L. Van Velton-Van der Linden

Part 2

Chapter 24,152 wordsPublic domain

Welk een toekomst! En als alles nog maar kon blijven in status quo, dan zou het nog kunnen gaan, zoo goed en kwaad, als het gaan wilde. Maar de meisjes in Holland hadden in haar laatste brieven geschreven, dat ze naar Indië wenschten te komen en dat dit zelfs in het belang der gezondheid van een harer was, die op den duur niet bestand scheen tegen het koude klimaat, en tegen den aanstaanden winter vreeselijk opzag.

Wat zou dat weer een bron van ellende zijn!

In gemelijke stemming kwam hij in de stad, en ’t werd er niet beter op, toen de oppasser hem kwam vertellen dat er dames waren om hem te spreken. Zeker weer zoo’n bedelpartij ten behoeve van een signora of van een miss, behoorende tot een aan bloedarmoede lijdend artisten-gezelschap, dat een benefice-voorstelling gaf.

Hij liet den naam vragen en de bediende kwam terug met een boodschappenleitje, waarop geschreven stond: „Mevrouw de weduwe Donker.”

Van Velton haalde de schouders op. Donker? Nooit van gehoord!

„Laat binnenkomen.”

Ze was al oud, en ze droeg een stemmige zwarte matinée; haar grijzend haar was op Indische manier achterovergekamd en opgenomen in een kondé; ze trad ’t kantoor binnen met een ernstig gezicht en zeker gevoel van eigenwaarde. Er was geen sprake van een bedelpartij, dàt zag Van Velton dadelijk.

Hij stond op en bood haar een stoel, terwijl hij naar de deur keek om te zien, waar nummer twee bleef. „Dames” had de oppasser gezegd. Waarschijnlijk verkeerd verstaan.

Zonder te wachten tot gevraagd werd wat er van haar dienst was, ving ze aan met een zakelijk exposé. Zij wilde voor dertig mille een aandeel koopen in een land, maar daar zij wist dat de firma kapitaal had voorgeschoten aan de eigenaren om naar behooren te exploiteeren, was ze zoo vrij eens te informeeren, of de inlichtingen haar verstrekt door den medeëigenaar, die ’t aandeel verkoopen wilde, juist waren. Meneer Van Velton zou ’t wel niet kwalijk nemen; zij deed zulke zaakjes altijd graag persoonlijk af; een weduwe, die met moeite haar gering fortuintje heeft bijeengespaard, moet zoo weinig mogelijk aan anderen overlaten.

Meneer Van Velton nam het volstrekt niet kwalijk. Hij zette zijn pince-nez op en beschouwde de weduwe Donker met zakelijke belangstelling. Drommels, zoo’n arme vrouw, die haar boeltje bijeen wist te houden,—daar moest men altijd respect voor hebben; die moest men altijd helpen. Hij liet den boekhouder roepen, en binnen tien minuten had de bezoekster de inlichtingen, die zij verlangde. Met een eenvoudige dankbetuiging stond ze op.

„Geen dank, geen dank! ’t Doet me pleizier, dat ik u heb kunnen helpen.”

„Het is heel vriendelijk van u, zooveel moeite te doen. Ik ben maar een vrouw en heb weinig verstand van zaken. Als de heeren mij met hun raad....”

„Welzeker. Als u iets hebt, kom dan maar gerust hier.”

Hij geleidde haar tot aan de deur. Daar zag hij nummer twee, die op den corridor stond te wachten; de oppas had dan toch gelijk gehad! Van Velton keek zijn oogen uit: Diantre, wat ’n aardig kind!

„Mijn dochter Lientje,” zei de weduwe Donker in antwoord op zijn vragenden blik.

Lientje kwam naderbij.

„Ik maak u mijn compliment, mevrouw!” zei hij.

„Ja, ja!” antwoordde mama met een zonderlingen glimlach: „dat is wel eens meer gezegd. Maar ze hoeft het zich niet aan te trekken. ’t Is maar bij manier van spreken.”

„Inderdaad niet....”

