Langs den Nijl: Herinneringen eener reis in Egypte De Aarde en haar volken, 1868

Part 2

Chapter 23,038 wordsPublic domain

Zonder groote overhaasting rolt de trein voort, en laat van tijd tot tijd een schellen, doordringenden kreet hooren, die een vreemd contrast vormt met de ernstige stilte van het landschap en met het eigenaardig weemoedig getingel der klokjes van de kameelen, die ter zijde op den lageren rijweg, of liever de heerbaan, in breede karavanen of enkele groepen, door ettelijke drijvers geleid, voorttrekken. Na eenigen tijd aldus voortgestoomd te hebben, bereikten wij Kafr-el-Zayat, het eenige station tusschen Alexandrië en Kaïro, waar de trein een poos stilhoudt, om den reizigers gelegenheid te geven tot het gebruiken van eenige ververschingen in het onooglijke vierkante stationsgebouw. Ieder beijverde zich, om zoo goed het ging eenige spijs of drank meester te worden; en welhaast klonk weder de duivelengil der locomotief, en spoedden wij ons door het brandend heete zand naar de wagens. Maar niet zonder even een blik geworpen te hebben op de waggons der derde klasse, of geheel open of half overdekt, en meest allen volgepropt met Egyptenaars, Turken, Arabieren, Armeniërs, mannen en vrouwen, in bonte kleederdracht. Wat rijkdom van kleuren en lijnen viel hier te bespieden, wat prachtige groepen te bestudeeren en af te teekenen, zoo slechts de tijd er niet toe ontbroken had. Een vreemden indruk vooral maakten de vrouwen, in donkerblauwe mantels gehuld, en allen met dien zonderlingen witten sluijer, die, onder de oogen aanvangende en door koralen snoeren aan het hoofddeksel verbonden, over gelaat, hals en boezem nedervalt en soms tot bijna aan de voeten reikt. Van het aangezicht is alzoo niets te zien, dan het goudblonde voorhoofd en twee paar donkere oogen, die half spookachtig over den sluier heenstaren. Doch eer ik mij in de beschouwing dier groepen en figuren verlustigen kon, stond de trein gereed de reis te hervatten en stapte ik weder in den wagen. Het was bijna nog heeter dan zoo even, en met hijgend verlangen zagen wij allen uit naar het einde van den vermoeienden en vervelenden tocht. Na lang wachtens kwam dat einde: de trein floot wederom en hield stil: wij waren te Kaïro.

Te Alexandrië hebt ge een eersten blik geworpen op de wereld van het Oosten, maar die wereld verschijnt u daar in te onzuivere, te vermengde gestalte om u van haar een eenigszins juist denkbeeld te kunnen vormen. Hier in Kaïro daarentegen overtuigt u alles dat ge werkelijk in het Oosten zijt: het europeesche, het frankische element, ook al ontbreekt het hier niet, neemt toch niet de eerste plaats in. De metropolis der Fatimiden, de stad van Salah-ed-din, el-Musr-el-Kahirâ, is nog altijd een koninginne onder de steden van het Oosten.

Hoe schilderachtig ligt ze daar, de groote hoofdstad, op korten afstand van den Nijl, tegen de bergen van Mokattam aangeleund. Verg van mij geene beschrijving van hare honderde moskeeën—sommigen, zoo als de moskee el-Azhar, de moskee van Hassan, meesterstukken van arabische bouwkunst; van hare paleizen en feodale burchten; van hare bazars en fonteinen. Slechts enkele beelden, die voor mijne herinnering oprijzen, wil ik u schetsen.

Volg mij in de gedachte door de nauwe, kronkelende straten, ter wederzijde door de sombere muren der huizen ingesloten. Van afstand tot afstand slechts eene nauwe deur: iets hooger, de uitstekende getraliede balkons, de moesjarabiëhs. Maar, wanneer de deur opengaat, ziet ge, als in een visioen, eensklaps den met marmer geplaveiden binnenhof, de albasten zuilen, den springenden straal der fontein; een groep, schitterende van licht en kleur, als een morgenlandsche sproke;—de deur valt toe: alles wordt weder somber en naakt, eenzaam en doodsch.

