Koning Hendrik de Vierde

Part 7

Chapter 73,840 wordsPublic domain

HEETSPOOR. Die kan ik nu niet lezen.-- O, heeren, 's levens duur is kort; die kortheid Op lage wijs te spillen, waar' te lang, Al reed ook 't leven op een uurwerkwijzer, Zoodat het uit was, als een uur verscheen. Wij treden, levend, koningen in 't stof; En sneven,--schoon is 't!--als ook vorsten sneven! En ons geweten,--rein zijn onze waap'nen, Wanneer het doel gerecht is, dat ze voert.

(Een tweede Bode komt op.)

BODE. Heer, wees gereed; de koning rukt daar aan.

HEETSPOOR. Ik dank hem, dat hij mij tot zwijgen noopt, Want praten is mijn zaak niet. Nog slechts dit:-- Doe elk wat hij vermag! En hier trek ik Een zwaard, dat ik op heden verven wil Door 't beste bloed, dat ik kan tegentreden Bij 't hach'lijk spel van dezen heeten dag. Nu:--Espérance! Percy! en vooruit!-- Klinkt, oorlogs edele instrumenten, lustig! Laat ons bij die muziek elkaar omarmen! Want, hemel tegen aarde! er zijn er hier, Die nooit meer zulk een groet elkander brengen.

(Trompetgeschal. Zij omarmen elkander. Allen af.)

DERDE TOONEEL.

Een vlakte bij Shrewsbury.

Aanvallen; vechtende troepen; krijgsgedruisch. Daarop komen Douglas en Blunt, van verschillende zijden, op.

BLUNT. Hoe heet gij, die aldus mij in den strijd Den weg versperren komt? Wat eere zoekt gij Dus op mijn hoofd?

DOUGLAS. Verneem, mijn naam is Douglas, En ik bestook u in den strijd aldus, Omdat ik hoor, dat gij een koning zijt.

BLUNT. Dan hebt gij goed gehoord.

DOUGLAS. Duur heeft Lord Stafford heden zijn gelijk'nis Op u gekocht; in ùw plaats, koning Hendrik, Heeft hèm dit zwaard geveld; zoo doet het u, Tenzij gij u aan mij gevangen geeft.

BLUNT. Geen lage geest leeft in mij, trotsche Schot; Hier zult ge een koning vinden, die den dood Wreekt van lord Stafford.

(Zij vechten, en Blunt wordt verslagen.)

(Heetspoor komt op.)

HEETSPOOR. Hadt gij te Holm'don zoo gekampt, o Douglas, Ik had geen enklen Schot ooit overmocht!

DOUGLAS. De zege is ons! ontzield ligt hier de koning!

HEETSPOOR. Waar?

DOUGLAS. Hier.

HEETSPOOR. Daar, Douglas? Neen, die trekken ken ik wel; Een dapper ridder was 't, zijn naam was Blunt, Gelijk geharnast als de koning zelf.

DOUGLAS. Een dwaas verzelle uw ziel, waarheen zij gaat! Voor hoogen prijs kocht ge uw geleenden titel; Waartoe gaaft gij u voor een koning uit?

HEETSPOOR. Meer zijn er in des konings wapenrok.

DOUGLAS. Nu, bij mijn ziel, ik dood hem al zijn rokken, En moord zijn kleerkas, stuk voor stuk, hem uit, Tot ik den koning tref.

HEETSPOOR. Op! voort, met spoed! De dag is ons, al de onzen zijn vol moed.

(Beiden af.)

(Krijgsgedruisch. Falstaff komt op.)

FALSTAFF. In Londen ben ik er niet beducht voor, eens aangeschoten te zijn, hier wel; hier kerven zij iemand het gelag op zijn schedel.--Stil! wie zijt gij daar? Sir Walter Blunt;--daar hebt gij nu uw eer; en dat zou geen ijdelheid zijn!--Ik ben zoo heet als gesmolten lood, en even zwaar ook;--God houde mij lood uit het lijf; ik heb genoeg te dragen aan mijn eigen ingewanden.--Ik heb mijn schoeljes gebracht, waar het hun ingepeperd is; er zijn er nog maar drie van mijn honderdvijftig over, en die zijn goed genoeg voor de stadspoorten, om levenslang te bedelen. Maar wie komt daar?