Hij sprak niet door, zoo stond hij verwonderd. Lientje Donker was volstrekt niet verlegen; zij keek hem met haar heldere, blauwe oogen vlak in het gezicht, met een uitdrukking in haar wezen, die hij niet wist hoe uit te leggen, maar die in geen geval van afschuw of terughoudendheid getuigde. Was het naïviteit of onbeschaamdheid?

„U hadt hier immers niet in de gang behoeven te wachten!”

„Och, het is niet de moeite waard. ’t Heeft ook niet lang geduurd.”

„Hebt u nog meer kinderen?” vroeg hij aan de weduwe.

Zuchtend antwoordde ze, dat Lientje haar eenig kind was.

„Het is een treurige geschiedenis, die u geen belang zal inboezemen.”

„Integendeel,” antwoordde hij zonder nadenken, terwijl hij zijn oogen van het lieve, vriendelijke kopje niet kon afhouden.

„Integendeel, ik houd me toch aanbevolen.”

De weduwe Donker vertrok met haar dochter, maar vóórdat Van Velton de deur achter zich had gesloten, keerde zij nog even terug: ze had nog verzuimd een kleine informatie te nemen omtrent dat bewuste land.

„Ik zal het laten nazien,” zei Van Velton, glimlachend tegen Lientje, die in de verte stond toe te zien. „Er zal wel ’n minuut of tien mee verloopen .... zal ik het u met ’n briefje zenden!”

Het was, meende zij, àl te goed, maar ze gaf hem toch haar adres ergens te Weltevreden. ’t Verheugde hem, zonder dat hij wist waarom. Welk een charmant kind! En wat een bekend gezichtje! Hij had er op durven zweren, dat hij het meer had gezien. Waar drommel herinnerden hem toch die oogen aan?

De zaken veroorloofden hem niet verder te denken over Lientje Donker en haar oogen; maar wel tienmalen kwamen ze hem dien dag voor den geest. Welk een lief, blank deerntje! Wat had ze hem vriendelijk en vertrouwelijk aangekeken.

’s Middags, toen hij naar huis reed, pikirde hij er nog over. Op zijn voorerf zag hij dat Louise in de galerij zat met het kind; toen het rijtuig stilhield, stond ze op en ging naar achter.

Zoo’n prettige ontvangst! Hij vond het wèl.

Hij had de inlichting, die de weduwe Donker vroeg, nog niet verstrekt. ’t Stond genoteerd in zijn boekje, maar hij had geen tijd gehad, want het was maildag geweest en die verwenschte correspondentie met Europa nam als het ware met den dag grooter proportiën aan. Eigenaardig, dat hij daar nu juist aan dacht! In elk geval: hij zou haar nog schrijven dien avond, en toen hij opstond van het diner, dat gekruid werd door het ontevreden gezicht van Louise en opgevroolijkt door een onverbroken wederzijdsch stilzwijgen, ging hij zuchtend zijn kantoor-kamer binnen. Och, hij zou dat dingetje nog even afdoen, ofschoon het niet aangenaam was te schrijven des avonds na het eten.

’t Was mooi weer; over de uitgestrekte vlakte van het Koningsplein wierp de heldere maan haar rijke, fantastische lichtstroomen; door de harde bladeren der klapperboomen ruischte een lekker koeltje. Van Velton dacht niet aan een wandeling. Een enkele maal als zijn digestie gestoord was, ja, dan liep hij ’s morgens vroeg een paar erven ver langs den weg en terug. Maar loopen in Indië.... hij had er respect voor.

Een toertje rijden, dat was iets anders. Zoo in den maneschijn was dat wel aardig. Zou hij ’t nog eens probeeren? Waarom niet! Hij ging naar achteren. In een hoek der galerij, half liggend, half zittend, bekeek Louise de prentjes van geïllustreerde tijdschriften. Hij liep een oogenblik op en neer, bleef toen bij de tafel staan, en zei op een toon van vriendelijke toenadering:

„Heb je er ook pleizier in ’n eindje te toeren, Wies?”

„Dank je wel. Toer jij maar alleen.”

„Kom, wees nu niet zoo onaangenaam.”

Geen antwoord.

