Langs den Nijl: Herinneringen eener reis in Egypte De Aarde en haar volken, 1868

Part 3

Chapter 33,637 wordsPublic domain

Maar, toen ik daar aan den voet der pyramide stond, dacht ik aan cijfers noch vergelijkingen, en ik had geene ooren voor wat mijne gidsen, waarvan er twee goed engelsch spraken, mij verhaalden. Een hunner had mij reeds medegedeeld, dat de pyramiden waren gebouwd door den reuzenkoning Gan ibn Gan, die lang voor Adam had geleefd. En inderdaad, ik begreep het sprookje: want te gelooven dat deze wonderen door menschenhand, ja veellicht door de hand zijner eigene voorouders, zijn gewrocht, is voor den hedendaagschen Fellah niet wel mogelijk. Wij zelven, schoon we beter weten, wij zelven hebben moeite hier aan geene onbekende, bovennatuurlijke krachten te gelooven. Want bedenk: deze ontzaggelijke steenklompen, in regelmatig slinkende rijen tot honderde voeten hoog opgestapeld, zijn ginds, aan gene zijde der rivier, in de oostelijke gebergten uitgehouwen. Zij moesten alzoo over den vloed gevoerd, en uren ver naar de grenzen der woestijn gebracht worden. Maar dit is niet alles: de pyramiden verheffen zich op een vooruitstekend bergplateau, dat ter hoogte van honderd-veertig voet, vrij steil, uit de zandvlakte oprijst. Welke arbeid is er noodig geweest, om de gehouwen steenklompen tegen deze hoogte op te werken, en ze dan op elkander te stapelen en in elkander te voegen tot de reuzenbouw voltooid daar stond? En toen de pyramide dus stond, vertoonde zij niet, als nu, nu zij door den tijd, en meer nog door de roofzuchtige handen der Arabieren geschonden is, een kolossale giganten trap van twee-honderd-vijf treden; neen: geheel hare oppervlakte was, van boven tot onder, met gepolijst graniet (soms ook wel marmer) bekleed, zoodat van den eigenlijken steen niets te bespeuren was. Zie, als wij dit alles bedenken, komt het ons niet langer ongeloofelijk voor, wanneer Herodotus bericht, dat honderd-duizend menschen dertig jaren lang aan dit werk bezig waren. De bouw van den hellenden weg alleen, waarlangs de steenen naar het rotsterras moesten worden opgevoerd, vorderde tien volle jaren; nog twintig anderen vervlogen eer de pyramide voltooid was. En dat alles waarvoor? Alleen om den koning Chufu een graf te bereiden! Men heeft, in later tijd, moeite gehad dit te gelooven: men heeft de pyramiden voor astronomische gebouwen, eene soort sterrewachten, aangezien; men heeft naar allerlei oogmerken gegist, om den bouw dezer ontzaglijke steenklompen—die, de voortreffelijke bewerking van den steen daargelaten, toch hoegenaamd geen kunstwaarde hebben—te verklaren. Dat het in eens menschen hoofd kon opkomen, zulk een gevaarte te stichten, enkel en alleen om er zijne doodkist in te plaatsen:—zie dat scheen volstrekt ongelooflijk! Toch is het zoo: de naam zelf van pyramide (egyptisch P=uro=ma, letterlijk: Koningsgraf) geeft dit reeds te kennen: zij is niets meer dan de reusachtige grafkamer, waarin het lijk van den Pharao, den Zoon der Zon, den Beheerscher des Volks, rust. Welk een licht werpt dit op geheel den maatschappelijken toestand eens volks, waarvan honderd-duizend man, dertig jaren lang, gedwongen konden worden aan het grafmonument des konings te arbeiden! En bedenk dan ook, dat er weleer ruim veertig pyramiden, zoo grooten als kleinen, de graven van even zoo vele koningen, in de nabijheid der oude hoofdstad Memphis verrezen! Vergeet echter ook niet, dat de buitengewone zorg voor lijken en graven een diep ingewortelde karaktertrek van geheel het egyptische volk was; aan de rustplaatsen der dooden besteedden zij veel meer zorg en moeite dan aan de huizen der levenden: deze laatsten waren, in hun oog, slechts herbergen, de graven daarentegen de eeuwige woningen. Geen wonder dus, dat waar allen er in de eerste plaats op bedacht waren, zich een statig en sierlijk graf te bereiden, de koning vooral zich eene eeuwige woning wilde bouwen, die ook aan het verste nageslacht zijne macht en heerlijkheid zou vermelden, en waar hij, ongestoord, den langen doodslaap slapen kon. Immers, welke sterfelijke hand zou hem aanroeren, wanneer eenmaal zijn gebalsemd lijk was nedergelegd, in de granieten kist, daar in het kleine, donkere vertrek in het hart der reusachtige pyramide, waarvan de ingang zorgvuldig gesloten en bedekt werd? Toch geschiedde het! Ongeveer 800 jaren na Chr., toen de Khalif Al-Mamoem over Egypte regeerde, werd de verborgen ingang der groote pyramide ontdekt: wilde Saracenen drongen naar binnen, worstelden zich door de enge gangen, en bereikten, ondanks alle hinderpalen, de stille grafkamer, waar koning Chufu toen reeds vier duizend jaar ongestoord had gerust. De granieten lijkkist konden de roovers niet medenemen—die staat heden nog op hare plaats—maar het lijk werd er uit en naar buiten gesleept. De koninklijke mummie was overal met kostbare gesteenten versierd: op de borst prijkten de beeltenissen der vier doodenwachters in gedreven goud; aan het olijfkleurige voorhoofd straalde een karbonkel van zeldzame grootte. De barbaren plunderden de edelgesteenten en het goud, wierpen de mummie op het veld en vertraden ze tot stof.... Aldus eindigde de groote koning Chufu.

