Part 8
Het eerste denkbeeld voor deze tooneelen is misschien, ja waarschijnlijk, bij den dichter opgekomen door een zeer ruw tooneelgewrocht, dat reeds in 1588 werd uitgegeven en later meer dan eens herdrukt werd: "The famous Victories of Henry the Fifth." De Prins komt daarin voor als omgaande met een troep woeste knapen, wier eenige geest daarin bestaat, dat zij vloeken, drinken, vechten en straatroof plegen; de Prins doet even hard mede als de anderen. De herberg te Eastcheap ontbreekt niet, en onder het gezelschap des Prinsen vindt men een Gadshill en een Ned (Edu), alsmede een man van buitengewonen lichaamsomvang, Sir John Oldcastle of Jockey genoemd, die, schoon hij geen enkel geestig woord zegt, om zijn dikte door het publiek met Sir John Falstaff vergeleken, of zelfs met hem vereenzelvigd werd. Shakespeare vond het noodig, in den epiloog, waarmede het tweede deel van "Koning Hendrik de Vierde" eindigt, tegen de verwisseling op te komen van Falstaff met dezen Sir John Oldcastle, die den naam droeg van den edelaardigen, ridderlijken voorvechter der Wycliffieten, welke eens met Hendrik V bevriend was, maar, daar nòch 's konings aandrang, nòch iets anders hem kon bewegen, om zijn geloof te verzaken, als martelaar gestorven is. Hij is bespot geworden bij het volk, omdat hij, ridder en krijgsman, als prediker optrad; en misschien gaf dit den schrijver der Famous Victories aanleiding tot het bezigen van dezen naam. Shakespeare echter wijst uitdrukkelijk op zijn martelaarschap, en zegt, dat Oldcastle niets met Sir John Falstaff gemeen heeft.--Het is met dit al zeer wel mogelijk, dat de dikke ridder ook bij Shakespeare eerst den naam van Oldcastle droeg en dat de ergernis, die dit gaf, den naam deed veranderen.
Het Eerste deel van "Koning Hendrik de Vierde" werd in 1598 uitgegeven, zonder den naam des dichters; in 1599 op nieuw, met meer drukfouten, maar met de leugenachtige bijvoeging op den titel "op nieuw gecorrigeerd door William Shakespeare". Nog drie andere afzonderlijke uitgaven, in quarto, 1604, 1608, 1615 gingen aan die in folio, 1623, vooraf, en leggen getuigenis af voor de populariteit van dit stuk.
I. 1. 40. Glendower. De naam is tweelettergrepig uit te spreken, Glendaur, en de klemtoon op de laatste lettergreep te leggen.
I. 1. 70. Mordake, de graaf van Fife en oudste zoon Van de' overwonnen Douglas. Hier heeft Shakespeare zich vergist; Mordake, graaf van Fife, was de zoon van den Hertog van Albanië, regent van Schotland. De vergissing ontstond door een drukfout in Sh.'s bron, Holinshed's kroniek. Als gevangenen worden daar opgenoemd: Mordake earl of Fife, son to the Governor Archembald Earl Douglas. Tusschen Governor en Archembald moest een komma staan. Hierdoor viel ook de vermelding van Douglas als gevangene weg.
I. 1. 95. Slechts Mordake, graaf van Fife. Naar toenmalig krijgsrecht bleef een krijgsgevangene ter beschikking van wie hem gevangennam, als het losgeld niet hooger was dan tienduizend kronen. Voor Mordake was dit wel het geval.
I. 2. 16. Den dolenden ridder fijn. Een toespeling op den schoonen dolenden Ridder van de zon, dien Falstaff hier schertsenderwijs met den zonnegod vereenzelvigt. Zijn avonturen werden in 1585 in Engeland uitgegeven. Ook in den Don Quichote is van dezen Ridder van de zon sprake.