Haast een kwartier besteedde hij om haar te bepraten, maar vruchteloos. Toen liet hij inspannen, stak een havana op en ging alleen.

Eerst dacht hij enkel ’t Koningsplein om te rijden, maar hij bedacht zich, en gaf andere prentahs aan zijn koetsier. Hij wilde eens langs de woning van die weduwe Donker gaan. Niet om het een of ander, maar alleen om eens te zien, hoe en waar ze woonde. Doch in de aangewezen gang waren slechts weinig huizen verlicht.

Hij keek oplettend links en rechts, maar zonder eenig resultaat, en zoo keerde hij even wijs terug naar huis. Inwendig speet het hem.

Zij had hem wel gezien. Toen de beloofde inlichtingen niet schriftelijk kwamen, had ze gedacht dat hij ze persoonlijk zou komen brengen. Toch had ze geen plan hem te ontvangen. Het zou geen houding hebben als die fraaie equipage bij haar voor de deur stond, en men dien handelsvorst zag zitten bij haar en bij haar dochter.

Want zij was nu fatsoenlijk, althans zij ging daarvoor door bij de weinige menschen, die haar kenden in deze buurt!

In de duisternis zat ze in haar voorgalerij, en zij zag de reusachtige schaduwen, welke de dromedarissen van Sydneyers wierpen in het maanlicht, en ze zag ook hoe ijverig Van Velton links en rechts keek.

Zachtjes aan, zachtjes aan!

De wraak, zij wist het bij ervaring, is een artikel, dat men koud moet gebruiken, als men er genoegen van wil beleven.

Zij had altijd den wensch gekoesterd naar een oogenblik als dit, naar zulk een goed begin van uitvoering.

Maar zij had het er met vreugde aan gegeven, indien het haar gelukt was voor Lientje een man te vinden, die zijn groot-ambtenaarsexamen had gedaan. Die droom was niet verwezenlijkt.

Haar bedorven leven vervolgde haar.

Eens had zij zich weggeworpen, door de huishoudster te worden van dokter Van der Linden, toen die nog jong officier van gezondheid was. Lang was ze hem trouw gebleven, en had ze hem bij zijn talrijke overplaatsingen nagereisd, tot hij eindelijk met een ander trouwde.

Zelfs toen, toen hij weer tot haar terugkeerde, zooals ze van het begin af had voorspeld, had ze haar woning voor hem geopend.

En nu?

Jarenlang had hij, die zooveel geld verdiende en maar één wettige dochter had, haar en Lientje een kleine maandelijksche toelage gegeven,—’t was haast de moeite niet waard geweest. Ten slotte verstiet hij haar geheel. O, als zij eens niet zoo pinter was geweest!

Als zij eens niet geweten had, welke inlandsche grooten grof geld betalen voor te Batavia en elders gestolen brillanten en diamanten! Dan zou ze nu een warong kunnen houden of kabaja’s kunnen naaien en haar oogen bederven.

Zij was wijzer geweest. Geheeld, nu ja, dat had ze, en gewoekerd had ze ook. Wat zou het? Was ze minder dan zoovelen, die grooten geur maakten en wier zaken het licht soms niet konden verdragen? Op een goeden dag kon ze haar plannen voor de toekomst van Lientje verwezenlijken. Het meisje was mooi opgegroeid, en al had ze heel veel last veroorzaakt en heel leelijke streken uitgehaald,—soedah! men kon het haar niet aanzien!

Uit haar kampong was ze toen vertrokken met haar papieren, haar geld en haar dochter. ’t Was gegaan met stille trom. Dáár kende men haar volstrekt niet als de „weduwe” Donker; men wist niet beter of ze was „njonjah Kerstien.” Goed op de hoogte, als ze was, had ze een geschikte woonplaats uitgekozen in den Oosthoek.

Zoo’n lief, klein plaatsje, waar zij een net huis huurde, zich zeer goed inrichtte voor haar doen, en optrad als mevrouw de weduwe Donker.

Maar het vlotte niet.

’t Was of het kleine, min of meer verspreide publiek bij intuïtie begreep, dat er een luchtje aan was.