Eer wij naar boven klauterden, wenschte ik het inwendige der pyramide te zien. De ingang is aan de noordoostzijde, op den vijftienden trap. Ik nam vijf mijner gidsen mede, en beval de overigen buiten te wachten. De fakkels werden aangestoken en met moed de tocht aanvaard. Maar... gemakkelijk of aangenaam is die reize niet. Vooreerst gaat de weg steil naar beneden; en ten andere—en dat is het ergste—is de nauwe gang maar drie en een halve voet hoog, zoodat men letterlijk op handen en voeten voortkruipen moet. Daarbij omgeeft u welhaast de volstrekste duisternis, welke de walmende en stinkende fakkels slechts noode, vlak voor u, verdrijven kunnen. Toen wij dus een heel eind voortgekropen en gegleden hadden, werd de weg plotseling door een granietblok versperd. Toen, voor duizend jaar, de Arabieren tot hier gekomen waren en niet verder konden, verbrijzelden zij, naar buit dorstend, den zandsteen nevens het granietblok en kropen er om heen. Wij volgden denzelfden weg, en kwamen nu in een even nauwen en lagen gang, die echter ditmaal naar boven liep. Doch liever dus, dan naar beneden. Weer gaat het, met moeite en arbeid, kruipende en hoestende en worstelende voort, tot wij een soort van portaal bereiken, waarvan de zoldering ongeveer dertig voet hoog was. Hier konden wij althans rechtop staan en adem halen. Aan onze rechterhand was eene loodrechte kloof of liever sleuf, die, volgens het zeggen mijner gidsen, geen bodem had en nooit eindigde. Dit is natuurlijk dwaasheid: daar in de diepte moet nog een kamer zijn: maar hoewel ik stukken brandend papier en zelfs een fakkel naar beneden wierp, ook ik vermocht geen grond te ontdekken. En om zelf in den nauwen koker af te dalen: daartoe gevoelde ik geen lust.—Tegenover ons voerde een vlakke, zeer enge gang verder de pyramide in; hooger op was weder een andere gang, die naar boven liep. Om in dien gang te komen, moesten wij tegen den muur opklauteren: met behulp van uitgehouwen gaten, waarin de handen en voeten moeten worden geplaatst, gelukte dit; schoon niet zonder moeite, daar de gaten zeer ver van elkander zijn verwijderd. De tamelijk breede en hooge gang, waarvan de zoldering in de tastbare duisternis verdwijnt, loopt steil naar boven. Half gedragen en aan de hand geleid door mijne Bedouïnen klauterde ik voort. Nogmaals door een laag, smal gangetje gekropen: eindelijk staan wij voor den ingang eener ruime, hooge kamer: de grafkamer van koning Chufu. Vloer, wanden en zoldering zijn met gepolijst graniet bekleed, thans, door den tijd en den rook der fakkels, zwart en smerig geworden. De lijkkist is evenzoo van gepolijst graniet, zeven voet lang, drie voet breed, en drie en een halve voet hoog. Het deksel is spoorloos verdwenen; wat van het lijk geworden is, zeide ik reeds.

