Part 5
KONING HENDRIK. Vergeve u God!--doch ik verbaas mij, Hendrik, Dat uw begeerten zoo de wieken uitslaan, Ver van de vlucht van heel uw voorgeslacht. Door ruwheid hebt ge uw zetel in den staatsraad Verbeurd; uw jong're broeder nam dien in; Een vreemdling zijt gij schier voor alle harten Van 't hof en van de prinsen van mijn bloed. De hoop en de verwachting van uw tijd, Vervlogen zijn ze, en iedre menschenziel Voorspelt zichzelf profetisch uwen val. Was ik met mijn aanwezigheid zoo gul, Zoo uitgestald voor ieders oog, zoo glansloos En voor gemeen verkeer te koop geweest,-- Die meening, die de kroon mij heeft verschaft, Ware aan het troonbezit getrouw gebleven, Had mij een roemloos balling laten blijven, Als een, die niets was, niets verwachten liet. Ik kwam zeer zelden voor den dag, maar dan Werd ik ook aangegaapt als een komeet; Dan riep de vader tot zijn kroost: "Dat is hij!" Een ander vroeg: "Waar, wie is Bolingbroke?" Dan was de hoflijkheid des hemels mijn, En kleedde ik mij in zulk een need'righeid, Dat ik verknochtheid afdwong van hun hart, En groet en jubelkreten aan hun mond, Zelfs aan de zijde des gekroonden konings. Zoo hield ik mijn persoon steeds frisch en nieuw; Zij werd, gelijk een hoogepriesterskleed, Bewond'rend slechts aanschouwd; en heel mijn praal, Zeldzaam, doch kostbaar, was gelijk een feest, En zoo, door ongewoonte, een plechtigheid. De koning was een spring-in-'t-veld, verzelschapt Van dwaze fratsenmakers, strooien geesten, Snel vlammend, snel verbrand; zijn waardigheid Versneed hij, mengde 't hooge koningschap Met luchtsprongnarren, liet zijn grooten naam Ontheil'gen door hun spot, en gaf zijn aanzien, Zijn naam ten trots, den lach van knapen prijs, Den moedwil van elk ijdel, baardloos gekje; Hij werd een klant der openbare straat, En maakte zich tot leenman van de volksgunst, Totdat, wijl de oogen daag'lijks hem verslonden, Het volk van honing was verzaad, de smaak Hun tegenstond van 't zoet, waarvan een weinig Meer dan een weinig veel te veel reeds is. Kwam nu een dag, dat hij zich moest vertoonen, Dan werd hij, als de koekoek is in Juni, Gehoord, niet opgemerkt; gezien, met oogen, Die, door gewoonte stomp en moe, niet meer Voor 't staren vatbaar zijn, dat met bewondring Den zonneschijn der majesteit begroet, Haar zelden zichtbren glans eerbiedig huldigt; Zij knikkebolden met geloken oogleên, Recht voor zijn oog, en gunden hem een blik, Als wreev'le mannen aan hun vijand doen, Van overdaad, die walgde van zijn bijzijn. En, Hendrik, op diezelfde lijn staat gij, Want gij ook hebt uw vorstlijkheid versmeten, Door laakbaar, laag verkeer. Geen enkel oog, Dat niet, te vaak u ziend, u moede werd; Alleen het mijne wenschte u meer te zien, En doet nu iets, wat ik mijzelf verwijt, Het maakt zich blind door dwaze teederheid.
PRINS HENDRIK. Ik wil voortaan, genadig heer en vader, Mijzelf meer zijn.