En wat alles bedierf, was het ergerlijk gedrag van Lientje, die weldra met een paar officieren van het garnizoen op zulk een vertrouwelijken voet verkeerde, dat spoedig alle kans om voor haar een man te vinden, die zijn groot-ambtenaarsexamen had gedaan, totaal was verkeken.

Met Lientje was niets aan te vangen. Zij lachte om vermaningen en bedreigingen, en beantwoordde scheldwoorden met schimpscheuten; alles had ze beproefd, maar jawel! Zelfs een geregeld pak slaag had geen andere uitwerking, dan een kort lamenteeren. Overigens ging alles zijn gang.

De weduwe Donker zag in, dat dit slechts kon uitloopen op een publiek schandaal, wat zij tot elken prijs wilde vermijden.

De trouwplannen voor Lien en den idealen schoonzoon had ze voorgoed opgegeven. Een gewone klerk zou nu het meisje niet meer begeerd hebben als vrouw, tenzij hij het deed om ’t lieve geld.

Een kort lied was spoedig gezongen: ze moest weg uit het plaatsje. Zoo gauw mogelijk weg! En liefst terug naar Batavia, waar men, als men dat wilde, zich gemakkelijk ergens kan afzonderen, wat overal elders onmogelijk is.

Te gelijk met dat besluit, kwam haar oude, gloeiende haat boven, tegen „dat nest”, dat bruine creatuur, dat haar zoo vinnig en uit de hoogte had bejegend; dat haar zoo diep had beleedigd, toen ze, terwijl de dokter uit was, daar aan huis was gekomen om Louise Van der Linden te vertellen, dat ze een zuster had, die, al mocht ze den naam van Van der Linden niet voeren, toch haar zuster was.

„Dat nest” was nu getrouwd, en woonde in grootheid en rijkdom op ’t Koningsplein; zij zou haar wel krijgen, zoo waar ze Christien Donker heette! En wat Lien betrof,—och, die was toch goed voor niets bijzonders; ze kon zonder verder te bederven haar moeders wraakzucht helpen bevredigen. Dan had ze ten minste iets gedaan voor het geld, dat ze van haar moeder zou erven!

Lientje zat naast haar in de voorgalerij toen Van Velton voorbijreed en zoo onderzoekend links en rechts keek.

„Daar gaat-ie,” fluisterde haar moeder met blijde verrassing.

’t Meisje rekte zich geeuwend uit. Wat kon haar die kakeh schelen? Haar moeder leek wel gek! Toen zij zich amuseerde met een stuk of wat officieren, flinke, jonge menschen, kreeg ze niets dan zure gezichten, standjes en slaag; nu ze den heelen dag hier rustig en stil thuis was, zanikte haar moeder haar over dien bejaarden man, die bovendien getrouwd was.

Och, ze wist wel waarom! Maar wat kon haar, Lientje, dat schelen? Ze had hem op ’t kantoor op haar manier heel vriendelijk aangekeken, vooreerst omdat ook hij zoo beleefd en vriendelijk was, en dan wijl ze heel goed wist, dat als ze het niet deed, thuis de duivel los zou zijn geweest.

Doch tot ver strekkende doeleinden zou zij zich niet leenen; dàt had ze zich vast voorgenomen.

Zij zou het alles vertellen aan den dokter.

Waarom kwam hij niet?

Van hem hield ze. Ze wist wel, dat ze al jaren lang heel ondeugend was geweest, maar toch hield ze in haar hart innig veel van.... haar vader. Dat hij haar moeder links liet liggen, begreep en billijkte ze volkomen. Maar waarom was hij, die vroeger altijd zoo lief en vriendelijk voor haar was, en die altijd zulke lekkere bonbons voor haar meebracht, nu ineens zóó onverschillig, dat hij volstrekt niet meer naar haar omzag?

Zij had haar moeder gevraagd of ze hem niet eens mocht gaan opzoeken, maar dat was haar op vinnige manier verboden.

Welnu, ze zou het tòch doen, bij de eerste gelegenheid de beste.

Den volgenden ochtend reeds deed zich die gelegenheid voor.

