Koning Hendrik de Vierde

Part 6

Chapter 63,996 wordsPublic domain

VERNON. Ik breng meer nieuws: Die heeft, zoo hoorde ik op mijn rit door Worcester, Nog in geen veertien daag zijn macht bijeen.

DOUGLAS. Dit is de slechtste tijding nog van alle.

WORCESTER. Ja, op mijn eer, zij heeft een killen klank.

HEETSPOOR. Hoe sterk is wel de gansche macht des konings?

VERNON. Een dertigduizend.

HEETSPOOR. Laat het veertig zijn! Mijn vader en Glendower er niet?--nu goed; Wijzelf zijn mans genoeg door onzen moed. Komt, ras ter monstring! Koom' de jongste dag! Wie sterft, als alles sterft, sterft met een lach

DOUGLAS. Spreek niet van sterven; dood noch doodsgevaar Zal mij doen vreezen in het eerst halfjaar.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Een openbare weg bij Coventry.

Falstaff en Bardolf komen op.

FALSTAFF. Bardolf, ga naar Coventry vooruit; laat een flesch sek voor mij vullen. Onze soldaten moeten doormarcheeren; wij willen van avond naar Sutton Colfield.

BARDOLF. Wilt gij mij geld geven, hopman?

FALSTAFF. Schiet maar voor, schiet voor!

BARDOLF. Die flesch maakt een gouden engel.

FALSTAFF. Als ze dat doet, houd hem dan voor uw moeite; en al maakt zij er twintig, houd die alle, ik sta voor den muntslag in. Zeg aan mijn luitenant Peto, dat hij aan het eind van de stad mij opwacht.

BARDOLF. Zeer goed, hopman; vaarwel.

(Bardolf af.)

FALSTAFF. Als ik mij niet schaam over mijn soldaten, ben ik een gezouten knorhaan. Ik heb 's konings werfbrief schandelijk misbruikt. Ik heb in plaats van honderd-vijftig soldaten, driehonderd en zooveel pond aangeworven. Ik pres niemand dan jongens met huis en hof, rijke boerenzoons; ik spoor me verloofde jonggezellen op, die hun tweede gebod hebben gehad; een voorraad van koûkleumen, die al even graag den duivel hooren als het roeren van een trom; bloeden, die den knal van een donderbus erger duchten dan een vroeger eens getroffen hoen of een aangeschoten wilde eend. Ik heb me geen andere dan zulke wittebroods-kereltjes geprest, met harten in het lijf, niet grooter dan een speldeknop; en die hebben zich van den dienst vrijgekocht; en nu bestaat mijn geheel commando uit vaandrigs, korporaals, luitenants, onderofficiers, schoeljes, die zoo haveloos zijn als Lazarus op wandtapijten, waar de honden van den rijken man zijn zweren likken, en die inderdaad ook nooit soldaten waren, maar afgedankte trouwelooze dienstknechten, jonger zoons van jonger broeders, weggeloopen biertappers en achteruitgegane stalknechts, het ongedierte van een rustigen tijd en een langen vrede, tienmaal schandelijker haveloos dan een oude gelapte standaard. En kerels heb ik, als plaatsvervangers voor die zich losgekocht hebben, dat men zou denken, daar honderd-en-vijftig verloren zoons te zien, zooals zij gekomen zijn van het zwijnenhoeden en het eten van draf en kaf. Een dwaze kerel kwam mij op weg tegen, en zeide mij, dat ik alle galgen geplunderd en de doode lijken geprest had. Geen menschelijk oog heeft ooit zulke vogelverschrikkers gezien. Ik wil niet met hen door Coventry marcheeren, dat spreekt;--neen, maar die schoften marcheeren wijdbeens, alsof zij voetboeien aanhadden; nu, de meesten van hen kreeg ik uit gevangenissen. Er is nauwelijks anderhalf hemd in mijn geheele vendel, en dat halve hemd zijn twee servetten, samengenaaid en over de schouders geworpen, als een herautenrok zonder mouwen; en het hemd is, om de waarheid te zeggen, gestolen van den waard te Sint-Albaans of van den roodneuzigen biertapper te Daventry. Maar dat doet er niet toe; linnen zullen zij genoeg op iedere heg vinden.