KONING HENDRIK. In ieder opzicht zijt gij, Voorwaar, te dezer stond, wat Richard was, Toen ik te Ravenspurg uit Frankrijk landde; En juist wat ik toen was, is Percy nu. Ja, bij mijn scepter en mijn zieleheil, Hij heeft veel hooger aanspraak op den troon, Dan gij hebt door de schaduw van uw erfrecht; Want zonder recht, ja zonder zweem van recht, Vult hij 's rijks velden met zijn wapenmacht, Houdt stand voor de' open muil des leeuws, en brengt, Niet meer dan gij zijn jaren dankend, achtb're Bisschoppen en vergrijsde lords in 't veld, Tot schilden-splijten en tot bloedig strijden. En wat onsterfelijken roem verwierf hij Zich tegen Douglas, dien geprezen held, Wiens stoute tochten, grootsche wapenfeiten Bij elken krijger hem den eersten rang, Den hoogsten oorlogsroem verworven hadden, In alle rijken, waar men Christus eert! Driemaal heeft deze Heetspoor, Mars in winds'len, Die zuig'lingheld, in 't veld den grooten Douglas Verslagen, ééns gevangen hem gemaakt, Hem weer geslaakt en toen als vriend gewonnen, Om diepe vijandschap den mond te stoppen, En onzen troon te schokken, dat hij vall'. En hoor nu toe: "Percy, Northumberland, Yorks hooge kerkvoogd, Douglas, Mortimer, Zijn tegen ons verbonden, staan in 't veld." Doch wat heb ik die tijding u te melden, U, Hendrik, u mijn vijanden te noemen, U, die mijn naaste en ergste vijand zijt? U, die wellicht uit onderdaan'ge vrees, Uit lagen lust, of als een luim u drijft, Mij zult bevechten in soldij van Percy, Den voet hem likken, voor zijn fronsblik kruipen, Om recht te toonen, hoe ontaard gij zijt.
PRINS HENDRIK. Neen, denk dit niet, gij zult het zoo niet vinden; Vergeev' God hun, die bij uw majesteit Mij zoo van uwen goeden dunk beroofden! Ik maak dit alles goed op Percy's hoofd, En zal aan 't einde van een dag vol roems Met fierheid tot u zeggen: "'k ben uw zoon"; Als ik in een gewaad van bloed u nader, Mijn trekken met een masker kleur van bloed, Dat, weggewasschen, ook mijn schande wegspoelt. Dat zal de dag zijn,--koom' hij als hij wil!-- Waarop eenmaal dat kind van eer en roem, De dapp're Heetspoor, de geprezen ridder, En uw vergeten Hendrik samentreffen. O waar' elke eer, die op zijn helmet troont, Een menigt', en op mijn hoofd elke schimp Verdubbeld! want de dag genaakt, hij komt, Dat ik dien noordschen jong'ling dwing, zijn schat Van roem te ruilen voor mijn oogst van schande. Percy, mijn vorst, is slechts mijn zaakwaarnemer; Zijn heldendaden stapelt hij voor mij; En dra roep ik hem op tot rekenschap; Uitleev'ren zal hij mij zijn ganschen roem, Ja, ook het nietigst eerbetoon der wereld, Of ik rijt hem de reek'ning uit zijn hart. Dit zweer ik plechtig, bij den naam van God; En als het Hem behaagt, dat ik 't volbreng, Dan heele dit, zoo smeek ik uwe hoogheid, Elke oude wond van mijn losbandigheid; Zoo niet, dan delgt de dood toch alle schuld; En ik wil honderdduizend dooden sterven, Eer ik een adem van deze' eed verbreek.
KONING HENDRIK. Dit doodt een honderdduizendtal verraders; Nu zij bevel en alles u vertrouwd.
(Blunt komt op.)
Spreek, wakkre Blunt! uw blikken zijn vol haast.
BLUNT. Dien heeft de zaak, die ik u melden kom. Lord Mortimer van Schotland zond bericht, Dat Douglas zich met de Engelsche oproerlingen Den elfden heeft vereend te Shrewsbury. Het wordt een zoo verschrikk'lijk machtig heer, Indien elk hunner zijn beloften houdt, Als ooit een staat met onheil heeft gedreigd.
KONING HENDRIK. De graaf van Westmoreland trok heden op, Met hem mijn zoon, lord John van Lancaster; "Want dit bericht, vijf dagen is het oud.-- Aanstaanden Woensdag, Hendrik, breekt gij op; Wijzelf op Donderdag; verzamelplaats Zal Bridg'north zijn; gij, Hendrik, neemt uw weg Door Glostershire; naar deze reek'ning zal, Is alles goed geordend, in twaalf dagen Te Bridg'north onze macht vereenigd zijn. Van hier! veel is te doen en haast is goed; 't Geluk wordt loom, als zich de mensch niet spoedt.
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Eastcheap. Een vertrek in de herberg "Het Zwijnshoofd."
Falstaff en Bardolf komen op.