Volg mij naar de bazars en meng u onder de menigte, die zich daar, onder de uitgespannen tentdoeken, ernstig en zwijgend voortbeweegt te midden der winkels, waar geborduurde zadels en purperen muilen, wonderschoon gestikt, om den prijs dingen met prachtige armbanden, uit de hand gewerkt; met heerlijke sabels, wier kostbaar bewerkte greep schittert van goud en email; met geurige reukflesschen, in veelkleurige linten gewikkeld. Rustig zitten daar de arabische en perzische kooplieden, te midden van hun winkel neergehurkt: de mousseline tulband overschaduwt hun ernstig schoon gelaat; met de oogen ter aarde geslagen, rooken zij ongestoord hun narghileh, en nemen zelfs geen oogenblik de moeite u eenige opmerkzaamheid te schenken. De menigte, de bonte, veelkleurige menigte, beweegt zich rusteloos langs hunne magazijnen: zij letten er niet op; gij blijft voor hun winkel staan, blijkbaar met het doel om iets te koopen: de kalme handelaar geeft er geen acht op; eerst wanneer ge rechtstreeks eene vraag doet, zal niet hij, maar de knaap die nevens hem staat, u antwoorden, en slechts in het laatste, beslissende oogenblik zal de koopman, met enkele korte woorden, zich in het gesprek mengen, als bewees hij u eene gunst, niet gij hem. Hetgeen evenwel niet belet, dat hij u, zoo er maar eenigszins kans op is, gruwelijk beet zal nemen.

Hoor, daar klinkt de schorre kreet van den kameeldrijver: eene lange rij van slanke kameelen trekt langzaam voort; onhoorbaar vallen hunne gelijkmatige schreden op den zandigen grond; de kwasten hunner tuigen, met schelpen van de Roode zee versierd, rinkelen als kristal. Tusschen de kameelen heen, dringen zich met haastigen tred de ezels, door opgeschoten knapen in blauwe buizen en met witte kapjes op het hoofd, onder onophoudelijk geschreeuw, voortgedreven. In den wijden zadel zit, in haar donkerblauwen mantel gehuld, met den witten sluier voor het gelaat, eene of andere sittih, (dame), die zich naar de bazars begeeft.

Eensklaps weerklinken de scherpe tonen der trompet: een wanklank te midden dezer eigenaardige geluiden:—ruimte voor het leger van den Pâsja!—Zie, de zwarte, donkerbruine, gebronsde aangezichten, zoo vreemd afstekend bij die half-europeesche uniformen; wilde zonen der woestijn zijn het, maar half door de krijgstucht getemd; eene plaag voor het land, vaak meer dan een schrik voor den vijand.

Esbekiëh! ik wandel weder in gedachte onder uw heerlijk lommer. Esbekiëh is een groot plein, eigenlijk een reusachtig breede zandweg, met heerlijke lanen van olmen en sykomoren. Tusschen het dichte groen schemeren de gevels der van gelen zandsteen opgetrokken europeesche huizen. Aan de eene zijde van het plein ligt het groote engelsche hôtel, waar ik mijn intrek had genomen. Eene telkens afwisselende schare van voorbijgangers beweegt zich voortdurend over deze ruime vlakte. Zie daar den waterdrager, zwoegende onder den zwaren last zijner beide vaten, die hij beneden aan den zoom der rivier met het heerlijke Nijlwater heeft gevuld; zie de fruitverkoopster, in wier omgebogen handpalm de stapel gouden oranjeappelen rust, zoo veilig en vast, als de welriekende korf op haar donkere vlechten; een bronskleurig kindeke, met oogen als starren en kaal geschoren hoofd, troont op den ronden schouder en slaat argeloos de armpjes om het voorhoofd der moeder. Zie, ter zijde, dien afstammeling van den profeet, dien grijsaard met den groenen tulband, en den zilverwitten, tot zijn kashmiren gordel afdalenden baard; in breede, statige plooien omgolft hem zijn ruim, oud-oostersch gewaad; om zijne strenge lippen speelt een smadelijke glimlach, en uit zijne half-neergeslagen oogen schiet een straal van haat en verachting voor het gewoel en bedrijf der luidruchtige, half-frankische schare, die de heilige stad der Khalifs bezoedelt. Zie de vreemdelingen, uit bijkans allerlei tongen en natiën verzameld: Europeanen, Arabieren, Grieken, Armeniërs, Turken, Algerijnen, Nubiërs, Negers: allen in eigenaardige kleeding, onderscheiden in houding en gelaatskleur, in spraak en gebaar en physionomie: een tafreel, zoo bont, zoo rijk in lijnen en kleuren, dat een bekwamer penseel dan het mijne wellicht vergeefs pogen zou u den indruk daarvan weder te geven.