(Prins Hendrik komt op.)

PRINS HENDRIK. Wat! staat gij nietsdoend hier? leen mij uw zwaard; Zoo menig edelman ligt koud en stijf, Vertrapt door 't strijdros van zijn trotschen vijand; Hun dood is nog te wreken, leen me uw zwaard.

FALSTAFF. O Hein, ik bid u, laat mij een oogenblik op adem komen. De Turk Gregorius heeft nooit zulke wapenfeiten volbracht als ik vandaag. Ik heb Percy zijn deel gegeven; hij kan het er mee doen.

PRINS HENDRIK. Dat kan hij inderdaad, en hij leeft, om u te dooden. Ik bid u, leen mij uw zwaard.

FALSTAFF. Neen, bij God, Hein, als Percy nog leeft, krijgt gij mijn zwaard niet, maar neem mijn pistool, als gij wilt.

PRINS HENDRIK. Geef het! steekt het daar in den holster?

FALSTAFF. Ja, Hein; 't is heet, 't is heet, goed om sektenmakers ten onder te brengen.

(De Prins trekt er een flesch sek uit te voorschijn.)

PRINS HENDRIK. Wat! is het nu een tijd van scherts en beuz'len?

(De Prins werpt hem de flesch voor de voeten en gaat heen.)

FALSTAFF. Nu, als Percy nog leeft, pers ik hem dood. Als hij mij in den mond loopt, 't zij; als hij het niet doet, mag hij een carbonade van mij maken, zoo ik hem vrijwillig in den mond loop. Ik ben niet gesteld op die grijnzende eer, zooals Sir Walter heeft. Geef mij leven; kan ik dat er afbrengen, 't zij; zoo niet, dan komt de eer ongevraagd, en daarmee uit.

(Falstaff af.)

VIERDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het slagveld.

Krijgsgedruisch en aanvallen. Koning Hendrik, Prins Hendrik, Prins John en Westmoreland komen op.

KONING HENDRIK. Ik bid u, Hendrik, Verlaat het slagveld, want gij bloedt te sterk.-- Lord John van Lancaster, ga gij met hem.

PRINS JOHN. Ik niet, mylord; dan moet ikzelf eerst bloeden.

PRINS HENDRIK. Ik bid uw majesteit, spoed u naar voren; Licht wekt uw afzijn onrust bij uw vrienden.

KONING HENDRIK. Dat wil ik doen.-- Lord Westmoreland, leid gij hem naar zijn tent.

WESTMORELAND. Kom dan, mylord, ik leid u naar uw tent.

PRINS HENDRIK. Mij leiden, Heer? Ik heb uw hulp niet noodig; Verhoede God, dat om een lichte schram De prins van Wales een veld als dit verlaat, Waar roodgekleurd in 't stof onze adel ligt, En 't oproer om het bloedbad triumfeert!

PRINS JOHN. Te lang gerust reeds.--Kom, neef Westmoreland; Plicht roept ons op naar ginds; om Gods wil, kom.

(Prins John gaat met Westmoreland heen.)

PRINS HENDRIK. Bij God, gij deedt mij dwalen, Lancaster; Zoo hoog had ik uw krijgsdeugd niet geschat: 'k Had, John, u vroeger als een broeder lief; Thans maakt ge deel uit van mijn eigen ziel.

KONING HENDRIK. Ik zag, hoe hij Lord Percy zich van 't lijf hield, En dat zoo kloek en rustig, als ik nooit Van zulk een onvolwassen krijger wachtte.

PRINS HENDRIK. O, deze knaap leent allen moed en vuur.

(Prins Hendrik af.)

(Strijdgedruisch. Douglas komt op.)