FALSTAFF. Bardolf, ben ik niet schandelijk afgevallen na die laatste geschiedenis? vermager ik niet? slink ik niet weg? Verduiveld, mijn vel hangt om mij heen als het huiskleed van een oude madam; ik ben zoo verschrompeld als een goudpippeling. Nu, ik wil tot mijzelf inkeeren, maar dan terstond, terwijl ik nog wat goed in 't vleesch ben; binnenkort zal ik zoo min wezen, dat ik de kracht niet heb, om tot mijzelf in te keeren. Als ik niet vergeten ben, hoe een kerk er van binnen uitziet, ben ik een peperkorrel, een brouwerspaard! Een kerk van binnen! Mijn omgang, mijn nietswaardige omgang heeft mij bedorven.
BARDOLF. Sir John, gij zijt zoo neerslachtig, gij hebt niet lang meer te leven.
FALSTAFF. Ja, zoo is het.--Kom, zing mij eens een schuinsch liedje, vroolijk mij wat op. Ik was zoo deugdzaam gezind, als een man van stand behoeft te zijn, deugdzaam genoeg; vloekte weinig, dobbelde niet boven de zeven keer in de week, ging in slechte huizen niet meer dan eens in een vierendeel--uurs; betaalde het geld, dat ik borgde, drie- of viervoudig; leefde ordelijk en hield behoorlijk maat,--en nu leef ik recht ordeloos en buiten alle maat.
BARDOLF. Nu, ge zijt zoo dik, Sir John, dat ge wel buiten alle maat moet zijn, buiten alle redelijke maat, Sir John.
FALSTAFF. Verbeter jij je gezicht, en ik wil mijn leven beteren. Je bent onze admiraal, je draagt de lantaren aan den achtersteven,--neen, ze zit bij je in den neus; je bent de Ridder van de brandende Lamp.
BARDOLF. Kom, Sir John, mijn gezicht doet u geen kwaad.
FALSTAFF. Neen, dat wil ik je wel bezweren, ik maak er een even goed gebruik van, als menigeen van een doodshoofd of een memento mori. Ik zie nooit je gelaat, of ik denk aan het helsche vuur en aan den rijken man, die in purper leefde; want daar zit hij al in zijn praal en brandt en brandt. Was je eenigermate aan de deugd verkleefd, dan zou ik zweren bij je gezicht; mijn eed zou wezen: "Bij die vuurvlam, die de engel Gods is." Maar je bent gansch en al aan de zonde verslaafd, en zoudt inderdaad, zonder dien gloed op je gezicht, de zoon wezen van de buitenste duisternis. Toen je bij Gadshill den heuvel opliept om mijn paard te vangen,--als ik toen niet dacht, dat je een dwaallicht of een bliksemvuurbol waart, dan is er voor geld niets meer te koop. O, je bent een eeuwigdurende fakkeloptocht, een onuitblusschelijk vreugdevuur. Je hebt mij een duizend marken aan toortsen en kaarsen uitgehaald, als ik 's nachts met je wandelde, de eene herberg uit, de andere in; maar voor de sek, die je mij hebt opgedronken, had ik bij den duursten kaarsenmaker in Europa even zoo goedkoop kaarsen kunnen hebben. Ik heb dien salamander van je nu al twee en dertig jaren van vuur voorzien, God loone 't mij!
BARDOLF. Verduiveld, ik wenschte, dat mijn gezicht in uw buik zat!
FALSTAFF. God beware me! dan had ik den brand in mijn ingewanden.
(De Waardin komt op.)
Hoe is het, mevrouw Koekeloer? Ben je er achter, wie mijn zakken geleegd heeft?
WAARDIN. Wel, Sir John, wat denkt ge, Sir John? Denkt ge, dat ik dieven in mijn huis heb? Ik heb gezocht, ik heb gevraagd, en mijn man ook, man voor man, jongen voor jongen, meid voor meid; geen tiende van een haar is er ooit in mijn huis zoek geraakt.
FALSTAFF. Gelogen, waardin; Bardolf is er geschoren geworden en heeft er menig haar verloren; en ik durf zweren, dat mijn zakken geleêgd zijn. Loop heen, je bent een vrouwmensch; ga!
WAARDIN. Wie, ik? Neen, zeg dat nog eens! God in den hemel! zoo heeft mij nog niemand in mijn eigen huis genoemd.
FALSTAFF. Loop heen, ik ken je door en door.
