L. Van Velton-Van der Linden

Part 1

Chapter 14,040 wordsPublic domain

L. VAN VELTON-VAN DER LINDEN. OORSPRONKELIJKE ROMAN.

DOOR MAURITS.

LEIDEN.—A. W. SIJTHOFF.

MEVROUW L. VAN VELTON, VAN DER LINDEN.

’s Middags tegen vier uren hield zijn rijtuig stil voor ’t woonhuis op het Koningsplein. Hij stapte langzaam, en met iets vermoeids in zijn houding en bewegingen, door de marmeren voorgalerij.

„Velton!”

„Ja-a!”

„Kom eens gauw hier.”

„Ja, dadelijk, ik moet even naar mijn kantoor.”

Onder ’t kort en luid gesprek, dat ze te zamen voerden, was hij voortgegaan in de richting van het lokaal, waar zijn schrijftafel en zijn boekenkasten stonden.

„Neen, kom eerst hier.”

Gewillig keerde hij om en trad de kamer binnen van zijn vrouw.

Zij had er lief uitgezien als jong meisje,—thans was ze een Indisch moedertje om te stelen. Zij „hielp” haar kind zelf, op uitdrukkelijk verlangen van haar vader. Dokter Van der Linden vond, dat een moeder, als zij het doen kon, daartoe ook verplicht was. Hij had een afschuw van verdunde koemelk, farine lactée en alle andere surrogaten voor „de eerste bron.” Zijn kleinzoon mocht daardoor geen maagkwalen beloopen, meende hij; en Maleische minnen, met haar strootjes rookende zuigelingen,—neen, maar dáármee moest men den dokter van het lijf blijven.

Louise, wier grootmoeder tot het verheven corps der nina-bo-zangeressen had behoord, en onder wier huid nog heel wat Maleisch „bloed door de aderen vloeide”, was het met haar vader eens.

Van Velton niet. Hij vond het lastig en vervelend in menig opzicht. Maar hij zou dat nooit hebben gezegd. ’t Waren van die dingen, waarmede, naar zijn meening, een man zich niet moest inlaten.

Hij boog zich voorover en kuste haar goeden dag.

„Wat is het, vrouwtje?” vroeg hij vriendelijk, en meteen zoende hij den kleine, die op haar schoot lag.

Welk een verschil! Louise Van der Linden had altijd een bruin gezichtje gehad, maar of het kwam door ’t gebruik van bedag, dan wat er de reden van mocht wezen,—het verder gedeelte van haar fraai gevormd wezentje was nog veel donkerder van kleur. En daar lag nu aan haar borst een manneke van ’t reinste lelieblank, dat ooit op een Friesche hofstede te zien was, en met een reeds zeer geprononceerden aanleg voor een krullebol, even blond en even weelderig, als die van „oopa” in diens besten tijd.

Zij zei niets, maar richtte den zuigeling op, die over deze stoornis in zijn vloeibaren maaltijd volstrekt niet gesticht scheen, en met de parelwitte droppels nog in de hoeken van zijn frissche lipjes, aanstalten maakte om een bruyant protest tegen zulk een bejegening aan te teekenen.

Terwijl ze haar jongen suste in den eenen arm en hem rechtop hield, nam ze een zilveren lepeltje van de tafel, bracht dat in den mond van den kleine en bewoog het heen en weer.

„Kom nu hier dicht bij met je oor.”

Hij boog zich nog verder, zoodat de onbescheiden lange aanplant, die zijn gehoorvliezen scheen te beschermen tegen invloeden van de buitenlucht, de ronde wangetjes bijna raakte.

„Hoor je het?” vroeg zij zegevierend, terwijl ze den steel van het lepeltje op en neer liet gaan in den mond van den pruilenden kleine.

Hij trok de wenkbrauwen op en glimlachte half verlegen.

„Neen.... eigenlijk hoor ik niks.”

„Och, wat!” riep ze driftig: „luister dan toch goed!”