I. 2. 22. Neen, zeker niet, zelfs niet voor de kleinste pekelzonde. In het oorspronkelijke is hier een woordspeling met het woord grace, dat behalve genade ook het gebed aan tafel beteekent. Er staat: Gij hebt geen grace genoeg, om er een proloog van te maken bij een boterham met een eitje.
I. 2. 48. Is er iets meer boeiends dan een man in een buffelleeren wambuis? De gerechtsdienaars droegen zulk een leeren buis. In 't Engelsch staat robe of durance. Durance beteekent zoowel duurzaamheid en een duurzame stof, als opsluiting en gevangenis.--Een oogenblik later wordt Falstaff's what a plague door den Prins verzacht tot what a pox; wat pest, en wat pokken; hier "voor den duivel" en "wat weêrga."
I. 2. 80. Als mijn getrouw aanhanger. In het Engelsch: For the obtaining of suits? Dit kan beteekenen: "om een bede gedaan te krijgen", maar ook: "om kleederen te verkrijgen", en in den laatsten zin vat Falstaff de vraag op, daar de beul de kleederen der terechtgestelden kreeg en dus in een drukken tijd, zooals na een opstand volgde, een welgevulde kleerkas kon bekomen.
I. 2. 85. Of als de baspijp van een Lincolner doedelzak. Uit Lincolnshire kwamen veel rondtrekkende doedelzakblazers, die bij volksvermakelijkheden dienst deden. Bij het vervolg zij opgemerkt, dat de haas in Sh.'s tijd voor een melancholiek dier doorging; en verder, dat de stadsgracht van de oude stad, de city van Londen, in zijn tijd nog bestond, en dat het gedeelte tusschen Bishopsgate en Cripplegate, Moorditch geheeten, niet alleen stinkend, modderig en zwart was, maar bovendien door een ongezond moeras omzoomd werd.
I. 2. 101. Gij hebt vloekwaardige aanhalingen. Een aanhaling, als Prins Hendrik juist uit de spreuken van Salomo deed, werd door de strenge protestanten zondig gerekend en was ook door een statuut van K. Jacobus I verboden. Daarom is dan ook het citaat in de folio-uitgave van 1623 verminkt, zoodat daar Falstaff's antwoord zinledig wordt.
I. 2. 125. Sir John Sek-met-suiker. In de 16de en 17de eeuw werd de wijn dikwijls met suiker verzoet. Sek is Malaga- of Xereswijn (Sherry), vino secco, vin sec.
I. 2. 139. Naar Gadshill. Een streek aan den weg van Londen naar Kent, die inderdaad berucht was wegens de straatrooverijen, die er plaats grepen.--Gadshill is ook de naam van een der straatroovers, die Falstaff vergezellen.--Eastcheap is een straat in Londen, waar de herberg "het Zwijnshoofd" inderdaad bestond. Zij was reeds tijdens Koning Richard II bekend en werd door den grooten brand van Londen vernield; de daarna gebouwde moest voor de oude London-bridge wijken.--In deze straat bezat Prins Hendrik een huis.
I. 2. 156. Gij zijt ook niet van koninklijken bloede enz. In het Engelsch: thou camest not of blood royal, if thou darest not stand for ten shillings. Royal is "koninklijk", maar ook een goudstuk van tien schellingen waarde.
I. 3. 80. Dien verdwaasden Mortimer. Shakespeare volgt Holinshed, en deze verwart steeds Sir Edmund Mortimer, den jongeren broeder van den in Ierland opgekomen Roger, graaf van March, met den zoon van den laatste, ook Edmund geheeten (zie de geslachtslijst). De lijn der Mortimers stamde van den derden zoon van Edward III af en had dus een nader recht op den troon dan Hendrik IV, wiens vader, Jan van Gent, de vierde zoon was. De jonge graaf Edmund van March, in dezen tijd pas tien jaar oud, wien de kroon eigenlijk toekwam, werd door Hendrik IV te Windsor opgevoed, met andere woorden, bewaakt en gevangengehouden; hij werd eerst door Hendrik V vrijgelaten, doch stierf kort daarna. De hier bedoelde Sir Edmund Mortimer, de oom van den knaap en broeder van Lady Percy, werd de schoonzoon van Owen Glendower.--Niet alleen Holinshed, maar ook andere geschiedschrijvers hebben de twee Edmunds verward en vereenzelvigd.