(Prins Hendrik en Westmoreland komen op.)

PRINS HENDRIK. Hoe is 't, dikke Hans? hoe is 't, watten prop?

FALSTAFF. Wat, Hein! hoe is het, dolle schalk? wat duivel doe je in Warwickshire?--Mijn waarde Lord van Westmoreland, ik vraag verschooning; ik dacht, dat uw edelheid reeds te Shrewsbury was.

WESTMORELAND. Ja, Sir John, 't is meer dan tijd, dat ik daar kom, en gij ook, maar mijn troepen zijn er reeds. De koning, kan ik u zeggen, ziet naar ons allen uit; wij moeten de geheele nacht marcheeren. 63

FALSTAFF. O, wees om mij niet bezorgd; ik ben bij de hand, als een kat om room te stelen.

PRINS HENDRIK. Ja waarachtig, om room te stelen, want wat je gestolen hebt, heeft je geheel tot boter gemaakt. Maar zeg eens, Hans, wat zijn dat voor kerels, die daar achteraankomen?

FALSTAFF. De mijne, Hein, de mijne.

PRINS HENDRIK. Zulke armzalige schooiers heb ik van mijn leven niet gezien.

FALSTAFF. O kom, goed genoeg om aangespietst te worden; voêr voor kruid, voêr voor kruid; zij vullen een kuil even goed als beter luî; wel ja, man, sterfelijke menschen, sterfelijke menschen!

WESTMORELAND. Maar toch, Sir John, mij dunkt, dat zij er verbazend armoedig en vermagerd uitzien, al te bedelachtig.

FALSTAFF. Ja, wat hun armoede betreft, waar zij die vandaan hebben, weet ik niet; en hun magerheid, die hebben zij zeker van mij niet afgekeken.

PRINS HENDRIK. Neen, daar wil ik op zweren; tenzij gij drie vingers dik op de ribben mager noemt. Maar kerel, maak haast; Percy is reeds te velde.

FALSTAFF. Hoe! is de koning reeds bij 't leger?

WESTMORELAND. Ja zeker, Sir John; en ik vrees, wij talmen reeds te lang.

(Prins Hendrik en Westmoreland af.)

FALSTAFF. Nu goed; Het laatst in 't veld, en de eersten bij een feest, Lijkt tragen vechters, gragen gasten 't meest.

(Af.)

DERDE TOONEEL.

Het kamp der Opstandelingen bij Shrewsbury.

Heetspoor, Worcester, Douglas en Vernon komen op.

HEETSPOOR. Wij grijpen deze nacht hem aan.

WORCESTER. Dat niet.

DOUGLAS. Dan brengt gij hem in 't voordeel.

VERNON. Niet in 't minst.

HEETSPOOR. Hoe kunt gij 't zeggen? wacht hij geen versterking?

VERNON. Wij ook.

HEETSPOOR. De zijne is zeker, de onze niet.

WORCESTER. Laat, neef, u raden; val van nacht niet aan.

VERNON. Dat raad ik ook, mylord.

DOUGLAS. Uw raad is slecht; Zoo spreekt ge uit vrees of wankelmoedigheid.

VERNON. Douglas, geen lastertaal; want bij mijn leven,-- En met mijn leven maak ik dit u waar,-- Als welbegrepen eer mij voorwaarts drijft, Ga ik zoo min met laffe vrees te rade, Als gij, mylord, of eenig Schot, die leeft; Het blijke morgen in den slag, wie onzer Vrees koestert.

DOUGLAS. Ja, of heden nacht.

VERNON. Bedaar!

HEETSPOOR. Van nacht, zeg ik.

VERNON. Kom, kom, dit moet niet zijn. Ik sta verbaasd, Dat mannen, van zoo groot beleid als gij, Toch niet voorzien, wat groote hindernissen Den veldtocht ons vertragen. Mijn neef Vernon Is met zijn ruiters nog niet aangekomen; Die van Lord Worcester kwamen heden eerst; Nu zijn hun fierheid en hun vuur in slaap, Hun krijgslust van vermoeinis traag en mak; Geen paard is half de helft nu van zichzelf.

HEETSPOOR. Zoo is 't ook met de paarden van den vijand; Schier alle afgemat en zonder vuur; En 't meerendeel der onze is uitgerust.