Hij deed zijn best, maar ’t lukte niet. Doch hij wist natuurlijk wel, wat de bedoeling was. Mijn hemel, hij had dat werk immers al voor twintig jaren bijgewoond toen zijn eerste vrouw leefde! Hij hield zich dus goed, en ofschoon hij volstrekt niets had gehoord, dat eenigszins geleek op ’t geluid der aanraking tusschen twee harde voorwerpen, zei hij, met meesterlijk gespeelde verwondering op ’t gezicht:

„Hij heeft, waarachtig, ’n tand!”

„Nou!” riep ze met een blos van vreugde en met glinsterende oogen, en ze pakte en kuste en molde haar aardige kind, dat in zijn egoïsme zich om dat alles niet bekommerde, maar wringend en draaiend met de kleine ledematen en zoekend met hand en mond, slechts één verlangen zeer duidelijk aan den dag legde: dat om terug te keeren tot zijn diner.

Toen Van Velton eindelijk naar zijn kantoor-kamer kon gaan, gleed er een pijnlijke trek over zijn gelaat. O, zeker, hij hield veel van ’t kind, doch.... hij had ook andere kinderen. Reeds twintig jaren was zijn vaderliefde in Anspruch genomen. Meer kinderen te krijgen bracht wel die liefde over op meer individuen, maar kon het kapitaal dier liefde niet vergrooten.

En eerlijk gezegd.... kleine kinderen op zijn leeftijd.... ’t was minder eigenaardig.

Kort voor de geboorte van dit jongste zoontje, had hem zijn oudste dochter uit Holland geschreven over haar genegenheid voor zekeren Weytink, een controleur bij het Binnenlandsch Bestuur met verlof in Europa. De pretendent schreef ook; de familie, die over de opvoeding der meisjes waakte, idem; alle informaties waren uitmuntend geweest; hij had zijn toestemming gegeven, en het huwelijk der jongelui was gevolgd.

Thuis, tegen zijn eigen jonge vrouw, had hij er zoo weinig mogelijk van gerept. Als hij sprak van zijn kinderen in Holland, dan kwam er een onaangename trek op het gezicht van Louise. Zij, de zelf even twintigjarige, hoorde liefst zoo weinig mogelijk van haar mans dochters van bijna gelijken leeftijd. Dat ze bestonden, en dat ze haar aandeel moesten hebben in het vermogen,—soit! Zij gaf niet om ’t geld; zij had van haar jeugd af geleefd in weelde en overvloed. Dat het eenigszins luxueuzer was in het huis van haar man dan in dat haars vaders, trof haar nauwelijks; wat meer marmer, wat kostbaarder bibelots, een grooter aantal gasvlammen en een iets ruimer huis,—’t waren alle zaken, waarvan het genot voor haar slechts luttele waarde had.

Maar die „groote meisjes”, die haar „mama” zouden noemen, wellicht met haar zouden kibbelen, natuurlijk gefêteerd zouden worden en de eerste viool zouden spelen in huis,—ze moest er niet aan denken; ze wilde er zoo weinig mogelijk over spreken. Als ze maar stil in Holland bleven, dan was het haar wèl. Hoe verder uit de buurt hoe liever!

Van Velton had spoedig ingezien hoe de jonge stiefmoeder over zijn kinderen dacht, en hij had zich daarnaar geschikt. In zijn hart vond hij het erg onaangenaam. En nu te meer, nu er een getrouwd was. Hij was van een arm een rijk particulier geworden. Noch door zichzelven, noch door zijn minder bemiddelde bloedverwanten in patria, had hij ooit in eenige betrekking gestaan tot Regeering of Landsbestuur. Dat zijn oudste dochter de vrouw was geworden van een controleur, die naar alle menschelijke berekening voor het minst den gouden pajong in het verschiet had, deed hem—hij wist zelf niet waarom—aangenaam aan. Sedert dien tijd voelde hij zich als met een dun draadje aan ’t gezag verbonden; hij sprak buitenshuis met welbehagen van: „mijn schoonzoon, den controleur Weytink”, en als er onder zijn kennissen gemopperd werd over het opvoeren van de belastingen en over de neiging der Regeering tot overdreven fiscaliteit, dan kreeg hij, die vroeger zeer heftig daarover kon uitvaren, een gevoel alsof het op zijn weg lag verzachtende omstandigheden te pleiten; dan was het hem, alsof hij voor een oogenblik algemeen gemachtigde en procuratie-houder was van „zijn schoonzoon, den controleur Weytink.”