„Je moet je kleeden, Lien,” zei haar moeder aan het ontbijt, en toen zij verwonderd opkeek, liet ze er op volgen: „Straks moet je een brief voor me brengen aan meneer Van Velton.”

„Kan baboe ’t niet doen?”

„Neen.”

„Nu, ik wil niet.”

Zij zag aan ’t gezicht van haar moeder, dat haar weigering een pak slaag zou kosten.

„Wat, beest! wil je niet? Ik zal je....”

„Maak zoo’n kabaal niet. Ik zal wel gaan.”

„’t Is je maar geraden. Je hebt me genoeg getergd. Pas op, hoor! dat je doet wat ik wil, of ik zal je vernielen.”

Ofschoon ze voor de bedreiging met mishandeling was bezweken, toonde Lientje zich voor dat „vernielen” niet bevreesd. Terwijl ze met haar vingers de rijst uit een blad zat te eten, plaagde zij haar moeder voortdurend, door op Van Velton te schelden, en was ze ontzettend langzaam in het kleeden.

’t Speet Van Velton razend, dat het kantoor volstrekt niet ingericht was voor dames-bezoeken. Hij ontving Lientje met groote voorkomendheid, en hij trachtte zich een zeker air van jeugdigheid te geven, waarover zij het wel had willen uitschateren van ’t lachen.

„Mijn excuses aan mama! ’t Is me gisteren geheel door ’t hoofd gegaan. Ik zal nu dadelijk antwoord meegeven.”

„Heel graag.”

„En woon je daar zoo alleen met maatje?”

„Ja.”

„Ik zou graag eens over die zaak komen spreken. Hier gaat dat zoo moeilijk.”

„Komt u dan maar.”

„Ja-a! Zie je”—hij kon zich die kleine familiariteit zoo nu en dan toch wel permitteeren!—„....als ik wist dat het niet ongelegen kwam.”

De hoeken van haar aardig mondje trokken spottend omlaag. Zij vond hem zoo gek! ’t Tenteerde haar. Waarom zou ze ook niet eens een grap hebben? ’t Leven was tegenwoordig zoo saai, en kwade bedoelingen had ze immers niet.

„Het zal volstrekt niet ongelegen komen. Ma zal blij wezen u te zien.”

„Mag ik dan vanavond zoo vrij zijn?”

„Wij zijn altijd thuis.”

„Ik weet niet precies waar het huis is.”

„Neen, dat zagen we gisteravond.”

Verrast keek hij haar in de heldere, brutale oogen. Wie, drommel! had die ook weer precies eender?

„Hebt ge me dan gezien?”

„Zeker, we zaten voor. Maar we konden u toch niet ontvangen.”

„Waarom niet?”

„Wel.... iemand met zoo’n rijtuig en zulke paarden....”

„Zoo! Hm, hm! Nu, dat is goed.”

Van Velton zag dat zijn compagnon telkens van den eenen hoek der kamer naar den anderen liep, en dan verdacht glimlachend naar hem gluurde. Hij schreef gauw het briefje voor de weduwe Donker en zond er Lientje mee weg.

„Aardige visite krijg jij,” merkte zijn compagnon op.

„’t Meisje kwam voor haar moeder om ’n informatie.”

„Hm! ’n Verduiveld aardig kind! Weet je ook waar ze woont?”

„Waar ze woont? Neen volstrekt niet. Wat kan ’t mij schelen!”

„Ze ziet wel blank, maar ’t is toch geloof ik een nonnaatje, hé?”

„Ik weet het waarlijk niet.”

Des avonds ging hij er heen met een gewonen huurwagen.

Christien Donker was heel lief geweest tegen Lientje; als zij alles had geweten, zou ze haar hebben vermoord.

Lientje was dien morgen, na haar bezoek aan ’t kantoor, bij dokter Van der Linden geweest. Hoezeer deze wist van welk gehalte ’t meisje was, en hij, blijde eenmaal van Christien Donker voorgoed af te zijn, liever niets met haar te maken wilde hebben, kon hij zekere ontroering niet bedwingen, toen Lientje zoo plotseling voor hem stond. Behalve de natuurlijke verschillen tusschen een oud man en een jong meisje, geleek zij sprekend op hem, zóó dat ’t hem zelf, die haar in twee jaren niet gezien had, trof.

