt en 't zou me niet verwonderen of hij heeft ook de diefstallen gepleegd, waarvan de dader onbekend gebleven is, want nadat er zulk een diefstal had plaats gehad, was hij de daarop volgende dagen dronken en had hij geld op zak."

Terwijl De Laat, zoo denkende, zijn weg vervolgde, werd hij door den vagebond in de sloot nagegluurd. Deze mompelde:

"Dat heerschap laat de boeren ook maar zwoegen. Hij heeft ook, evenals ik, aan 't werken een broertje dood: daarin zijn wij tweeën precies gelijk. Maar overigens: wat een verschil! Hij heeft een echt gezellig thuis, een aardige vrouw en een flinken jongen. Hij zal ook zoo nu en dan wel een bom duiten thuis brengen, want hij drijft handel, zooals ze dat soort van leegloopen believen te noemen. En als ik doodmoe in mijn rooknest van een hut terugkom, is de haard koud en alles is er koud en doodsch. 'k Ben ook daar, evenals overal, geheel alleen. Die leeglooper daar, met zijn groenen zak op den rug, wordt door ieder geacht. lk word door iedereen geschuwd. Hij is overal welkom, maar als ze mij ergens zien aankomen, hitsen ze den wachthond op mij aan.

Mij loopt ook alles tegen.

Toen ik op dien avond, dat ze visite hadden, brand stichtte op de deel en van de verwarring wilde gebruik maken om 't geld, dat hij den boeren moest betalen, stilletjes in te palmen en zóó uit de zorgen te raken, stond er een stevige boer met een geladen pistool mij op te wachten.

Nu is hij zeker op weg naar de voorjaarsmarkt te D. Die wordt overmorgen gehouden en daar kan hij zijn zaden voor een goeden prijs verkoopen. Dan begint hij allicht nog denzelfden middag de terugreis. 't Wordt wel middernacht, eer hij thuis is. De vent is niet bang, want de weg, dien hij bij donkeren avond over moet, is erg eenzaam en gevaarlijk ook, vooral voor een man alleen, die hem met een gevulden buidel passeeren moet.

'k Heb daar in de buurt nog een paar "gezworen kameraden", met wie 'k vroeger al voordeelige zaken gedaan heb. De Laat, -- zegt men, -- is een man van zaken. Welnu: ik heb grooten lust, om ook eens zaken met hem te doen. Maar alleen gaat het niet, want hij is stellig niet voor een klein gerucht vervaard. Doch met ons drieën zou 't wel gaan! Ja, ja, 't zou wel gaan!"

Vlugger dan men dit van zulk een log persoon zou gedacht hebben, sprong hij nu overeind, vatte voorzichtig de muts met de eieren met beide handen vast, werkte zich behoedzaam tegen den slootkant omhoog en stapte toen haastig den weg op naar 't dorp.

VII.

Een aanranding.

"Je kunt van avond niet verder gaan, vriend: het is al laat; 't loopt naar elf uur; 't is buitengewoon donker en de weg is zeer eenzaam; over een afstand van een uur gaans ongeveer staat er geen enkel huis in de buurt -- en 't is er in den laatsten tijd onveiliger dan ooit. Al een paar avonden achtereen heb ik hier in de omgeving personen zien rondspoken, die 'k vooral in den laten avond liever niet tot reisgezel hebben zou."

Zoo sprak de dikke, verstandige waard uit de herberg "De Zonnebloem", welke herberg als een welkome pleisterplaats op een eenzaam punt stond aan den straatweg van D. naar G. en verder naar de Duitsche grens. Over dien weg had destijds een druk verkeer plaats. De postbode van H. sprong daarover met één stijf en één gezond been voort naar 't vier uur gaans verwijderde D. en keerde nog dienzelfden namiddag en avond naar H. terug, beladen met brieven en pakken en niet zelden ook met geldswaarden. Zoo deed hij alle dagen.

Lange rijen zwaar beladen vrachtwagens werden er op vaste dagen en avonden iedere week soms laat in den avond over voortgetrokken door groote, bonkige paarden, met rinkelende bellen aan de tuigen. Onder die wagens liepen groote, nijdige wachthonden, die een kwaadaardig gebrom lieten hooren, zoo vaak er iemand voorbij kwam. De voerlieden, meestal ruwe, gebaarde mannen, met een door wind en weder gebruind gelaat, waren van wapens voorzien om in geval van nood de brutale roovers weerstand te kunnen bieden, welke laatste zich in de donkere bosschen aan weerszijden van den weg schuil hielden van wie er sommige zelfs niet voor een moord terugdeinsden.

Onze tijd schiep ook in dit opzicht betere toestanden. Nu loopt de spoortrein door de streek en brengt in weinig tijd personen en goederen veilig naar de plaats van bestemming. De vrachtwagens zijn grootendeels verdwenen, het verkeer over den straatweg heeft weinig meer te beteekenen en de roovers moesten derhalve uitzien naar een ander middel van bestaan.

"De weg is zeker eenzaam en op verschillende plaatsen zijn er aan weerskanten groote bosschen, waarin roovers zich heel gemakkelijk kunnen verschuilen, maar hetzelfde kan men zeggen van de meeste wegen hier in de streek," antwoordde De Laat, -- want hij was het, tot wien de waard zijn waarschuwing richtte.

"En" -- dus ging hij voort, -- "de onveiligheid op de wegen is ook zoo groot niet meer, als men wel beweert. Geschiedenissen als die van Hutten Klaas behooren voor goed tot het verleden.

Ik, die op alle uren van den avond en soms in den nacht onder weg ben, heb tot nog toe altijd mijn reis kunnen vervolgen, zonder door iemand gehinderd te worden. Waarom zou ik dan van avond juist gevaar te duchten hebben?"

"Je sprak daar van Hutten Klaas," zei nu de kastelein nieuwsgierig. "Dien naam heb ik meer gehoord. Wie was dat ook?"

"'k Zal u in 't kort vertellen, wat ik van hem weet," antwoordde de zaadhandelaar.

"Omstreeks 1775 woonde in de Wienersteeg tusschen Delden en Goor de zeventigjarige Klaas Annink, die men gewoonlijk Hutten Klaas noemde. Zijn vrouw Aarne Aarnink was toen vier en vijftig jaar, hun zoon Jannes was een en twintig en hun jongste, Gerrit, dertien jaar oud.

Klaas werd door de heele buurt en ver daar buiten gevreesd en geschuwd. Men was te bang voor hem, om hem aan te klagen, zoodat hij zijn schelmstukken ongestraft kon uitvoeren. Hij en zijn huisgenooten stalen ganzen, eenden, kippen, boomvruchten, gevulde bijenkorven enz.