III.

De pyramiden.—De groote Sphinx.—De Nijlbark.—Op den Nijl.

Na eenige oogenblikken toevens verlieten wij de grafkamer van koning Chufu, en keerden langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren. Er is nog een ander vertrek in de pyramide, onder dat des konings; naar dat vertrek, de kamer der koningin genoemd, voert de smalle lage gang, die op het straks beschreven portaal uitkomt. Daar ik echter wist dat dit vertrek geheel ledig is, gevoelde ik geen begeerte den benauwden gang door te kruipen, om daarheen te gaan. Integendeel: ik voelde mij recht gelukkig, toen ik, aan het einde der enge sleuf, waardoor wij ons naar boven worstelden, den donkerblauwen hemel en het onbegrijpelijk sterke zonnelicht schitteren zag. En toen ik, vermoeid en bestoven, naar buiten trad en rondstaarde, nog half verblind van den plotselingen overgang in het felle licht: toen scheen mij de naakte woestijn, met hare gele zandheuvels en bruinachtige rotsen, haast een bekoorlijk landschap; en het gindsche Nijldal, waarvan het frissche geboomte van verre zichtbaar was, een hemelsch paradijs.

Eene pooze van rust en verkwikking was noodig, eer wij den tocht naar den top der pyramide aanvaardden. Want ook dit is eene moeielijke en uiterst vermoeiende reis. De treden van deze kolossale trap zijn twee-en-een halve voet hoog: men moet dus letterlijk springen om van de eene op de andere te komen. En op die wijze moet ge ruim tweehonderd trappen bestijgen! Lang eer ge ter helfte zijt, ontzinkt u de kracht; en ik twijfel, of wel een enkel europeesch reiziger den top bereiken zou, zonder de krachtige hulp der Bedouïnen. Deze, met lange stokken gewapend, klauteren als katten naar boven, en reiken u telkens de hand, om u van de eene trede op de andere te helpen. Hebben zij met een bijzonder onhandigen of spoedig uitgeputten reiziger te doen, dan trekken twee hunner hem aan zijne handen naar boven, terwijl een derde hem van achteren optilt en voortduwt: maar het ga hoe het gaat, voor zoo veel dit van de Bedouïnen afhangt, komt ieder op den top.

Ook ik bereikte dien eindelijk, zonk doodaf op het vlakke terras neder, en had eenige oogenblikken van verademing noodig, eer ik genoeg tot mij zelven gekomen was, om een blik te kunnen slaan op het wijde panorama, dat zich daar voor ons oog ontrolde. Maar ook, zoodra ik eenmaal een blik op dat panorama geworpen had, was alle vermoeienis vergeten. Voor mij lag het prachtige Nijldal, in al den tooi zijner wondervolle vruchtbaarheid: akkers, tuinen, boomgaarden, elkander opvolgende en afwisselende in onafzienbare verte. En daartusschen slingerde zich, als een breed lint, de machtige stroom, wiens wateren schitterden in het zonnelicht; terwijl de witte zeilen der vaartuigen blonken als kapellenvleugels. Bijna vlak tegenover ons, verhieven zich de torens en koepels van het groote Kaïro, scherp uitkomende tegen den donkeren achtergrond van den Mokattam. Noordwaarts heen verliest zich de blik in de wijde velden van de Delta, de rijke vruchtbare vlakte, die de Nijl met zijn zeven armen omvat.—Achter mij, naar het westen, de woestijn, de dorre huilende woestijn, ver, ver, eindeloos ver, zoo ver de schemerende blik staren kan, hare gele zandgolven ontrollende. Niets treft u zoo zeer, op den top der pyramide, als deze aangrijpende tegenstelling tusschen dood en leven: het paradijsachtige dal vlak nevens de naakte wildernis, waar zelfs geen grassprietje tiert: en de grens tusschen die beiden scherp getrokken door de bergketenen, die ter wederzijde den heerlijken stroom in zijn loop begrenzen.