I. 3. 87. Met wat immer dreigde, En nu zichzelf ten val bracht, ons verdragen. In het oorspronkelijke staat: And indent with fears, when they have lost and forfeited themselves. Dat fear iets kan beteekenen, dat schrik aanjaagt, dat dreigt, een voorwerp van vrees, is niet te ontkennen en wordt door verscheiden plaatsen uit Sh. bewezen; men zie o. a. Hamlet III, 3, 25, Romeo en Julia IV, 2, 50, II Hendrik V. 5, 196. Het komt mij dus geheel onnoodig voor, fears in peers, feres, foes, of fools te veranderen.
I. 3. 156. Edmund Mortimer. Niet Edmund, maar Roger was door Richard II als erfgenaam des troons erkend.
I. 3. 208. Maar dit halfslachtig bondgenootschap, weg! In 't Engelsch staat half-faced, een half gezicht vertoonend. Percy wil in zijn opgewondenheid elk gevaar alleen tarten, en luistert nog niet naar zijn oom Worcester, die het plan slechts even aangeduid en dadelijk op het gevaar gewezen heeft. Van angstige helpers of bondgenooten wil Heetspoor niets weten. Eerst later, als hij bespeurt, dat er van een grootschen opstand sprake is, heeft hij er ooren naar, en dan terstond.--Van Heetspoor zij hier nog aangeteekend, dat hij zijn bijnaam van de Schotten ontving, met wie hij schier altijd in twist was. Hij was bij den slag te Holmedon 35 jaar oud en dus vrij wat ouder dan Shakespeare hem schetst, veel ouder dan Hendrik Monmouth.
I. 3. 254. Mijn waarde! Wierd hij een schim, die waarde. In 't Engelsch vindt men een andere woordspeling: Kind cousin, O the devil take such cozeners! (bedriegers).
I. 3. 261. Douglas' zoon. Dit is niet juist, ten gevolge van de drukfout in Holinshed; zie boven de aant. op I. 1. 70.
I. 3. 271. Zijns broeders dood in Bristol. De broeder van den aartsbisschop was Lord Scroop, graaf van Wiltshire, aan wien Richard II de rijksinkomsten verpachtte, en die door Bolingbroke te Bristol terechtgesteld werd.
II. 1. 11. Wurmen. In 't Engelsch the bots, eigenlijk de horzelmaskers of horzellarven, die in de maag van het paard gevonden worden. Een Nederlandsche volksnaam er van is mij niet bekend, het algemeene woord wurmen moge dienen. Trouwens de voerman heeft het glad mis, als hij meent, dat de horzelmaskers door vochtig voer in de maag komen.
II. 1. 24. Sinds de haver opsloeg. In 1596 was het graan zeer duur door misgewas.
II. 1. 27. Charingcross. Toen nog geen deel van Londen, maar een plaats op weg van Londen naar Westminster, dat toen nog een afzonderlijke stad was.
II. 1. 40. Bedaard wat! De karrelieden vertrouwen blijkbaar Gadshill niet, en schepen hem af.
II. 1. 77. Trojanen. Trojaan, oorspronkelijk een held, had de beteekenis van vechtersbaas, zwerver, schooier gekregen; evenzoo werd Sint-Nikolaas, oorspronkelijk de patroon van reizende scholieren, later beschermer van landloopers en struikroovers.
II. 1. 89. Zij roepen het niet aan, maar houden het aan. In 't Engelsch: not pray to her, but prey on her. Daarop volgt weder een woordspeling met boots, dat buit en laarzen beteekent, en dan met liquored, dat smeren (van laarzen) en dronken maken beteekenen kan. Varenzaad, waarvan daarna gesproken wordt, is nagenoeg onzichtbaar en wordt als middel vermeld, waarmee iemand, die het bij zich draagt, zich onzichtbaar kon maken. Maar het moet alsdan op St.-Jans-avond en op het uur van de geboorte des heiligen ingezameld zijn.