WAARDIN. Neen, Sir John; ge kent mij niet, Sir John; ik ken u, Sir John; ge zijt me geld schuldig, Sir John; en nu zoekt ge twist om van mij af te komen. Ik heb u een dozijn hemden op het lijf gekocht.
FALSTAFF. Paklinnen, voddig paklinnen; ik heb ze aan bakkersvrouwen weggegeven en die hebben er builen van gemaakt.
WAARDIN. Wat! zoowaar ik een eerlijke vrouw ben, Hollandsch linnen van acht schellingen de el! Bovendien zijt gij hier ook nog geld schuldig, Sir John, voor uw eten, en het tusschen in drinken, en geleend geld, vier en twintig pond.
FALSTAFF (op Bardolf wijzend). Hij heeft ook zijn deel er van gehad, laat hem betalen!
WAARDIN. Hij? lieve, God, hij is arm, hij heeft niets.
FALSTAFF. Wat! hij arm? Zie zijn gezicht eens aan; wat noem je dan rijk? laat hem munt slaan uit zijn neus, munt slaan uit zijn wangen. Ik betaal geen duit. Wat, wil je een grasgroenen jonker van mij maken? Zou ik mijn gemak niet kunnen nemen in mijn eigen herberg, zonder dat men mij de zakken leêgt? Ik ben er een zegelring van mijn grootvader mee kwijt geraakt, die zijn veertig marken waard is.
WAARDIN. O Jezus! ik heb den prins ik weet niet hoe dikwijls tegen hem hooren zeggen, dat die ring van koper was.
FALSTAFF. Wat! de prins is een weerhaan, een uitknijper; verduiveld! als hij hier was, zou ik hem afrossen als een hond, zoo hij dat zeide.
(Prins Hendrik en Poins komen op, marcheerend; Falstaff gaat den Prins, die op zijn commandostaf als op een fluit speelt, te gemoet.)
FALSTAFF. Hoe is het, mijn jongen? Waait de wind uit dien hoek? Waarachtig? moeten wij allen marcheeren?
BARDOLF. Ja, twee aan twee, als gevangenen naar Newgate.
WAARDIN. Mylord, ik bid u, hoor mij.
PRINS HENDRIK. Wat is er, vrouw Haastig? Hoe maakt uw man het? Ik mag hem wel; hij is een eerlijke kerel.
WAARDIN. Beste mylord, hoor mij aan!
FALSTAFF. Ik bid u, laat haar loopen en luister naar mij.
PRINS HENDRIK. Wat wil je dan, Hans?
FALSTAFF. Kort geleden ben ik 's avonds hier in slaap gevallen, daar achter het tapijt, en toen zijn mij de zakken geleêgd; dit huis is een spelonk geworden; zij leêgen er iemand de zakken.
PRINS HENDRIK. Wat ben je er meê kwijt geraakt, Hans?
FALSTAFF. Wil je wel gelooven, Hein, drie of vier schuldbekentenissen van veertig pond elk, en een zegelring van mijn grootvader.
PRINS HENDRIK. Een bagatel, een ding van acht stuivers.
WAARDIN. Dat heb ik hem ook gezegd, mylord; en ik zeide, dat ik het uwe genade had hooren zeggen; en, mylord, hij spreekt allerschandelijkst van u, zoo'n vuilbek als hij is, en zeide, dat hij u zou afrossen.
PRINS HENDRIK. Wat! dat zeide hij toch niet?
WAARDIN. Als het niet waar is, is er geen waarachtigheid of eerlijkheid of vrouwelijkheid in mij.
FALSTAFF. Je bent niet waarachtiger dan gestoofde pruimen, niet eerlijker dan een opgejaagde vos, en wat de vrouwelijkheid betreft, kan bij vergelijking juffer Marianne van den moorendans voor een buurtmeestersvrouw doorgaan. Loop, schepsel, loop rondom!
WAARDIN. Zeg, wat voor een schepsel? wat voor een schepsel?
FALSTAFF. Wat voor een schepsel? wel een schepsel, om God voor te danken.
WAARDIN. Ik ben geen schepsel, om God voor te danken, onthoud dat maar; ik ben een eerlijken mans vrouw; en, je ridderschap er buiten gelaten, je bent een schelm, dat je mij zoo noemt.