WORCESTER. De koning is veel talrijker dan wij; Wacht, neef, om Gods wil, tot al de onzen hier zijn.

(Trompetgeschal voor een mondgesprek.)

(Sir Walter Blunt komt op.)

BLUNT. Ik breng, zoo ge achting en gehoor mij gunt, Voorslagen vol genade van den koning.

HEETSPOOR. Sir Walter Blunt, wees welkom! Gave God, Dat gij met ons van één gezindheid waart! Hoog schatten hier u velen, doch ook dezen Misgunnen u uw hoogen naam en waarde, Wijl gij van onze kleur en soort niet zijt, Maar als een vijand tegen ons u stelt.

BLUNT. En God behoede mij voor andre keus, Zoolang gij, orde, recht en wet miskennend, U tegen den gezalfden koning kant! Doch hoort mijn last.--De koning vraagt door mij, Wat uwe klachten zijn, en op wat grond Gij uit den boezem van den burgervrede Zoo drieste vijandschap bezweert, zijn land, Hem trouw, zoo woeste wreedheid leert? Heeft ooit Op een'ge wijs de koning uwe diensten, Die, dit erkent hij, vele zijn,--vergeten, Zoo vraagt hij: noemt uw grieven; en terstond Zult gij met rente ontvangen, wat gij wenscht, En ook vergiff'nis voor uzelf, voor allen, Die gij tot dit verzet hebt overreed.

HEETSPOOR. Een vriend'lijk koning! O, hij kent zijn tijd, Tijd van beloven, ja, en van betalen! Mijn vader en mijn oom en ook ikzelf, Wij schonken hem de kroon, die hij nu draagt. En toen hij nog geen dertig mannen sterk was, Krank in der menschen achting, arm, ellendig, Als onbemerkte balling huiswaarts sluipend, Bracht hem mijn vader 't welkom toe aan 't strand; En toen die hem bij God betuigen hoorde, Dat hij slechts kwam als hertog Lancaster, Zijn leen kwam heffen en om vrede vragen, Met onschuldtranen, op den toon der trouw, Zwoer hem mijn vader, met zijn lot bewogen, Goedhartig bijstand toe, en hield zijn woord. Toen nu de lords en rijksbaronnen zagen, Hoe hem Northumberland genegen was, Toen kwamen groot en klein, blootshoofds en buigend, Begroetten hem in vlek en dorp en stad, En wachtten hem bij brug en landweg op, En brachten giften, boden hem hun eeden, En gaven hem hun zoons voor pages, volgden In gouden schaar hem op de hielen na. Fluks, als de grootheid, die zichzelf bewust wordt, Stijgt hij een weinig hooger dan dien eed, Dien hij op 't naakte strand van Ravenspurg Met armer bloed mijn vader had gedaan. En dra, voorwaar, verstout hij zich, besluiten En enkle stipte wetten te herzien, Die zwaar 't gemeene welzijn drukten, schreeuwt Van wangebruiken, houdt zich, of hij weent Om 't wee des lands, en wint door dezen schijn, Die voorgewende zucht tot recht, het hart Van allen, die hij vangen wil; en gaat Nu verder, door het hoofd te laten vallen Van al de gunstelingen, die de koning Te zijner plaatsvervanging achterliet, Toen hij persoonlijk de' Ierschen krijg ging voeren.

BLUNT. Ik kwam niet hier, om dit te hooren.

HEETSPOOR. Nu dan, Ter zake. Dra beroofde hij den koning, Eerst van de kroon, en kort daarop van 't leven; Belastte onmidd'lijk zwaar het gansche rijk; En liet, nog schand'lijker, zijn neef van March,-- Die toch, als elk zijn rechte plaats bekleedde, Zijn koning wezen moest,--in Wales in gijz'ling, Opdat, niet losgekocht, zijn recht daar sliep; Vergold mijn zegepralen met beschimping; Ja, zocht mij door verspieders te betrappen; Verjoeg door hooning uit 's rijks raad mijn oom; Verdreef, in woede, van het hof mijn vader; Brak eed op eed, beging onrecht op onrecht, En drong ons, eindlijk, onze veiligheid In dit verzet te zoeken, en, daarbij, Zijn koningsrecht te toetsen, dat ons waarlijk Te weinig geldig blijkt voor langen duur.