II. 1. 104. Homo is een algemeene naam van alle menschen. Gadshill wil zeggen: "Die onderscheiding niet, van eerlijke menschen en spitsboeven; iedereen is een mensch; ik ben niet anders dan een ander". De zinsnede is een aanhaling uit een kleine Latijnsche spraakkunst, The Accedence, toen ter tijd, sedert 1493, algemeen in gebruik.
II. 2. 43. Dat ze straatliedjes maken op jullie allen. Moord- en rooversgeschiedenissen maakten den hoofdinhoud van straatdeuntjes uit.
II. 2. 70. Zijn magerheid, Jan van Gent. In 't Engelsch staat alleen John of Gaunt, daar gaunt mager beteekent.
II. 3. 1. Doch wat mijzelf betreft. De brief is van een Schotschen edele, door Heetspoor tot meêdoen aan den opstand aangezocht.
II. 3. 22. Mylord van York. De Aartsbisschop.
II. 3. 38. Hoe gaat het, vrouw? Het Engelsch heeft Kate. Eigenlijk heette zij Elizabeth (bij Holinshed verkeerd Eleanor); zij was een Mortimer, zie de Geslachtslijst.
II. 3. 56. Veldslangen, gotelingen en kanonnen. In 't Engelsch staat: of basilisks, of cannon, culverin. Het zijn oude namen van geschut: de basilisk woog 9000 pond en schoot een kogel van 60 pond, het cannon woog 7000 pond, de culverin woog 4000 pond en schoot een kogel van 18 pond.
II. 3. 74. Espérance! Heetspoor zit in gedachte alreeds te paard en laat zijn wapenmotto en strijdkreet hooren.
II. 3. 96. Neen, koppen klieven, kronen Inkerven en toch in betaling nemen Voor schuld, dat is ons spel. In 't Engelsch: We must have bloodnoses and cracked crowns And pass them current too. In 't Engelsch een woordspeling: cracked crowns zijn stukgeslagen schedels en ingekorven kronen (munten), die nu tegen den regel toch gangbaar moeten blijven. De vertaling kon hier niet getrouw blijven.
II. 4. 13. Corinthiër. Iemand, die veel geld verteert, losbandig leeft. Corinthe was bij de Ouden bekend als weelderige en zedelooze stad. In Sh.'s tijd werden de tooneelstoffen dikwijls aan de Oudheid ontleend, zoodat uitdrukkingen en namen als Trojaan, Corinthiër, Ephesiër, Hector, Ajax enz. aan het publiek zeer bekend waren en dikwijls gebruikt werden.
II. 4. 25. Dit stuiverszakske suiker. In de wijnhuizen kregen de gasten bij den wijn een zakje suiker. Men mag er uit vermoeden, dat òf de wijn òf die hem dronk vaak niet al te best van smaak was.
II. 4. 30. Voor de Halvemaanskamer. In de herbergen hadden de kamers elk haar naam en versiering; men sprak dus van de Halvemaanskamer, of korter van de Halvemaan, de Granaatappel, de Dolfijn enz.
II. 4. 55. Ik zou op alle boeken in Engeland durven zweren. In Engeland wordt een eed afgelegd op den bijbel, of op "het boek", zooals de uitdrukking is.
II. 4. 77. Hem met leêren wambuis. De hier beschreven dracht is die van een eerzamen Londenschen burger. Wil men niet aannemen, dat de Prins hier eenvoudig onzin praat om Frans te overbluffen, dan kan men aannemen, dat hij den waard van het wijnhuis beschrijft, aan wien Frans dat zakje suiker zal ontstolen hebben.
II. 4. 124. Rivo. Een algemeen gebruikelijke uitroep bij het drinken, waarschijnlijk uit Spanje gekomen, zoodat men ook het woord Castiliano er bij vindt. Beteekenis onbekend.