Dat schoonvader zijn had een soort van bekoring voor hem. Het lag zoo op zijn weg, en het kwam overeen met zijn leeftijd en antecedenten; met de waardigheid van zijn burgerlijke positie,—het was in één woord zijn natuurlijke rol: een père noble, niet te oud om van het leven te genieten.

Hij verkleedde zich op zijn gemak, liet zich in slaapbroek en kabaja neder in den luierdstoel op het schabelletje voor zijn kantoor, en dronk zijn thee.

Uit de groote vierkante binnengalerij drongen luide uitroepen tot hem door, en een heldere lach. Louise was er met den kleine. Zij had hem neergelegd op een divan, en, thans verzadigd, nam de kleine despoot er welwillend genoegen mede, dat zijn mama alle geluiden maakte en alle manipulatiën uitvoerde, die haar moederlijk instinct haar scheen te zeggen, dat ZEd. konden amuseeren.

Van Velton vond het leven duur. Het hinderde hem niet of er ’n honderd gulden of wat in de maand meer of minder werden uitgegeven. De zaken gingen nog goed genoeg om dat van ondergeschikt belang te doen zijn. Maar Louise, dacht hij, was toch inderdaad een groot kind. Had ze hem niet laatst aangetoond, dat, terwijl hij tegenwoordig meer boter verbruikte dan tijdens zijn weduwnaarschap, er volgens ’t huishoudboekje eenige vaatjes per maand minder werden betaald dan vroeger, en had ze daaruit niet de dwaze gevolgtrekking geput, dat hij nu goedkooper leefde? Hij had er om gelachen, evenals om het denkbeeldige eerste tandje maarrr....

Wat maakte ze nu een leven met het kind in de binnengalerij! ’t Was of er wel tien moeders met dozijnen telgen aan het lachen en gieren waren.

„Velton!” riep ze.

„Ja—a!”

„Och God, kom nou reis hier, en zie toch voor de aardigheid eens, wat hij doet.”

Hij ging naar binnen en zag, dat de kleine een kwast van een canapé-kussen in den mond had en met ’t hoofdje schudde, alsof het de kracht van zijn eersten tand er op wilde beproeven. Louise schudde ook, maar van het lachen, en haar man lachte plichtmatig mee.

„Haal het er uit,” zei hij, om toch iets te zeggen, „’t kon hem in de keel schieten.”

„Ben je mal?” vroeg Louise verontwaardigd. „’t Kind heeft geen mond als een staldeur.”

Het was waar! De groote kwast kon met geen mogelijkheid naar binnen, dat zag hij nu ook.

„Het is mijn bezorgdheid voor hem.”

„’n Mooie bezorgdheid!” riep ze, haar afgodje opnemend. „Kom jij maar mee met maatje, ja? Papa houdt toch niks van je.”

Mistroostig haalde hij de schouders op en ging weer naar zijn zitplaats. Zij zou waarachtig eindigen met het zóó ver te brengen. Hij hield veel van ’t kind, maar hij moest voor zichzelven erkennen, dat zijn vrouw bezig was hem er mede te vervelen. Zij bemoeide zich juist genoeg met het huishouden om het een eentonigen sleurgang te doen gaan; maar overigens: het kind. Dat was, sedert de geboorte, het eenig onderwerp van ’t gesprek. Buiten het kind bestond er niets voor haar. ’t Was het kind vóór en het kind ná, van ’s morgens tot ’s avonds. Wilde hij met haar uitgaan, dan bestonden er bezwaren: ’t kind! Wilde hij een partijtje geven, dan kon dat niet, want: ’t kind! Begon hij over kunst of literatuur, dan antwoordde zij hem met bezorgdheid, dat ’t kind zoo onrustig was, en dat de dokter moest komen. Was er quaestie van wat muziek maken, dan sliep het kind en mocht ’t niet gewekt worden; vond hij dat ’t tijd werd den kleine in slaap te maken, dan mocht dat niet: ’t kind behoefde geen slaapmuts te worden.