FALSTAFF. En, je vrouwelijkheid er buiten gelaten, je bent een beest, dat je het beter wilt weten.
WAARDIN. Zeg eens, wat voor een beest, jij schelm?
FALSTAFF. Wat voor een beest? wel, een otter.
PRINS HENDRIK. Een otter, Sir John! waarom een otter?
FALSTAFF. Waarom? Wel, zij is nòch vleesch nòch visch; een mensch weet niet, waar haar toe te brengen.
WAARDIN. Je bent een lasteraar, als je dat zegt; gij en iedereen weet, dat ik nergens toe te brengen ben, jij schelm, jij!
PRINS HENDRIK. Je hebt gelijk, waardin; en hij belastert je op afschuwelijke manier.
WAARDIN. Dat doet hij u ook, mylord; en hij zeide nog kort geleden, dat gij hem duizend pond schuldig waart.
PRINS HENDRIK. Wat, man! ik je duizend pond schuldig?
FALSTAFF. Duizend pond, Hein! een millioen; je vriendschap is een millioen waard; en je vriendschap ben je mij schuldig.
WAARDIN. Neen, maar mylord, hij noemde u een weêrhaan, en zeide, dat hij u zou afrossen.
FALSTAFF. Heb ik dat gezegd, Bardolf?
BARDOLF. Zeker, Sir John, dat hebt ge gezegd.
FALSTAFF. Ja, als hij zeide, dat mijn ring van koper was.
PRINS HENDRIK. Ik zeg, hij is van koper; durft ge zoo goed als je woord nu wezen?
FALSTAFF. Wel, Hein, je weet, voor zoover je slechts een man bent, durf ik; maar voor zoover je een prins bent, vrees ik je, als het gebrul van een leeuwenwelp.
PRINS HENDRIK. En waarom niet als de leeuw?
FALSTAFF. De koning zelf is te vreezen als de leeuw. Denk je, dat ik je zal vreezen, zooals ik je vader vrees? Neen, als ik dat doe, straff' mij God en moge mijn gordel bersten!
PRINS HENDRIK. O, als dat gebeurde, hoe zou je pens om je knieën flodderen! Maar, kerel! voor waarheid, eerlijkheid en oprechtheid is er in je lijf geen plaats; het is volgepropt met darmen en vet. Een eerlijke vrouw van zakkenrollerij te beschuldigen! Wel, jij liederlijke, onbeschaamde, opgezwollen schelm, als er iets in je zak zat dan herbergiersrekeningen, nota's uit knippen, en voor een armzaligen stuiver kandijsuiker om de keel glad te houden,--als je zakken gevuld waren met andere ongerechtigheden dan deze, dan ben ik een schurk. En toch durf je volhouden, dat je geen onrecht zoudt opsteken! Schaam je je niet?
FALSTAFF. Laat ik je zeggen, Hein: je weet, in den staat van onschuld is Adam gevallen; wat zou dan de arme Hans Falstaff doen in de dagen der verdorvenheid? Je ziet, ik heb meer vleesch dan andere menschen en daarom ook meer zwakheid. Je erkent dus, dat je mij de zakken geleêgd hebt?
PRINS HENDRIK. Dit schijnt wel te blijken.
FALSTAFF. Waardin, ik vergeef je. Ga, maak het ontbijt gereed; bemin je man, ga je bedienden na, zorg goed voor je gasten; je zult mij voor alle gezonde redenen toegankelijk vinden; je ziet, ik ben bevredigd.--Nog iets?--Neen, ik bid u, ga heen. (De Waardin af.) Nu, Hein, nu van het nieuws aan het hof; die straatrooverij, jongen,--hoe is dat in het effen gebracht?
PRINS HENDRIK. O, mijn lieve rollènde, ik moet altijd je goede engel zijn.--Het geld is terugbetaald.
FALSTAFF. Hm! ik houd niet van dat terugbetalen; 't is dubbel werk.
PRINS HENDRIK. Ik ben met mijn vader op goeden voet en kan alles doen.
FALSTAFF. Plunder dan vóór alles de schatkist, en wel zonder omslag te maken.
BARDOLF. Ja, doe dat, mylord.
PRINS HENDRIK. Ik heb je een commando te voet verschaft, Hans.