Maar wat schemerende beelden uit den grijzen voortijd trekken hier uw oog voorbij! Daar, aan den voet der pyramiden, tusschen de berghellingen en den stroom, ligt de thans naakte, zandige vlakte, met steenen en verbrokkeld puin overzaaid, waar eens Memphis stond, de aloude hoofdstad, ongeveer vier duizend jaren voor Christus door koning Menes gesticht. Hier heerschten eenmaal gansche dynastieën van Pharaonen, wier namen ons alleen uit verminkte koningslijsten bekend zijn, althans voor zoo ver de herinnering hunner daden niet in beeld- of schilderwerk op tempels of obelisken, of wel op de wanden hunner graven is bewaard. Hier troonde eens, in al zijne pracht, de geweldige koning Chufu, op wiens reuzengraf wij staan; hier ook regeerden zij eens allen, zij, die rustten in de veertig pyramiden, in een wijden boog rondom Memphis gegroept. Waar zijn zij nu, en waar is de heugenis hunner daden? Ja waar is hunne prachtige hoofdstad, met hare tempels en paleizen, hare obelisken en kolossen? wat is er van gebleven? Niets dan de naakte vlakte en het armzalige Bedouïnen-dorp Memf, dat nog, als ten spot, in zijn naam aan de schitterende metropolis der Pharaonen herinnert. Behalve de pyramiden en een gebroken kolossus, rest er geen enkele herinnering aan het oude Memphis, dan alleen de groote Sphinx. Zie daar, aan den voet der pyramide, verheft zij haar reuzenhoofd uit het gele zand, waaronder geheel haar lichaam bedolven is. Nog ter hoogte van bijna veertig voet steekt dat hoofd uit den lossen zandigen bodem: maar toen de Sphinx voltooid in haar rotsdal lag, eer nog het woestijnzand haar half overdekte, hief hij zich tot vier-en-zeventig voet boven den grond op. Het hoofd zelf meet van de kruin tot de kin een-en-twintig voet; het liggende leeuwenlichaam heeft eene lengte van ruim negentig voet. Deze reusachtige figuur is uit de rots zelve gehouwen: een arbeid, die ook nog heden den aanschouwer verstomd doet staan. Over welke hulpmiddelen, welke krachten en werktuigen konden dan die bouwmeesters van het oude Kemi beschikken, dat zij werken tot stand brachten, die nog in deze eeuw, nu het menschelijk vernuft zich honderdvoudige hulpbronnen heeft geschapen en over vroeger ongekende natuurkrachten beschikt, voor wonderen zouden gelden? Zwaar heeft de Sphinx geleden: minder nog door den tijd, dan door de hand der menschen. In een der laatste oorlogen tusschen de Mammelukken, werd het hoofd der Sphinx tot mikpunt voor de kanonskogels gebruikt! Wel is nog in het algemeen de ernstige, half-weemoedige, half-glimlachende uitdrukking van het gelaat—aan alle egyptische koppen eigen—te herkennen; maar de neus en een gedeelte van het linker oog zijn verdwenen, de kunstig bewerkte hairdos is vernield en met gaten doorboord. Zoo ligt zij daar, eenzaam, in het zandige dal, en staart nog altijd, als voor veertig eeuwen, met dat geheimzinnig gelaat, over de omringende graven heen naar het Oosten, van waar de zon komt, wier stralen nog heden, als voor veertig eeuwen, in de stille morgenure haar granieten voorhoofd met een goudglans omspelen. Droomt zij ook soms van haar lang, lang verleden; van de vervlogen pracht der oude dagen; van al de bonte tafreelen, eeuw aan eeuw voor haren blik ontrold! O, zoo die steenen lippen zich konden openen en spreken: wat wondere sproke zouden ze te verhalen hebben!....