Het was aanvallig, lief en frisch; het was een beeld van ’n jongske,—maar Heer in Den Haag! altijd en altijd dat kind.... dat was te veel perdrix.

Daar kwam de coupé van zijn schoonvader het erf op. Met een vroolijk en vriendelijk gezicht trad de dokter op hem toe.

„Bonjour, bonjour! Hoe is het met den kleine?”

„Goed. Ga u maar binnen. Louise is in haar kamer.”

Die man was ook al veranderd, gelijk ’t blad van een boom. Dat kwam en vroeg volstrekt niet meer: hoe maak jij het, en zelfs niet: hoe gaat het Wies,—och neen! Niets en niemand telde meer mee. Van Velton dacht er ernstig over na: daar moest een einde aan komen. Waartoe kon dat ten slotte leiden? ’t Maakte hem, anders van een goed humeur, kregel; ’t bracht saaiheid, sleur en verveling in zijn huis; het maakte zelfs elke conversatie, elk genoeglijk samenzijn onmogelijk,—tenzij hij verkoos om eenig en alleen te spreken over het alles overweldigend onderwerp; en daarvoor bedankte hij.

„Wel!” riep dokter Van der Linden: „jij zoudt me niet eens verteld hebben, dat zijn eerste tand er door is!”

„Ja. Ik ben er ook nog zoo zeker niet van.”

„Wis en drie! Ik heb ’t zelf gevoeld.”

„Och,” zei Louise, die mee was gekomen, terwijl een baboe den zuigeling droeg. „Och, pa, u moet hem maar niet spreken over ’t kind. Hij hoort er liever niets van.”

Van Velton verdedigde zich, en, als altijd, practisch man, recht afgaande op het doel, toonde hij aan hoe slecht in alle opzichten de overdrijving was. Vruchteloos, dat zag hij wel. De dokter haalde met een bezorgd en teleurgesteld gezicht de schouders op; Louise keek zoo nijdig als een spin.

„U hoort hoe hij er over denkt,” zei ze tot haar vader.

„Ieder verstandig mensch moet me gelijk geven, Louise. Dat verafgoden van kinderen is een groot kwaad; daaruit komen de meeste mislukte en ongelukkige menschen voort.”

„Het is nog zoo’n klein kereltje!” zei de dokter vergoelijkend en half lachend.

„’t Is niet om aan te hooren,” meende Louise. „Ajo, boe, toeroet!”

Zij ging met haar kind naar de andere zijde van de galerij en haar vader volgde haar.

Van Velton was inwendig zeer boos. Hij had kalm en zakelijk een verstandig woord gesproken en dat was nu het resultaat! Het scheen wel dat vader en dochter het verstand hadden verloren. Tegen zulk een hardnekkigheid was geen kruid gewassen.

Voor het eerst gevoelde hij spijt. Hij had niet moeten trouwen voor de tweede maal. Verveling en afkeer van het doodend leven, dat celibatairs en weduwnaars leiden in Indië, als hun positie hen verplicht om een groot huis te bewonen, hadden hem tot den fameuzen stap gebracht. Eerst ging alles goed, maar nu had zich dit onaangenaam verschijnsel voorgedaan, dat de vrede op zeer gevaarlijke wijze dreigde te verstoren.

Toegeven wilde hij niet; ’t zou met huiselijken zelfmoord gelijk staan. Geen twist en tweedracht mochten heerschen in zijn woning,—maar een slavernij voor „het” kind, een afgodendienst, welke ’t zoontje als voorbeschikte tot een socialen vauxrien,—dat nimmer.