FALSTAFF. Te paard zou mij liever geweest zijn. Waar kan ik er een vinden, die behoorlijk kan stelen? O, zoo'n knappen dief van twee-en-twintig of daaromtrent! Ik ben schandelijk aan lager wal. Nu, God zij gedankt voor die opstandelingen; zij doen niemand kwaad dan de braven; ik prijs, ik loof hen.
PRINS HENDRIK. Bardolf!
BARDOLF. Mylord?
PRINS HENDRIK. Breng dit stuk aan Lord John van Lancaster, Mijn broeder John,--dit aan Lord Westmoreland.-- Kom, Poins, te paard! te paard! Wij hebben saam Vóór 't middagmaal een dertig mijl te rijden.-- Gij Hans, kom morgen in de Tempelzaal Tot mij te twee uur na den middag. Daar neemt ge uw dienstbrief in ontvangst en geld, Met last, hoe gij uw volk hebt uit te rusten. Gansch England brandt, en hoog draagt Percy 't hoofd; Het zijne valle, of 't onze zij gekloofd!
(De Prins, Poins en Bardolf af.)
FALSTAFF. Vuurwoorden! dapp're wereld!--Wijn hier, kom!-- Ha, 'k wenschte mij dit wijnhuis voor mijn trom!
(Falstaff af.)
VIERDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Het kamp der Opstandelingen bij Shrewsbury.
Heetspoor, Worcester en Douglas komen op.
HEETSPOOR. Braaf, eed'le Schot! Gold waarheidspreken niet In dezen fraaien tijd voor vleierij, Zoo groote erkenning zou nu Douglas oogsten, Dat geen soldaat, in onzen tijd gestempeld, Zooveel in heel de wereld gelden zou. Bij God, ik kan niet vleien; gladde tongen Verafschuw ik, maar in mijns harten liefde Bekleedt geen mensch een hoogre plaats dan gij. Ja, houd mij bij mijn woord, beproef mij, heer.
DOUGLAS. Gij zijt der eere koning! Er ademt op deze aard geen man zoo machtig, Wien ik niet staan wil.
HEETSPOOR. Doe dat, en wij slagen!
(Een Bode komt op, met een brief.)
Een brief? van wien?--(Tot Douglas). Ik kan u enkel danken.
BODE. De brief komt van uw vader.
HEETSPOOR. Een brief van hem? en waarom komt hijzelf niet?
BODE. Mylord, hij kan niet, hij is ernstig ziek.
HEETSPOOR. Vervloekt! hoe heeft hij tijd om ziek te zijn, In zulk een worsteltijd? Wie voert zijn volk aan? Wie staat aan 't hoofd en brengt hen hier naar toe?
BODE. Zijn brief, Heer, meldt u wat hij doet, niet ik.
WORCESTER. Ik bid u, zeg mij, houdt hij 't bed?
BODE. Vier dagen reeds, mylord, eer ik vertrok; En op den tijd, dat ik van daar ging, waren Zijn artsen om zijn toestand zeer bezorgd.
WORCESTER. Hoe wenschte ik onzen staat en tijd genezen, Eer hij door deze ziekte was bezocht! Nooit was zijn welzijn zooveel waard als nu.
HEETSPOOR. Nu ziek! nu machtloos! deze ziekte stort In 't levensbloed van onze plannen gift; Zij steekt ons aan, verbreidt zich in ons kamp. Hij schrijft mij hier, dat hij, inwendig krank,-- Dat hij zijn vrienden door geen plaatsvervanger Zoo snel bijeen kan brengen,--en ook huivert, Een taak zoo vol gevaar en zoo gewichtig, Aan andren te vertrouwen dan zichzelf. Toch geeft hij ons den stouten raad, dat wij, Hoe klein ons bondgenootschap zijn moog', doorgaan, En zien, hoe het geluk ons is gezind. Want, schrijft hij, 't is geen tijd van angstig dralen, Daar al, wat wij beraamden, wis den koning Alreeds bekend is. Wat zegt gij er van?
WORCESTER. Ons is uws vaders ziekzijn een verminking.
HEETSPOOR. Een booze slag, een afgehouwen arm;-- Doch neen, toch niet! 't Gemis van hem schijnt erger, Dan wij 't bevinden zullen.--Ware 't goed, Al ons bezit, al onze hoop te zetten Op éénen worp? zoo grooten schat te wagen Aan 't wuft geluk van één onzeker uur? Dit waar' niet goed; dan zouden we onze hoop Ineens doorzien tot op haar grond en wezen, Den zoom, de verste grens van onze toekomst In eens bereiken.