DOUGLAS. Alweer een koning! Zij groeien telkens uit als Hydrakoppen. Ken mij als Douglas, voor een elk verderflijk, Die deze kleuren draagt.--Spreek, wie zijt gij, Die naar den schijn een koning wezen wilt?

KONING HENDRIK. De koning zelf, wien 't, Douglas, innig grieft, Dat gij zoo vele van zijn schimmen aantroft, En niet den koning zelf. Ik heb twee knapen, Die Percy en uzelf op 't slagveld zoeken; Doch nu 't geluk aan mij u tegenvoert, Zal ik den strijd beproeven; weer u dus.

DOUGLAS. Ik vrees, dat gij ook weer een namaak zijt, Schoon gij, voorwaar, u voordoet als een koning; Doch wie gij zijt, mijn zijt gij, dit bezweer ik; En zóó maak ik u mijn.

(Zij vechten; terwijl de Koning in gevaar verkeert, komt Prins Hendrik op.)

PRINS HENDRIK. Houd thans het hoofd omhoog, gij snoode Schot, Of nu, of nimmermeer! want in mijn kling Zijn Shirley's, Blunt's en Stafford's wakk're geesten; Het is de prins van Wales, die u bedreigt, Die nooit belooft, dan als hij wil betalen.

(Zij vechten; Douglas vlucht.)

Houd moed, mijn vorst; hoe gaat het uw genade?-- Sir Nic'laas Gawsey heeft om hulp gevraagd, En Clifton ook; ik spoed mij nu tot Clifton.

KONING HENDRIK. Neen, blijf en rust een oogwenk! Herwonnen hebt gij uw verloren achting, En door de redding, die gij mij daar bracht, Getoond, dat u mijn leven wel iets waard is.

PRINS HENDRIK. O God, zij deden mij te gruw'lijk onrecht, Die zeiden, dat ik haakte naar uw dood. Als dit zoo was, behoefde ik Douglas' hand, Die u bedreigde, slechts niet af te wenden, Want die had wis uw levenstijd voleind, Zoo snel als een'ge moorddrank het vermocht, En zóó uw zoon verraderswerk bespaard.

KONING HENDRIK. IJl gij naar Clifton; ik wil zelf naar Gawsey.

(Koning Hendrik af.)

(Heetspoor komt op.)

HEETSPOOR. Zie ik het wel, dan zijt gij Hendrik Monmouth.

PRINS HENDRIK. Gij spreekt, als wilde ik mijnen naam verlooch'nen.

HEETSPOOR. Mijn naam is Hendrik Percy.

PRINS HENDRIK. Nu, dan zie ik Een overdapp'ren muiter van dien naam. Ik ben de prins van Wales; en waan niet, Percy, Dat gij nog een'gen roem meer met mij deelt; Twee sterren loopen niet in éénen kring, En 't eenig England duldt geen dubbelrijk Van Hendrik Percy en den prins van Wales.

HEETSPOOR. Dit zal 't niet doen, want, Hendrik, 't uur is daar, Dat een van ons bezwijkt; en waar', God gave 't! Uw wapenroem zoo groot nu als de mijne!

PRINS HENDRIK. Ik maak hem grooter, eer ik van u scheide, En iedere eer, die op uw helm ontluikt, Ik pluk en vlecht ze tot een krans voor mij.

HEETSPOOR. Niet langer duld ik zulk een ijd'le taal.

(Zij vechten.)

(Falstaff komt op.)

FALSTAFF. Goed zoo, Hein! er op los, Hein!-- Nu, dat is geen kinderspel, dat verzeker ik u.

(Douglas komt weder op; hij vecht met Falstaff, die zich laat vallen, alsof hij dood was; daarna gaat Douglas heen. Heetspoor wordt gewond en valt.)

HEETSPOOR. O Hendrik! gij berooft mij van mijn jeugd! Ik draag 't verlies van 't broze leven lichter, Dan dien mij afgewonnen grootschen roem; Dit wondt mijn geest, meer dan uw zwaard mijn vleesch;-- Maar, ja, de geest is slaaf van 't leven, 't leven De nar des tijds; de tijd, die alles schouwt, Loopt zelf ten eind. O, 'k zou als ziener spreken, Als niet de kille, zware hand des doods Den mond mij sloot.--Neen, Percy, gij zijt stof, En spijs voor--

(Hij sterft.)