BLUNT. Moet ik dit antwoord aan den koning brengen?

HEETSPOOR. Dat niet, Sir Walter; dat wij ons beraden! Ga tot den koning en verwerf voor ons De zekerheid van veil'ge wederkomst; Alsdan komt hem op morgen vroeg mijn oom Voorslagen van ons doen; en nu, vaarwel!

BLUNT. O, naamt gij vrede en vriendschap van hem aan!

HEETSPOOR. 't Is moog'lijk, dat wij 't doen.

BLUNT. Dit geve God!

(Allen af.)

VIERDE TOONEEL.

York. Een vertrek in het paleis van den Aartsbisschop.

De Aartsbisschop van York en Sir Michaël komen op.

AARTSBISSCHOP. Haast u, Sir Michaël, en breng vliegensvlug, Aan den Lord-Maarschalk dit verzegeld stuk; Dit aan mijn neef, lord Scroop; en al die and're Aan wie zij zijn gericht. Indien gij wist, Van welk belang zij zijn, groot ware uw spoed.

SIR MICHAËL. Mijn goede Lord, Ik gis hun inhoud.

AARTSBISSCHOP. Moog'lijk, dat gij 't doet. Het is op morgen, waarde heer, een dag, Waarop 't geluk van ruim tienduizend mannen Den toets doorstaan moet. Want, bij Shrewsbury,-- Zoo melden zeekre bronnen,--zal de koning, Met groote, in allerijl gelichte macht, Zich met Lord Percy meten; en ik vrees, Deels om de ziekte van Northumberland, Wiens macht de grondslag was van 't krijgsontwerp, Deels om het niet verschijnen van Glendower, Die mede een hechte steun moest zijn, en nu; Door profetieën afgeschrikt, niet opdaagt,-- Ik vrees, dat Percy's macht te zwak zal zijn, Om met den koning nu den strijd te wagen.

SIR MICHAËL. Mijn waaide Lord, er is geen grond tot vrees; Denk, Douglas is er, en Lord Mortimer.

AARTSBISSCHOP. Neen, Mortimer is niet er bij.

SIR MICHAËL. Daar zijn toch Mordake, Vernon, Hendrik Percy, Daar is mylord van Worcester, en een macht Van wakk're krijgers, dappere edellieden.

AARTSBISSCHOP. Dat is zoo, ja; maar bij den koning is Een heldenschaar uit heel het rijk vereenigd: De prins van Wales, Lord John van Lancaster, De wakk're Westmoreland, de dapp're Blunt, Met nog veel andre medestanders, allen Van grooten naam en duchtig krijgsbeleid.

SIR MICHAËL. Zij zullen sterken weerstand vinden, heer.

AARTSBISSCHOP. Dit hoop ik ook, maar duchten is wel noodig; Spoed u, Sir Michaël, om het ergst te keeren; Want slaagt Lord Percy niet, dan zoekt de koning, Vóór hij zijn leger afdankt, ons wis op. Hij kent ons deelgenootschap in 't verbond; En wijsheid eischt, dat wij ten strijde ons rusten. Dus haast u. 'k Heb aan meen'gen andren vriend Alsnog te schrijven; vaar dus wel, Sir Michaël.

(Beiden af.)

VIJFDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Het legerkamp van den Koning bij Shrewsbury.

Koning Hendrik, Prins Hendrik, Prins John van Lancaster, Sir Walter Blunt en Sir John Falstaff komen op.

KONING HENDRIK. Hoe bloedig gluurt de zon daar over 't bosch Van gindschen heuveltop; de dag ziet bleek Van hare krankheid.

PRINS HENDRIK. En de zuidenwind Speelt voor trompet, die ons haar plannen meldt; Zijn stootend fluiten door de blaadren spreekt Ons van een ruwen dag, van storm, die komt.

KONING HENDRIK. Zoo uite hij zijn leed aan wie 't verliezen, Want aan wie winnen dunkt geen weder slecht.

(Trompetgeschal.)

(Worcester en Vernon komen op.)