DOUGLAS. Zoo zou 't zijn; en nu, Nu hebben wij nog steeds iets schoons te wachten, En kunnen stout iets spillen, in de hoop Op wat ons toe zal vloeien; De troost van een terugweg leeft hierin.
HEETSPOOR. Een toevluchtsoord, en een herzamelplaats, Indien, met ongeluk vereend, de duivel Het eerste proefstuk onzer kracht begrijnst.
WORCESTER. Toch wenschte ik, dat uw vader niet ontbrak. De kleur en aard van ons ontwerp gedoogt Geen machtsverdeeling. Wis denkt menigeen, Die niet de reden van zijn afzijn weet, Dat wijsheid, onderdanentrouw, en 't laken Van wat wij doen, den graaf van hier doen blijven. Bedenk, hoe zulk vermoeden licht het tij Doet kent'ren van een huivrig bondgenootschap, En twijfel tegen onze zaak kan wekken. Gij weet wel, wij, die de' aanval doen, wij moeten Ver blijven van een scherpziend onderzoek, En ieder kijkgat, alle spleten stoppen, Waar redes oog ons door begluren kan. Dit afzijn schuift een voorhang weg, zoodat Onkundigen een soort van vrees ontwaren, Te voren nooit vermoed.
HEETSPOOR. Gij gaat te ver; Ik zie voor ons eer voordeel in zijn afzijn: 't Leent hoogren luister en een grootren roem En meerdre koenheid aan ons grootsch ontwerp, Dan zoo mijn vader hier was. 't Volk moet denken, Dat, als 't ons zònder zijne hulp gelukt Dit rijk te schokken, wij dan mèt zijn hulp Het zeker onderst boven keeren zullen. 't Gaat goed; nog zijn wij gaaf van lijf en leden.
DOUGLAS. Naar 's harten wensch. In Schotland wordt een woord Gelijk het zeggen "vrees" nooit uitgesproken.
(Sir Richard Vernon komt op.)
HEETSPOOR. Neef Vernon! wees hier welkom, op mijn woord!
VERNON. God geev', heer, dat mijn nieuws een welkom waard zij! De graaf van Westmoreland rukt herwaarts op, Sterk zevenduizend man, met hem, prins John.
HEETSPOOR. Niets kwaads. Wat meer?
VERNON. En verder, naar ik hoorde, Is ook de koning in persoon op weg; Hij rukt, met groote, welvoorziene macht, Meê herwaarts op met allen denkb'ren spoed.
HEETSPOOR. Ook hij zal welkom zijn. Waar is zijn zoon, Die spring-in-'t-veld, die dolle prins van Wales, En heel zijn bent, die met de wereld spotte, Op zij haar schoof?
VERNON. Die allen fier gewapend; Gepluimd als struisen, wiekend in den wind; Klepp'rend als aadlaars, komend van het baden; In gouden dos als heil'genbeelden schitt'rend; Zoo vol van leven als de Meimaand is; Zoo stralend als de Juni-zomerzon; Dartlend als geitjes, wild als jonge stieren. Ik zag den jongen Hendrik, 't helmet op, Staalplaten aan de dijën, trotsch gewapend, Als een gevleugelde Mercurius springen En zich zoo lustig in den zadel slingren, Als zweefde een engel uit de wolken neêr, Om op een vuur'gen Pegasus de wereld Door eed'le, stoute rijkunst te betoov'ren.
HEETSPOOR. Genoeg, genoeg; meer dan de zon in Maart, Wekt zulk een lof een koorts. Laat, laat hen komen; Zij komen aan, als offers opgesmukt; Wij zullen aan de maagd met vuur'gen blik Des donkren krijgs, hen warm en bloedend off'ren; Gepantserd zitte Mars op zijn altaar Tot aan den hals in bloed. Ik ben ontvlamd Bij 't hooren, dat een buit, zoo rijk, nabij is En nog niet ons.--Kom, ik beproef mijn klepper, Die als een donderkeg op 's prinsen borst Mij botsen doe! Dat Hendrik dra met Hendrik, En vurig ros met ros dra samenhort', Onscheidbaar, tot één onzer nederstort! O, waar' Glendower reeds hier!