Verlangt ge rustiger tooneel? Tegen de helling der bergen ligt de groote nekropolis, de doodenstad van Kaïro. Daar branden, in het heete middaguur, de zonnestralen op het gele zand rondom de graven der Khalifen. Eenzaam en verlaten verheffen de mausoleeën hunne koepels in de strakke lucht: de ruwe wanden van den Mokattam vormen den somberen achtergrond. Daar slapen zij, de geweldigen, de mannen des bloeds, die mede den jammer der verwoesting over het schoone Egypte hebben gebracht. Het felle zonnelicht omspeelt de opengewerkte koepels, de uitgehouwen tulbanden, de fantastische lijnen. Het is hier doodstil: rondzwervende honden huilen in de verte, te midden der lijkgesteenten; nergens is eenig menschelijk wezen te bespeuren. Ondanks de verstikkende hitte huivert ge, en spoedt u voort.

Kom mede naar een plek vol leven en koelte, vol weelde en schaduw, naar de tuinen van Sjoebrah, het zomerpaleis van den Onderkoning. Uren lang zoudt ge wandelen en rusten en droomen onder deze levende gewelven van eeuwig groen, onder die prachtige sykomoren, die heerlijke oranjeboomen; in die schemerende schaduwen, waar het licht slechts flauwelijk doordringt en een doorzichtig halfdonker heerscht, een smaragden glans, zoo wonderschoon, zoo tooverachtig.... Dwaal voort onder de groene portico’s door lianen omlijst; dwaal voort door de slingerende labyrinthen van myrthenhagen, door de duizendkleurige bloemperken, door de dichte bosschages van cypressen, waarboven de slanke palm zijne wuivende bladerkroon verheft. Boven uw hoofd buigen de citroenboomen hunne bloeiende twijgen; de rozenstruiken vlechten geurige priëelen; de jasmijnen hangen hare schitterende festoenen op; narcissen en tuberozen ademen hare betooverende geuren. De zonnestralen spiegelen ginds op de sluimerende vijvers; de fonteinen laten hare diamanten stralen nederdruppelen in porphyren kommen; een eerbiedige stilte huivert door geheel den omtrek en noodigt u tot mijmerend droomen, uren en uren lang. Niets stoort u. Van tijd tot tijd slechts wandelt, onder de dichte schaduw der sykomoren, een zwarte slaaf. Ook hij droomt van de eindelooze woestijn, van de ouadi met de bron, waarboven de enkele palmen wuiven en waaromheen de versmachtende karavane zich legert; van het eenzame Negerdorp, in de wouden verscholen nabij den oever der groote rivier.

Maar, gegroet, heerlijk paradijs van Sjoebrah; gegroet Esbekiëh; en bazars en straten van Musr-el-Kahirâ! Mij roept de Nijl en het oud-geheimzinnige Egypte, het wonderland der pyramiden.

De pyramiden. Ik had ze reeds uit de verte aanschouwd, toen ik, van een der toppen van den Mokattam, de stad Kaïro en het prachtige Nijldal overzag. Ginds aan den horizon, boven de eindelooze gele golvende vlakte der woestijn, verhieven zich de ontzaggelijke gevaarten in de heldere lucht en lokten mij aan met onwederstaanbare macht. Zeer zeker zou ik daarheen gaan. „Ja—zeide de gedienstige kastelein—ja, Sir, de pyramiden moet gij gaan zien, maar dan moet ge gezelschap opzoeken: want, ziet ge, de Bedouïnen, die als gidsen met u gaan, zijn schurken: zij zouden u ligt kunnen berooven.”—Ik stelde mijn bezorgden waard gerust, en verzocht hem slechts, mij een vertrouwden ezeldrijver mede te geven. Hij beloofde daarvoor te zullen zorgen, en zoo besloot ik tot den tocht.

Het was een heerlijke morgen. De zon was nog niet boven de kimmen gerezen: een flauw licht omvloeide het landschap: zacht ruischte de uchtendwind door de toppen der olmen en sykomoren op het plein Esbekiëh. Abdallah, een bediende van het hôtel, een kloek en flink jonkman, met bruin gelaat en flonkerende oogen, een echte Fellah-kop, stond met den ezel gereed: ik steeg op en wij aanvaardden de reis. Voort ging het over een breeden zandweg, door struikgewas omzoomd: ter wederzijde moestuinen en akkers, hier en daar door woningen afgewisseld. Het was nog stil op den weg: slechts enkele fruitverkoopers, waterdragers en kudden ezels kwamen ons van tijd tot tijd tegen.