Wij hadden met den eigenaar van eene bark een contract aangegaan voor eene reis op den Nijl. Bij dat contract werd het vaartuig voor een onbepaalden tijd te onzer beschikking gesteld, tegen betaling van zekere som, zoodat wij op ons gemak Egypte konden bezoeken. Maar een logement is niet genoeg: er moet ook voor voeding gezorgd worden: want reken er niet op, dat gij, wat gij noodig hebt, onder weg wel vinden zult. Vooreerst zijn de hôtels en herbergen uiterst schaarsch, of liever ontbreken geheel, zoodra gij de groote steden verlaat, waar de invloed der europeesche zeden zich laat gelden. Nu kunt ge voorzeker wel levensmiddelen koopen: maar de leefwijze van het volk is hier meer dan eenvoudig, en hunne keuken voor een europeesche maag niet wel bruikbaar. Ook leveren de boorden van den Nijl, uitgenomen graan, weinig meer op dan melk, slechte boter, meloenen, pistachen, komkommers, uien, linzen, spinazie, eieren, kippen, duiven en kalkoenen. Wij sloegen dus een ganschen voorraad in: meel, deeg, oliën, zout, suiker, azijn, wijn, koffie, thee, ingelegde groenten en vleesch; engelsche ham en hollandsche kaas, de eenige die, onder een natten doek bewaard, eetbaar blijft; voorts hout, tabak, thermometer en barometer; geweren en pistolen, papier en potlood en pennen; photographische toestellen, tenten, wat weet ik? Het leek inderdaad eene volksverhuizing in het klein, toen onze Nijlbark in de haven van Kaïro werd volgeladen.

Daar blies de wind in ons groot blank zeil, en wij voeren de prachtige rivier op. Ter linkerzijde dreven ons de voorsteden van Kaïro voorbij: Ramleh, met zijne dichte rijen van daäbies of reisbarken; Boelak, met zijne drukke levendige haven; dan Sjoebrah, met zijne portieken en marmeren hoven, met zijne breede kaaien en prachtige sykomoren; nog verder, het oude paleis van Soliman-pâsja, den franschen renegaat, den hervormer van het egyptische leger onder Mehemed-Ali; en de groote bazar van Massara-Adim. Ter rechterzijde verhieven zich uit den breeden stroom de lachende weilanden en altijd groene bosschages van het eiland Rhoda, waarachter in de verte de groote pyramiden oprijzen, wier schaduwen zich verre uitstrekken over de gele zandvlakte der lybische woestijn.

Het leven op den Nijl begon op de aangenaamste manier en onder de schoonste vooruitzichten. Alom, in de nabijheid van Kaïro, zijn de oevers dicht bebouwd en bevolkt: vol leven, kleur en afwisseling. Onze matrozen manoeuvreeren met het zeil, en zingen daarbij een eigenaardig eentonig gezang, op eene zeer bijzondere, even eentonige wijze. Toch trof mij dat lied en die melodie, meer dan de kunstigste muziek, de meest gekunstelde zang dikwerf vermogen. Ik heb ze meer en elders gehoord, in de Campagna van Rome, op de lombardijsche meren, in de zwitsersche Alpen, in de vlakten van Hongarije, in de schotsche en noordsche berglanden, ja en elders nog, die wonderlijke volksliederen met hunne zoo eenvoudige, zoo eentonige en toch zoo aangrijpende melodieën, waarin telkens en telkens hetzelfde thema terugkeert, en die toch zoo oneindig rijk van uitdrukking, zoo vol afwisseling zijn. Ik heb ze overal en altijd met innig welgevallen beluisterd, en doe het ook nu, hier op den Nijl. Vooral des nachts, als het frisch en stil is in het ronde, en wij op het platte dak onzer kajuit nederzitten; als de rozengloed aan den hemel versmelt, en een voor een de groote starren verschijnen, zoo veel helderder en schitterender dan bij ons; als de zilveren maan boven de bergen van den Mokattam oprijst en met hare heldere stralen de schaduwen bijna verdrijft en den vloed tintelen doet, als ware hij met zilver bestrooid; als overal in het ronde eene lichte, blauwachtig-zilveren schemering heerscht, en de hemel als te zamen smelt met de zwevende omtrekken der verre bergen; als van het strand, waar de kronen der slanke palmen zacht wuiven op den avondwind, heerlijke geuren overwaaien; als geen ander geluid schier de heilige stilte stoort dan het kabbelen der golven tegen den steven en de zijden onzer bark:—dan vooral is het een genot te luisteren naar het halfluid gezongen lied van den stuurman, in zijn witten mantel gehuld, staande bij het roer. Hoor, hoe zonderling klinkt die toon: hij rijst en daalt langs alle trappen van den toonladder: nauw hoorbaar soms, lichter en doorzichtiger dan de peri met etherische vleugelen, suist de melodie door de stille, geurige lucht. Dartel-lachend of weemoedig tot schreiens toe, zweeft het lied over het sluimerende schip, over de zacht ruischende wateren, over de donkere oevers: het rijst, het zwelt, het daalt, altijd hetzelfde en toch altijd verscheiden.... Zang van den sterveling, egyptische nachten, zacht gemurmel der rivier: o, als ik aan u denk, dan klopt mij het hart, en rijst een traan in mijn oog.