II. 4. 136. Daar is nu ook kalk in deze sek. Er werd kalk gedaan in de Spaansche wijnen om ze duurzamer te maken; bij Sh.'s tijdgenooten vindt men meermalen klachten over deze bijmenging.
II. 4. 145. Ik wenschte, dat ik een wever was. De wevers stonden in dien tijd in den reuk van vroomheid; velen van hen waren Calvinistische vluchtelingen uit de Nederlanden en zongen psalmen bij hun werk.
II. 4. 151. Met een houten zwaard. In de Oud-Engelsche spelen trad als comische persoon de Ondeugd, Vice, dikwijls op; hij was met een houten zwaard gewapend.
II. 4. 187. Ecce signum. "Zie het teeken"; een aanhaling uit de Latijnsche kerktaal.
II. 4. 238. Toen ik er op had losgeveterd. In het Engelsch staat het woord points, dat Falstaff in de beteekenis van degenspits, Poins in die van nestel voor het ophouden der broek opvat.
II. 4. 262. Aan de wipgalg. In 't Engelsch: at the strappado. Bij deze pijniging trok men het slachtoffer met een koord, dat over een katrol liep, omhoog, liet het tot halfweg vallen en hield het dan op met een ruk, zoodat de schouders ontwricht werden.
II. 4. 320. Dan is het een koninklijk maal. Dat op de tafel der koningin behoort gedragen te worden. In het Engelsch leest men, dat vrouw Haastig zegt: "er staat een nobleman voor de deur, die van uw vader komt"; de Prins antwoordt: "Voeg er zooveel bij, dat hij een royal man wordt en stuur hem naar mijn moeder." Een noble en royal waren beide gouden munten, de eerste 6 schellingen en 8 stuivers, de tweede 10 schellingen waard.
II. 4. 351. Ziet gij die vuurvlammen? Bardolf wijst op zijn rood drinkebroêrs-gezicht.--Een oogenblik later spreekt Bardolf van choler, toorn, wat de Prins als collar, halsband, opvat, waarom hij zegt, dat het een halter, een strop, moest zijn; ook if rightly taken, "naar eisch opgevat" of "gevat", is dubbelzinnig.
II. 4. 370. Hij uit Wales. Owen Glendower ging voor een toovenaar door, die macht had op booze geesten. Een Wallisische hellebaard, iets lager, heet in 't Engelsch a Welsh hook, naar de sikkelvormig gekromde spits.
II. 4. 391. Een duizend blauwmutsen. Schotten.
II. 4. 420. Uw kostelijke, rijke kroon. In het Engelsch beteekent crown zoowel kroon als kruin.
II. 4. 425. Op de manier van koning Cambyses. De tragedie van "Cambyses, koning van Perzië", is van Thomas Preston en was in gezwollen stijl geschreven; zij werd uitgegeven in 1570 en herdrukt in 1585. De titel is: A lamentable tragedie mixed full of pleasant mirth containing the life of Cambyses, king of Persia. In dit stuk zegt b.v. de koningin: "These words to hear makes stilling tears issue from christal eyes"; men vindt er ook een tooneelaanwijzing in: At this tale told let the queen weep. Dat de toespeling voor de schouwburgbezoekers, die K. Hendrik IV zagen spelen, duidelijk was, valt niet te betwijfelen.--In zijn toespraak tot den Prins spot Falstaff, van de kamille gewagende, met den stijl van den gevierden Lyly, die in zijn boek Euphues zegt: "Though the camomile, the more it is trodden and pressed down, the more it spreadeth; yet the violet, the oftener it is touched and handled, the sooner it withereth and decayeth.--Zoo vindt men lager van pik gesproken en in Lyly's Euphues staat: He that toucheth pitch shall be defiled therewith.--De naam Spraakwater is in het Engelsch Ticklebrain, de naam van een likeur.