PRINS HENDRIK. Voor wormen, wakk're held! Vaarwel, groot hart!-- Wat krimpt gij in, gij slechtgeweven eerzucht! Dit lichaam achtte, toen 't een geest bevatte, Zich door een koninkrijk te nauw begrensd; Nu zijn twee schreden van den minsten grond Ruim groot; deze aarde, die u, doode, draagt, Draagt levend geen zoo kloeken edelman. Als gij mijn vriendlijkheid gevoelen kondt, Zou ik mijn eerbetoon zoo warm niet uiten:-- Thans dekk' mijn veldtooi uw verminkt gelaat, En danken wil ik, namens u, mijzelf, Dat ik die schoone, teed're hulde u bracht. Vaarwel, en neem uw lof met u ten hemel! Uw schande zij met u ter aard besteld, En worde ook in uw grafschrift niet vermeld!--

(Hij ontwaart Falstaff op den grond.)

Wat! oude vriend! behield u al dit vleesch Geen sprankje leven? Arme Hans, vaarwel! 'k Had beter nog een beet'ren man ontbeerd. Ja, uw verlies waar' mij een bitt're smart, Zat lust tot ijdel doen mij diep in 't hart. Hoe menig edel hert vandaag mocht vallen, Gij zijt gewis het zwaarste wild van allen. Lig, tot ik mij om u te ontweien spoed, Hier naast den eed'len Percy in uw bloed.

(Prins Hendrik af.)

FALSTAFF (opstaand). Ontweien! als gij mij vandaag ontweidt, geef ik u verlof mij in te zouten, ja, en morgen op te eten ook. Alle duivels! het was tijd een schijn te worden, of die woedende dolkop van een Schot had mij schot en lot laten betalen. Een schijn? Neen, dat is een leugen, ik ben geen schijn; maar sterven, dat is een schijn te worden, want hij is maar de schijn van een mensch, die het leven niet heeft van een mensch; maar de schijn te zijn van den dood, om daardoor in het leven te blijven, dat is niet een schijn zijn, maar inderdaad het ware en volkomen beeld van het leven. Het beste deel van de dapperheid is voorzichtigheid; en door dat beste deel heb ik mijn leven gered.--Verduiveld, ik ben nog bang voor dien buskruit-Percy, al is hij nu dood. Wat! als hij ook eens een schijn was, en weer opstond? Op mijn woord, ik vrees, dat hij de beste schijn van ons tweeën zou blijken. Daarom wil ik hem onschadelijk maken, ja, en ik wil zeggen, dat ik hem verslagen heb. Waarom zou hij niet even zoo goed kunnen opstaan als ik? Niets kan mij logenstraffen dan oogen, en niemand ziet mij; daarom, man, (Hij brengt hem een dolksteek toe.) met een nieuwe wond in de dij gaat gij nu met mij mee.

(Hij neemt Heetspoor op zijn rug.)

(Prins Hendrik en Prins John komen op.)

PRINS HENDRIK. Nu, broeder John, gij hebt uw maagdlijk zwaard Recht dapper ingewijd.

PRINS JOHN. Stil! wie is dat? Gij zeidet toch, die vette man was dood?

PRINS HENDRIK. Ja, zeker, 'k zag hem dood, Bebloed en ademloos in 't stof.-- Zijt gij in leven, of is 't hier verbeelding, Die met onze oogen spot? Ik bid u, spreek! Ons oog is onbetrouwbaar zonder 't oor; Gij zijt niet wat gij schijnt.

FALSTAFF. Neen, dat is zeker, een dubbele man ben ik niet; maar als ik niet Hans Falstaff ben, wil ik Hans Worst heeten. Daar is Percy; (Hij werpt het lijk neder.) als uw vader mij de een of andere eer wil aandoen, goed; zoo niet, dan mag hij den volgenden Percy zelf ombrengen. Ik verwacht graaf of hertog te worden, dit kan ik u verzekeren.