Hij behoefde zich nu niet te geneeren, want hij woonde, sedert Louise getrouwd was, alleen. Toch aarzelde hij haar met goedheid te ontvangen. Die oude, oude relatie,—hij was zoo blij, dat hij er af was!

„Wat kom je doen?” vroeg hij niet erg vriendelijk.

„Wel, ik kom eens zien hoe ’t met u gaat. Waarom komt u in het geheel niet meer bij ons?”

’t Was moeielijk op die vraag een geschikt antwoord te vinden.

„Och, je weet ’t wel. Ik kom niet meer bij je moeder.”

„U kon toch wel naar mij komen!”

„Niet zonder naar je moeder te gaan.”

„Wat doet het er toe? Vroeger kwam u ook wel dikwijls bij me, zonder dat u tegen moeder sprak.”

„Stuurt je moeder je?”

„Neen, zij weet er niets van. Als ze ’t hoort krijg ik vast ’n pak slaag.”

„Waarom ben je dan gekomen?”

„Ik weet ’t niet; ik zou in elk geval toch zijn gekomen; ik wou u graag eens zien.”

Er was iets in haar stem, dat hem pijnlijk trof. Hij was een goedhartig man van nature, en hij had Lientje wel willen omhelzen; ze was toch ook zijn kind, al was ze het niet voor de wet, en al was ze, dat wist hij, verdronken vóórdat ze, zooals men ’t noemt, water had gezien.

Hij hield zich terug, maar gaf haar toch een stoel, ging naast haar zitten en zei veel minder stroef:

„Dan doet het me genoegen, Lien, dat je bent gekomen. Als je ten minste niet jokt.”

„Ik lieg niet. Waarom zou ik? Wij hebben u niet noodig. Moeder heeft veel geld.”

„Mijn hemel!” riep Van der Linden plotseling: „hoe is ze toch aan dat geld gekomen?”

„Dat heeft ze gestolen,” zei Lientje doodbedaard.

Verschrikt rees hij van zijn stoel op, zoo bleek als een doek.

„Wat? Wat zeg je daar?”

„Neen, eigenlijk niet gestolen; maar het was toch.... ziet u, ze kocht goud en zilver en steenen van allerlei volk en dan gingen we op reis.”

„Nu, en dan?”

„En dan verkocht ze het weer.”

„Wel, God bewaar me!”

Hij riep het in de volheid zijner verbazing. Dat waren dan de redenen, waarom ze van tijd tot tijd in vroeger jaren naar haar familie ging. Wat had hij door dat wijf toch gevaren geloopen! Als ze betrapt was, zou hij onvermijdelijk als getuige hebben moeten opkomen.

„Herinner je je nog dat gestolen goed van ons?”

„Jawel. Dat is ook alles op dezelfde manier door haar handen gegaan.”

De dokter vloekte, hij, die anders nooit vloekte.

„Laat maar,” zei Lientje fatalistisch. „Er is toch niets aan te doen.”

„Neen, dat is er niet. Men hoort het kwade altijd vroeg genoeg.”

Zij lachte.

„Niet altijd. Ik kom hier om u te waarschuwen. Moeder heeft iets met hem voor, dat u niet graag zult hebben.”

„Met hem?.... met wien bedoel je?”

„Uw schoonzoon, die meneer van ’t Koningsplein, Van Velton.”

„Hè?.... Van Velton?.... wat hebt jullie met hem te maken?”

Zij vertelde alles. Hij hoorde het aan met verslagenheid. Welk een gemeene intrige! En, dat wist hij zoo goed: hij stond er volkomen machteloos tegenover. Als Lientje hem hielp, dan kon hij het beletten. Maar anders kon hij niets hoegenaamd uitrichten.

„Ik ben er immers voor hier gekomen,” zei ze, toen hij vroeg of hij op haar kon rekenen.

„Dan is het goed. Maar als hij nu eens ’n jong en knap man was geweest, zou je me dan ook hebben gewaarschuwd?”