II. 4. 498. Dien gebraden kermis-os. In 't Engelsch staat: Dien gebraden Manningtree-ox. Manningtree was een plaats in het weide- en veerijke graafschap Essex, waar op de jaarmarkt steeds een geheele os met de ingewanden in 't lijf werd gebraden. Bij die gelegenheid werden er dan ook volksschouwspelen, zoogenaamde Moraliteiten, gegeven, waarin doorgaans de allegorische personen Ondeugd, Goddeloosheid of Verdorvenheid, en IJdelheid, Vice, Iniquity en Vanity, optraden. Van daar dat de Prins Falstaff eerst met den os en dan met die allegorische personen vergelijkt.
II. 4. 544. Uw gevolg wijs ik af. In 't Engelsch staat: "Ik ontken uw major". Major is de hoofdstelling van een syllogisme; het woord is gebezigd om tusschen major of mayor en het volgende sheriff een tegenstelling te zoeken.
II. 4. 549. Verberg u achter het wandtapijt. De tapijten werden wel is waar niet zelden aan haken tegen den muur, maar dikwijls ook op eenigen afstand er van opgehangen, zoodat men er zich zeer wel achter kon verbergen.
III. 1. 68. Wat! ongeschoeid! In 't oorspronkelijke zegt Glendower, dat de koning bootless, "onverrichter zake" moest terugtrekken. Heetspoor vat bootless op als "zonder laarzen." Glendower was inderdaad een zeer te duchten vijand van Bolingbroke. Hij had lang aan het hof vertoefd en was iemand van veel kennis en bekwaamheid. Bij gelegenheid van een twist met lord Grey van Ruthyn verongelijkt, naar het schijnt, door het parlement, vatte hij tegen den koning de wapens op, maar ongetwijfeld lag aan zijn streven de zucht naar de onafhankelijkheid van Wales ten grondslag. Hij was bijzonder gelukkig in zijn guerilla-oorlog tegen Bolingbroke, en als hij beweert, dat hij dezen driemaal terug had geslagen, III. 1. 65., is dit geen onware zelfverheffing. Zijn soms plotseling verdwijnen, als de koning hem vervolgde, zijn plotselinge overvallen, als deze hem verre waande, dit alles voedde het geloof aan zijn toovermacht. Dit, en zijn vurige en dichterlijke aard maakten hem een des te geduchter tegenstander. Al wat Walliser was stroomde naar zijn vanen toe. Waarschijnlijk was het hem onmogelijk, zijn macht tijdig met die van Heetspoor te vereenigen; ware hem dit gelukt, dan zou de dag van Shrewsbury voor koning Hendriks macht wellicht zeer noodlottig geweest zijn.
III. 1. 149. Door wat hij mij vertelt Van mier en mol. Dit heeft alles betrekking op oude Wallische overleveringen, die algemeen, en waarschijnlijk ook door Glendower, geloofd werden.--Volgens Holinshed werd het verdrag tusschen Mortimer, Heetspoor en Glendower gesloten in het geloof aan een profetie, volgens welke zij drieën koning Hendrik voor den mol hielden, die door Gods mond vervloekt was, en zichzelve voor den draak, den leeuw en den wolf, die het rijk zouden verdeelen.
III. 1. 214. Het weeld'rig bies. De biezen, waarmee de vloer bedekt was, die aan Mortimer tot weelderige rustplaats zonden strekken.
III. 1. 256. En geeft zoo taffen eedwaarborg, als waart gij Nooit verder weg geweest dan Finsbury. Heetspoor kan die makke betuigingen niet lijden, zooals welgestelde burgervrouwtjes, die, het gewaad met fluweel omboord, haar zondagswandeling naar Finsbury richtten, gaarne gebruiken. Zijn vrouw moest ze aan de vrouwen van zijdehandelaars,--vandaar taffen eedwaarborg,--en peperkoekverkoopers overlaten.--Finsbury lag toen nog buiten de poorten van Londen en was een gewoon doel van de op Zondag wandelende burgers.