PRINS HENDRIK. Wat! Percy doodde ikzelf en zag u dood.

FALSTAFF. Gij? waarlijk?--Heere, Heere, wat is deze wereld aan den leugen verslaafd!--Ik geef u toe, ik lag op den grond, geheel buiten adem, en hij desgelijks, maar wij stonden beiden op hetzelfde oogenblik op, en vochten een goed uur, op de torenklok van Shrewsbury af. Wil men mij gelooven, goed; zoo niet, dan valle de zonde op het hoofd van hen, die de dapperheid moesten beloonen. Ik sterf er op, dat ik hem deze wond in de dij heb toegebracht; als de man maar in leven was, en dit durfde loochenen, duivels! dan zou ik hem een stuk van mijn zwaard te eten geven.

PRINS JOHN. Dit is het vreemdst verhaal, dat ik ooit hoorde.

PRINS HENDRIK. Dat is de vreemdste snuiter, broeder John.-- Kom, neem weer fier uw pakje op den rug; Voor mijn deel, brengt een leugen u in gunst, Dan wil ik die met schoone taal vergulden.

(Trompetgeschal tot terugroeping van het slagveld.)

Daar is 't verzamelsein; de dag is ons. Kom, broeder, nu naar 't hoogste deel van 't veld, En zien wij, wie der vrienden leeft, wie viel.

(Prins Hendrik en Prins John af.)

FALSTAFF. Ik wil hen daar volgen, zooals zij zeggen, voor mijn belooning. Die mij beloont, dien loone God! Als ik grooter word, wil ik kleiner worden; want ik wil purgeeren, en de sek opgeven en ordelijk leven, zooals het een edelman betaamt.

(Falstaff af, met het lijk.)

VIJFDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het slagveld.

Trompetgeschal. Koning Hendrik, Prins Hendrik, Prins John, Westmoreland en Anderen komen op; Worcester en Vernon als gevangenen.

KONING HENDRIK. Zoo vond rebellie nog altoos haar straf.-- Gij boosgezinde Worcester, boden wij Genadig niet aan allen vrede en vriendschap? En hebt ge ons aanbod niet geheel verdraaid? 't Vertrouwen van uw neef geheel misbruikt? Drie ridders, die aan onze zijde vielen, Een edel graaf en menig ander krijger Waar' tot dit uur in leven, Zoo ge als waar christen tusschen beide legers Een ware boodschap over hadt gebracht.

WORCESTER. Tot wat ik deed, dreef mij mijn veiligheid, En ik aanvaard gelaten wat mij wacht, Daar 't onafwendbaar op mij nederstort.

KONING HENDRIK. Voert Worcester heen, en Vernon ook, ter dood;-- Der andren schuld zij nader overwogen.

(Worcester en Vernon af, door een Wacht begeleid.)

Hoe staat het op het slagveld?

PRINS HENDRIK. Heer, de eed'le Schot, Lord Douglas, toen hij zag, Dat zich de krijgskans tegen hem gekeerd had, Dat de eedle Percy dood was, en al 't volk Vol schrik aan 't vluchten, vlood ook zelf, maar werd Bij 't vallen van een heuvel zoo gekneusd, Dat wij hem grepen. Zoo bevindt zich Douglas Thans in mijn tent, en ik verzoek uw hoogheid: Geef hem in mijne macht.

KONING HENDRIK. Van harte gaarne.

PRINS HENDRIK. Dan, broeder John van Lancaster, zij nu Deze eervolle edelmoedigheid ùw taak: Ga tot Lord Douglas, meld hem, dat hij vrij Kan gaan, waarheen hij wil, en zonder losgeld; Zijn moed, waar onze helmen van getuigen, Heeft ons geleerd, hoe zulke grootsche daden Ook in den vijand te vereeren zijn.