Inmiddels is het dag geworden: de felle zonnestralen beginnen over geheel het landschap eene zee van licht uit te gieten die bijna overal elke schaduw verzwelgt. Wij zijn te Oud-Kaïro of Fostat, een vervallen vlek, met meest uit hout en leem opgetrokken huizen van eene verdieping. Bij eene kromming van den weg omslaande, zag ik plotseling den Nijl voor mij: eene geweldig breede rivier, zacht kabbelend hare geelachtige wateren voortstuwend tusschen twee eenigszins heuvelachtige boorden. Aan de overzijde teekenen zich, maar even zichtbaar, de woningen en palmen tegen den wit-gelen hemel af. Een breed vaartuig met platten bodem wacht ons beneden aan den oever. Weldra zijn wij ingescheept; de schipper maakt het driehoekig zeil los; de frissche morgen wind doet het zwellen—en wij drijven den Nijl op. Langzaam klieft de boot de breede watervlakte, een meer gelijk; en terwijl de vuurroode, stralende zonneschijf boven de toppen van den Mokattam stijgt, en lichtvonken strooit over den statig ruischenden vloed, staar ik, in gepeins verzonken, voor mij uit. Ik denk aan de nog altijd verborgen bronnen der geheimzinnige rivier, tot wier oorsprong nog geen Europeër mocht genaken. Ik denk aan de ondoordringbare wouden en onafzienbare stoppen van haar ver, ver geboorteland, ginds in het hart van Afrika, waar rondzwervende Negerstammen sinds eeuwen en eeuwen hun eenvoudig herdersleven leiden; waar, in de hooge grasvelden en dichte slingerplanten der savannas, en in de donkere tamarisken- en sykomorenwouden, leeuwen en olifanten, hyenas en rhinocerossen, antilopen en reuzenslangen huizen; terwijl uit de wateren van den jongen vloed de geharnaste krokodil den spitsen muil opheft, en de logge hippopotamus den wanstaltigen kop tilt. Ik denk aan de kale zandvlakten en aan de ruwe, naakte gebergten van Nubië, waartusschen de machtige rivier zich, bruischend in katarakt bij katarakt, dwars door en over de granietrotsen een weg baant, tot zij eindelijk bij de palmbosschen van Syene de grenzen van Egypte bereikt. Daar wacht haar een laatste kamp. Tusschen de rotseilanden Philae en Elephantine door baant zij zich, schuimend en wervelend, een weg over de verspreide granietblokken; maar eens dien laatsten slagboom doorgebroken, vervolgt zij rustig, in kalme majesteit, haar weg naar de Middellandsche zee, waar zij uitrust van haren langen tocht. Doch eer zij, door zeven monden, hare wateren in de zee uitstort, schept zij zich, van Syene tot Alexandrië en Damiate, een eigen wonderland. Zie, zoodra zij den bergpas is doorgeworsteld, treden ter wederzijde de gebergten terug, en laten voor den stroom een dal, dat tot voorbij Kaïro gemiddeld eene breedte van vier tot zes uren heeft. Ter rechter zijde verheffen zich steile, kale rotsgebergten, waar boom noch plant tiert, en die, dwars van diepe, dorre dalen of kloven (ouadis) doorsneden, zich tot de kusten der Roode zee uitstrekken. Ter linkerzijde wordt het dal begrensd door de minder steile glooiingen van het lybische gebergte, een breede rotsige keten, die de vruchtbare vallei beschermt tegen het doodelijke stuifzand der woestijn. Daar, in dat breede dal, stuwt nu de stroom zijne wateren voort, en overal waar hij, bij zijne jaarlijksche overstroomingen, zijne met slib bezwangerde golven brengen kan, siert zich de grond met kruid en vrucht, met honderdvoudigen oogst; waar zijne wateren niet komen, daar heerscht de dood. Egypte is, in den vollen zin des woords, eene schepping van den Nijl en dankt nog voortdurend aan den Nijl zijn gansche bestaan. Werd deze stroom te Syene opgehouden, of wel traden zijne wateren niet telken jare buiten zijne oevers, geheel het land werd eene wildernis, eene naakte woestijn, voor mensch nog dier bewoonbaar. Want in geheel Egypte geen tweede rivier, geene beek of bron, geen ander water dan de rivier, dan de Nijl, de „vader des lands”, de bron van allen zegen.