Hoeveel ’t hem kostte, hij zou toch beproeven met zachte hand het gevaar af te wenden.

„Kom, Louise,” zei hij, zich bij ’t hem ontvluchte drietal voegend, „laat ons niet kinderachtig wezen.”

„Jij bent het alleen.”

„Je weet heel goed, dat er niets aan is van ’t praatje, dat ik niet veel zou houden van onzen jongen.”

„Waarom wil je dan niet hebben, dat ik me met ’t kind bemoei en van hem spreek?.... Kasian,”—dit laatste doelde op den beklagenswaardigen spruit van den ontaarden vader.

„Wil—wil—je weet wel, dat ik nooit iets wil in huis.”

„Maar je maakt er toch aanmerking op.”

„Volstrekt niet, Wies. Alleen: men kan alles overdrijven, en als je nu altijd....”

„Zeker,” viel ze hem heftig in de rede: „altijd, altijd, ALTIJD! Het is MIJN kind; het is ’t eenige wat ik heb; ik verlang ook niet anders op de wereld; ik wil er me mee bezighouden, en het liefhebben, en het vertroetelen, en het kan me niks schelen of je het goed vindt, of dat je er aanmerkingen op verkiest te maken, weet je! Je bent een nare, nare man. Ik wou, dat ik je nooit had ontmoet.”

Voor de tweede maal verliet Louise het terrein, natuurlijk met het beminde resultaat dier verfoeide ontmoeting in de armen.

„Het schijnt, dat we beiden op non-activiteit zijn gesteld,” zei Van Velton met een gedwongen glimlach tot zijn schoonvader. „Wij tellen „op de wereld” niet meer mee.”

„Nu,” zei de dokter, die volstrekt niet uit de plooi kwam, „dat is maar bijwijze van spreken. Ze heeft niet zoo heelemaal ongelijk.”

De „nare man” maakte een beweging van ongeduld.

„Ik begrijp niet, dat je me in dit geval geen gelijk geeft. ’t Is waarachtig al te gek.”

„Je moest blij wezen, Velton, dat ze zooveel van haar kind hield, en je moest er een eer in stellen, omdat het jou kind is. Er spreekt dan toch genegenheid voor jou ook uit, en van den anderen kant moest je dat van zoo’n jong vrouwtje wat waard zijn. Laat haar maar scharrelen met haar kindje, als ze dat zoo lief en aardig vindt. Zou je misschien liever hebben, dat ze veel uitging, danste, coquetteerde enzoovoort?”

„Och, dat zou ik zeker wel zoo aardig vinden.”

„En dan haar moederplichten verzuimen?”

„Psst! Overdrijving; allemaal overdrijving! Het een behoeft ’t andere volstrekt niet uit te sluiten.”

„Daar bestaat anders groot gevaar voor. Er zijn niet veel menschen die ’t juste milieu weten te bewaren tusschen huiselijke plichten en uithuizige genoegens.”

„Enfin,” zuchtte Van Velton. „Laat ons er vandaag niet verder over spreken. Blijf asjeblieft hier eten, dan zal, hoop ik, die bui wel overdrijven. Het is niet aangenaam, als men den geheelen dag op ’t kantoor heeft gezeten, t’ huis standjes te hebben.

„’t Spijt me, ik zou het graag doen, maar ik moet nog verscheiden visites maken.”

Hij had ’t best kunnen doen; die visites hadden geen beletsel behoeven te zijn om bij Van Velton te blijven eten; maar dokter Van der Linden wilde nu eens geen peacemaker zijn tusschen zijn schoonzoon en zijn dochter. Zij had geen hulp noodig, en als hij op zijn hoofd kreeg—nu, meende de dokter, wat er bezijden kwam, was zonde!

„Dan voorzie ik een genoeglijken avond,” zuchtte Van Velton.