Gij daar, mylord van Worcester? 't Is niet goed, Dat gij en ik elkander dus ontmoeten Als nu. Bedrogen hebt gij ons vertrouwen, Het lenig vredekleed ons af doen leggen, En 't oude lijf in 't harde staal doen knellen; Dit is niet goed, mylord, dit is niet goed. Wat hebt gij voor? Wilt gij dien boozen knoop Van den alom verfoeiden krijg ontknoopen, Uw vasten loop hervatten in de baan, Waar gij met schoon en rustig licht in straaldet, En verder nu geen luchtverheev'ling zijn, Een schrikverspreidend wonder en een voorspook Van onheil voor nog ongeboren tijden?

WORCESTER. Hoor mij, mijn vorst. Ik, voor mijn deel, ik kan er in berusten, Het slepend eind mijns levens door te brengen In kalme rust; want dit betuig ik u, Ik zocht den dag van dezen haat niet op.

KONING HENDRIK. Gij zocht hem niet? hoe is hij dan gekomen?

FALSTAFF. De muiterij lag op zijn weg; hij vond die.

PRINS HENDRIK. Stil, spekpastei, zwijg stil.

WORCESTER. 't Behaagde u, vorst, de blikken uwer gunst Van mij en heel ons huis gansch af te wenden; En toch,--ik moet het u herinn'ren, heer,-- Wij waren de eerste, trouwste van uw vrienden. Voor u heb ik de staf mijns ambts verbroken In Richards tijd, en reisde dag en nacht Om u te ontmoeten, u de hand te kussen, Toen gij op verre na in rang en aanzien Zoo machtig en geëerd niet waart als ik. Ikzelf, mijn broeder en zijn zoon, wij waren 't, Die hier u wederbrachten, stout des tijds Gevaren trotsend. Toen hebt ge ons gezworen, En dezen eed zwoert gij te Doncaster,-- Niets tegen 't rijk in 't schild te voeren, niets Te vord'ren dan 't u pas vervallen erfrecht, Gents zetel, 't hertogdom van Lancaster. Toen zwoeren wij u bijstand toe; maar dra Daalde op uw hoofd geluk in stroomen neer; Ja, zulk een vloed van grootheid viel op u, Dank onzer hulp, dank ook des konings afzijn, Dank ook het onrecht van een dart'len tijd, De krenking, u zoo blijkbaar aangedaan, En dank den tegenwinden, die den koning Vasthielden, al te lang, aan 't Iersche strand, Zoodat heel England hem gestorven waande;-- En in dien zwerm van gunsten van het lot Vondt gij dra 't middel, dat men u verzocht Om zelf het roer des staats ter hand te nemen, Vergat uw eed aan ons te Doncaster, En loondet ons, de voeders van uw grootheid, Zooals de ondankb're guit, de jonge koekoek, De musch beloont: gij hebt ons nest verdrukt, En werdt door onze voeding ras zoo groot, Dat onze liefde u niet meer durfde naad'ren, Beducht ook zelf te worden opgeslokt; Met vlugge wieken moesten wij ons redden, U uit het oog, en deze macht verzaam'len; Zoodat we ons enkel met die midd'len weren, Die gij, gijzelf gesmeed hebt tegen u, Door krenkende bejeeg'ning, dreigend blikken En 't roekloos schennen van de trouw en vriendschap, Die gij bij de' aanvang van uw tocht ons zwoert.

KONING HENDRIK. Dit hebt gij stuk voor stuk reeds vaak ontvouwd, Op markten afgelezen en in kerken, Om het gewaad des oproers af te zetten Met fraaie kleur, en zoo van wankle zielen En arme onvergenoegden 't oog te streelen, Die, wijdmonds gapend, zich den elboog wrijven Bij 't hooren van onstuimige' ommekeer. Nu, zulke waterverven zijn door oproer Altijd tot kleuring van zijn zaak te vinden, En wreev'le beedlaars ook, die steeds naar tijd Van woesten moord en van verwarring snakken.