Wat wonder, dat de oude bewoners van Kemi (Egypte) den Nijl—of gelijk hij in hunne taal heette, den Jaro—heilig hielden, hem eerden als eene godheid? Wat wonder ook, dat geheel hun maatschappelijk en geestelijk leven, geheel hun denken en werken, den machtigen invloed ondervond van het zoo eigenaardige natuurleven in dat wondervolle Nijldal, met zijn geheimzinnigen stroom: geheimzinnig en ondoorgrondelijk, niet alleen in zijne oorsprongen, maar ook in zijne geregeld wederkeerende overstroomingen, in geheel het regelmatig en toch zoo dramatisch verloop zijner lotgevallen?

Maar de boot heeft den tegenoverliggenden oever bereikt: wij bestijgen den hoogen rand en spoeden ons voort, over een heuvelachtig terrein, waarover de armelijke woningen van het dorp Dsjizeh verspreid liggen. De horizon voor ons uit wordt breeder en breeder, als naderden wij de kusten eener verwijderde zee: verblindend straalt en weerkaatst de felle zonnegloed op het gele zand, dat meer en meer de overhand verkrijgt; weldra hebben wij den oever der geheimzinnige zee, die ons reeds van verre had tegengeblonken, bereikt. Nooit zal ik den aangrijpenden indruk van dit oogenblik vergeten. Naar alle zijden, zoo ver wij zien konden, strekten zich de zwijgende zandvelden en heuvels uit:—nergens eenig spoor van leven, geen boom, geen struik, geen grassprietje was te bespeuren, geen vogel, geen insekt zelfs: niets dan de dood, de dood, in zijn dofgeel lijkkleed van gloeiend zand.

„De pyramiden!” riep Abdallah—en plotseling zag ik op. En ja, daar verhieven zij zich uit de doodsche zandzee, drie gele, driehoekige rotsen, drie reusachtige hoopen steen. Naarmate wij naderden, schenen zij in hoogte en omvang te groeien;—scherper teekenden zich de witte lijnen tegen de lucht;—weldra kon ik de groote vierkante steenblokken onderscheiden;—nog eenige oogenblikken, en wij rijden een zandheuvel op en stijgen af aan den voet der grootste pyramide, de pyramide van koning Chufu of Cheops, zoo als Herodotus hem noemt.

Het is moeielijk te zeggen, welk gevoel zich op dit oogenblik van mij meester maakte. Zoo vaak ik, niettegenstaande het felle zonnelicht mij de oogen schemeren deed, naar boven, naar den top der pyramide opzag, overviel mij een gevoel van kleinheid en machteloosheid, een zekere angst tegenover deze ontzettende, deze alles overweldigende grootte: het was mij soms of de onmetelijke massa, aan wier voet ik stond, op mij zou nederstorten. Het duizelde mij, en ik was verplicht een oogenblik op den grond te gaan zitten en de hand voor mijne oogen te houden. Ik weet niet of gij dit gevoel kent: het had mij, maar in veel geringer mate, enkele malen ook aangegrepen bij den blik op sommige onzer oude gothische kathedralen, vooral bij schemeravond. En wat zijn onze torens en kathedralen bij deze pyramide? Cijfers zijn dood en spreken noch tot het hart noch tot de verbeelding: daarom baat het u luttel als ik u zeg, dat de pyramide van koning Chufu, schoon hare spits afgebrokkeld is, nog een hoogte bereikt van ruim 450 voet: maar misschien zal dat dorre getal begrijpelijker voor u worden, wanneer ik er bijvoeg dat deze hoogte die der hoogste torens in Europa evenaart of overtreft, en zoo ongeveer het dubbele bedraagt van die der Oudekerks-toren te Amsterdam, en anderhalfmaal de hoogte van den domtoren te Utrecht. Doch het is deze duizelingwekkende hoogte niet alleen, het is vooral de ontzaggelijke omvang, de ontzettende massa, die zulk een overweldigenden indruk maakt. Wederom wil ik u cijfers sparen: bedenk alleen dit, dat de grootste tempel der Christenheid de Sint-Pieterskerk van Rome, geheel binnen deze pyramide zou kunnen worden geplaatst, zonder ergens de buitenwanden te raken.