PRINS JOHN. Dank voor dit schoon verleenen van genâ, Dat ik onmidd'lijk overbrengen ga.

KONING HENDRIK. Dan blijft te doen, dat we onze macht verdeelen.-- Gij, mijn zoon John en neef van Westmoreland, Trekt op naar York met allen denkb'ren spoed, Northumberland en den aartsbisschop tegen, Die ijv'rig, hoor ik, zich ten strijde rusten. Ikzelf, zoon Hendrik, trek met u naar Wales, Om met Glendower en Mortimer te kampen. Gedempt is ras het oproer in dit land, Als nog een dag als deze 't overmant; Schoon werd op heden onze taak begonnen; Dies niet gerust, eer alles is gewonnen.

(Allen af.)

AANTEEKENINGEN.

Het eerste tooneel van dit stuk sluit zich onmiddellijk aan het laatste van "K. Richard II" aan; de onlusten, waarop koning Hendrik in den eersten regel doelt, die hem schokten en bleek van angst deden zijn, waren dezelfde, wier onderdrukking hem in het laatste tooneel van het vorige stuk door boden bericht wordt.--Ongetwijfeld is dit stuk kort na het vorige ontstaan en toch legt het in veel hoogere mate getuigenis af van de scheppende kracht des dichters. Hier leverde de kroniek hem weinig meer dan den gang der gebeurtenissen; de rijke karakterteekening is geheel de schepping van zijn geest.

Dit eerste deel van "Koning Hendrik de Vierde" behandelt de gebeurtenissen, die in het derde en vierde regeeringsjaar (1402 en 1403) van dezen eersten koning uit het huis van Lancaster vallen, namelijk den afval van den Noord-Engelschen adel, die, na aan Bolingbroke den troon verschaft te hebben, in verzet kwam, toen het bleek, dat de nieuwe leenheer de rechten der kroon nadrukkelijk handhaafde. Bij dien afval speelde de machtige familie der Percy's, uit Northumberland, de hoofdrol; de moedige Heetspoor was onder hen de beroemdste.--De naaste aanleiding tot den burgeroorlog was de volgende.

Heetspoor had een groote overwinning op de Schotten, die door den graaf van Douglas werden aangevoerd, bevochten, bij Nesbit. Douglas wist op nieuw een macht te verzamelen, waarmede hij weder een inval deed, maar met zeer ongunstigen uitslag, want hij werd door de Engelschen onder aanvoering van Heetspoor en George, Graaf van March, bij Holmedon allergeweldigst aangevallen (1402); een schrikkelijke slachting werd aangericht onder edelen en gemeenen, en velen werden gevangen, zooals Mordake, graaf van Fife, zoon van den hertog van Albanië, den regent van Schotland, verder Archibald graaf Douglas, die in den slag een oog verloor, en anderen. De koning eischte hun deze gevangenen af, bewerende, dat zij aan hem behoorden te worden uitgeleverd, maar de Percy's ontkenden dit en stonden hem alleen Mordake, graaf van Fife, af. Zij kwamen naar Windsor en eischten van den koning, dat hij Edmund Mortimer, den broeder van den in Ierland gesneuvelden graaf van March (zie blz. 467, alsmede de geslachtslijst) en van Heetspoor's vrouw, zou vrijkoopen uit zijn gevangenschap bij Owen Glendower. De koning weigerde dit en de Percy's gingen verbitterd heen.

De zoo even genoemde Owen Glendower woonde in Noord-Wales en was een geduchte tegenstander der Engelschen. Hij had de vaan der onafhankelijkheid van Wales geheven en trachtte, door Frankrijk ondersteund, den vorstenrang in Wales door strijd te erlangen. In 1401 had hij Reginald de Grey en Edmund Mortimer overwonnen, een geweldige slachting onder de hunnen aangericht,--waarbij de Wallisische vrouwen de lijken zelfs mishandelden,--en de beide aanvoerders gevangengenomen. Glendower ging bij het volk voor een toovenaar door, die de geesten der bergen tot zijn dienst kon dwingen.