PRINS HENDRIK. In beide legers is er meen'ge ziel, Die duur ons samentreffen zal betalen, Wanneer wij ons gaan meten. Meld uw neef: De prins van Wales stemt in met heel de wereld, Tot Hendrik Percy's lof; ja, bij mijn heil, Deze onderneming nu niet meegerekend, Zeg ik: er leeft geen beter edelman, Zoo kloek-heldhaftig, zoo heldhaftig-jeugdig, Zoo onversaagd en stout, om onzen tijd Door grootsche, fiere daden roem te schenken. Ikzelf,--en tot mijn schande zij 't erkend,-- Was bij de ridderschap een ledigganger, En hij ook, hoor ik, houd mij voor niets meer; Toch zeg ik hier voor 's konings majesteit, Dat ik hem gaarne 't gansche voordeel laat, Hem door zijn grooten naam en glans verleend, En, zoo der andren bloed dan wordt gespaard, Met hem den strijd, man tegen man, aanvaard.

KONING HENDRIK. En, prins van Wales, dùs wagen wij uw leven; 't Zij zoo, hoe talloos de bezwaren zijn, Die huiv'ren doen.--Neen, goede Worcester, neen, Ons is ons volk geliefd, zelfs die zijn ons Nog lief, die met uw neef een dwaalspoor volgen; En is hun mijn genade welgevallig, Dan wordt èn hij, èn zij, èn gij, ja ieder Op nieuw mijn vriend; ik zal de zijne zijn. Zeg dit uw neef, en breng mij ras bericht, Wat hij beslist! Doch, geeft hij thans niet toe, Weet, ons verzellen straf en tuchtiging; Die zullen dan haar plicht doen. Gaat nu heen. Niets meer; want wederwoorden zijn wij moe! Wij bieden vriendlijk aan, grijpt wijslijk toe!

(Worcester en Vernon af.)

PRINS HENDRIK. Zij nemen het niet aan, zoo waar ik leef. Douglas en Heetspoor zijn bijeen; die twee Trotseeren zelfs een wereld in de waap'nen.

KONING HENDRIK. Van hier dus, ieder krijger naar zijn post; Wij vallen daad'lijk na hun antwoord aan; Zij God met ons, aan onze zijde is 't recht.

(De Koning, Blunt en Prins John af.)

FALSTAFF. Hein, als gij mij in den slag op den grond ziet, en u schrijdelings over mij heen stelt, dan doet gij wel; 't is vriendenplicht.

PRINS HENDRIK. Alleen een colossus kan u die vriendschap doen. Doe uw gebed en vaarwel.

FALSTAFF. Ja, ik wenschte het wel slapenstijd, Hein, en alles goed.

PRINS HENDRIK. Nu, gij zijt God een dood schuldig.

(Prins Hendrik af.)

FALSTAFF. 't Is nog de vervaldag niet; ik zou hem ongaarne betalen voor den tijd. Wat behoef ik zoo voorkomend te wezen jegens iemand, die mij niet maant? Nu, het doet er niet toe; de eer roept mij voorwaarts. Ja, maar hoe, als de eer mij afroept bij het voorwaarts gaan? hoe dan? Kan de eer een been aanzetten? Neen. Of een arm? Neen. Of de pijn stillen van een wond? Neen. De eer is dus niet bedreven in de heelkunde? Neen. Wat is eer? Een woord. Wat is het woord eer? Lucht. Een fraaie rekening!--Wie heeft haar? Die Woensdag gestorven is. Voelt hij ze? Neen. Hoort hij ze? Neen. Is ze dus niet waar te nemen? Neen, door den doode niet. Maar leeft ze dan nooit bij de levenden? Neen. Waarom niet? De afgunst duldt dit niet.--Daarom wil ik niets van haar weten. De eer is niets dan een wapenschild; en daarmee is mijn catechismus ten einde.

(Falstaff af.)

TWEEDE TOONEEL.

Het kamp der opstandelingen.

Worcester en Vernon komen op.

WORCESTER. O neen, Sir Richard, nimmer mag mijn neef 't Genadig aanbod van den koning kennen.

VERNON. Dit waar' toch goed.