„Je moet maar zien, dat je haar weer in haar humeur helpt. Men vangt meer vliegen met één droppel honig, dan met ’n vat azijn. Bonjour!”

Van der Linden ging zijn dochter groeten.

„Wel, wat zegt u er van, pa?” vroeg ze verontwaardigd.

„Och, kind, laat hem maar praten. Die kooplui zitten veel te laat ’s middags in de stad. Dat is een dwaze gewoonte, die hen uit hun humeur helpt.”

„Dan moet hij die gewoonte maar afschaffen.”

„Breng hem dat aan zijn verstand, als je kunt. Dag Wiesje Dag aardig kereltje,”—besloot hij, zijn kleinzoon zoo innig kussend, als Van Velton nog nooit had gedaan.

Met een zucht zag Louise hem na. Hij was toch zoo goed, die pa! Wat had hij haar altijd en in alles haar zin laten doen! En wat zag hij er nog knap en flink uit! Wel zoo goed als haar man.

Er werd een brief bezorgd. Aan het adres zag ze, dat het van Lucie was, haar vriendin, die met dien ingenieur bij den Waterstaat getrouwd was, met wien ze tijdens het engagement altijd zoo vervelend had zitten vrijen achter de groote bloempotten. Zij, Louise, vond dat destijds afschuwelijk en nog keurde zij het niet goed. Ze dacht er tegenwoordig echter veel minder streng over, dan zij vroeger als meisje deed.

„Lieve Wies! Je begrijpt, dat ik weinig tijd heb om te schrijven, nu ik voor drie menschen moet zorgen, en niet zooals jij een leger bedienden kan houden. Wij moeten het kalmpjes aanleggen om met ons traktement rond te komen, maar het gaat toch. We hebben zoo’n lief huisje hier te Soerabaia; keurig netjes, maar niet groot. Van Brakel noemt het zijn klein Paradijs, en ik ben zeker, dat je er om zoudt lachen, als je zag hoe we ’s avonds, als de kleine slaapt, samen in de voorgalerij zitten in het donker,—we branden nooit licht vóór als er geen menschen komen, en dan.... de bedienden behoeven ’t niet te zien. Hij is nu voor eenige dagen uit. ’t Is natuurlijk voor den dienst, en dat helpt omdat hij kan declareeren, weet je! Maar voor mij is het zoo gruwelijk vervelend! ’t Is of het huis is uitgestorven! Lieve Wies, wat was dat een garderobe, welke hij meebracht. Je hadt je dood gelachen, als je het gezien hadt. Eerst maanden na onzen trouwdag, is hij er toe te bewegen geweest me de sleutels te geven van eenige koffers met goed. Aan alles mankeerde wat! Nu mag je zijn linnenkast zien, hoor!—Hij is zoo goed voor me, lieve. Ik kan je niet zeggen, hoe goed. Papa lachte er laatst om toen ik hem over Van Brakel sprak. Das wird vorübergehen,” zei hij, en ik ben daar twee dagen boos om geweest. Wat kunnen oude menschen toch onaangenaam zijn! Onze kleine Wilhelm groeit als kool. Hij is pas twee maandjes, kasian! Hoe gaat het bij jullie? Schrijf me eens wat. Ik heb in geen eeuw iets van je gehoord. Dag Wies-lief! Veel groeten aan je man!

Je oude vriendin Luus.”

Mevrouw Van Velton—Van der Linden keek nog op den brief, toen ze reeds wel twintigmaal had kunnen lezen, wat er in stond. Lucie bracht haar weer geheel terug in het verleden. Wat had die avond toch veel beslist; die avond toen er een partij was bij dokter Van der Linden, en toen haar driftig humeur en jaloersche aard haar een dwaasheid hadden doen begaan. Want dat was het geweest, anders niet! Waarom behoefde zij zich zoo boos te maken, toen ze zag, dat Lucie zich door dien ingenieur liet kussen in den tuin? Waarom irriteerde haar dat toen in zóó hooge mate, dat zij het aanzoek afwees van een man, dien ze liefhad?