Zij stonden recht tegenover elkaar, en hij las haar gedachten op haar gezicht, toen hij in.... zijn eigen oogen keek.

„Misschien,” zei ze lachend.

De dokter schudde het hoofd. ’t Was zijn eigen bloed, dàt viel niet te loochenen. Hij wist zoo goed aan welken kant hij zijn gansche leven mank had gegaan!

Toen ze weg was, bleef hij er over nadenken. Inderdaad: wat moest hij doen? Er Van Velton, met wien hij gebrouilleerd was, over spreken—neen, dat ging niet. Louise,—dat was nog onmogelijker.

Afwachten dus.

Maar dat vond hij juist het onaangename, want hij kon Lientje niet vertrouwen. Dat ze in haar komen bij en praten met hem volkomen te goeder trouw was geweest, geloofde hij. Dan, welke waarborgen leverde haar heden op voor den dag van morgen? En wat zou er intusschen van ’t gezin van Louise moeten komen, als die gemeene intrige van Christien Donker gelukte?

Zijn ongerustheid dreef hem naar ’t Koningsplein; hij vond Louise alleen thuis, zich vermakend met haar kindje.

„Hoe is het nu tusschen jou en Van Velton?” vroeg hij onverwacht.

Onverschillig haalde zij de schouders op.

„Hoe zou het wezen?”

„Spreek jullie weer met elkaar?”

„Wel neen! Waarvoor zou het dienen?”

„Kindlief, ik zou het je toch aanraden.”

„En u hebt zelf standjes met hem gemaakt.”

„Het is waar; maar zulke onaangename verhoudingen kunnen niet eeuwig duren. Ik vind het dringend noodzakelijk dat er een eind aan komt.”

Verbaasd keek zij hem aan.

„Ik zie die noodzakelijkheid niet in, pa. Het gaat heel goed zoo.”

„Dat is niet waar, Wies; ’t gaat in het geheel niet. Het is de manier om je huishouden ten gronde te richten.”

„Komaan!”

„Zeker. ’t Is een toestand, die de ergste gevolgen kan hebben. Zulk een slechte verhouding tusschen man en vrouw levert allertreurigste dingen op. In de eerste plaats werkt het verderfelijk en nadeelig op de kinderen.”

Fier richtte zij ’t donkere kopje omhoog, en keek hem uitdagend aan.

„Volstrekt niet. Ik ben best in staat mijn kind alleen op te voeden.”

„Onzin, Wies! Dat kan je niet, en dat kan geen vrouw ter wereld. Kinderen hebben een opvoeding noodig door ouders. Niet door een vader of een moeder alleen. Als het niet anders kan, soedah! Maar hier kan het wèl zijn, zooals de natuur het aanwijst.”

„Waarom ziet hij dat niet in? Waarom wil hij de minste niet wezen? Hij heeft ongelijk. Ik niet.”

„Wie gelijk of ongelijk heeft, laat ik in ’t midden. De minste is hij al telkens en telkens geweest. Een man kan dat niet altijd zijn.”

„Het schijnt,” zei Louise met verbazing, „dat u zijn partij neemt tegen mij.”

„Volstrekt niet. Ik spreek in aller belang. Vooral in dat van jou en van den kleinen jongen. Wat moet er uit dezen toestand voortkomen?”

„Ik heb u al gezegd pa: ’t gaat heel goed zoo.”

„En ik herhaal: dat doet het niet,” riep hij zoo hard en norsch, als hij in zijn kwade oogenblikken wezen kon.

„Wat bent u onaangenaam,” zei Louise, wie het huilen nader stond dan het lachen. „Ik geloof, dat ge hier zijt gekomen om ruzie met me te maken.”

„Hoe kan je dat denken,” haastte hij zich op zachten toon te zeggen, want hij was voor Louise’s zenuwen zeer bevreesd. „Geloof me toch, als ik je zeg, dat ik alleen spreek in ons aller belang. Zulk een gespannen toestand kan alleen slechte gevolgen hebben. Velton zal ten slotte van zijn huisgezin vervreemden.”