III. 1. 264. 't Is de naaste weg tot het snijder-worden. Dat de snijders bij hun stillen arbeid meer dan andere handwerkslieden zingen, wordt ook bij andere schrijvers uit Sh.'s tijd vermeld.--Heetspoor let niet op de weigering van zijn vrouw, maar gaat voort: "Wie zingt, is op weg om snijder te worden of roodborstjes te leeren zingen."
III. 2. 164. Lord Mortimer van Schotland zond bericht. Shakespeare verwart hier twee familiën: de Schotsche Lords March en de Engelsche Graven van March. De eersten hadden tot familienaam Dunbar, de tweeden Mortimer. Er is hier sprake van George Dunbar, lord March, een aanhanger van den Engelschen koning.
III. 3. 5. Goudpippeling. Falstaff noemt zich, met een zinspeling op zijn naam, een apple-John, een appel, die lang goed blijft, maar rimpelig wordt.
III. 3. 82. Hollandsch linnen van acht schellingen de el. Men behoeft niet te denken, dat vrouw Haastig een ongehoord hoogen prijs noemt. In dien tijd van handarbeid was linnen duur; men vindt vermeld, dat het minste hemd een kroon (5 schellingen) kostte, en dat er ook waren van tien pond sterling.
III. 3. 129. Juffer Marianne van den moorendans. De zoogenaamde moorendansen of Meidansen waren pantomimische vertooningen, die op 1 Mei en op Pinksteren op straat plaats hadden, en waarin de beroemde Engelsche balladenheld, Robin Hood, en zijn metgezellen, alsook "Juffer Marianne", zijn geliefde, optraden. Al die personen werden door mannen voorgesteld en "Juffer Marianne" was dus bijzonder weinig geschikt om de vrouw te worden van een eerbaren stedelijken beambte.--Gestoofde pruimen, waarvan hier gesproken wordt, waren een gerecht, waar oude zondaars meermalen hun toevlucht toe namen, in de hoop van er hunne vroegere kracht door te herkrijgen, een hoop, die maar al te dikwijls ijdel bleek te zijn.
III. 3. 230. Dit wijnhuis voor mijn trom. Natuurlijk omdat, als daar de werving, uitmonstering en verzameling plaats had, Falstaff in zijn wijnhuis of hoofdkwartier des te langer vertoeven kon.
IV. 1. 12. Wien ik niet staan wil. Douglas heeft blijkbaar nog niet uitgesproken; hij wil nog iets zeggen, dat een compliment is voor Heetspoor, b.v. "nu ik met u zal strijden" of "nu de lof van een man als gij mij aanspoort," maar Heetspoor valt hem in de rede.
IV. 2. 6. Engel. Gouden munt, ter waarde van 10 schellingen; vergelijk De Koopman van Venetië II. 7. 57.
IV. 4. 1. Breng vliegensvlug Aan den lord-maarschalk dit verzegeld stuk. Dit tooneel bereidt voor op het tweede gedeelte van den burgeroorlog, dat in het volgende deel van K. Hendrik IV geschilderd wordt. De lord-maarschalk is Thomas lord Mowbray, de zoon van Hertog Norfolk, Bolingbroke's ouden vijand, zie K. Richard II. 1. 1.--De neef Scroop is de zoon van den Graaf van Wiltshire. Beiden dus geboren vijanden van Hendrik IV.
V. 1. 34. Voor u heb ik de staf mijns ambts verbroken. Zie K. Richard de Tweede, II. 3. 27.
V. 1. 43. De eer is niets dan een wapenschild. Dat bij de begrafenis van een edelman mede rondgedragen wordt, zonder dat de doode er iets aan heeft.--Falstaff noemt, wat hij gezegd heeft, een catechismus, omdat hij in vragen en antwoorden zijn geloofsbelijdenis heeft afgelegd.
V. 3. 22. Een dwaas verzelle uw ziel, waarheen zij gaat. Waar uwe ziel ook heenga, naar den hemel of naar de hel, overal blijke zij de ziel van een nar.