WORCESTER. Dan waren wij verloren. Het is volstrekt onmoog'lijk, kan niet zijn, Dat ons de koning woord houdt, ooit mag lijden; Wij blijven hem verdacht, hij speurt den tijd Om dit vergrijp in andre schuld te straffen. Ons leven lang blijft argwaan duizendoogig; Verraad wordt nooit vertrouwd dan als de vos, Die nooit, hoe mak, geliefkoosd, opgesloten, Den wilden aard van zijn geslacht verzaakt. Kijk hoe ge wilt, blijmoedig of bedrukt, Een leven hebben we als een os op stal, Hoe meer verzorgd, hoe nader bij den dood. Mijns neefs vergrijp, ja, kan vergeten worden, Zijn jeugd, zijn ziedend bloed is zijn verschooning, En zelfs zijn bijnaam wordt hem tot een voorrecht: De dolkop Heetspoor, door zijn luim beheerscht. Zijn zonden worden mij op 't hoofd gestapeld, Mij en zijn vader: wij verlokten hem, En, wat ooit hèm besmette, 't komt van ons; Dies boeten wij, als bron van alles, alles. En daarom, beste neef, dat Hendrik nimmer, Wat ook gebeur', des konings aanbod kenn'.

VERNON. Meld gij dan wat gij wilt; ik zal 't beamen. Daar komt uw neef.

(Heetspoor en Douglas komen op, achter hen Officieren en Soldaten.)

HEETSPOOR. Mijn oom is weer terug;--laat dus den graaf Van Westmoreland weer vrij.--Nu, oom, wat meldt gij?

WORCESTER. De koning biedt terstond den slag u aan.

DOUGLAS. Daag door mylord van Westmoreland hem uit.

HEETSPOOR. Lord Douglas, ga, en zeg hem dit.

DOUGLAS. Voorwaar, dat wil ik, en van harte gaarne.

(Douglas af.)

WORCESTER. Geen schijn zelfs van genade toont de koning.

HEETSPOOR. Gij vroegt er om? verhoede 't God!

WORCESTER. Zachtmoedig sprak ik hem van onze grieven, En van zijn eedbreuk, dien hij door den meineed, Dat hij geen meineed pleegde, nu verschoonde; Verraders, muiters noemt hij ons, en wil In ons dien naam met trotsche waap'nen gees'len.

(Douglas komt terug.)

DOUGLAS. Te wapen, heeren, vlug! 'k Heb koning Hendrik Een uitdaging, die klinkt, naar 't hoofd geworpen, En Westmoreland, die gijz'laar was, brengt ze over; Zij wekt onfeilbaar hem terstond ten strijd.

WORCESTER. De prins van Wales trad voor des konings zetel, En daagde, neef, u tot een tweestrijd uit.

HEETSPOOR. O, dat aan ons het strijden waar' vertrouwd, En dat geen enkel man van daag moest hijgen, Dan ik en Hendrik Monmouth! Zeg mij, zeg mij, Hoe was zijn taal? minachtend? overmoedig?

VERNON. Neen, bij mijn heil! in heel mijn leven hoorde ik Geen vijand ooit bescheid'ner uitgedaagd; Een broeder kan een broeder aldus nooden Tot edele oef'ning en tot wapenspel. Hij kende u iedre mannenhulde toe, En tooide uw lof met rijke vorstentong; Hij somde als een kroniek uw deugden op, En noemde u altijd beter dan zijn lof, Als waar' die bij uw waarde schimp te reek'nen. En,--wat als prins hem wel het schoonste stond,-- Schaamrood vermeldde hij zichzelf, en laakte Zijn lediggaande jeugd zoo schoon en waar, Als waar' hij meester van een dubb'len geest, Die, leering gevend, zelf ook leerling was. Toen zweeg hij. Maar, dit zeg ik aan de wereld: Spaart hem de nijd van dezen dag, dan heeft Nooit England zulk een schoone hoop bezeten, Om de' overmoed der jeugd zoozeer miskend.

HEETSPOOR. Gij zijt, neef, dunkt mij, door en door verliefd Op al zijn dwaasheid; nooit heb ik gehoord Van een'gen prins, die zulk een losbol was. Maar zij hij wat hij wil, nog voor de nacht Wil ik hem met een krijgsmansarm omhelzen, Dat hij ineenkrimpt van mijn heuschen groet. Op, op, ten strijd!--En, krijgers, vrienden, broeders, Bedenkt gij beter, wat gij hebt te doen, Dan ik, die niet de gaaf van 't woord bezit, Uw bloed kan wekken door welsprekendheid.

(Een Bode komt op.)

BODE. Heer, daar zijn brieven voor u.