Had! Och ja, natuurlijk!.... ’t Was toch een vreemd, een onbegrijpelijk iets, het leven! Kom, zij zou maar gauw een antwoord schrijven. Wat tot het verleden behoorde, was de moeite niet meer waard; gedane zaken namen toch geen keer!

„Lieve Luus! Heel veel pleizier deed me je briefje; ik verheug me van harte in uw gelukkig lot. Mijn kleine njo heeft vandaag zijn eersten tand gekregen. Papa en ik hebben het heden onderzocht, en ’t puntje is er terdege door. Het is een kind, Luus, om op te eten, zoo mollig en rond, en zoo lief voor me! O, hij is heel verstandig, en wezenlijk hij kan je aanzien met ’n gezichtje, alsof hij verstaat, wat je zegt. Ik ben zoo gelukkig met mijn kleinen vent, als ik slechts wenschen kan. ’t Is mijn lust en mijn leven, en ik doe haast niets anders dan me met hem bezighouden. Over onze kennissen te Batavia schrijf ik je wel eens; ik moet nu uitscheiden, want ik hoor hem.

Adieu en omhelsd van je Louise.”

Geen woord over de wederzijdsche echtgenooten; dat manvolk,—fi donc!

Lucie’s vader, der alte Herr Drütlich, had wel gelijk: ’t zou op zijn tijd gedaan wezen met die soort van kalverliefde tusschen hen. Dat zat ’s avonds in de voorgalerij in ’t donker! Kon het nog maller, dan deden ze nog maller! Eigenlijk had ze ’n heel anderen brief moeten schrijven, want alles bijeengenomen was Lucie ’n mal wicht. Maar soedah! ’t Was nu eenmaal geschreven, en.... het kind was wakker!

’t Was Van Velton niet gelukt. Hij had den raad van zijn schoonvader gevolgd à contre-coeur. Aanvankelijk had dit in zoover een goede uitwerking, dat de booze bui van Louise week, en zij zich weer met hem verzoende. Doch nu had ze ook verwacht, dat hij haar zou omhelzen en zich onderwerpen; se soumettre, dacht ze, ou.... Maar dàt deed hij nu juist niet. Hij had A gezegd, en hij wist wel dat, naar ’t volksgebruik, iemand, die daartoe is gekomen, onherroepelijk veroordeeld is ook B te zeggen. Hij schoot in dien plicht te kort om verschillende redenen, en Louise nam hem dat kwalijk. Bovendien duurde het geen vier en twintig uren of hij bromde weer over het vertroetelen van het kind, over het vervelende in huis enzoovoort, wat een heftige uitbarsting van het lieve klokhennetje ten gevolge had.

Eenige dagen hield hij vol haar ’s morgens, als hij naar ’t kantoor ging, en ’s middags, als hij thuis kwam, te groeten; maar toen zij in haar stilzwijgen volhardde en hem geen woord teruggaf, eindigde hij met er van af te zien. Ook zijn schoonvader zag hij niet meer. Er hadden vrij hevige standjes tusschen de heeren plaats gehad, bij welke gelegenheid dokter Van der Linden had uitgevaren op een wijze, die Van Velton alleronaangenaamst had getroffen, ja, zijn oude vriend, thans zijn schoonvader, had zich niet ontzien uitdrukkingen te bezigen, die uit een physisch, zoowel als uit een psychisch oogpunt hem, Van Velton, ernstig hadden beleedigd. ’t Was ten slotte zóóver gegaan, dat de wederzijdsche partijen openlijk spijt betoond hadden, dat het ooit was gekomen tot dien trouwdag, waarop ze beiden zoo aandoenlijk hadden gespeecht.

Zoo stapte hij dan in zijn rijtuig en reed naar zijn kantoor. Gedurende den langen weg naar de kali-besar dacht hij minder aan de zaken, die hem daar wachten, dan aan zijn moeilijke huiselijke omstandigheden.