De reis op den Nijl heeft zeker hare ontberingen en ongemakken, waaronder vooral de muskieten en andere ongedierten behooren, die u soms gruwelijk plagen;—maar zij heeft toch ook hare eigenaardige vreugde en genietingen. Geen heirbaan, die er haalt bij eene kalme, statige rivier, met bloeiende, schilderachtige oevers, waarlangs ge heen wordt gevoerd, zonder dat ge u behoeft te vermoeien of te bewegen. Schilderachtige, witte dorpen, in schaduw van palmen en olmen gegroept, dagen op: naarmate wij naderen, verliezen zij hunne blanke reinheid, worden geel, worden zwart schier; tot zij weder achter ons verdwijnen en ons uit de verte groeten, even schoon en helder als straks: de lieve zon en de weldadige afstand doen alle vlekken en onreinheden verdwijnen. Overal ziet ge bij de dorpen groote vierkante duivetillen: in het ronde zijn in den muur een menigte droge takken gestoken, waarop de duiven in gansche scharen nederstrijken. Vrouwen, in lange blauwe tunika’s gekleed, en met pakken linnengoed op het hoofd, treden uit het dorp en richten zich naar den oever, om daar haar lijnwaad te wasschen. Zij naderen door eene breede laan, waar de sykomoren afwisselen met de mimosa’s, en die langs de ruïnen eener oude moskee heenslingert. Onder haar zijn jonge meisjes, die groote aarden kruiken op het hoofd dragen, om water te putten: zij dalen naar den oever, vullen haar antieke kruiken, heffen ze weder op haar hoofd, en beklimmen den hoogen oever, terwijl hare slanke gestalte zich scherp afteekent tegen de heldere lucht. Half naakte kinderen spelen en rollen in het zand of helpen kruiken en pakken aandragen, waaronder zij bijna bezwijken: zie dien kleinen knaap daar, die den steilen oever afdaalt, met eene waterkruik, die hij met twee handen omvat en tegen zijn borst klemt. ’t Is een levende schilderij: maar een schilderij, waar het landschap alles is: tegenover de groote lijnen, de oneindige perspectieven van dezen koninklijken vloed, deze breede bergen en eindelooze vlakten, zijn de figuren haast niet meer dan eene bijna onmerkbare stoffaadje. De in het water wasschende en spoelende vrouwen zijn in onze onmiddellijke nabijheid: de ondergaande zon, die nog even boven de lage toppen der lybische bergen toeft, beschijnt haar ten volle en omvloeit de lijnen en omtrekken met een gouden gloed. Sommigen, beschaamd dus door vreemden te worden bespied, bedekken haar aangezicht met haar kleed; anderen, minder schroomvallig of meer in haar arbeid verdiept, vergunnen ons een blik op haar breed voorhoofd, hare groote donkere oogen, haar welgevormden neus: in een woord, op haar fraai gelaat, alleen ontsierd door dikke lippen, een lompe kin en getatouëerde wangen. Bijna allen dragen een snoer van muntstukjes of koralen aan het voorhoofd, armbanden, halskettingen en gouden ringen om de enkels; somwijlen zijn de zoomen van haar blauwe tunika met stalen kralen geborduurd. Een los omgeknoopte doek, waarin hare zwarte haren half verborgen zijn, voltooit haar eenvoudig en luchtig kostuum. Het onveranderlijke Oosten! Waarschijnlijk heeft reeds Mozes meermalen een tafereel kunnen gadeslaan, in kleur en lijnen niet veel verschillend van wat wij zagen, terwijl onze boot langs het fellah-dorp dreef.