Glendower ontsloeg na eenigen tijd Edmund Mortimer uit zijn gevangenschap, verzoende zich met hem en gaf hem zijn dochter ten huwelijk. Door tusschenkomst van Mortimer kwam een verbond tot stand tusschen hem en de Percy's, waarbij zich ook de door hen vrijgelaten Douglas aansloot.

Toen koning Hendrik in den zomer van 1403 tegen de Schotten optrok, verhief Percy Heetspoor in zijn rug de vaan des opstands en riep door proclamaties het volk te wapen. Koning Hendrik handelde met spoed, wierp zich tusschen de macht van den graaf van Northumberland en diens zoon Percy in, en verhinderde hun vereeniging. Op 21 Juli 1403 had de slag bij Shrewsbury plaats, waarin, na hardnekkigen strijd, de koning de overwinning behaalde, Percy Heetspoor sneuvelde, Douglas, Worcester (broeder van Northumberland en oom van Heetspoor) en vele anderen gevangengenomen werden. De persoonlijke moed van den koning had veel tot de overwinning bijgedragen; zijn zoon, de zestienjarige Prins, had zich mede recht dapper gekweten, en was, schoon door een pijl in het gelaat gewond, niet te bewegen geweest het slagveld te verlaten; hij had tot het einde toe meegestreden; er is echter geen enkel bewijs, zelfs geen overlevering, dat hij persoonlijk Heetspoor zou geveld hebben. Door de overwinning bij Shrewsbury was de opstand voor goed gefnuikt

Dit gedeelte der geschiedenis werd, met enkele later aan te wijzen bijzonderheden, door Shakespeare aan Holinshed ontleend.--Die gedeelten van zijn stuk, waarin de Prins met Falstaff verkeert, mag men geheel zijn eigen, ongeevenaarde schepping achten, tot welke Holinshed, en waarschijnlijk ook de volksoverlevering, niets dan de aanleiding hebben verschaft. Holinshed vermeldt, dat Hendrik van Monmouth,--zooals de prins naar zijn geboorteplaats genoemd werd,--als jong mensch zich aan een woesten levenswandel heeft overgegeven en met ruwe menschen van lageren stand omging, maar bij zijn troonsbeklimming een ander mensch, een toonbeeld van alle vorsten- en christendeugden geworden is. Hij vertelt ook, dat de Prins eens den Lord-Opperrechter geslagen heeft, omdat die een zijner makkers bestrafte en dat hij voor dit vergrijp in hechtenis is genomen. Raadpleegt men andere, meer betrouwbare bronnen, dan kan men er ten minste uit gissen, dat de Prins geenszins altijd bedaard geleefd heeft en met zijn vader wel eens op gespannen voet geweest is. Zeker is het, naar echte bescheiden, dat hij in één jaar vrijdom van rechten genoot voor honderd tonnen wijns, die voor hem werden aangevoerd, dat zijn oom, de bisschop van Winchester, eens 826 pond sterling betaalde, om schulden voor hem af te doen, en dat hij nog als koning schuldeischers uit zijn jeugd afbetaalde. Ook is het bekend, dat hij zijn zetel in den geheimen raad verloor.--Men ziet, dat Shakespeare niet zonder grond den Prins in het gezelschap bracht, waarmede hij hem in dit stuk laat verkeeren, maar het zij hier tevens opgemerkt, dat de Prins, terwijl hij zich verlustigt in de zwakheden van zijn metgezellen, steeds zichzelf en den toestand beheerscht, geen oogenblik het gevoel voor het grootsche en koninklijke verliest, dat zijn eigenlijk wezen door zijn uitspattingen niet wordt aangetast, en dat hij, met zijn vroeger leven brekend en als waardig koning optredend, zich geenszins plotseling behoeft te bekeeren; hij beheerscht zoowel de hoogten als de diepten des levens. En als om de lagere sferen, waarin de Prins zich beweegt, te veredelen, treedt daarin de grootste komische figuur, die ooit een dichter geschapen heeft, Sir John Falstaff, op.